26

Michael rende door het natte bos; de takken striemden in zijn gezicht en zijn voeten bleven achter wortels haken. Hij kreeg het benauwd van de inspanning, zijn hart was een machine die oververhit raakte, een te hoog toerental moest maken. Toen hij eindelijk bleef staan, bij de ingang van de mijn, schokte hij van het huilen. Het volgende ogenblik kwam in één heftige braakbeweging zijn hele maaginhoud naar buiten, oranje van kleur. Het geluid van het op de grond pletsende braaksel deed hem kokhalzen tot hij bijna geen lucht meer kreeg. Hij zakte ineen tegen de houten betimmering van de mijningang. Na een poosje werd zijn ademhaling rustiger en verdween zijn misselijkheid. De koele lucht die uit de mijnschacht omhoog kwam, leek kalmerend te werken.

Hij kwam hier al zijn hele leven. Zijn vader had hem de weg gewezen. Hier was hij voor het eerst afgedaald, had hij zich voor het eerst in die immer donkere, koele en stille wereld gewaagd. Geen pratende mensen, geen verkeer, niemand die hem tegen het licht hield en hem niet goed bevond.

Cooper had iedereen naar de open plek geleid, de politie erbij gehaald. Als die stomme meid niet had rondgezworven op een plek waar ze niets te zoeken had, had niemand ooit geweten dat hij daar aan het graven was geweest. Nu kon hij die plek wel vergeten, nu zou iemand anders met de vondst aan de haal gaan. Maar nee, dat was het niet. Dat was niet waarom hij niet kon ophouden met huilen.

Hij hees zich overeind. Toen hij hier na de dood van zijn vader was teruggekomen, was de mijningang dichtgespijkerd geweest. Met een bord van de gemeente erbij dat het er gevaarlijk was. verboden toegang had er op het bord gestaan. levensgevaarlijk. Hij had een koevoet meegenomen en de ingang opengebroken. De planken lagen schots en scheef in stukken over elkaar en er staken roestige spijkers uit.

‘Wat heb je met haar gedaan?’ schreeuwde hij het duister in. Het duister was nat en tastbaar, kon naar buiten komen en je grijpen, je meesleuren, het binnenste van de aarde in.

‘Wat heb je met haar gedaan?’ De vraag kaatste terug, echode van de wanden van de mijnschacht. Zijn woorden klonken wanhopig, dodelijk verdrietig en zijn stem klonk zelfs hem verwrongen en vreemd in de oren.

Zijn herinneringen aan die avond waren net zo dichtgespijkerd als de mijn. Verboden toegang. Levensgevaarlijk. En geen koevoet sterk genoeg om ze open te breken. Het enige wat hij zich kon herinneren was zijn fietstochtje door de stille straten, de hoog aan de hemel staande maan en huizen waar alles donker was. Hij had zijn fiets laten vallen, hij was met gedraaid stuur op het gras neergekomen. Toen was hij de trap van de ve-randa op gegaan en had zijn hand op de deurknop gelegd. Maar de deur ging niet open, niet in zijn herinnering. Hij kreeg er geen beweging in. En hij was het proberen moe.

‘Alle antwoorden zijn hier te vinden,’ had zijn vader gezegd met betrekking tot de mijnen en de grotten. ‘Hier beneden kun je jezelf eindelijk horen denken.’

Misschien was dat het wat hij moest doen. Afdalen. Misschien had zijn vader gelijk gehad. Misschien waren de antwoorden daar te vinden.

‘Michael!’

Ray was een beste vent, maar Michael wilde niet meer praten. Met Ray niet, met niemand. Hij pakte zijn rugzak op en hees hem op zijn rug. Hij bukte zich en stapte naar binnen, de gezegende stilte in.