12

Jones kreeg alsmaar sms’jes van zijn zoon op de mobiele telefoon die Maggie voor hem had gekocht en die hij van haar bij zich moest dragen. Het ding piepte, trilde even en dan lichtte het scherm op met het symbool van een envelopje en de naam Ricky. Jones begreep zijn berichten vaak niet, want ze zaten vol bizarre afkortingen en acroniemen waarvan hij de betekenis niet kon afleiden. hih, p? m= jullie. stdr hrd, lol. Wat moest hij daarmee?

Nog frustrerender was het feit dat hij in het begin geen idee had gehad hoe hij moest antwoorden. Hij kwam er maar niet achter hoe hij de toetsen van de telefoon moest gebruiken om een berichtje te schrijven en te verzenden. Meestal liep het erop uit dat hij zijn zoon gewoon opbelde, maar zo’n gesprek verliep altijd stroef. Jones snapte niet waarom. Hij had altijd het idee dat hij zijn zoon uit zijn slaap haalde, hoe laat het ook was, of hij merkte dat hij niets te zeggen had wat cool of interessant was. Als hij Ricky niet telefonisch kon bereiken, stuurde hij hem later op de dag een mailtje. Maar ondanks de moeizame telefoongesprekken voelde Jones zich nauwer verbonden met Rick nu hij uit huis was en studeerde, dan toen ze nog onder hetzelfde dak woonden. Misschien kwam het door de verschillende manieren van communiceren die ze nu tot hun beschikking hadden. Hij was nog steeds een hopeloos geval als het aankwam op een gesprek onder vier ogen met zijn zoon, maar een e-mail schrijven ging hem aardig af.

Vandaag luidde het bericht: iz da ride rdy, p? kn niet w88. xje!

Jones dacht dat dit betekende: is mijn bak klaar, pa? kan niet wachten. Maar xje? Jones zou het niet weten. Maar hij slaagde erin de j voor ja te versturen zoals Maggie hem had voorgedaan. Even later kreeg hij al een bericht terug: gaaf! Jones moest erom lachen. Rick was gelukkig. Hij vindt het leuk op de universiteit, en hij vindt het leuk om in het weekend naar huis te komen. Dat gaf Jones best een trots gevoel. Hij vond het knap van Rick dat hij gelukkig was, dat hij voor zijn geluk koos. Hij moest het nog maar zien te presteren. Niet dat hij nou zo ongelukkig was. Trouwens, wat hield het in, gelukkig zijn?

Hij vermoedde dat het iets van de laatste tijd was; dat het heel ‘jong’ was om te denken dat je er recht op had om gelukkig te zijn, dat je je beslissingen met dat oogmerk kon nemen. Zijn moeder was absoluut niet gelukkig geweest en had nooit stappen gezet om gelukkiger te worden. Voor zijn vader kon hij niet spreken. Jones wist niets over de man die hem, toen hij twaalf was, in de steek had gelaten en die er voor die tijd ook zelden was geweest.

Met zijn therapeut had hij de laatste tijd veel over zijn moeder, Abigail, gepraat. Ze was inmiddels al meer dan twintig jaar dood. De geur van een sigaret kon haar al doen herrijzen, en hij wist nog precies hoe haar stem klonk. Dat vind ik nou zo leuk van je, Jones, was haar aanloop geweest naar een rotopmerking. De dag voor haar hersenbloeding had ze over hoofdpijn geklaagd. Hij had gezegd dat ze maar een pijnstiller moest nemen. Waarop zij had gereageerd met: ‘Dat vind ik nou zo leuk van je, Jones. Je bent altijd zo meelevend.’ Hij kon het zich niet precies meer herinneren, maar het waren waarschijnlijk de laatste woorden geweest die ze tegen hem had gesproken. Hij was toen al zo murw van haar voortdurende geklaag over alles waar ze last van had, van haar fysieke ongemakken waaraan nooit een eind kwam en haar steeds frequenter wordende doktersbezoeken, dat haar hoofdpijnklacht het ene oor in en het andere uit was gegaan, evenals haar commentaar op zijn tekortschietende reactie.

‘Zit je daarmee?’ had zijn therapeut tijdens een recente sessie gevraagd.

‘Nee,’ had Jones geantwoord. ‘Niet echt.’

Dr. Dahl wachtte tot hij verderging. Jones ging verzitten. ‘Ik bedoel, ik wist niet beter, ze had elke dag wat anders. En op een gegeven moment heb je echt iets, kan niet missen Het houdt een keer op.’

Dr. Dahl liet hem uitpraten. ‘Ik bedoelde, zit je ermee dat dat de laatste woorden van je moeder waren?’

De vraag was een klap in zijn gezicht. Jones voelde een gloeiende warmte opkruipen in zijn hals. Hij merkte dat hij niet kon antwoorden.

‘Je hebt het grootste deel van je leven voor haar gezorgd,’ ging dr. Dahl verder. ‘Je hebt al min of meer toegegeven dat je je ambities en verlangens naar de achtergrond hebt geschoven omdat je het als een plicht voelde om bij haar te blijven.’

‘Dat was het niet alleen.’

‘Dat weet ik. We hebben het ook over andere redenen gehad. De dood van Sarah en hoe dat je heeft achtervolgd, de schuldgevoelens die aan je vraten. Maar je moeder was net zo goed – en in ieder geval voor een deel – verantwoordelijk voor de manier waarop je met die situatie bent omgegaan. Laten we niet vergeten dat je niet veel meer dan een kind was. Met de juiste begeleiding was je dat voorval beter te boven gekomen.’

Jones knikte wat, maar vertrok geen spier. Dat voorval. Zo klonk het mild, alsof hij een lichte aanrijding had veroorzaakt of een honkbal door de ruit van de buren had gegooid of een leugentje om bestwil had verzonnen. Hij had een meisje zien sterven en hij had haar dood achtergelaten in het invallende duister van een voorjaarsavond. De dood van Sarah, zijn lafheid, alle dingen die pas tientallen jaren later aan het licht waren gekomen, die zijn leven en zijn loopbaan hadden verwoest. Dat voorval.

Dr. Dahl had het nog steeds over Abigail.

‘Je was een goede zoon. Heeft ze je ooit bedankt? Heeft ze ooit iets aardigs tegen je gezegd?’

Hij moest al zijn innerlijke krachten bundelen om een kalm uiterlijk te bewaren. Diep vanbinnen borrelde een krachtig brouwsel van woede en angst. Dat maakte hem bang, maar hij kon niet zeggen waarom. Hij was bang voor zichzelf. Als jongeman al werd hij gekweld door dit soort gevoelens, wat had geresulteerd in kroeggevechten (hij had een volslagen vreemde vol op zijn bek geslagen vanwege een opmerking die hij zich niet eens meer kon herinneren), wegpiraterij (hij had iemand bijna geramd, omdat hij gesneden werd; toen hij uitstapte om verhaal te halen, zat er een jong meisje te huilen achter het stuur), zelfs in problemen op zijn werk (als jong agentje had hij twee keer voor een commissie moeten verschijnen vanwege het gebruik van onnodig geweld). Vreemd genoeg stonden die voorvallen hem niet meer helder voor de geest. Maar de gevoelens die eraan voorafgingen, herinnerde hij zich nog goed. Hij had zich net als nu gevoeld. Het was Maggie geweest die hem tot bedaren had gebracht en die hem had behoed voor zijn woede en de schade die hij had kunnen aanrichten.

‘Ik geloof niet dat dankbaarheid haar in de genen zat.’ Zijn toon was mild, gematigd geweest. ‘Ze klaagde over iedereen, altijd. Ik heb het niet persoonlijk opgevat.’

Nog meer betekenisvol zwijgen van de psych.

‘En hoe zit het met je vader?’ ging dr. Dahl uiteindelijk verder. Jones bestudeerde ’s mans schoenen. Erg duur, dat zag hij zo. Waarschijnlijk Italiaans leer, handwerk. Weer een minpuntje: ijdelheid. ‘Over hem praten we niet zoveel. Het lijkt me een onderwerp dat verder verkend kan worden.’

Jones had weinig over zijn pa verteld. Het bekende verhaal van de politieman die te veel dronk, die alleen maar thuiskwam, zo leek het althans, om waar dan ook ruzie over te maken en op een gegeven ogenblik voorgoed uit hun leven verdwenen was.

‘Maar dat is niet het hele verhaal. Je kunt hem niet alleen maar de rol van slechterik toekennen. Misschien kun je meer over hem ontdekken. Om hem beter begrijpen. Je bent tenslotte rechercheur geweest. Je kunt waarschijnlijk uitzoeken wat je maar wilt.’

Jones moest zijn uiterste best doen om niet over de salontafel te springen om die vent op zijn gezicht te timmeren.

‘Onze tijd zit erop.’ Met een voldane klap sloeg dr. Dahl zijn map dicht. ‘Denk erover na. Volgende week gaan we verder.’

Maar ze hadden het onderwerp niet opnieuw aangesneden. Dit was het punt geweest waarop Jones had besloten dat psychotherapie niets voor hem was. Het punt waarop hij was ‘dichtgeklapt’, zoals dr. Dahl het beschuldigend had geformuleerd.

..

Zelfs nu, in zijn auto met stationair draaiende motor, voelde hij het weer boosaardig borrelen vanbinnen. Hij besefte dat hij zijn telefoon kramp-achtig in zijn hand klemde vanwege de herinnering aan dat gesprek. Zijn knokkels waren wit. Hij dwong zichzelf te ontspannen. Hij had nog steeds niet besloten of hij zijn volgende afspraak wel of niet zou laten doorgaan. Hij had deze zaak nu toch? Hij had niet onbeperkt de tijd om uit te zoeken wat Chuck hem had gevraagd. Hij kon zijn afspraak ook verzetten in plaats van afzeggen. Maggie hoefde het niet te weten.

Het huis zag eruit zoals hij had verwacht: ietwat gammel, eenzaam op een kleine heuvel. Het gazon lag vol afgevallen bladeren; niemand leek het bij te houden. Aan het dak van de veranda hing een windgong, zwijgend in de stilstaande lucht. Hij stapte uit en wandelde de oprit op. Hij voelde geen weerzin, zoals hij had verwacht, maar een gespannen nieuwsgierigheid, die hem als rechercheur altijd een kick had gegeven.

Hij liep de veranda op, wat werd gadegeslagen door een enorme kat in de vensterbank. Laatdunkend, met half toegeknepen ogen, keek die toe hoe Jones driemaal klopte. Er was nergens een bel te bekennen. Hij wachtte even en klopte opnieuw.

Haar auto, de beige Toyota die hij gisteren had gezien, stond op de oprit. Als iemand hem zou hebben gezegd dat hij binnen een dag bij Eloise Montgomery voor de deur zou staan, zou hij het niet geloofd hebben. Hij wilde net nog een keer kloppen, toen hij besefte in wat voor hoedanigheid hij hier was. Hij was geen rechercheur meer. Ze had het recht hem niet te woord te staan als ze dat niet wilde. Toen ze toch opendeed, leek ze – zonder haar winterjas – nog kleiner dan hij zich herinnerde.

‘Mmm,’ zei ze. ‘Dit had ik niet kunnen voorspellen.’

‘Zelfs helderzienden weten niet alles.’

‘Helemaal waar.’ Ze deed een stap achteruit en hield de deur voor hem open.

Hij had verwacht dat ze hem op de veranda zou laten staan. Hij was niet bepaald beleefd tegen haar geweest gisteren. Verre van.

‘Ik ben niet gekomen vanwege uw voorspellingen over mijn toekomst,’ zei hij. Hij stapte naar binnen, waar het kouder leek dan buiten.

‘Nee?’

‘Nee. Ik doe een onderzoekje voor de politie van The Hollows. Ik heb een paar vragen over uw betrokkenheid bij de zaak-Marla Holt.’

Het leek alsof ze een glimlach in de kiem smoorde. ‘Voor alle duidelijkheid: Michael Holt heeft Ray Muldune ingehuurd, die vervolgens mij heeft geraadpleegd. Mijn betrokkenheid is uiterst gering. Voor mijn bezoek aan u gisteren wist ik niets over haar.’

Schone hardhouten vloeren, een wand vol oude foto’s, een keurige en zonnige zitkamer, meubilair op pootjes, kanten kleedjes op bijzettafeltjes. Precies zoals hij het zich had voorgesteld, maar ook weer niet. Het was sleetser, saaier dan hij had verwacht. Ze moest toch goed verdienen met dit gedoe. Het kostte een rib uit je lijf als je met overledenen wilde communiceren, als je antwoorden wilde krijgen op vragen die niemand anders kon beantwoorden. Had hij dat gematerialiseerd willen zien?

‘Dat kan ik even niet volgen,’ zei hij.

Ze liep een lange gang door, tot voorbij een trap, en gebaarde dat hij mee moest komen. Onder het lopen merkte hij de verwaarloosde toestand van het huis op – afgebladderde plinten, haarscheurtjes in de muren, opkrullend zeil in de keuken, een kring in het plafond. Als hij een vriend of buurman van haar was geweest of als ze hem ingeschakeld zou hebben om op haar huis te passen, dan zou hij aangeboden hebben om wat opknapwerk te doen of, bij klussen die een vakman vereisten, geadviseerd hebben er iemand bij te halen. Hij had inmiddels heel wat contacten met timmerlieden, schilders, loodgieters; allemaal mensen die hij vertrouwde en vaak al vanaf zijn jeugd kende. Maar hij hoefde niet op haar huis te passen, dus moest hij zijn mond houden.

In de keuken ging hij op de plek aan tafel zitten die zij hem aanwees. Het eerste wat hij opmerkte was de rij medicijnpotjes op de vensterbank. De potjes stonden te ver weg om te zien wat erin zat, maar het waren er veel, misschien wel tien; plastic, variërend in grootte, met groene dopjes. Ze ging tegenover hem zitten, waarmee ze hem zijn uitzicht benam.

‘Nadat ik bij u was geweest, heb ik haar zien rennen.’

Hij onderdrukte een grijns. ‘Echt waar? Was ze aan het joggen?’

Ze wierp hem een blik toe die duidelijk maakte dat ze het niet leuk vond. ‘Ze rende door het bos. Bang. Iemand zat haar achterna.’

‘Uh-huh,’ zei hij. Maggie zou hem verwijten dat hij laatdunkend en minachtend klonk, en ze zou nog gelijk hebben ook. ‘Ik heb die zaak gerechercheerd. Het was een van mijn eerste zaken; sterker nog, het was mijn eerste grote zaak.’

‘En u hebt hem nooit opgelost. Dat moet u dwars hebben gezeten.’

Niet echt. Hij was er de persoon niet naar om zich door zoiets te laten opvreten. ‘Sommige mensen willen niet gevonden worden,’ zei hij tegen haar. ‘En in 1987 was het veel gemakkelijker om te verdwijnen dan in 2011.’

‘Wat herinnert u zich nog?’ vroeg ze.

De vraag verraste hem. Hij was tenslotte hier om háár te ondervragen. Maar hij wilde er best iets over zeggen. ‘Ik weet nog dat het een moordmeid was, echt een stuk. Veel te mooi voor The Hollows. Te mooi voor Mack Holt. Hij zei dat ze weggelopen was, dat hij vermoedde dat ze een vriend had en dat die haar op een avond met zijn zwarte Mercedes was komen halen. Holt zei dat ze ervan droomde actrice of model te worden.’

Hij herinnerde zich het kleine huis, de jongen die zich boven aan de trap verschanst had, de geur van sigarettenrook. Holt had haar niet als vermist opgegeven; dat was gedaan door een vriendin uit de bibliotheek waar ze parttime werkte.

Jones had het vreemd gevonden dat ze geen enkel sieraad had meegenomen. Hij wist niet meer waarom hem dat was opgevallen. Er had een met leer beklede doos gestaan, vol met frutsels, sommige goedkoop en opzichtig, andere smaakvol en van het dure soort. Ze had die doos zo kunnen pakken en in haar tas kunnen stoppen. Maar dat had ze niet gedaan. Het grootste deel van haar kleren hing nog in de kast, gesorteerd op kleur. Er waren een paar lege hangers. Haar schoenen stonden keurig op een rijtje, waaruit duidelijk enkele paren ontbraken. Holt beweerde dat ze een kleine tas had gepakt en had aangekondigd dat ze wegging. Ze zou de kinderen komen halen zodra ze op orde was. Het speet haar, maar ze kon niet leven zoals hij dat wilde, als huisvrouw, elke dag dezelfde sleur. Ze hield ook niet meer van hem. Holt had zijn dochtertje afgeleverd bij zijn zuster, die een paar kilometer verderop woonde. Hij kon doordeweeks niet voor haar zorgen, in verband met zijn werk en zo. Michael was oud genoeg geweest om na school voor zichzelf te zorgen. Een paar dingen kon Jones zich nog herinneren, de rest was teruggekomen toen hij zijn aantekeningen herlas. Wat hij wist, vertelde hij aan Eloise.

Eloise schudde het hoofd. ‘Nee,’ zei ze. ‘Zo is het niet gegaan. Ze kan best een vriend gehad hebben, maar die is haar die avond niet komen halen.’

‘Wat is er dan gebeurd?’ Hij besloot het spel mee te spelen. Waarom ook niet?

‘Ik weet het niet, maar wat er ook aan de hand was, het maakte dat ze in het holst van de nacht door het bos rende. Zoiets loopt zelden goed af.’

‘Dus is ze dood.’

‘Misschien,’ zei ze. ‘Misschien ook niet.’

‘Maar het feit dat u haar ziet, betekent toch dat ze dood is, aan gene zijde, of hoe dat ook heet?’

Ze glimlachte flauwtjes. ‘U praat alsof u erin gelooft. U denkt dat ik met de doden spreek.’

‘Is dat dan niet zo?’

‘Ik heb u al gezegd dat ik een soort radio-ontvanger ben. Ik vang energie, radiogolven op. Soms beelden, soms geluid, en soms zie ik mensen. Altijd vrouwen of meisjes. Altijd vermist, meestal is hun onrecht aangedaan of is hun lichamelijk iets aangedaan. Niet altijd dood. Eén meisje werd levend teruggevonden in een put. Het enige wat ik kon horen, was ademhaling en watergedrup. Ze was in shock. Een ander meisje was in een schuur opgesloten. Ik hoorde haar steeds maar weer om hulp roepen. Uiteindelijk hoorde iemand anders haar ook.’

‘En Marla Holt verscheen gisteravond aan u in een visioen, rennend door het bos. Ze was bang.’

‘En verdrietig. Heel erg verdrietig. Ik hoorde ook stemmen. Schreeuwende mannenstemmen.’

‘Meer dan een?’

‘Ja. Vraag me niet wat ze riepen. Ik kon er niets van maken.’

‘Logisch.’ Waarom had ze niet iets gehoord waar hij iets aan hád?

‘Kende u Marla Holt indertijd?’ vroeg hij. Hij wist wat ze zou antwoorden. Dit was zijn ‘zachte’ benadering, een van zijn tactieken.

Haar antwoord kwam traag, en met tegenzin. ‘Ik paste af en toe op Michael en Cara. Soms maakte ik ook schoon voor Marla. Dat was het werk dat ik toen deed om mijn hypotheek te kunnen betalen. Het was een paar jaar voordat ze verdween.’

‘Wat kunt u zich nog van haar herinneren?’

‘Ik weet nog dat ze een heel lieve, zorgzame moeder was. Het moederschap is niet voor iedereen, weet u. Niet iedereen vindt het leuk. Zij was stapelgek met haar kinderen en genoot van elke minuut die ze met hen had. Ze belde me alleen om er af en toe even uit te kunnen om te sporten. Ze was altijd erg bezig met haar gewicht. En u had gelijk, ze was mooi. Te mooi voor hier.’

Zoals zij het zei, klonk het zwaarder dan Jones het had bedoeld. Hij had bedoeld dat Marla Holt het goed gedaan zou hebben in Hollywood of New York. Zo bedoelde Eloise het niet.

‘Ze hield van haar man,’ ging Eloise verder. ‘Tenminste, in de periode waarin ik haar kende. Ze had het altijd over hem. Volgens mij was hij een soort wetenschapper, een die prijzen had gewonnen en ergens professor was.’

‘Hij was geoloog,’ zei Jones. ‘Hij gaf les op de universiteit.’

‘Inderdaad,’ zei Eloise. Haar horloge gaf een waarschuwingspiepje. Ze wierp een blik op de wijzerplaat en stond toen op om naar de vensterbank te lopen. Ze pakte een van de potjes, schudde er twee pilletjes uit, vulde een glas water en nam ze in.

‘Alles goed?’ vroeg Jones.

‘Ik word oud,’ zei Eloise.

Jones geloofde niet dat dat alles was, maar het ging hem niet aan. Ze zette het potje weer terug en bleef er even naar staan kijken.

‘Betekent dit dat de politie van The Hollows de zaak heropent?’

Jones haalde zijn schouders op. ‘Ik weet niet precies wat de plannen zijn. Chuck Ferrigno vroeg me om mijn oude dossiers nog eens door te nemen en om met u en Ray Muldune te gaan praten; wellicht dat ik me dan iets zou herinneren dat een nieuw licht op de zaak zou kunnen werpen.’

‘En?’

‘Ik weet nog dat ik dacht dat de buurvrouw iets achterhield. En dat ik het vreemd vond dat Marla Holt haar sieraden niet had meegenomen, terwijl het leek alsof ze veel energie had gestoken in het verzamelen en opbergen ervan. Ze had ze gemakkelijk mee kunnen nemen.’

Ze trok haar wenkbrauwen op. ‘Nog gekker dat ze haar kinderen niet meenam, toch? Vrouwen gaan meestal niet weg zonder hun kinderen.’

‘Behalve als ze een nieuwe vriend hebben, niet het type stiefvader.’

Hij wipte achterover op zijn stoelpoten. Hij had vaker te maken gehad met vrouwen die hun kinderen in de steek hadden gelaten. Baby’s die bij het politiebureau werden gedropt, moeders die van de kraamafdeling wegslopen, één keer een baby die in een open kluisje op het busstation was achtergelaten. Abigail zou hem ook ergens gedropt hebben als ze niet zo bang was geweest om alleen te zijn en als ze een plek had gehad waar ze naartoe had kunnen gaan. Niet iedere vrouw was een geboren moeder; het verbaasde hem dat niet meer mensen dat beseften.

‘Waarom bent u hier, meneer Cooper?’

‘Dat heb ik al gezegd.’

‘Dat was maar één reden.’ Er was niks mis met haar intuïtie.

‘Wilt u het echt weten? Ik zou graag meer willen weten over die zwendelpraktijk van u.’

Ze zei niets, maar bleef hem met haar onpeilbare blik aankijken. Hoever moest je gaan om haar echt pissig te krijgen, vroeg Jones zich af. Maggie verweet hem dat hij altijd mensen zat te stangen. Dat was niet zo, niet altijd. Hij kon alleen niet tegen huichelarij. Boosheid was echt. Soms wilde hij iemand tegen de haren instrijken omdat woede de ware aard van iemand liet zien.

‘Gisteren overviel u me met, onder andere, ijzingwekkende voorspellingen over mijn op handen zijnde ondergang. En u zei ook dat ik al een zekere faam had verworven, dat mensen steeds meer van me zouden gaan vragen. Later die dag vraagt de politie me na te denken over een onopgeloste zaak waarbij, naar nu blijkt, u en Ray Muldune betrokken zijn. Wel erg toevallig, hè?’

Ze glimlachte hem toe, en het was een gemeende, warme glimlach. Haar hele gezicht lichtte ervan op. Hij besefte dat ze misschien ooit aantrekkelijk was geweest, tenger, met donkere ogen, een beetje jongensachtig zelfs. In een vorig leven had ze misschien vaker gelachen, was ze misschien gelukkig geweest. Maar er was iets wat haar van alle kleur had beroofd, wat haar had uitgehold.

‘Ik had niet verwacht dat ik u zou mogen, meneer Cooper,’ zei Eloise.

In weerwil van zichzelf glimlachte hij terug. Hij had ook niet verwacht dat hij haar zou mogen. Hij mocht haar wel en hij mocht haar niet. Hij vond haar in ieder geval interessant, een curiositeit, maar hij kon de verschillende stukjes niet in elkaar passen. Maar dat hield hij voor zich.

Ze ging weer tegenover hem zitten. ‘Het is geen zwendel. Ik zeg alleen maar wat ik zie. Mensen kunnen ermee doen wat ze willen. Ik snap dat het niet eenvoudig is dingen te aanvaarden die je niet begrijpt. Het heeft mij meer dan tien jaar gekost om te begrijpen wat er met me aan de hand was.’

Ze maakte een weids armgebaar naar haar armoedige keuken met de oude keukenapparatuur en het loslatende behang. ‘Zoals u kunt zien, leid ik niet bepaald een luxe leventje.’

‘Geld is ook niet alles.’

Toen zuchtte Eloise en ze wreef met haar slanke duim en wijsvinger over haar voorhoofd. ‘Het lijkt me dat u nu maar moet gaan. U wilt dat ik u bewijs dat ik ben wie ik zeg dat ik ben. Of u wilt uzelf bewijzen dat ik een bedriegster ben, zodat u zich niet druk hoeft te maken over mijn voorspellingen. Maar dat zit er vandaag niet in. Ik zal tegen Ray zeggen dat u hem wilt spreken. Hij heeft waarschijnlijk meer te zeggen dan ik.’

Ze stond op en liep de gang door naar de voordeur.

Jones bleef nog een tel zitten en stond toen op. Hij keek naar de foto’s die in de gang hingen – twee meisjes, hun groeiproces ingelijst: baby’s in bad, balletles, paardrijles, schoolbal. De een blond, de ander donker. Een leek op Eloise, de ander niet. Er hingen ook foto’s van een veel jongere Eloise. Jones bekeek ze aandachtig. De vrouw op de foto’s was vol leven en glimlachte met stralende ogen; ze leek zo weinig op de vrouw aan het eind van de gang dat hij haar niet zou herkennen als hij haar ergens zou tegenkomen. Er hing ook een niet-geposeerde trouwfoto, waarop Eloise een nauw aangesloten, kanten trouwjurk droeg. Haar glimlach was gelukzalig, haar ogen waren vochtig. Met één hand had ze de arm van haar gelukkige echtgenoot vast, in de andere hand hield ze een boeket rozen. Wat er ook was gebeurd tussen die foto en nu, het had het leven uit haar weggezogen. Het was niet alleen een kwestie van ouder worden. De vrouw die geduldig op hem stond te wachten, was een geest, een schim van die foto. Jones werd overstelpt door een droef gevoel, maar duwde het weg. Hij liep verder naar de deur.

Eloise bleef naar buiten kijken.

‘Als u nog iets te binnen schiet over Marla Holt...’ zei hij. Hij stapte de veranda op en keek naar de slecht onderhouden tuin. Hij overwoog aan te bieden om de bladeren bij elkaar te harken. Ze zouden al het gras verstikken. En ze was duidelijk niet in staat om een gazon te onderhouden.

‘Ik heb het gevoel dat we elkaar vaker zullen zien, meneer Cooper.’

‘Zeg maar Jones,’ zei hij.

‘Tot ziens, Jones.’

Hij stond op het punt zich om te draaien en iets over de bladeren te zeggen, maar ze had de deur al zachtjes achter zich dichtgetrokken.