34

Het licht bracht hem bij. Het was geen zacht en hemels licht dat hem het grote onbekende inwenkte. Het was hard schijnwerperlicht. Iemand duwde met genadeloze pompbewegingen zijn borstkas in, om vervolgens een stoot lucht in zijn keel te blazen. Hij braakte een guts water en gal uit en haalde bibberig adem, wat aanvoelde alsof er scheermesjes in zijn keel zaten. Toen hij zijn ogen opende, was het niet Gods aangezicht dat hij aanschouwde, maar dat van Chuck Ferrigno. Uit zijn blik sprak vastberadenheid en wanhoop. Achter Chuck stond Eloise Montgomery met een zoeklicht van de politie. Haar gezicht had een serene uitdrukking, alsof de afloop van alles haar al bekend was. Het kon ook zijn dat het haar allemaal niet raakte.

‘Jones,’ zei Chuck, achteroverleunend op zijn knieën. ‘Jezus, man, je bent veel te oud om zomaar in een rivier te springen.’

Jones had het alleen maar koud. ‘Waar is het meisje?’

‘Hier,’ zei Chuck. ‘Ze mankeert niets.’

De drie kinderen zaten onder een boom, met een deken om zich heen. Willow Graves was drijfnat. Haar hoofd lag op de schouder van het andere meisje, dat haar stevig vasthield. Cole Carr zag er verloren uit, hij staar-de met een lege blik in het niets. De wolken hadden zich bijna leeg geregend.

‘Heb jij ons eruit getrokken?’ vroeg Jones.

Chuck zat te rillen, ook hij had geen droge draad meer aan zijn lijf. ‘Dat had je niet van me gedacht, hè? Zonder Henry en die knul was het me ook niet gelukt. Zij hielden me vast terwijl ik eerst het meisje en daarna jou omhoogtrok.’

‘Hoe heb je ons gevonden?’ vroeg Jones. Maar hij wist dat het een overbodige vraag was.

Chuck draaide zijn hoofd om naar Eloise. ‘Eloise stond bij me voor de deur. Ze zei dat het foute boel was.’

‘En dat geloofde je?’ Jones voelde een irrationele boosheid. Hoe kon iemand als Chuck, de nuchterheid zelve, naar Eloise Montgomery luisteren?

Chuck schokschouderde. ‘Hé, ik ben een New Yorker. Ik kijk nergens van op. Hoe dan ook, ze verdomde het weg te gaan als ik niet met haar meeging; ze zei dat ik haar anders maar moest arresteren. En ik sjouw liever een eind door de regen dan dat ik de hele avond formulieren moet invullen over het lokale medium.’

Jones keek naar Eloise in haar veel te grote gele oliejas. Hij zou haar moeten bedanken, maar kon zich er niet toe zetten. Het was toch eigenlijk haar schuld dat hij hier was?

‘Ik heb gezegd dat het risico niet in te schatten was,’ zei ze. Het klonk niet zelfvoldaan, maar het scheelde weinig.

Ergens boven hen klonken stemmen en scheen licht. Jones krabbelde op, vechtend tegen zijn misselijkheid en duizeligheid. Hij wilde niet dat men hem op de oever zou zien liggen. Van hieruit zag het water er niet zo wild uit. Het was zeker niet de kolkende, voortrazende nachtmerrie waaraan hij zich bijna had overgegeven.

‘Heb je om assistentie gebeld?’

‘Klopt. Deze jongelui zeiden dat ze Michael Holt zagen bij de plek waar de beenderen zijn opgegraven. Hij zat hen achterna, daarom renden ze langs het water.’

‘Waar is Henry?’

‘Hij is teruggegaan om de moeder van het meisje te halen,’ zei Chuck. ‘En om Maggie te bellen.’

Jones liep naar het drietal onder de boom. Cole had zijn arm om beide meisjes heen geslagen, ze hingen tegen hem aan.

‘Gaat het, Willow?’

Ze keek op, haar ogen stonden vermoeid en verdrietig. ‘U was bijna dood geweest omdat u mij probeerde te redden. Het spijt me zo. Ik had hier niet eens iets te zoeken.’

Hij legde een hand op haar schouder en ze drukte haar wang ertegenaan. ‘Dank u,’ zei ze.

‘Bedankt voor je hulp bij onze redding,’ zei Jones tegen Cole. Cole knikte verlegen en keek naar de grond alsof hij zich ongemakkelijk voelde.

‘Ik was naar je op zoek,’ zei Jones.

De jongen keek geschrokken op. ‘Naar mij?’

‘Ik heb je moeder vandaag gezien.’

Cole helde met zijn bovenlijf naar voren. Jones zag nu pas hoe jong hij eigenlijk was. Tieners kunnen er soms uitzien als volwassenen. Ze zitten in die moeilijke tijdspanne tussen kindertijd en volwassenheid. De natte, angstig kijkende Cole leek eerder een jongen dan een man. ‘Mijn moeder? Waar?’

‘Ik dacht dat je ons gezegd had dat je moeder in Irak was,’ zei Jolie. Willow maande haar tot stilte.

Cole stond op. ‘Waar hebt u haar gezien?’

Er kwam een jongeman op Jones af gelopen, die een deken om hem heen sloeg. Een deel van de medisch hulpverleners en de agenten was alweer beneden en vormde een groep rond Chuck. De donkere avond was vol licht en stemmen.

‘U moet gaan zitten, meneer,’ zei een medewerker van het medisch team. Jones herkende hem, maar was zijn naam kwijt. Het was een soort Ricky, met zijn donkere piekhaar en ringetje in zijn neus.

‘Oké,’ zei Jones. ‘Ogenblik.’

Af en toe zijn verhaal onderbrekend omdat hij nog steeds kortademig was, vertelde hij Cole waar zijn moeder was en wat er was gebeurd, en dat ze hem miste en graag weer bij zich wilde hebben. Hij dacht dat de jongen zou gaan huilen, maar dat deed hij niet. Cole staarde naar de grond en had zijn schouders opgetrokken, alsof hij zich ertussen wilde verschansen.

‘Wil je naar haar terug?’

‘Ja,’ zei hij. ‘Ik wil terug naar mijn moeder.’

‘Ik zal je brengen,’ zei Jones. ‘Weet je waar je vader is?’

Cole schudde het hoofd. ‘Geen idee. Ik denk dat hij op zoek is naar mijn stiefmoeder. Ze is al een paar dagen weg.’

‘Denk je dat hij weet waar ze is?’ Jones vreesde het ergste.

‘Ik weet het niet. Hij checkte steeds haar afschrijvingen online om te zien of ze haar creditcard had gebruikt .’

‘En?’

‘Ik weet het niet.’

Jones stak zijn hand in zijn jaszak, die vol water zat, en viste zijn telefoon eruit. Naar de filistijnen. Met een machteloze blik staarde hij naar het toestel. Hij liet zich door de hulpverlener naar een afgeplatte kei meevoeren en ging zitten, zodat de jongeman met een penlight in zijn ogen kon schijnen. Het wolkendek, dat dagenlang in het teken van regen had gestaan, begon nu open te breken, Jones zag zelfs het bleke gezicht van de maan. Hij riep Chuck bij zich en vertelde hem over Paula.

‘Ik zet er meteen iemand op,’ zei Chuck.

‘Ik heb een contact bij de kredietregistratie die haar creditcard voor me in de gaten houdt,’ zei hij en hij gaf Kellermans naam door.

‘Ik ken Jack,’ zei Chuck. ‘We vinden haar wel.’

‘Vind haar snel,’ zei Jones. Hij keek steeds op, Henry en Bethany konden ieder moment hier zijn. Maar er kwam niemand. Waarom duurde het zo lang?

‘Hoe ben je hierbij betrokken geraakt, Jones?’ vroeg Chuck. ‘Ik dacht dat je met pensioen was.’

Jones kreeg geen gelegenheid om te antwoorden, want Chuck kreeg een telefoontje via de centrale binnen. Hij liep even weg en Jones hoorde hem informeren naar het gebruik van Paula Carrs creditcard. Hij hoorde dat Chuck zei: ‘Jones Cooper zei dat hij met je samenwerkte.’

Eloise kwam naar hem toe.

‘Dit doet je goed,’ zei Eloise. ‘Dit allemaal. Ook al ben je bijna verdronken, je bent een gelukkiger mens dan op de dag dat ik je kwam opzoeken.’

Hij wilde haar tegenspreken, maar wat had het voor zin? ‘Misschien hebben we allemaal een roeping. En is dit de mijne.’

‘Ik begrijp wat je bedoelt.’

Hij keek haar aan. Ze leek zo klein als een kind in haar grote oliejas. Haar natte haren waren samengeklit. De rimpels in haar gezicht waren diep en donker. Maar voor het eerst zag hij dat haar huid iets lichts, een vreemd soort jeugdigheid had, alsof ze van binnenuit verlicht werd. Het deed hem denken aan de foto’s bij haar thuis uit de tijd dat ze jong en gelukkig was. Ergens was ze nog steeds die vrouw. Hij had Eloise gegoogeld en was erachter gekomen dat ze haar man en kind bij een vreselijk ongeluk had verloren en zelf ook bijna het leven had gelaten. Hij was erachter gekomen dat mensen uit de hele wereld haar hulp inriepen, vanwege haar helderziendheid die zich had geopenbaard na het ongeluk. Ongewild kreeg hij respect voor haar.

‘Wist je,’ zei Eloise, terwijl ze naar de opklarende hemel opkeek, ‘dat de zuurstof in onze longen, de koolstof in onze spieren, de kalk in onze botten, het ijzer in ons bloed binnen in een ster zijn ontstaan, lang voordat de aarde werd gevormd?’

Hij volgde haar blik.

‘Weet je waar Paula is, Eloise?’ Hij vond het vreselijk om te vragen, maar had het nog vreselijker gevonden als hij het niet had gevraagd.

Ze reageerde niet onmiddellijk. Ze keek omhoog naar de maan die weer vanachter de wolken tevoorschijn gleed.

..

Henry liep in een snelle looppas, ondanks het glibberige pad onder zijn voeten. Zodra Chuck ten tonele was verschenen en Jones en Willow uit de rivier waren gehaald, was Henry weggehold; hij wilde naar Bethany en hij wilde Maggie bellen. Hij was halverwege toen hij struikelde en hard op zijn rechterknie terechtkwam.

Hij krabbelde op en toen hij weer overeind stond, versperde Michael Holt hem de weg. Hij was even in verwarring gebracht. Jolie had hem verteld dat Michael Holt hier rondliep en hen had achternagezeten. Henry was ervan uitgegaan dat hij gevlucht was, omdat hij op zijn vingers kon natellen dat er meer politie onderweg was. Zijn gestalte was reusachtig in het donker. Onwillekeurig deed Henry een stap achteruit.

‘Ik ken jou,’ zei Michael.

Henry hoorde hem moeizaam en snel ademen. ‘Jazeker. Je kent me.’

‘Jij was er op de avond dat mijn moeder stierf.’

‘Dat klopt,’ zei Henry en hij maakte een afwerend gebaar. ‘Maar het was niets meer dan wat je moeder zei. We waren vrienden, meer niet.’

‘Je had haar in je armen.’

‘Ik troostte haar,’ zei Henry. ‘Je moeder was... ongelukkig. Het spijt me.’

‘Waarom?’ vroeg Michael. Zijn stem klonk wanhopig en kinderlijk. ‘Waarom was ze zo ongelukkig?’

Henry wilde de pil vergulden om het minder erg te maken voor Michael, maar misschien was dat al te vaak gebeurd. Michael Holt had recht op de waarheid die hij zijn hele leven lang al zocht. En Henry vond dat hij hem verantwoording schuldig was.

‘Ik denk dat ze meer uit het leven wilde halen, Michael,’ zei Henry. Hij sprak op de toon die hij voor moeilijke leerlingen gebruikte. Streng maar vriendelijk; sussend maar niet toegeeflijk.

‘Meer dan ons?’

Henry dwong zich diep adem te halen voor hij antwoordde. ‘Ze hield heel veel van jou en je zus. Maar soms verwachten mensen iets bepaalds van het leven en geeft het leven hun iets anders. De meeste mensen accepteren dat, maar sommigen kunnen het niet accepteren.’

Toen zag Henry Bethany. Ze was hem tegemoet gelopen en stond achter Michael.

‘Ze heeft jou en Cara niet in de steek gelaten, Michael,’ zei Henry. ‘Ze is van jullie weggenomen. Dat weet je nu tenminste. Ze is niet weggelopen.’

‘Nee,’ zei Michael. Zijn nee klonk als een zielige, diep ongelukkige kreun, het begin van een snik. Zijn ademhaling werd gejaagd en even dacht Henry dat hij een woedeaanval kreeg, dat hij zich zou moeten verdedigen tegen dit betonblok van een man. Maar Michael viel op zijn knieën en jammerde, kermde zijn ellende uit. Bethany drukte haar handen tegen haar oren en begon te huilen. Het was een allesoverheersend oergeluid, een geluid van intense smart. Henry kon maar één ding doen: hij knielde en trok Michael, Marla’s zoon, tegen zich aan. Zelfs toen hem begon te dagen waar dit diepe verdriet vandaan kwam, bleef hij Michael steunen.

Michael fluisterde: ‘Al die tijd heb ik gedacht dat mijn vader het had gedaan. Dat hij een afschuwelijk geheim bewaarde en dat mijn zwijgen me medeplichtig maakte. Hij kon me niet vlug genoeg sterven, want dan zou ik de waarheid aan het licht brengen.’

Michael stonk uit zijn mond en zijn lichaam gaf een lucht van zweet en rotte planten af. Toch bleef Henry hem stevig vasthouden. Voor Marla. Henry wist dat Marla haar zoon zou willen helpen, ondanks wat hij had gedaan.

‘Michael,’ zei Henry. Ergens wilde hij de waarheid niet horen, want zodra die was uitgesproken, viel er niets meer te ontkennen.

‘Al die tijd dacht ik dat hij zich in dat huis tussen al zijn zooi had verschanst, dat hij zich uit schuldgevoel levend had begraven. Maar het was geen schuldgevoel. Het was verdriet.’

‘Alsjeblieft...’ zei Henry.

Maar hij was niet meer te stoppen.

‘Ik heb haar vermoord.’ Het was een bijna dierlijke kreet en het sneed Henry door de ziel. Hij hoorde Bethany snikken. Zij zat nu ook op haar knieën. ‘Toen mijn vader thuiskwam, vertelde ik dat er een man in huis was geweest. Ik was zo kwaad. Ik voelde me zo... verraden. Ze kregen ruzie, erger dan ooit tevoren.’

Henry wou dat Michael zijn mond hield. Eigenlijk wilde hij niet horen wat er met Marla was gebeurd.

‘Ik hoorde dat ze laden dichtsmeet. Ze gilde: “Ik haat je! Ik haat dit huis! Ik haat mijn leven!” Ik kon haar niet laten gaan, dat moet ze geweten hebben.’ Michaels stem brak, op hese fluistertoon ging hij verder. ‘Ik probeerde haar tegen te houden. Haar koffer viel open. Ze rende van me weg, de achterdeur uit, het bos in. Ik ging haar achterna. Mijn vader probeerde me tegen te houden, maar dat lukte niet. Niemand had me kunnen tegenhouden.’ Michael haalde diep adem. ‘En al die tijd heeft hij het geheimgehouden. Om mij te beschermen.’

Hij begon weer te huilen. Huilend als een klein kind liet hij zijn hoofd omlaag glijden, naar de grond. Er kwamen lichtbundels en stemmen hun kant op. Even later had zich een kring om hen heen gevormd. Michael keek op, alsof hij verbaasd was dat er zoveel mensen waren.

‘Het is voorbij,’ zei Michael. Zijn blik was glazig, ver weg.

Henry nam aan dat het in zekere zin een opluchting voor Michael moest zijn om te beseffen wat de waarheid was. Hoe tragisch en gruwelijk ook, Michael had eindelijk zijn moeder gevonden.