14

‘Hoe gaat het met Willow?’

Hoe durf je het nog te vragen? wilde Bethany zeggen, maar ze slikte het in. Het wekelijkse, door schuldgevoelens ingegeven telefoontje van haar ex-man kon ze eigenlijk niet hebben vanmiddag. Ze was nog steeds van slag na haar bezoek aan Henry Ivy en had spijt van haar besluit om Willow na school nog in de bibliotheek te laten studeren. Ze keek aan één stuk door op de klok. De verleiding om nog een keer de bibliotheek te bellen was groot. Maar zo’n moeder wilde ze niet zijn. Eenmaal bellen was terechte bezorgdheid. Tweemaal was paranoïde. De laatste bus kwam aan om 16.35 uur. Vanuit huis kon ze hem niet zien stoppen, maar als de tv uit stond, kon ze hem wel horen als ze er alert op was. En vandaag was ze er alert op.

‘Ze schikt zich.’

‘Maakt ze geen toestanden?’

‘Als dat al zo was, dan is het jouw zorg niet meer.’ Ze viel scherp uit. Het ging vanzelf, net als een overvaller zonder nadenken zijn mes trekt. Gewoonlijk reageerde hij door meteen naar haar uit te halen en werd het gesprek een straatgevecht, vuil en gemeen, met een abrupt einde. Een week later probeerden ze het dan opnieuw, omwille van Willow. Maar deze keer verraste hij haar door niet meteen terug te slaan.

‘Ik geef nog steeds om jullie, Bethany. Om jou. En om Willow. Het lijkt misschien niet zo, maar het is echt waar.’

Ze voelde haar hart weker worden, maar toen had ze het door. Hoe-heette-ze-ook-alweer, Miss 34 dd, had haar biezen gepakt. Ze had ontdekt dat een berg geld en een goed uiterlijk niet alles compenseerden wat er aan Richard mankeerde. Richard Coben mocht er wezen, zelfs nu hij de zestig naderde, had hij een betere conditie dan de meeste mannen die slechts half zo oud waren. Zijn vroeg grijze hoofd was exotisch, gedistingeerd. Zijn staalblauwe ogen boorden zich in je en leken elke romantische droom te doorzien die je ooit had gehad. Het eerste bedrijf was spectaculair: rozen en kaarslicht, onverwachte reisjes naar Parijs. De dames vielen in katzwijm, Bethany incluis. Maar ze hielden het niet lang met hem uit.

‘Is Brenda weg?’ Ze kenden elkaar te lang om om de hete brij heen te draaien.

Ze hoorde hem zuchten. ‘Ja. Het liep niet lekker.’

Hij was geen hufter, hij behandelde je echt niet slecht. Hij was oppervlakkig en ontrouw, dat wel. Geobsedeerd door zijn werk, egocentrisch. Maar zijn slechtste eigenschap was dat hij zijn woord niet hield, zijn beloften niet nakwam. Op dat punt liet hij het afweten. Teleurstellend voor de vriendinnen, pijnlijk voor de echtgenote en desastreus voor het kind.

Een mooi appartement, een ring aan je vinger, een reisje naar St. Lucia. Is dat niet genoeg?

Het is in de verste verte niet genoeg. Het heeft niets te betekenen. Dat hoeven we allemaal niet. We willen jou.

Dat had hij nooit begrepen en nog steeds niet, zo te horen.

‘Weet je wat ze zei?’ vroeg hij. ‘Ze noemde me emotioneel gecastreerd.’

‘Wow,’ zei Bethany. Ze was heel blij dat ze haar gezicht niet in de plooi hoefde te houden. ‘Dat gaat ver voor iemand als Brenda. Je hebt haar in Las Vegas ontmoet, toch? Was ze geen serveerster in een cocktailbar?’

‘Leuk hoor, Beth. En ze was danseres. Geen stripper, maar showgirl.’

‘Oeps, foutje.’ Ze liep naar het grote raam en tuurde het bos in. Ze kon de weg gedeeltelijk zien nu de bomen hun bladeren lieten vallen. Nog steeds geen bus.

‘Daar moet je erg atletisch voor zijn. Ze heeft veel talent,’ zei Richard.

Dit kregelige, defensieve toontje kende ze. Vroeger kon het haar woest maken; nu vond ze het alleen maar triest. ‘Vast wel,’ zei ze. ‘En flexibel.’

Ze kon meer van Richard hebben nu ze niet meer getrouwd waren, nu hij haar niet meer kon kwetsen. Soms, zoals nu, vond ze hem zelfs grappig. Zijzelf zou hem niet emotioneel gecastreerd noemen. Dat was wat cru, maar wel uitermate geestig. Hij was eerder een emotionele peuter, onhandig en onnadenkend, die elk glimmend, leuk voorwerp in zijn mond wilde steken, zonder de gevolgen te kunnen overzien. Niet verrassend als je zijn ouders kende. Joan was zo’n moeder die alles van haar kind even prachtig vond en hem in alles aanmoedigde, maar ze was de voetveeg van haar man. Zijn vader, Richard sr., een bekend hartchirurg, stelde hoge eisen, was erg kritisch en afstandelijk. Hij was eraan gewend zijn handen in een geopende borstholte te steken en het hart weer tot leven te masseren, en hij liet geen gelegenheid voorbijgaan je dat te vertellen. Over godcomplex gesproken. Het had met Richard een stuk slechter kunnen aflopen. Als hij een persoonlijkheidsstoornis had gehad, was hij seriemoordenaar geworden in plaats van plastisch chirurg.

‘Dat is niet leuk, Beth.’

‘Nee, ik weet het. Sorry.’

‘Waarom loopt iedereen bij me weg?’

‘Ach, Rich.’

Het was waar. Ze was bij hem weggelopen, maar alleen omdat hij haar geen keuze had gelaten. Ontrouw was contractbreuk, vooral als je een dochter had. Ze kon niet accepteren dat Willow zou denken dat dat zomaar kon. Bovendien was hij een vreselijke stiefvader – hij was er nooit en hield geen enkele belofte, groot of klein. Wist hij dat niet of zo?

Bethany zou willen – als ‘willen’ het juiste woord was voor een verlangen dat aanvoelde als een brandende pijn in je borst – dat Willow haar echte vader had gekend. Wat zouden die twee van elkaar gehouden hebben. Hoe anders zou alles dan geweest zijn voor haar en Willow. Ze voelde hoe tien jaar van verdriet en teleurstelling zich in haar keel omhoog klauwde. Ze durfde haar mond niet meer open te doen, ze vertrouwde haar stem niet meer. In de stilte die viel, stelde ze zich voor dat hij zich alle harde woorden en beschuldigingen die ze hem naar zijn hoofd had geslingerd, weer voor de geest haalde.

Toen zei hij: ‘Is alles goed, Beth?’

‘Met mij is alles goed,’ fluisterde ze. ‘Ja hoor.’

‘Mag ik Willow dit weekend komen opzoeken? Ik mis jullie.’

‘Ja, misschien.’ Ze zou het Willow vragen. Misschien zou het haar wat opvrolijken. ‘Ik laat het je morgen weten.’

Ze hoorde het geronk en de sissende remmen van de bus en kon zelfs het gele dak door de bomen zien. Richard praatte door: hij kon wat lekkers voor hen meebrengen van Zabar’s. Ze konden een boswandeling maken en thuis eten. Hij bleef natuurlijk niet slapen. Richard kon niet tegen alleenzijn. Ze zouden hem nog vaak te zien krijgen tot hij weer een nieuwe vriendin had. Ze verdroeg het omdat het belangrijk was voor Willow om contact te houden. Hij was de enige vader die ze ooit had gekend. Bethany hoorde maar de helft van wat hij zei, want ze luisterde naar de bus die bij de oprit stopte. Toen ronkte hij weer verder.

‘De bus heeft Willow net afgezet. Ik ga haar tegemoet zodat ze niet alleen hoeft te lopen. Ik bel je morgen.’

..

Bethany jogde de trap bij de voordeur af en bleef staan op het steenslag van de oprit, die lang en bochtig was. Als ze geen telefoon had gekregen, zou ze kort voor de bus aankwam met de Land Cruiser naar de weg zijn gereden om op Willow te wachten. Maar de wandeling zou haar goed doen. Ze zou haar dochter halverwege wel tegenkomen. Maar dat gebeurde niet. Ze liep door en hoorde in de verte meisjes lachen. Willow was waarschijnlijk blijven kletsen met de tweeling die naast hen woonde. De twee huizen stonden ver van elkaar af, maar de toegang tot de opritten en de brievenbussen bevonden zich naast elkaar. Behalve de tweeling Madison en Skylar gebruikten meer kinderen uit de buurt deze halte: Carlos, de zoon van de kunstschilder, en nog een meisje dat Amy of Ava heette of iets dergelijks.

Toen ze bij de weg was, stond Madison – of Skylar, wie kon ze uit elkaar houden? – met haar tweelingzus te kletsen en te giechelen. ‘Het is een sul, niet te geloven,’ hoorde ze een van hen zeggen. Ze stonden met de rug naar haar toe, dus ze zag niet wie het zei.

‘Hallo, meisjes.’

‘Hallo, mevrouw Graves,’ zeiden ze bijna eenstemmig. Madison glimlachte lief. Het andere meisje keek verlegen naar de grond. Geen Willow.

Bethany keek achter zich, hoewel ze Willow met geen mogelijkheid had kunnen missen terwijl ze hierheen liep. ‘Zat Willow niet in de bus?’ vroeg ze. Ze probeerde luchtig te klinken, maar het bloed ruiste al in haar oren.

‘Nee. Uh-uh,’ zei Madison, blonde krullen en roze wangen, grote bruine ogen. ‘Ik heb haar ook niet gezien toen we op de bus stonden te wachten.’

Misschien dat Madison nog meer zei, maar Bethany hoorde het niet meer. Ze had al rechtsomkeert gemaakt. Ze liep op de automatische piloot terug naar huis en pakte haar tas en haar mobiele telefoon. Zodra ze achter het stuur zat, belde ze haar dochter, maar kreeg haar voicemail. In een trance, boos maar toch ook ongerust, reed ze terug naar de weg en sloeg af richting school.

..

De eerste keer dat Bethany haar dochter moest zoeken, was in New York geweest. Het was acht uur, een koude winteravond. Richard en zij en Willow woonden sinds een maand apart. Het was begonnen met dat ellendige Britney Spears-concert. De leugens, de daaropvolgende toestanden... Hier was het mee begonnen.

Ze reed de zo goed als lege parkeerplaats van de school op en probeerde niet in paniek te raken. Er brandde nog licht in de school. Ze reed door tot aan de dubbele schooldeur en stapte uit, telefoon in de hand. Hollows High was een school als alle openbare scholen aan de oostkust: een langwerpig, laag betonnen gebouw met een plat dak. Toen ze de deur openduwde, werd ze overstelpt door zintuiglijke herinneringen. Ze had een even grote hekel aan de middelbare school gehad als Willow, ze had zich net als zij een vis op het droge gevoeld.

‘Willow liegt omdat ze denkt dat haar echte ik niet goed genoeg is voor haar leeftijdgenoten.’ Dat had dr. Cooper gezegd tijdens hun laatste gesprek over Willow. Bethany begreep dat wel, als kind was zij net zo geweest. Maar zij had die energie omgezet in schrijven.

‘Maar ik hou zoveel van haar. Voor mij is ze altijd goed genoeg geweest en dat weet ze.’

‘Het eerste wat we denken als onze kinderen het moeilijk hebben, is dat we als ouder hebben gefaald. Maar het is niet altijd onze schuld. Zij heeft dingen meegemaakt waar u niets aan kon doen. En ze heeft haar eigen manier gekozen om ermee om te gaan.’

Dat was toch gewoon postmoderne psychologische prietpraat? Ouders zijn verantwoordelijk voor hun kinderen, punt uit. Als ze het moeilijk hebben, is de kans groot dat het iets met jou van doen heeft. Het was weliswaar haar schuld niet geweest dat Willows vader was gestorven, maar ze had met Richard wel een slechte keuze gemaakt. Hun huwelijk was niet gelukkig geweest. Eerlijk gezegd was Bethany gedurende het grootste deel van Willows leven niet gelukkig geweest. Dat moest ermee te maken hebben. Absoluut.

Dat ging allemaal door haar hoofd terwijl ze langs de rijen groene lockers over de vinyl spikkeltjesvloer naar de administratie liep. De lichten waren aan, maar de stoelen voor de bureaus waren leeg en de computerschermen zwart.

‘Hallo?’

‘Hallo?’ antwoordde een mannenstem achter haar in de gang. Even later kwam Henry Ivy tevoorschijn. Bethany voelde dat ze bloosde. Hij zag er zo... ernstig uit. Ze vond het verschrikkelijk dat hij al zo snel te weten moest komen dat Willow zich niet aan haar belofte had gehouden, maar er was niets aan te doen.

‘Willow is niet met de laatste bus thuisgekomen.’

Ze wilde niet klinken alsof ze op het punt stond in te storten, maar het was wel zo. Haar maag was van streek en het huilen stond haar nader dan het lachen.

Ze wist goed dat ze Zoë’s moeder, Evelyn Coates, had gebeld – was dat alweer meer dan een jaar geleden? Ze was op zoek geweest naar Willow, die had gezegd dat ze films ging kijken in hun loft in Tribeca, en ze zou ook blijven slapen.

‘Beth,’ had Evelyn gezegd. Ze herinnerde zich de ongeruste klank die Evelyns stem meteen had gekregen. ‘Willow is hier niet. En Zoë zit voor me op de bank televisie te kijken.’

Ze had angst en verdriet gevoeld, maar ook, ook al vond ze het moeilijk toe te geven, haat voor Evelyn en haar volmaakte huwelijk, haar volmaakte leventje, haar volmaakte dochter die daar was waar ze behoorde te zijn.

Ze was in een taxi gesprongen en binnen een halfuur had ze in de hal van de vele miljoenen kostende loft gestaan en Zoë horen bekennen dat Willow een vriendje had, een jongen die ouder was dan zij en die ze had ontmoet bij het concert van Britney Spears. Zoë had niet willen liegen, maar ze had haar vriendin ook niet in moeilijkheden willen brengen. Ze had beloofd dat ze Willow zou dekken.

‘Maar Willow is helemaal niet naar dat concert geweest,’ had Bethany zonder nadenken gestameld. ‘Hier snap ik niets van.’

‘Dat is ze wel. Of niet?’

‘Nee,’ zei Bethany, die nog steeds niet doorhad wat ze aanrichtte. ‘Haar vader kon niet weg van zijn werk, en dus niet met haar mee.’

Bovenal herinnerde ze zich het gezicht van Evelyn, het medeleven en de bezorgdheid die eroverheen trokken, niet meer dan een dun vernisje om haar leedvermaak te maskeren, haar gevoel van superioriteit en opluchting dat zij nu niet in de schoenen van Bethany Graves stond.

‘Waar had ze vanavond afgesproken, Zoë? Is ze nu bij hem?’

Zoë haalde de schouders op. ‘Ik weet het niet. Als ze gelogen heeft over het concert, kan ze ook over die jongen gelogen hebben. Ik weet niet waar ze is.’

Pas toen besefte Bethany dat ze Willow ongewild had ontmaskerd, dat door haar toedoen de leugens die ze haar vriendinnen had verteld aan het licht zouden komen. Zodra ze weg was, zou Zoë hun gemeenschappelijke vriendinnen sms’en, e-mailen en Facebooken om Willows verlakkerij wereldkundig te maken.

‘Heeft ze gezegd waar ze heen ging?’

‘Ze zei alleen maar dat ze met hem uitging. Ze heeft niet gezegd waarheen.’

‘En zou ze daarna hierheen komen?’

Zoë keek naar de grond en schudde het hoofd.

‘Wat? Wilde ze de hele nacht bij een jongen blijven en de volgende ochtend pas naar huis gaan?’ Bethany hoorde vol afschuw hoe schril haar stem klonk, maar haar paniek had haar bij de lurven. Waar dacht haar dertienjarige dochter de nacht te gaan doorbrengen? En hoe was het mogelijk dat ze niet had gemerkt dat Willow haar glashard voorloog?

Zoë haalde opnieuw haar schouders op. ‘Het spijt me, mevrouw Graves.’

Bethany had het gevoel dat de grond onder haar voeten wegzakte.

..

Zo ongeveer voelde ze zich ook nu ze voor Henry Ivy stond, die zo aardig was geweest Willow te helpen en haar een kans te geven. ‘Ze zei dat ze na wilde blijven om te studeren,’ zei Bethany. ‘Ik heb de bibliothecaresse nog gebeld en die bevestigde dat ze daar zat.’

‘Laten we dan eerst maar eens even bij mevrouw Teaford langsgaan,’ zei meneer Ivy. De klank van zijn stem alleen al was geruststellend. ‘De bibliotheek is tot vijf uur open. Het kan zijn dat Willow er nog zit, dat ze de tijd is vergeten.’

‘Dat kan,’ zei Bethany. Ze kreeg nieuwe hoop, maar die werd weggeslagen toen ze de bibliotheek betraden. De werktafels vooraan waren leeg. De lichten bij de boekenrekken waren uit. Mevrouw Teaford keek op van haar computerscherm; ze had haar jas al aan en had haar tassen naast zich staan. Ze stond op het punt om naar huis te gaan.

‘O ja, Willow is hier geweest. Ik weet niet precies wanneer ze is weggegaan. Ze was met Jolie Marsh. Meestal zitten die twee samen te klieren en moeten ze uit elkaar worden gehaald. Maar ze waren erg rustig en hadden hun studieboeken open. Ik heb niet gemerkt dat ze opstonden.’

‘Moeten ze zich niet afmelden als ze de bibliotheek verlaten?’ vroeg Bethany.

‘Niet na schooltijd.’ Mevrouw Teaford glimlachte Bethany beleefd en medelijdend toe. Bethany had vaker zo’n blik gekregen van onderwijskrachten, een blik van nauwelijks verholen minachting met een sausje van medeleven, gereserveerd voor ouders die geen zeggenschap hadden over hun kind.

In de gang belde Bethany nog een keer naar Willow. Weer haar voicemail. Dit wakkerde haar ongerustheid alleen maar aan, want Willow wist dat haar mobiele telefoon op het spel stond. Ook al had Bethany gedreigd hem in te nemen, ze had hem toch teruggeven na het voorval in het bos, voornamelijk omdat ze Willow anders niet zou kunnen bereiken. De afspraak was dat haar mobieltje geconfisqueerd zou worden als Bethany haar niet zou kunnen bereiken. Waarom nam ze niet op? Waarom had ze niet gebeld? Bethany wist dat er zones zonder bereik waren in The Hollows, dat de dekking ineens kon wegvallen. Maar het liep tegen vijven en Willow zou moeten weten dat Bethany in de rats zat; ze had allang kunnen bellen met een of ander flauw smoesje.

‘Oké,’ zei Henry. ‘Even pas op de plaats. Waar zou Willow kunnen zitten? Ik weet dat sommige leerlingen graag bij de oude begraafplaats een stukje verderop rondhangen.’

Bethany herinnerde zich dat Willow het erover had gehad, dat ze het een beetje griezelig had gevonden daar. Het leek haar onwaarschijnlijk dat Willow er nog eens heen zou gaan, en dat zei ze ook.

‘Laten we er toch maar even snel naar toe rijden om te kijken.’

Nogmaals toetste ze ‘Verzenden’ in op haar mobieltje. Terwijl ze dat deed, zag ze vanaf de andere kant van de gang een man naderen. Zijn silhouet was groot en donker; met zijn langzame en zelfverzekerde tred leek hij de hele ruimte te vullen. Toen hij bij hen kwam staan, meende Bethany hem ergens van te kennen, maar ze kon hem niet direct plaatsen.

‘Ha, Henry,’ zei hij en hij stak zijn hand uit.

‘Goed je weer te zien, Jones,’ zei Henry. Hij drukte de uitgestoken hand en gaf hem een vertrouwelijk schouderklopje. ‘We hebben een probleem. Ik weet dat je me wilt spreken, maar kan dat even wachten?’

‘Natuurlijk. Kan ik misschien iets betekenen?’

Jones Cooper, realiseerde Bethany zich. De man van dr. Cooper. Bethany had hem in de tuin zien werken als ze Willow voor haar afspraak afzette.

Henry stelde hen aan elkaar voor. Zijn handdruk was stevig en zijn brede borst, in een leuk jack gestoken, mocht er zijn. Hij had een prettig gezicht. Ruig was het woord waar ze aan moest denken. Betrouwbaar.

‘We zijn op zoek naar een paar leerlingen,’ zei Henry. ‘Willow Graves is niet thuisgekomen met de laatste bus.’

Even zag ze een schaduw over het gezicht van Jones Cooper trekken. Ze voelde haar hart bonzen.

‘We wilden even op de oude begraafplaats gaan kijken,’ zei Henry. ‘We gingen net weg.’

Jones wees naar de deur. ‘Mijn pick-up staat voor. Ik rij met alle plezier even mee.’

..

De begraafplaats was een verwaarloosd en vervallen stukje grond. Bethany zag meteen waarom Willow het er onprettig had gevonden. Trouwens, niemand die goed bij zijn hoofd is, zoekt voor zijn lol een begraafplaats op. Het was een eenzame en verlaten plek, een rustplaats voor vergeten doden. Henry reed met Bethany mee, achter Jones Cooper aan. Toen ze uitstapten, zag Bethany dat de grond bezaaid was met lege bierflesjes en sigarettenpeuken.

‘Ze hebben niemand meer kunnen vinden om de boel op orde te houden,’ zei Henry. Hij bekeek een plaquette die in een muur was gemetseld. Hij was zo verkalkt en verweerd dat hij onleesbaar was geworden. ‘Dit is historisch erfgoed. Zonde dat het in verval is geraakt.’

In verval geraakt. Alsof alles verwordt als we er niets tegen doen. Als we onze grip op iets kwijtraken, slaat het verval toe. Jones duwde het hek open, dat piepend en knarsend protesteerde. In het laatste beetje zonlicht dat die vreselijke plek verlichtte, werd Bethany bijna vermorzeld door haar boosheid, ongerustheid en spijt. Waarom was ze hierheen verhuisd? Hoe had ze ooit kunnen denken dat Willow zou kunnen wennen in The Hollows? Ze was door angst gedreven geweest, dat was het. Toen ze na die avond had beseft hoe een meisje als Willow zich in New York in de nesten kon werken, had ze haar zo ver als redelijkerwijs acceptabel was van die plaats willen verwijderen. Daar stond ze dan, op een begraafplaats, op zoek naar haar dochter. Ze had het kunnen weten. Je kunt je overal in de nesten werken. Het ligt overal op de loer, niet alleen op straathoeken in de stad, in de ondergrondse, in nachtclubs, maar ook op rustige landweggetjes, onder een rustiek ogend groepje bomen.

Net op het moment dat ze Willow weer wilde bellen, zag ze haar dochter uit het bos komen. Even kon ze haar ogen niet geloven; leek het alsof Willow en Jolie en de onbekende mooie jongen die ze nog niet eerder had gezien, een luchtspiegeling waren. IJle figuren, met hun bleke huid en zwarte kleren.

‘Mam?’ Willow slaagde erin angst en gêne in één lettergreep te persen. De drie tieners wisselden een blik – onderkoeld onverschillig, vergezeld door een half baldadige glimlach – die al je ouderlijke gevoelens belachelijk en verachtelijk maakte. Of nee, dat deed alleen Jolie. Willow keek geschrokken en schaapachtig. En van het gezicht van de jongen kon Bethany niets aflezen.

‘Willow, in de auto!’ Dat was het enige wat ze eruit kon krijgen. Ze was zo boos en tegelijkertijd opgelucht dat ze wel kon kotsen.

‘Mam.’

‘In. De. Auto.’

‘Waar zijn jullie geweest?’ vroeg Henry aan Jolie, terwijl Willow naar Bethany’s auto liep.

‘Stukje wandelen,’ zei Jolie. ‘Dat is toch niet verboden? Of wel soms?’

Jones Cooper had al die tijd niets gezegd, hij had alleen maar staan kijken. Nu deed hij een stap naar voren. Hij had zijn handen in zijn zakken en tuurde even met een effen blik omhoog.

‘Het is daar niet veilig,’ zei hij. Hij keek hen fronsend aan. ‘Dat zouden jullie moeten weten. Onder de grond liggen oude mijnen. Er zitten stukken privéterrein bij en de mensen hier hebben het niet zo op indringers.’ Hij schopte iets weg en Bethany hoorde metaal rinkelen. Kogelhulzen. Nu ze erop lette, zag ze dat ze overal lagen.

‘We hebben gewoon een beetje rondgelopen,’ zei de jongen. Hij zei het niet om tegen te spreken. Hij had zelfvertrouwen, maar hij was geen praatjesmaker. Bethany zag dat Jones de jongen van top tot teen bekeek en alle details in zich opnam: spijkerjack, T-shirt met opdruk, een vuile, bij de knieën gescheurde spijkerbroek die waarschijnlijk honderd dollar kostte en stevige, hoge leren schoenen. Zijn ravenzwarte haardos was zorgvuldig met gel in model gebracht om een warrig effect te creëren. Zijn wimpers waren zo lang en donker dat het leek alsof hij mascara op had, maar dat was niet zo. Kortom, hij was de droom van elk tienermeisje.

‘En met wie heb ik de eer?’ vroeg Jones Cooper.

‘Cole Carr,’ zei hij. De jongen stak zijn hand uit. En Jones de zijne.

‘Cole is hier in september begonnen,’ zei Henry. ‘En dit is Jolie Marsh.’

Jones keek Jolie aan. ‘Ik ken je vader.’

‘Fijn voor u.’

Jones trok zijn wenkbrauwen geamuseerd op en keek haar onderzoekend aan. Tot haar genoegen zag Bethany dat het meisje zich na een poosje ongemakkelijk ging voelen en haar stoeremeidenblik afwendde naar de grond. Ze zag er onfris uit: vuile nagels, ongewassen haar, vlekken op haar jas. Wie zorgde voor dit kind?

‘Ik wilde ze alleen maar laten zien wat ik gisteren had gezien,’ zei Willow vanuit de auto. Ze had het raampje laten zakken.

‘Wat heb je dan gezien?’ vroeg Jones. Niemand leek zich af te vragen wie hij was en welk recht hij had om vragen te stellen. Zelfs Bethany merkte dat ze zijn natuurlijk overkomende gezag als vanzelfsprekend ervoer. Henry had haar onderweg in de auto verteld dat Jones Cooper hoofdinspecteur van de politie van The Hollows was geweest en dat hij nu parttime privédetective was. Ze meende zich te herinneren dat dr. Cooper er ooit iets over had gezegd. Op en top een politieman, gezien de vragen die hij stelde..

Bethany vertelde Jones wie Willow in het bos had gezien, dat Michael Holt haar telefoon had teruggebracht en op zoek was geweest naar een mijngang. Jones keek haar aandachtig aan. Haar verhaal betekende iets voor hem, maar ze had geen idee wat.

‘Nu heb ik er natuurlijk spijt van dat ik alles wat hij mij heeft verteld aan haar heb verteld,’ zei Bethany. ‘Ik had beter moeten weten.’

Jones knikte begrijpend en grinnikte. ‘Kinderen.’

‘Mogen we weg?’ vroeg Jolie. ‘We hebben niets verkeerds gedaan. We zouden Willow op tijd wegbrengen voor de laatste bus. Het duurde alleen langer dan we hadden gedacht. Er is daar trouwens niets te zien. Allemaal tijdverspilling.’

Bethany hoorde dat Willow het raampje dichtdeed. Ze draaide zich om en zag Willow boos en stuurs in de passagiersstoel zitten. Toen ze zich weer terugdraaide, merkte ze op dat Cole naar Willow staarde en dat Jolie keek hoe hij naar Willow keek. Oh-oh, dacht Bethany terwijl ze iets voelde knijpen in haar buik. Dit krijgt nog een staartje.