33

Bethany voelde zich verdoofd, maar tegelijkertijd loeide de paniek als een sirene door haar hoofd. Ze had geen idee waarom Willow haar zo strafte. Ze kon onmogelijk nog meer van haar dochter houden dan ze al deed. Oké, ze had fouten gemaakt. Ook nu nog bleef Richard haar maar bellen op haar mobieltje, ook al had ze hem gevraagd dat te laten. Ze had hem geattendeerd op het onwaarschijnlijke geval dat Willow ineens bij hem op de stoep zou staan nu ze wist dat de stripper bij hem weg was. ‘Waarom kun je haar niet in toom houden, Bethany?’ had hij gevraagd. Dat was gemeen en belachelijk. Hoe had ze ooit iemand kunnen trouwen die zoiets durfde te zeggen? Ze had de verbinding verbroken.

‘Het komt goed,’ zei Henry. ‘We vinden haar wel.’

Ze zagen de Beemer langs de kant van de weg staan, met de lichten nog aan. Even dacht ze dat ze met zijn allen in de auto zaten. Ze viel bijna flauw van opluchting. Maar ze had zich vergist. Ze stapten de regen in en begonnen te roepen.

‘Willow!’ Haar stem begaf het en toen kwamen de tranen. De nacht dat ze door New York had geracet, dat ze alle plekken waar Willow graag kwam, had opgezocht en haar vriendinnen had gebeld, ze herinnerde het zich als de dag van gisteren. Ze was zo over haar toeren geweest dat ze volledig de kluts was kwijtgeraakt. Toch was dit erger. Willow die in het duister was opgelost, op een plek waar de regen Bethany’s geroep overstemde en de lichtbundel van Henry’s zaklamp door de ondoordringbare duisternis werd verslonden.

Ze nam het zichzelf niet kwalijk dat ze Henry te eten had gevraagd, en ook niet dat ze Willow er op het laatste moment mee had verrast. Maar het was wel haar fout dat Willow dacht dat ze het recht had zich zo te gedragen, dat ze haar moeder kon beledigen en dan kon weglopen, de donkere avond in. Bethany was te soft geweest, te toegeeflijk en te bereid het bij zichzelf te zoeken dat Willow ongelukkig was. Dat moest veranderen.

Pas toen Henry naar haar toe kwam en zijn armen om haar heen sloeg, besefte ze dat ze stond te snikken. Hun kleren waren doorweekt. Ze leunde tegen hem aan, blij dat ze deze keer niet alleen was.

‘We vinden haar echt wel,’ zei hij.

Ze wilde het geloven.

De koplampen van een naderende auto dreven hen weer naar de weg. Toen de suv stopte, zag Bethany dat Jones Cooper achter het stuur zat. Hij stapte uit, gekleed in een zwarte regenjas die al nat was.

‘Mevrouw Graves,’ zei hij. Zijn optreden had een vanzelfsprekende autoriteit die, waarom wist ze niet, een geruststellende uitwerking op haar had. ‘Ik wil graag dat u bij de auto blijft.’

‘Nee,’ zei ze. ‘Ik kan niet stilzitten en niets doen.’

‘Er moet iemand hier zijn voor het geval ze het bos uit komen,’ zei hij en hij legde zijn hand op haar arm om haar te kalmeren.

‘Meneer Cooper...’

‘Henry en ik zijn hier opgegroeid,’ zei hij. ‘We kennen het bos. We zijn sneller als we alleen gaan.’

Ze wilde tegensputteren, maar hij bracht haar naar de auto en zei dat ze haar mobieltje op haar schoot moest leggen. Ze zouden bellen zodra ze iets vonden. ‘Vergrendel de portieren. Als u iemand anders dan de kinderen naar de auto ziet komen, bel dan de politie en claxonneer, hard en lang.’

‘Wat bedoelt u?’ vroeg ze. ‘Wie zou ik kunnen zien?’

‘Michael Holt, bijvoorbeeld.’

Bethany haalde diep adem en deed wat haar werd gezegd. Door de ruit van de auto keek ze Henry aan. Hij stak zijn duim op: het komt goed! Toen waren ze weg, opgeslokt door de bomen. De wind stak op; hij boog de toppen van de dennenbomen om en floot rond de auto. Bethany wenste dat ze gelovig was. Dat ze kon bidden.

* * *

De open plek bij de Kapel was leeg. Het markeringslint rond het gat was weggewaaid en had zich rond een nabije boom gewikkeld. Ze liepen een rondje en riepen de namen van de kinderen. De enige die antwoord gaf, was de wind. Henry liep naar de rand van Marla’s graf en tuurde de diepte in. Het leek hem de koudste en eenzaamste plek op aarde. Jones kwam naast hem staan.

‘Ik heb vanavond gehoord dat de lijkschouwer heeft bevestigd dat de beenderen van Marla Holt waren,’ zei Henry.

‘Ik hoorde het ook, op de radio,’ zei Jones. ‘Had ik dat toen maar geweten. Dan had ik haar niet al die tijd hier laten liggen.’

Het verbaasde Henry dat Jones zoiets zei. Hij draaide zich om en keek hem aan. De regen trok sporen over zijn gezicht. Het stormde inmiddels en de wind rukte aan hun oliejassen.

‘Ik was haar vriend,’ zei Henry. ‘Ik had moeten weten dat ze haar kinderen niet in de steek zou laten. Ik dacht het slechtste van haar, net als alle anderen.’

Jones zei niets. Hij wilde weglopen, maar Henry greep zijn arm.

‘Ik was daar die avond, Jones,’ zei Henry. Hij keek naar de grond. ‘Het spijt me dat ik het jou of iemand anders niet eerder heb verteld. Ik hield van haar.’

Toen Henry zich ertoe kon brengen Jones aan te kijken, zag hij dat Jones hem aanstaarde. Jones Cooper had een koude, vorsende blik die mensen aan zichzelf deed twijfelen. Wat zag hij nu? Vast en zeker een lafaard. Een dwaas. Henry rechtte zijn rug en vertelde wat er die avond was voorgevallen.

‘Ik heb haar nooit met een vinger aangeraakt, alleen die avond, om haar te troosten toen ze begon te huilen. Ze vertelde me dat ze ongelukkig was, dat ze iemand anders had leren kennen. Toen kwam Michael thuis; hij betrapte me met haar in mijn armen. Het was erg gênant. Ik ben weggegaan.’ Henry zweeg even om adem te halen. ‘Ik heb nooit gedacht... dat ze gevaar liep. Als ik dat had geweten, zou ik niet weggegaan zijn.’

Jones keek speurend in het rond, zichzelf bijlichtend met zijn zaklamp. ‘Waarom nu?’ vroeg hij toen. ‘Waarom vertel je het me nu?’

Henry had wel duizend dingen kunnen antwoorden. Ik dacht dat ze er met iemand vandoor was. Hoe kon ik toegeven dat ik opnieuw van een vrouw hield die nooit van mij zou houden? Ik schaamde me. Ik was kwaad. Het is nooit in me opgekomen dat haar iets overkomen kon zijn. Hij mompelde iets in die geest en durfde Jones niet aan te kijken.

‘Daar hebben we nu niet veel aan.’ Jones moest zijn stem verheffen om boven de wind uit te komen.

‘Zouden jullie er toen iets aan hebben gehad?’ vroeg Henry. Hij schreeuwde bijna. ‘Zou het je een andere kijk op de zaak hebben gegeven?’

Jones maakte een rollende beweging met zijn hoofd om zijn gespannen nekspieren los te maken. ‘Het zou me een andere kijk op jou hebben gegeven.’

‘Maar niet op Michael? Of op Mack?’

‘Moeilijk te zeggen.’ Jones liep terug naar het pad.

Henry volgde hem. ‘Na mijn rondje hardlopen ging ik terug. Ik zag de auto van Mack op de oprit staan. Claudia Miller zat voor haar raam. Wat er die avond ook is gebeurd, ze moet het gezien hebben. Misschien heeft ze gelogen over die auto.’

‘Waarom zou ze liegen?’

‘Dat vroeg ik me toen ook af. Maar ja, waarom liegt een mens? Om zoveel redenen, grote en kleine.’

‘We hebben het er nog wel over,’ zei Jones. ‘We verdoen onze tijd. Als die jongelui in dit weer rondlopen, moeten we ze snel thuis zien te krijgen.’ Ineens zette hij er de pas in, hij leek een nieuw doel voor ogen te hebben.

‘Waar gaan we heen?’

‘Naar de rivier.’

‘De Black River?’ zei Henry, hoewel er geen andere rivier was die Jones zou kunnen bedoelen. ‘Waarom?’

‘Nu even geen vragen,’ zei Jones. ‘Loop liever door.’

..

Jones had het gevoel dat hij droomde. Was dat ook zo? Een jaar geleden was hij ook in het bos geweest en was het net zulk slecht weer geweest. Hij had geprobeerd zijn verleden te begraven, het afschuwelijke geheim dat hij tientallen jaren verborgen had gehouden. Vanavond volgde hij het pad van voorspellingen waar hij niet eens in geloofde. Hij rook de rottende planten waar hij overheen glibberde. De regen op zijn capuchon en het kolken van de rivier in de verte sponnen een cocon van geluid om hem heen. Hij zou zo kunnen geloven dat hij hier alleen liep, ook al bevond Henry zich vlak achter hem. Hij hoefde zich maar om te draaien om hem te vragen de politie te bellen, te zeggen dat het weer te bar was en de avond te donker. Wie weet waar die kinderen zaten. Niemand zou dat vreemd vinden. Maar hij deed het niet. Het was natuurlijk ironisch dat hij er nooit aan zou hebben gedacht bij de rivieroever te gaan kijken als Eloise hem niet had opgezocht.

De Black River was geen snelstromende, diepe rivier. Maar volgens het weerbericht kon hij vanavond tot ruim een halve meter boven zijn normale peil stijgen. De stroom zocht zich een weg door een na de ijstijd ontstaan ravijn, omzoomd met hemlocksparren en dennen. De rotsach-tige bedding lag vol grote keien. Zelfs ’s zomers was het water koud.

Toen Jones boven aan de helling was gekomen, zag hij dat het water hoog stond. En beneden op de oever zag hij twee lichtbundels, dansend als vuurvliegjes. Het pad dat naar de rivieroever zigzagde, was door de slagregen weggespoeld. Het zou sneller zijn tussen de bomen door te steken. Het was link, en hij overwoog Henry te vragen terug te gaan en hulp te halen. Het volgende ogenblik was hij al aan het afdalen, zich vastgrijpend aan natte bomen, glijdend en glippend op de natte bosgrond. Zijn knie bonsde tegen een rotsblok. Hij hoorde dat Henry op dezelfde onelegante manier naar beneden kwam.

De stemmen kwamen boven het geluid van het water uit. Ze klonken overspannen, maar waren onverstaanbaar. Jones zette zijn handen aan zijn mond en brulde dat ze moesten blijven waar ze waren. Toen zag hij de lichtbundels stroomafwaarts bewegen. Ze renden.

De oever was weggeslagen; hij moest zich een weg banen tussen bomen door die normaal gesproken hoog en droog stonden. Een eindje voor hen uit zag hij de lichtbundels dansen. Henry had Jones inmiddels ingehaald. Hij was lichter en sterker. Jones hijgde van inspanning, hij voelde goed dat hij een slechte conditie had, wat zijn huisarts keer op keer zei. ‘Wist je,’ had hij gezegd, ‘dat je overlevingskansen in extreme omstandigheden kunnen afhangen van hoelang je je eigen lichaamsgewicht kunt dragen? Hoe vaak kun je jezelf optrekken, denk je?’ Drie keer, kon Jones zich optrekken, misschien vier keer, als hij licht geluncht had.

Op een gegeven moment kon hij drie slanke silhouetten onderscheiden. Hij hoorde dat Henry iets riep. Wat er vervolgens gebeurde, leek een déjà vu. Telkens wikkelden de gebeurtenissen zich op precies dezelfde manier af, wat hij ook deed om ze te veranderen. Misschien was dat wat ‘leven’ inhield, dacht hij. Misschien moest je het steeds maar weer overdoen, net zolang tot je het uiteindelijk goed deed, ook al was het nooit duidelijk wat goed was. Hij kwam steeds dichter bij de gestaltes en hij riep weer. Maar zijn stem ging verloren.

Machteloos zag hij toe hoe de kleinste gestalte zich te dicht bij het water begaf en haar evenwicht verloor. Hij zag dat ze zich even aan een dunne tak vastklampte, tot die in haar hand afbrak. De twee andere gestalten bogen zich als wuivend riet naar haar toe, de armen uitgestrekt. Hij zag hoe ze in het koude, sterk stromende water viel. Nog geen tel later, terwijl iedereen, van elkaar gescheiden door ruimte en geluid, als in een filmstill bleef staan, vloog hij het laatste stuk helling af en sprong haar achterna.

..

De kou kwam aan als de klap van een voorbijdenderende goederentrein en voer als een schok door zijn lijf. Het stromende water kolkte om hem heen en duwde hem naar de oppervlakte, waar hij naar adem hapte voor hij weer kopje-onder ging. Ergens voor zich hoorde hij haar gillen. Hij probeerde te zwemmen, maar de stroming sleepte hem mee en kwakte hem tegen de keien. Hij had niet kunnen vermoeden dat deze rivier zo sterk kon zijn, dat zijn fysieke kracht het tegen het water aflegde. Er zijn krachten die sterker zijn dan uw wil. Had Eloise dat niet gezegd? Hij geloofde het nog steeds niet, hoewel het nu bewezen werd.

Plotseling leek alles stil te worden. Het meisje gilde niet meer en de stroming boette in aan kracht. Hij hoorde nog wel stemmen langs de kant. Hij dook onder. Eerst was er niets dan een koude onderstroom. Toen zag hij haar voor zich drijven. Eigenlijk was ze niet meer dan een donkere vlek in de duisternis. Het vergde het uiterste van zijn krachten om haar te bereiken en om sneller te zijn dan het water dat haar meevoerde.

Eindelijk slaagde hij erin haar vast te grijpen; haar arm was ondenkbaar dun en koud, haar vingers voelden slap. Hij trok aan haar, wilde proberen haar mee naar boven te nemen, maar iets hield haar vast. Hij trok zich aan haar been omlaag tot waar hij voelde dat haar voet tussen twee grote stenen klem zat. Hij begon aan haar onderbeen te sjorren, maar zijn longen leken bijna te knappen. Toen hij besefte dat hij haar niet kon bevrijden, probeerde hij de veter van haar stevige leren schoen los te krijgen. Dat kon alleen maar op gevoel, want alles was zwart voor zijn ogen. Hij wilde maar één ding: naar boven, zijn longen volzuigen met lucht, maar als hij dat deed, zou de stroming hem meesleuren en zou hij zich nooit meer kunnen terugworstelen en haar terugvinden in het donkere water.

Toen hij eindelijk de veter los had, gleed haar voet uit de schoen. Net op dat moment werd alles verlicht en leek ze van hem weg getild te worden, uit het water getrokken door onzichtbare handen. Nam de stroming haar mee? Waar kwam dat licht vandaan?

Hij liet haar gaan, want hij was op, doodmoe en koud tot op het bot. Het was heel gemakkelijk om op te houden met bewegen. Hij had altijd gehoord dat verdrinking een zachte dood was, hoewel hij dat maar raar had gevonden. Hoe kon iemand dat nu weten? Maar terwijl de duisternis hem in een koude omhelzing omsloot, wist hij dat het waar was.