23
Eloise wist niet meer dat Marla Holt rookte. En toch zat ze daar in een donkerblauwe fietsbroek en een spierwit topje een sigaret te roken. Op een stoel bij de haard die Eloise in geen jaren had gebruikt, haar benen over de leuning, alsof ze thuis was.
‘Heb je er bezwaar tegen?’ vroeg Marla. Ze stak de sigaret tussen haar twee slanke vingers omhoog.
‘Nee, hoor,’ zei Eloise. Het had geen zin zich te verzetten, ze kon het beter maar over zich heen laten komen. Ze was aan het stofzuigen geweest en nu was ze met Marla Holt aan het praten. Zo ging dat soms.
‘Kan ik je ergens mee helpen?’ vroeg Eloise. Ze ging op de bank zitten.
‘Je bent altijd erg aardig voor me geweest,’ zei Marla. Een warme glimlach, die Eloise zich nog goed kon herinneren. Een glimlach, welgemeend en open, die zeldzaam was. ‘En lief voor de kinderen. Daar wil ik je voor bedanken.’
‘Ik deed het graag,’ zei Eloise. ‘Het zijn leuke kinderen. Ik heb gehoord dat Cara een tweeling heeft. Twee meisjes.’
Marla kreeg iets afstandelijks. ‘Ja.’
Dat was hetgeen waaruit Eloise had afgeleid dat het niet echt bovennatuurlijke ontmoetingen waren; ze was er namelijk vrij zeker van dat ze geen gesprek voerde met een geestverschijning in de traditionele zin van het woord. Marla was eerder een hologram, een facsimile, een beeld dat Eloises geest schiep om energieën zichtbaar te maken voor haar bewustzijn. Eloise wist zeker dat Marla veel enthousiaster zou zijn geweest over haar kleindochters als ze met een echte geestverschijning, oftewel Marla’s lichaamloze ziel, had gesproken. Dit was meer een uitzending, een berichtgeving, die vandaag toevallig de gedaante van Marla Holt aannam. Eloise had geen idee van wie of wat het bericht kwam.
‘Wat is er met je gebeurd?’ vroeg Eloise. ‘Waar ben je gebleven?’
Soms kon het heel eenvoudig zijn. Soms vertelden ze het je gewoon. Hoewel ze niet altijd de waarheid spraken. Soms was het een soort raadsel. Het was allemaal erg verwarrend.
Marla nam een trek van haar sigaret en sloeg haar benen over elkaar. Haar lange haar was glanzend en dik, en viel golvend over haar schouders. Haar lichaam was al net zo weelderig, met volle borsten en heupen.
‘Als je jong bent, denk je alleen maar aan trouwen. De witte jurk, de bloemen, de huwelijksreis. Je denkt nooit aan getrouwd zijn, aan wat dat betekent.’ Ze keek omhoog naar het plafond. ‘Heb jij er spijt van, Eloise?’
Marla’s woorden waren een echo van het gesprek dat Eloise pas nog met Ray had gevoerd. Nog een reden waarom Eloise niet dacht dat de Marla in haar woonkamer een geestverschijning was. Ze bespeurde altijd een subtiel verband met wat zich in haar eigen leven afspeelde.
‘Er zijn dagen dat het lijkt alsof ik alleen maar spijt heb,’ zei Eloise.
‘Dus je snapt wat ik bedoel.’ Marla schoot haar sigarettenpeuk in de open haard. De ijle rook slierde omhoog naar het plafond. De tabak rook je niet, natuurlijk.
‘Ik was niet gelukkig,’ zei Marla. ‘En vanuit die toestand heb ik fouten gemaakt.’
‘Had je een affaire?’
‘Ik heb wat gescharreld, maar ik zou het geen affaires willen noemen. Flirten, misschien.’ Haar bloedrode lippen vormden een strakke, smalle streep.
‘Hij wist dat ik een flirt was,’ zei Marla. ‘In het begin vond hij dat leuk. Hijzelf was rustig en gereserveerd. Dat kon hij zijn bij mij, want mijn karakter maakte dat meer dan goed. En hij bood mij stabiliteit en zorgde ervoor dat ik met beide benen op de grond bleef.’
‘Dat begrijp ik.’ Eloise had ervaren dat het beter was het met ze eens te zijn, dat werkte aanmoedigend.
‘Is het niet gek dat de dingen die je eerst zo leuk vindt van elkaar, later de dingen worden waaraan je een hekel krijgt? Ik was flamboyant. Hij was ernstig en intellectueel. Ik wilde het geld laten rollen. Hij wilde het oppotten. We waren heel verschillend. In het begin was dat prima. Maar opeens werd het benauwend.’
‘Wat is er gebeurd? Heeft hij je met iemand betrapt?’ vroeg Eloise voorzichtig. Als ze het gesprek niet voortstuwde, kon het eindeloos doorgaan. En hoe langer het duurde, des te uitgeputter ze naderhand was.
‘Dat zou makkelijk zijn, hè?’ zei Marla met een vreugdeloos lachje. ‘Man betrapt vrouw op heterdaad en vermoordt haar in een vlaag van jaloezie. Of: ongelukkige echtgenote laat man en kinderen in de steek om nooit meer terug te komen.’
‘Wat is er dan wel gebeurd?’
Marla stond op en liep naar de deur. Halverwege draaide ze zich om met een smekende uitdrukking op haar gezicht.
‘Misschien kan ik je ervan overtuigen dat je deze zaak moet loslaten,’ zei Marla. Dat soort frases, o zo vertrouwd, maar o zo misplaatst, brachten Eloise het meest in verwarring. Deze zaak loslaten? Ze zou ze allemaal loslaten als ze kon. Zíj was niet degene die de mensen die waren ontslapen, niet kon loslaten. Dat waren de anderen.
‘Het is Michael die je niet kan loslaten,’ zei Eloise.
‘Ik bedoel, het doet er niet meer toe,’ zei Marla, alsof Eloise had geprotesteerd. ‘Mack is er niet meer. Hij heeft er het meest onder geleden. Als de waarheid nu naar boven komt, zal dat alleen maar meer pijn veroorzaken.’
Eloise hief haar handen. ‘Wat kan ik eraan doen?’
Marla luisterde niet. Dat deden ze nooit.
‘Weet je wat mijn grootste vergissing was?’ vroeg ze. Ze huilde. ‘Ik liet toe dat hij te veel van me ging houden. Ik heb het gevoed. Ik vond het heerlijk dat hij zoveel van me hield.’
‘Mack hield echt van je,’ zei Eloise. Ze wist niet precies wat Marla bedoelde. ‘Dat kon je aan hem zien.’
Ze schudde het hoofd. ‘Nee, Eloise. Niet Mack. Michael.’
Eloise lag op de grond. De stofzuiger naast haar stond nog aan. Ze kwam half overeind om hem uit te zetten en in de stilte die volgde ging ze weer liggen. Haar hoofd deed pijn, waarschijnlijk van de val, die ze zich niet kon herinneren. Ze had ooit een vrouw ontmoet, ook een zogenaamd medium, die thuis, waar ze de meeste visioenen kreeg, een helm was gaan dragen. Het kan niet goed zijn als je hoofd telkens een dreun krijgt. De doden bekommeren zich absoluut niet om ons; de levenden moeten zichzelf in bescherming nemen.
Vóór het ongeluk had Eloise weinig op gehad met geloof en nog minder met religie. Ze geloofde niet in de katholieke God met wie ze was grootgebracht. Het idee van hemel en hel, een goddelijk systeem van straf en beloning, leek haar veel te simplistisch. De wereld en het bestaan waren veel complexer. Hoe kon het hiernamaals anders zijn? Zo lang ze zich kon herinneren was ze overtuigd agnost geweest. Haar visioenen en verschijningen, het tweede gezicht dat ze na het ongeluk had gekregen, veranderden daar niets aan.
Er waren heel wat mediums die beweerden dat ze met de doden praatten, dat ze wisten hoe de wereld aan gene zijde eruitzag. Sommigen van hen waren behoorlijk overtuigend – miljoenen mensen kochten hun boeken en bezochten hun seminars. Er waren er die al jaren volgeboekt waren door rouwende nabestaanden die niet konden berusten in de dood van een geliefde. Eloise zou niet willen beweren dat ze niet deden wat ze zeiden te doen. Misschien bleven zielen wel talmen om afscheid te nemen, excuses te maken of gerechtigheid te zoeken, dingen die er bij leven vaak bij inschieten. En de levenden blijven zich aan iets vastklampen omdat ze niet in staat zijn de mogelijkheid onder ogen te zien dat er na de dood niets meer is. Dat er soms geen vergeving, geen oplossing, geen gerechtigheid is. Het houdt gewoon op, het licht gaat simpelweg uit.
Waar Eloise wel in geloofde, was energie. Energie kan niet vernietigd worden, ze kan alleen van aard veranderen. Het leven, de ultieme vorm van energie, moet een andere vorm vinden, een andere dimensie, als het lichaam sterft. Ze geloofde in een netwerk dat iedereen in het universum verbond, levend of dood. Er was iets met haar gebeurd tijdens het ongeluk, of toen ze in coma lag, of misschien op de momenten dat ze op het randje van de dood had gezweefd, wat een biochemische verandering in haar had veroorzaakt, wat haar ontvankelijk voor energieën van buitenaf had gemaakt. Dat betekende nog steeds niet dat ze in God of een hiernamaals geloofde. Dat werd vaak vreemd gevonden. Mensen zochten vertroosting bij haar en kregen niet wat ze verwachtten. Ze vonden haar koud en gingen teleurgesteld weg. Misschien was ze daarom niet regelmatig te gast in praatprogramma’s.
‘Eloise?’
Ray stond over haar heen gebogen. Hij was eraan gewend haar op de gekste plaatsen te vinden. Hij had haar een keer met haar kleren aan onder de douche aangetroffen, een keer in de kast in de kelder en regelmatig op de keukenvloer. ‘Je bent net een mobiele telefoon. Soms moet je een beetje rondlopen om het sterkste signaal op te pikken,’ had hij ooit gezegd. Daar zat wel wat in.
‘Ik heb Marla Holt gezien.’
Ray trok haar overeind. Ze stond even te wankelen, dus hielp hij haar naar de bank.
‘Ze vroeg of we de zaak niet los konden laten.’
‘Misschien geen slecht idee.’ Dat was niets voor hem, zo’n radicale ommezwaai. Ray was er niet de persoon naar iets los te laten.
‘Ik ben vastgelopen,’ zei hij. ‘Claudia Miller, de buurvrouw, was de enige die ik nog kon polsen, maar ze wil niet praten.’
Eloise dacht aan Marla’s opmerkingen over haar ‘geflirt’ en ‘gescharrel’. Ze vertelde het aan Ray.
‘Wat zegt dat? Had ze nou een affaire of niet?’ Het klonk alsof de verschijning aan Eloise hem irriteerde. Wat Eloise op haar beurt weer irriteerde.
‘Hoe moet ík dat nou weten?’ vroeg ze.
Hij zuchtte diep, leunde tegen de bank en wierp zijn hoofd in zijn nek. ‘Ik heb nog één idee over,’ zei hij.
Oliver kuierde de kamer binnen, sprong onbevallig op de salontafel en gleed zover door dat hij er aan de andere kant bijna weer af was gegleden als hij niet op het laatste moment zijn zwaartepunt had verplaatst. De tijdschriften op de tafel, Time, Newsweek, de tv-gids, vielen met een zachte plof op de grond. Eloise liet ze liggen. Oliver hernam zich en gluurde vals naar Ray.
‘Die kat is dik,’ zei Ray. Ray was een krachtig gebouwde man, met brede schouders en een omvangrijk middel. Je kon hem bepaald niet slank noemen.
Eloise onderdrukte een glimlach. ‘Schoonheid vind je in alle maten,’ zei ze.
Oliver begon te spinnen en likte koket zijn poot. De klok op de schoorsteenmantel sloeg het kwartier.
‘Laten we naar de Kapel gaan,’ zei Ray. Hij draaide zich om en keek uit het raam.
Ze volgde zijn blik. ‘Het regent.’
‘Daar hebben we regenjassen voor,’ zei hij. ‘Wanneer ben je voor het laatst het huis uit geweest?’
Het was inderdaad al een paar dagen geleden dat ze Jones Cooper had bezocht. Het gebeurde soms dat ze een paar dagen de deur niet uit ging; dat ze niet weg wilde, niet weg durfde zelfs, dat ze geen idee had wat ze moest aantrekken dat er in de ogen van anderen mee door kon. Soms was ze bang dat ze niet meer wist hoe ze met mensen moest praten; echte mensen van vlees en bloed, niet met geesten of hologrammen of wat ze ook waren, of met zichzelf.
‘Een allerlaatste poging,’ zei hij. ‘Als je daar niets opvangt, dan mag je wat mij betreft stoppen. Dan zeg ik tegen Michael Holt dat hij maar moet gaan drammen bij de politie. Ik heb het dossier niet en ik weet dus ook niet welke andere sporen ze toen hebben gevolgd. Je visioenen zijn op zijn best vaag te noemen. Wij gaan verder, zoals je al eerder zei. Er zitten andere mensen te wachten die we misschien kunnen helpen.’
Het had al vanaf het middaguur geregend, maar nu goot het. Op het nieuws hadden ze gezegd dat het wel drie dagen kon aanhouden. Ze stond op van de bank en liep naar de gangkast, met Ray en Oliver op haar hielen. Ze trok haar oliejas en regenlaarzen aan, allebei afzichtelijk geel.
‘Goed zo,’ zei Ray.
De enige reden dat ze dit deed, was de hoop dat ze er hierna vanaf was. Marla Holt had haar gevraagd de zaak los te laten en dat wilde ze ook doen. Ze wilde Ray niet vertellen wat Marla over Michael had gezegd. Ze wist niet waarom niet. Maar als ze iets had geleerd in de loop der jaren, was het wel om haar intuïtie te volgen.