Zaterdag 28 januari 1978

Haar laatste jurk

 

  1

 

 

Laatste dag. Als het de laatste dag was, want iedereen scheen het daar wel over eens te zijn, maar niemand kon Remo zekerheid verschaffen. Gisteren, na de afscheidskoffie, De Griek hem gezegd dat het schoonmaken er voor hem op zat: met ingang van zaterdag zouden er twee nieuwe vrijwilligers worden ingewerkt. Ook dat bood nog geen garantie dat ze hem op zondag zouden laten gaan.

 

  Als hij zijn hoofd van het kussen ophief, kon hij de echo’s van vallende bezemstelen over de Ring horen stuiteren. De nieuwelingen hadden schelle stemmen. Het was te hopen voor ze dat ze, na veel geveeg en gepraat, niet op de een of andere manier familie van elkaar zouden blijken te zijn, bloedzwagers of zo, want dan zouden ze het uur vervloeken dat ze zich als vrijwillige schoonmaker gemeld hadden.

 

  De kleine koffer lag met opengeslagen deksel op de vloer, nog niet halfgevuld met het weinige dat zich hier aan bezittingen had verzameld. Voorzover de kerstlekkernijen niet aan noodzakelijke ruilhandel waren besteed, gingen ze onaangeroerd mee terug: ze hadden hem niet gesmaakt. Hij had het grote vel papier van het zachtboard losgetrokken en opgerold. Om in de koffer te passen moest de rol worden omgeknakt. Van Sharons foto’s, die de bodem bedekten, betreurde hij het nu ze met tandenstokers te hebben geperforeerd. Al moest hij er het verzegelde archief van een failliet fotolaboratorium in Anaheim of Brentwood voor openbreken – hij zou hun negatieven weten op te sporen, om ze in ongeschonden staat te laten afdrukken. Iconen in puur licht gevangen, die ging je niet met houten pinnen te lijf.

 

  Alles wat hij vanavond en morgenvroeg nog nodig had (kam, oogdruppeltjes, tandenpoetsgerei) lag op de schap onder de spiegel. Zijn karwei zat er hier op. Al bezemend had hij onvermoede antwoorden uit zijn veegmaat gezwiept. Er waren ook vragen open blijven staan. Maddox was verdwenen, dood of levend, en Remo zou nooit de kans meer krijgen de resterende antwoorden uit hem te kloppen. Het was genoeg zo. Samen hadden ze hier, in deze stoffige Choreaanse onderwereld, met hun twistgesprekken Sharon tot leven gewekt en, alsof dat niet al obsceen genoeg was, ook weer naar de dood gevoerd. Nu ze Sharon zoveel meer kennis over het weefwerk van haar lot hadden bezorgd, kreeg zij misschien rust op haar heuveltop aan de rand van Holy Cross. Het werd tijd om zijn ogen dicht te doen, zijn oren te sluiten voor het poetskabaal op de Ring, en Sharon opnieuw te begraven.

 

 

 

  2

 

 

HOLY CROSS MEMORIAL CEMETERY. Telkens wanneer Remo de naam boven de ingang van de begraafplaats in Culver City zag staan, echode het in zijn hoofd: Noel Cross. Zo heette de door en door verrotte aartsvader in zijn film Chicane Town. Noel Cross dreef zijn eigen dochter de dood in, een en al engelachtige blondheid rond een draaikolk van bloed. De scenarioschrijver had erop gestaan de naam te handhaven, zodat er voor Remo een heel kerkhof in was blijven mee galmen.

 

  Het was 8 augustus 1977. Hij kwam hier elk jaar op 9 augustus om bloemen te leggen op het graf van zijn vrouw en kind, maar dit keer had hij de negende vrij moeten houden voor een hoorzitting van de rechtbank in Santa Monica. Het zou erom spannen. Als hij niet op de een of andere manier vooraf schuld bekende, kwam er zeker een proces. Hij liep langzaam van de poort naar de kapel, niet meteen in de richting van het graf daarboven, alsof hij aarzelde om zijn geliefden met gepostdateerde bloemen af te schepen.

 

  De begrafenis had zich onder net zo’n diepblauwe hemel afgespeeld als er nu over de Baldwin Hills spande. Hij hoefde maar te denken aan de explosies zonlicht de zilver gespoten kist, en het was er allemaal weer: het pad naar de kapel, afgezoomd met bloemboeketten in blikkerend cellofaan, dat knisperde in de ochtendhitte; het premièrepubliek in het zwart, dat eerbiedig voor de ingang leek te wachten, maar door de drukte niet naar binnen kon; de twee-, driehonderd persfotografen, die door een even groot aantal politieagenten, schouder aan schouder opgesteld, van de rouwenden werden weggehouden, maar tussen de petten door met hun telelenzen het leed toch wel naar zich toe wisten te zuigen.

 

  Vandaag was er op heel Holy Cross geen levende ziel te bekennen. Geen begrafenis gaande, zelfs geen tuinman of grafdelver aan het werk. Stilte – op het eeuwige gonzen na van de stad aan de andere kant van de heuvel. Op weg naar de kapeldeur vertraagde Remo automatisch zijn pas, tot hij het tempo had van de dragers toen. Hij had, met zijn schoonmoeder naast zich, vlak achter de kist gelopen, aan haar arm eerder steun zoekend dan biedend. Tussen de witte en gele theerozen (de kleuren van de kinderkamer) vond de zon op het deksel nog plekken zilver om te ontsteken. Maar het was niet tegen de bliksemende kist dat Remo een donkere bril op had gezet, en ook niet tegen het rood gewreven verdriet. Zijn ogen, naakt, zouden verraden hebben hoezeer hij zich chemisch tegen de werkelijkheid van Holy Cross gewapend had.

 

  Bij de ingang passeerde een grote groep mensen, die dicht opeengepakt schuddend stond te snikken. Allemaal bekende gezichten. Remo had ze nooit anders dan lachend gezien, op feestjes, of een enkele keer woedend, in ruziesituaties, maar nooit zo, huilend. Ze hadden zich de afgelopen dagen met in allerijl aangeschafte wapens achter kordons nieuwe waakhonden verschanst, of waren in hotels ondergedoken, maar hier stonden ze, weerloos op een van alle kanten open vlakte, zonder zelfs maar een stalen bobbel in hun zwarte jasje – risicovol te rouwen.

 

  De kist gleed als een zilveren Rolls Royce door de menigte heen de schaduw van de kapel in. Remo keek om. Meteen achter hem kwam zijn schoonvader, met aan elke arm een van zijn overgebleven dochters: de twaalfjarige Patti, en Debbie van zestien. Net als hun moeder droegen ze een mantilla, waarvan alleen het huiveren van de zwarte kant iets van hun ontroostbaarheid verried.

 

  De kist werd door de dragers op een katafalk getild. Hij was dicht, en bleef dicht. Remo wilde Sharon, ondanks het bovenmenselijke werk dat de meestergrimeurs van Dunnahoo & O’Donnell hadden geleverd, niet zoals ze nu was in een open kist tentoonstellen. Alleen de vader had zijn dochter nog even mogen zien, en zelfs op zijn gezicht brak algauw het militaire pantser. Remo nam, voordat het deksel definitief dichtging, als laatste het satijnomlijste beeld in zich op.

 

 

 

  3

 

 

De dag voor de begrafenis was Remo met zijn schoonzusje Debbie, onder politiebegeleiding, naar zijn huis aan de Cielo Drive gereden – om een jurk voor Sharon op te halen. Voor ’t eerst sinds het voorjaar kwam hij weer hier, waar hij niet meer dan een paar weken gewoond had. De organisatie van een house-warming party, de vuile vaat erna, en het pakken van koffers voor Europese filmprojecten: meer had het gezamenlijke huishouden in Sharons House of Love niet voorgesteld.

 

  Het parkeerterrein, waar toen de bolides van zijn gasten hadden gestaan, was nu vol politieauto’s. Een agent bij de poort raadde Remo aan om met het meisje langs de achterkant van het huis naar de uitbouw te lopen: alleen zo zouden ze ‘de sporen’ kunnen ontwijken.

 

  Voor de open tuindeuren van Sharons kleedkamer stond ook een agent op wacht, die tegen zijn pet tikte, en Remo om legitimatie vroeg. Ze mochten naar binnen. Remo sloot de deuren, en schoof er zorgvuldig de vitrage voor. In het resterende licht glinsterde Debbies natte gezicht.

 

  ‘Ik vind het zo naar dat jij je paspoort moet laten zien... gewoon, om bij de kleren van Sharon te kunnen.’

 

  Hij sloeg zijn arm om haar heen, en zo stonden ze samen voor de brede kast met de eindeloze rij jurken, geordend naar lengte, van heel kort tot heel lang: allemaal tijdelijke gestalten van Sharon. In elke naad was wel een zweem van haar lijfparfum blijven hangen. Al die vleugen bij elkaar leverden een geur op zwaar en neerdrukkend als die van verschaalde wierook.

 

  ‘Wees lief, Debbie, en zoek een mojurk voor je zusje uit. Ik loop even het huis in.’

 

  Huilend stak ze haar handen tussen de jurken, en schoof ze aan hun knaapjes uit elkaar. Remo liep via het halletje de echtelijke slaapkamer in. Het opengeslagen bed. De wal van kussens precies in het midden. Een bierblikje op het nachtkastje, naast de telefoon. Toen hij zijn hand naar de hoorn uitstrekte om te luisteren of de lijn nog dood was, verscheen er een agent in de deuropening naar de centrale hal. ‘Niet aanraken.’

 

  In de huiskamer zat een man van middelbare leeftijd in een ouderwets wijd pak op zijn hurken naast een drietal grote bloedplakkaten, klonterig opgedroogd in het lichte tapijt. Met de handen voor zijn ogen drukte hij een grote concentratie uit. Een andere man in burger kwam uit de schaduw naast de open haard tevoorschijn. Met moeite, maar dat lag aan de tranquillizers, herkende Remo inspecteur Helgoe, die hem afgelopen zondag naar het mortuarium begeleid had. Helgoe nam hem bij de arm, en leidde hem terug naar de hal waar de slaapkamerdeuren op uitkwamen. ‘Ik geloof niet in die flauwekul, maar u begrijpt... wij mogen niets bij voorbaat uitsluiten. Mr Clocquet is een Nederlandse paragnost. Hij helpt ons de schim van de moordenaar te arresteren.’

 

  Toen ze in de kamer terugkeerden, zat Clocquet op zijn knieën met gesloten ogen een pakje scheurlucifers te bevoelen, prevelend. Hij hield er plotseling mee op, trok zich aan een fauteuil omhoog, en zei in rottig Engels: ‘U bent de hoofdbewoner.’

 

  ‘De enige nog levende bewoner.’

 

  ‘Ik ben er heel dichtbij.’ De helderziende wees op de min of meer ronde bloedkoeken. ‘Uw eerste associatie graag.’

 

  Een agent kwam Remo waarschuwen. ‘Het meisje durft niet alleen te blijven.’

 

  ‘Foute koeienvlaaien in een beige weiland,’ zei Remo met al het sarcasme dat hij in zijn gedrogeerde staat kon opbrengen. De agent leidde hem terug door zijn eigen slaapkamer, waar hem nu ook bloedsporen opvielen: in het tapijt, op de tuindeur naar het zwembad. Debbie zat op een krukje voor de garderobekast. Over haar knieën, met de kleerhanger er nog in, lag de blauw met gele jurk die Remo herkende als de mini die Sharon op de foto’s in WorldWide had gedragen.

 

  ‘Ik had meer iets langs in gedachten.’

 

  ‘Kom nou, de minirok was haar leven. Toen ze mij in mijn eerste mini zag, zei ze: “O, Debbie, als er op highschool in Italië al minimode was geweest, dan zou ik het kortste van het kortste hebben gedragen, ik zweer het.” Deze Emilio Pucci was haar absolute favoriet. Toe nou.’

 

  ‘Trek hem eens aan. Jij hebt al helemaal haar postuur.’

 

  Hij liet haar alleen. In de slaapkamer stootte hij de deuren naar het zwembad open. Op het water dreef de opgelapte vrachtwagenbinnenband waarop hoogzwangere schat zich de voorbije weken had laten rondschommelen toen zelfs de schoolslag te vermoeiend voor haar werd. In de deuropening stond zijn schoonzusje met de Emilio Pucci aan. Zelfs met Debbies donkerbruine haar erboven, in plaats van het blonde van Sharon, was de aanblik ondraaglijk.

 

  ‘Doe uit, doe uit. In Godsnaam, deze maar.’

 

  De politieauto loodste ze naar een vestiging van Dunnahoo & O’Donnell, begrafenisondernemers, waar ze de jurk afgaven. Mr O’Donnell nam Remo apart, en vroeg wat hij als lijkwade in gedachten had. De man was vergeten dat hij een centimeterlint rond de nek had hangen, zodat hij eruitzag als een kleermaker.

 

  ‘Ik heb net een jurk gebracht.’

 

  ‘Excuses. Ik bedoel... voor het kind.’

 

  De tranquillizers vereenvoudigden zijn denken. Hij vroeg om het telefoonboek. P... Publers... Pucci. Er was een vestiging aan Wilshire Boulevard, waarvan hij het nummer belde. Hij werd doorverbonden met een dame van het atelieran wie hij de jurk beschreef.

 

  ‘Op de achterkant van het label,’ zei ze, ‘staat een getal van zes.’

 

  Hij wenkte, wees, en Debbie bracht hem de jurk. Hij gaf de cijfers door. Even later deelde de modiste mee dat de stof nog leverbaar was: precies zo, in geel en blauw. Remo noemde de gewenste maten.

 

  ‘Meneer, dat is zelfs voor het mini-jurkje van een achtjarige te weinig.’

 

  ‘Genoeg om een dode baby in te wikkelen.’

 

  Zo’n simpel ontwerp was er nog nooit bij ze besteld. De modiste beloofde de lap stof af te zomen tegen het rafelen, en dan per koerier naar Dunnahoo & O’Donnell te sturen, vanmiddag nog. Remo belde zijn schoonvader: ‘Laatste blik, Paul.’

 

  De koerier van Pucci was er eerder. Van de familie was alleen Remo er getuige van hoe Sharon, met de mini-jurk aan, voorzichtig van een brancard in de zilveren kist werd getild. Zo door en door gehavend als ze was, haar schitterende benen, die ze zo graag liet zien, staken ongeschonden onder de zoom uit. Ze konden elk moment stoeierig gaan spartelen. De kist was gevuld met zoveel geplooid, zilverwit satijn dat het net was of Dunnahoo & O’Donnell haar in een vlokkerig schuimbad neerlieten. Daarna werd het kleine wezen, gekleed in Emilio Pucci’s eenmalige ontwerp, naast de moeder afgezonken.

 

  4

 

 

De kapel was niet afgesloten. Niemand binnen, behalve een kleine vogel die met bloedende snavel tegen de ramen opvloog, totdat hij gebruikmaakte van de door Remo opengehouden deur om verblind het augustuslicht in te fladderen. De bestorven lucht van gedoofde kaarsen sloeg hem op de keel, en het was alsof hij kon proeven dat ze van toen waren – alsof ze in de tussenliggende acht jaar nooit ververst zouden zijn. Hij vond de plaats terug waar hij naast zijn schoonmoeder had gezeten, en ging er ook nu zitten, met het bloemboeket over zijn knieën. De baar waarop de zilveren kist had gestaan, bleek een kaal geraamte, zo zonder zwartfluwelen mantel. Dwars eroverheen lagen twee bezems, een dekzwabber, een trekker en een ragebol uitgestald. Emmers stonden eronder.

 

  Father O’Bryon, de familiepastoor, leidde de herdenkingsdienst. Zijn gebaren werden gelachspiegeld door de rondingen van de zilveren kist. In gedachten zag Remo het filmvolk, dat anders alleen bij de oscaruitreiking in het zwart ging, steeds vaster om het witte gebouwtje samendrommen, waarvan de wanden het elk moment konden begeven. Tweehonderdvijftig fotografen met hun lenzen erbovenop om de ramp al tijdens de voltrekking vast te leggen. Er waren momenten dat hij meende te zullen stikken binnen die omarming van agressieve rouw. Door het premièrekarakter van de bijeenkomst had hij op andere ogenblikken de gewaarwording een rol te spelen, ook wanneer hij huilend Doris aanhaalde, en de ruwe kant van haar mantilla langs zijn wang voelde schuren – een scène die in tientallen takes moest worden overgedaan.

 

  Zelfs Father O’Bryon oogde als een echte filmpriester: Montgomery Clift in True Confessions, met dat gezicht dat na zijn auto-ongeluk zo voorbeeldig was opgelapt, een wonder van plastichirurgie, maar dat, letterlijk uitgestreken, nauwelijks emotie meer kon uitdrukken. Remo luisterde naar zijn toespraak met het oor van de regisseur. Het moest korter. Aan de montagetafel zou hij er kwistig in snijden – tot alleen de essentie overbleef.

 

  Die kist daar diende niet alleen als lachspiegelpaleis voor de pastoor, hoe tragikomisch zijn armen zich ook kurkentrekkerachtig rekten tot in de theerozen. Remo probeerde zijn gedachten op de inhoud te richten. Met al haar natuurlijke elegantie was Sharon een notoire brekebeen. In de vele buurten waar zij als kind gewoond had, was zij de durfal, met prikkeldraadschrammen diep genoeg om als litteken te overleven. Later, als tiener in Italië, liep zij bij riskante autoritten de snijwonden op, of ze nou achterin zat, op de dodenstoel of aan het stuur. Wie haar als puber gekend had, vond haar aandoenlijk als een opgroeiende puppy, die plotseling niet meer weet wat ze zo hoog op de poten moet, en dan maar tegen de mensenbenen om haar heen aan valt, met een behaagzucht die de onhandigheid moet camoufleren.

 

  Remo verdacht haar ervan instinctief krassen op haar schoonheid te zoeken, om die hardhandig te vermenselijken. In bed plaagde hij haar soms door op haar naakte lijf het hele landschap van witte, roze en bruine littekentjes in kaart te brengen. De wijs en middelvinger van zijn rechterhand dansten als passerbenen van een verrassend precies winkelhaakje naar een rimpelig kuiltje dat slecht was dichtgegroeid, en vandaar weer naar een dichtgenaaide wond die op de verse afdruk van een ritssluiting leek. Op haar voorhoofd, meestal verborgen achter een lok, zat net onder de haargrens een kartellijntje in reliëf: het resultaat van hun gezamenlijke verkeersongeluk, waarbij hijzelf als bestuurder geen schrammetje had opgelopen. De inspectietocht van zijn vingers eindigde altijd bij haar linker oorlel, waar ooit een gaatje ontstoken was geraakt en een knobbeltje wild vlees had opgeworpen. Hij kneedde het tussen zijn vingertoppen, en noemde het haar ‘rosebud’, net zo lang tot ze zijn hand wegsloeg.

 

  Nu, in de kapel, probeerde hij de kaart nog eens in z’n geheel te lezen, maar stuitte telkens op de nieuw ontgonnen gebieden, die nooit meer de kans zouden krijgen tot litteken te helen. In plaats van krassen op haar uiterlijk te maken hadden de verse wonden haar schoonheid tot puur licht verheven. Oneindig veel groter dan het leven zelf straalde ze sinds het weekend vanaf honderden bioscoopgevels op de mensen neer. Zelfs de films waarin zij onbeduidende bijrollen had gespeeld, voegden nu een vlammend Starring aan haar naam toe. Regisseurs kregen heimelijke verzoeken om bij de montage gesneuvelde fragmenten met acteerprestaties van haar alsnog in de film te monteren, om haar aandeel te vergroten. Wie het ook was die haar uit het leven weggevaagd had, hij (of zij) had Sharon binnen een paar etmalen gegeven wat zij bij leven nog lang niet had, en waarschijnlijk ook nooit gekregen zou hebben: de in Tinsel Town zo diep verlangde status van Godin van het Witte Doek.

 

  ‘Sharon,’ besloot Father O’Bryon, ‘mogen de martelaren je tot gids dienen, en de engelen je verwelkomen.’

 

  Vanuit zijn troebele ooghoeken zag Remo een blonde vrouw in een lange, zwarte jurk door het middenpad de kapel uit vluchten. Het was alsof de krachtige slingersnik zelf haar van de bank had doen opveren. De priester wachtte tot het vinnige geklak van haar hakjes verklonken was, en verzocht de aanwezigen toen te gaan staan. Weer werd Remo eerder door zijn schoonmoeder achter de dragers aan geleid dan andersom. Het onomkeerbare punt was bereikt: de stoet ging op weg naar het graf. Nu het nog kon, wilde hij zich zo dicht mogelijk bij zijn geliefde weten. Hij vond haar niet terug. De kist, die buiten opnieuw beschimpt werd met een driehonderdvoudige hikaanval van de camera’s, was leeg.

 

  Even verderop, daar lag ze, Sharon, in kolkend zonlicht op het glooiende gazon. Roerloos, met haar ogen op de vonkend blauwe lucht gericht. Het honingblonde haar lag uitgewaaierd om haar hoofd, als vastgepind op de kort gesneden grashalmen. Anders dan de dag tevoren, toen mini de mode was, droeg ze nu een zwarte avondjapon.

 

  Toen ze de stoet, die op tien meter afstand voorbijschoof, in het oog kreeg, kwam ze snel en lenig overeind. Het was Sharons vriendin Michelle, de zangeres, die het in de kapel niet langer had uitgehouden. Ze haakte de uitgeschopte pumps aan haar voeten, en voegde zich met kleine struikelstapjes in de mensenrij die over het pad achter de verblindende kist aan trok.

 

  Al was de kapel leeg, hij had hier liever niet gevloekt. Nu hij zich herinnerde dat de bloemist het vloeipapier om de rozenat had gemaakt ‘tegen het verwelken in die hitte’, was het te laat: rond zijn bovenbenen was de stof van zijn lichte broek zo goed als doorweekt geraakt. De brandende zon in dan maar, heuvelopwaarts naar het graf, waar de bloemen hoe dan ook binnen een kwartier hun kopjes zouden laten hangen. Tegen die tijd zou zijn broek wel droog zijn.

 

 

 

  5

 

 

Van Scott Maddox zelf wist Remo inmiddels hoe het bloed van de slachtoffers, op muren en vloeren en gazons en veranda’s, zodanig vermengd kon zijn geraakt dat het de forensische specialisten van de LAPD in totale verwarring had gebracht – en, erger nog, ertoe verleid had te sjoemelen met de resultaten van het onderzoek. Ieder afzonderlijk wist maar al te goed dat van vier van de vijf doden (de jongen in de Rambler was een verhaal apart) de bloedgroepen op een aantal plaatsen, binnenshuis en in de tuin, door elkaar geraakt waren. Het verenigde de vrienden over de dood heen. Ook het mortuarium had ze nog heel dichtbij elkaar bewaard. Maar binnen een paar dagen werden ze meedogenloos van elkaar gescheiden, en naar verschillende begrafenisondernemers gebracht, die ieder weer een andere bestemming voor hun lijk hadden. Dat van de vijf op dezelfde woensdag de dertiende afscheid werd genomen, maakte de afstand in de ruimte alleen maar vreemder.

 

  Gibby had voor de dag na de moordnacht een afspraak met haar moeder in San Francisco, om te gaan winkelen in The Cannery bij Fisherman’s Wharf. Haar vlucht ging om half elf ’s morgens. Winny had beloofd haar met een stevig ontbijt de deur uit te helpen. Een paar ochtenden later werd Gibby alsnog naar San Francisco gevlogen, waar zij zich niet van het vliegveld naar de Wharfs liet rijden, maar naar een kerk in Portola, die haar op een requiemmis onthaalde. Op een dodenakker vlakbij wachtte haar een vers graf, waar zij gescheiden van haar minnaar zou komen te rusten.

 

  Voyteks zwaargehavende lichaam werd diezelfde ochtend, ver weg van haar, in een crematorium in West Hollywood verbrand. Zijn as zou dezelfde maand nog naar het Poolse Lodz worden gevlogen, om te worden bijgezet op het Zydovski-kerkhof, tussen de familiegraven van de plaatselijke textieladel. Remo had er later een keer, toen hij gastcolleges gaf op de filmhogeschool, de schrijn met Teks urn bezocht. Geen goed idee. Op de stille begraafplaats stond hij de vochtige as van zijn vriend de hevigste verwijten te maken: van de dood van Sharons terriër via zijn falende beheer als huisoppasser tot aan zijn onverwoestbare levensdrift, die op ’t laatst alleen maar tot meer messteken en kolfslagen had geleid, en verder nergens toe. ‘Man, was gaan rennen, op de huizen af, dan waren ze achter je aan gekomen, dan...’

 

 

 

  6

 

 

Marmeren grafplaten, grijs en wit en zwart, vormden een onregelmatig mozaïek tegen de groene heuvelhelling. Ertussen slingerden zich natuurstenen paden omhoog naar een kunstmatig ontworpen grot, waarin het veel meer dan levensgrote beeld van de Heilige Maagd, in wit en lichtblauw, Remo al van verre tegemoet blikkerde. Boven de namaakrotspartij verhief zich een majesteitelijk geheel van wijduitstaande boomkruinen, maar Maria stond nog volop in de hete ochtendzon. Remo voelde zijn broekspijpen bijna per stap droger worden. Rechts van de grot, in een uithoek van de dodenakker, daar moest hij zijn.

 

  De kist waar hij met zijn schoonouders en schoonzusjes achteraan strompelde, was alleen nog een onwerkelijk grote spiegeldoos die zonlicht verplaatste. Op zeker moment, de stoet was al aan de klim begonnen, staakten alle camera’s tegelijk hun geklik. Het had op Remo de uitwerking van een zomerdag buiten, wanneer duizenden krekels op hetzelfde moment met tjirpen ophouden. Stilte. De gewatteerde dreun van de San Diego Freeway. Het zachte snikken van de meisjes achter hem. De grot waar ze met z’n allen op af sjouwden, had twee grote, donkere openingen, en leek daarmee op een half in de aarde verzonken doodskopAls hij zich daar maar op bleef concentreren, dan kwamen ze er wel, bij die uiterste richel van de wereld. Zijn voeten schuifelden over dezelfde onregelmatige natuurstenen als waar de voorveranda van zijn huis mee was belegd, en waar plassen bloed van Sharon en Jay waren aangetroffen, zonder dat de politie verdere sporen had kunnen vinden van hun verblijf buiten. Hij liep over het verlengde van het pad dat de moordenaar had gebruikt.

 

  Remo kwam met zijn rozen vlak langs de grot. Een trap, met bovenaan een knielbank, leidde in de richting van de Heilige Maagd. Er stond ook een barbecuebak met een spijkerbedconstructie, waar tegen betaling kaarsen op vastgestoken konden worden. Het kostte hem enig getuur voor hij hun ijle vlammetjes in het felle zonlicht kon onderscheiden. Uit de schedelholte links klonk enig gerucht, eindigend in een afgeknepen lach. Een hovenier misschien. Hij wandelde verder naar de rechter uitloper van de rotspartij. Tussen het pad en een sierhaag was hier, aan de rand van het kerkhof, nog een klein grasveld met een dozijn stoffige zerken – op die ene van gepolijst zwart marmer na dan, die door Doris en haar dochters regelmatig glanzend gewreven werd.

 

 

1943 † 1969

 

 

Haar achtste sterfdag, en elk jaar werd ze een jaar jonger. Hier, boven het bruinverschroeide gras, had toen de zilveren kist gestaan. Wat Father O’Bryon verder nog aan handelingen verrichtte en aan spreuken ten beste gaf, het ontging Remo volledig. Over de haag van sierboompjes heen kon hij een deel van de stad zien, nevelig onder peilloos diepblauwe luchten – net als nu, al was de smog daar beneden de voorbije jaren alleen maar dichter geworden, geliger ook. In de verte, helder en onaangedaan, de heuvels van Hollywood.

 

  Voor de grafplaat stond, half in de bodem verzonken, een metalen vaas met een verdroogd bloemboeket erin. Het ding leek op een van de trofeeën die Sharon aan haar Missverkiezingen had overgehouden, maar Remo had nooit geknield naar een inscriptie op zoek durven gaan. Op de asfaltweg die hier het kerkhof afzoomde, stond onder een blauwe pijnboom een open pick-up, waarbij dorre takken en tuinmansgereedschap uit de laadbak staken. Daar ging hij de bruin geworden bloemen in gooien.

 

  Acht grote witte rozen voor Sharon. Na het uitpakken van de acht gele theeroosjes voor kleine Paul rook hij aan zijn vingers, daarna aan de kelkjes. Als er bezoek was, zette zij altijd een glas met kort afgeknipte theerozen op het dienblad met de theepot en de kopjes. Ze dacht dat bloemen die zo werden genoemd daarvoor dienden. Dat hij dat zelf nooit eerder had beseft: ze geurden naar thee, daarom heetten ze zo.

 

  ‘Sorry, m’n liefste, ik ben hier niet gekomen om je te corrigeren.’

 

  Natuurlijk, morgen, de negende (de echte sterfdag, zijn eigen juridische oordeelsdag) zou Sharons familie hier ook verse bloemen komen brengen. Remo besloot de vaas leeg te laten, en de rozen op de grafsteen te leggen. Toen hij zich eroverheen boog, weerkaatste de zwarte spiegel het zonlicht in zijn ogen. In zijn verblinding was er opeens een zacht mechanisch geluid, heel vertrouwd, maar volkomen onverwacht in deze omgeving. Het herhaalde zich in snelle opeenvolging. Hij keek op: dwars door zijn mouches volantes heen zag hij op een paar meter afstand een man met een camera aan zijn oog neerknielen; zijn knie stuitte op een grafplaat. Tussen de sierboompjes achter de fotograaf doken er meer op, sommige – de laffere, die niet te dichtbij durfden komen – met telelenzen op hun toestel. Remo veerde overeind, en keek in de richting van de grot, waar zeker nog tien mannen met fotoapparatuur naar buiten kwamen, hun ogen beschermend tegen het felle licht. De brutaalsten dansten en sprongen, als sparringpartners bij het boksen, in een halve cirkel om hem heen, met hun rug naar de zon. Elk indrukken van een camera knalde als een zweepslag over de stille dodenakker. Vooral de eerste fotograaf, klein en lig, bleef maar als een rubberballetje voor hem heen en weer stuiteren, zonder zich om de zerken te bekommeren. Nee, niet vechten – aan het graf van vrouw en kind zijn waardigheid behouden. Remo begon de asfaltweg, die rechtstreeks naar beneden en naar de uitgang leidde, af te lopen. Zonder graf was hij blijkbaar niet fotogeniek meer, want het massale geklik stokte, en viel algauw helemaal stil. Alleen de tengere paparazzo bleef hem, camera in de aanslag, volgen tot aan de poort, waar hij Remo nog gauw even kiekte onder de naam van de begraafplaats.

 

  De fotograaf bereikte in looppas zijn poenige, bronskleurige Jaguar, gekocht van gestolen privacy. Hij slingerde de camera aan z’n riem op de bijrijdersstoel, en kroop achter het stuur. Voordat de man kon starten, was Remo al bij de auto. Hij rukte het rechterportier open, en deed een greep naar het toestel.

 

  ‘Nooit ongevraagd iemands ziel opslorpen.’

 

  Terwijl Remo, onder gevloek van de fotograaf, het rolletje eruit peuterde, zag hij op de lege zitting een paar exemplaren van de gossipglossy Teardrop liggen.

 

  ‘Geef terug, klootzak. Het is mijn beroep. Als jij je op mijn vakgebied waagt, is het alleen om kindmeisjes plat te krijgen. Gore verkrachter. Het zal je zaak geen goed doen, als ik dit bij de officier van justitie deponeer.’

 

  Remo smeet de camera terug op de tijdschriften. De fotograaf trok het portier dicht, en reed weg. Inderdaad meldde de man zich dezelfde dag nog bij de openbare aanklager in Santa Monica, maar Longenecker, die weigerde zijn klacht in behandeling te nemen, raadde hem een civiele procedure aan. Ook zonder dat was de wraak van de paparazzo, die de beruchte societyvoyeur Kevin Fenaughty bleek te zijn, al zoet genoeg. De volgende dag, voor de hoorzitting, drukte Dunning zijn cliënt een exemplaar van de boulevardkrant Beautiful People in de hand. Op pagina 3 zag Remo zichzelf bloemen leggen op het graf van zijn vrouw. Onderschrift: ‘De beroemde regisseur rust even uit op Holy Cross van de jacht op kleine Lolita’s’. Copyright: Kevin Fenaughty.

 

  Als inzet was een kiekje gebruikt van Remo met zijn arm om de vijftienjarige Stassja.

 

  De foto van Holy Cross moest een jaar tevoren genomen zijn. Hij droeg toen andere kleren. De bloemen waren geen rozen, maar dahlia’s en viooltjes – van elke soort zeven stuks.

 

 

 

  7

 

 

Sharon en Jay waren gestorven, verbonden door een dik touw om de hals. Nadat ze in die symbiotische toestand, die voor nog heel wat vuige achterklap zou zorgen, door een forensische fotograaf waren vastgelegd, had een politieman het touw doorgesneden, zodat de lichamen afzonderlijk vervoerd konden worden. Vandaag werden ze voorgoed naar verschillende windstreken gedragen.

 

  Nadat Sharon op Holy Cross begraven was, hielden vrienden een herdenkingsbijeenkomst voor Jay in het Forest Lawn Memorial Park, Glendale. Remo kon er niet bij zijn, maar het was niet moeilijk zich de verzamelde beroemdheden voor te stellen, allemaal geknipt in de onvervangbare stijl van de Man met de Gouden Schaar. Van John en Michelle, die in de auto samen een fles whisky leeg hadden gedronken om nog een herdenking aan te kunnen, kreeg Remo later te horen hoe de dienst was verlopen. Anders dan Sharon lag Jay wel in een open kist, hoewel zijn gezicht veel erger gehavend was dan het hare.

 

  In de aula van het Forest Lawn leek meer spanning en nervositeit te hangen dan verdriet, misschien omdat er zoveel mensen waren, meer dan ’s morgens, die reden dachten te hebben zich bedreigd te voelen. Toen een of andere schertsfiguur in een franjegewaad het spreekgestoelte naast de kist beklom, grepen nogal wat rechterhanden in linkerbinnenzakken. Met zijn baard, schouderlange haar en bizarre hoofddeksel leek de man een karikatuur van een Grieks-orthodoxe priester, al helemaal nadat hij met gespreide armen een gregoriaans fantasiegezang inzette. Hij wist nog een paar keer prevelend om de kist heen te lopen, voordat een aulamedewerker hem wegvoerde. Hij bood geen weerstand, en alle handen fladderden weer onder de jasjes uit.

 

  ‘Toen hij naast die parkwacht liep,’ zei Michelle, ‘zag ik pas hoe... nou ja, kleiner dan jij nog. Sorry. Een kabouterpriester.’

 

  De kist met het lichaam van Jay zou later op de dag naar Michigan worden gevlogen, om te worden begraven in Southfield, waar hij vandaan kwam.

 

  In de wijk El Monte was die middag ook een teraardebestelling: van de jongen die was doodgeschoten in zijn vaders Rambler. Vanwege zijn hartstocht voor zelf te bouwen elektronische apparatuur gaven ze hem in de kist zijn eigen klokradio mee, die op tweevoudige wijze tot zijn dood had geleid: het toestel was de reden van zijn aanwezigheid op het verkeerde erf, en het stond stil een of twee minuten voor zijn dood – op 00:23, waarvan toen niemand nog kon weten dat op dat tijdstip Hurly Burly van start ging.

 

 

 

  8

 

 

Nadat zo de hele dag die stoet begrafenissen door hem heen getrokken was, konden de spreekkoren ’s avonds alleen nog als een wrang requiemgezang klinken. Zelfs dat niet. Het bleef stil in het kamp. Toen Remo, ver na middernacht, zijn uitkijkpost beklom, voelde de radiator ijskoud aan onder zijn blote voeten. Er was geen vuur, maar het bivak, waarvan sommige tenten verdwenen waren, leek in meer licht te baden dan anders, alsof ze op de receptie extra spots in de masten hadden ontstoken. Een rode tent lag, opgevouwen, als een lange loper op de grond bij het prikkeldraad, en een vrouw knielde neer om het doek op te rollen. Terug onder de dekens vond hij de gedachte om de volgende dag te worden opgehaald absurd.

 

 

 

 

Het Schervengericht
titlepage.xhtml
Het_schervengericht_split_000.html
Het_schervengericht_split_001.html
Het_schervengericht_split_002.html
Het_schervengericht_split_003.html
Het_schervengericht_split_004.html
Het_schervengericht_split_005.html
Het_schervengericht_split_006.html
Het_schervengericht_split_007.html
Het_schervengericht_split_008.html
Het_schervengericht_split_009.html
Het_schervengericht_split_010.html
Het_schervengericht_split_011.html
Het_schervengericht_split_012.html
Het_schervengericht_split_013.html
Het_schervengericht_split_014.html
Het_schervengericht_split_015.html
Het_schervengericht_split_016.html
Het_schervengericht_split_017.html
Het_schervengericht_split_018.html
Het_schervengericht_split_019.html
Het_schervengericht_split_020.html
Het_schervengericht_split_021.html
Het_schervengericht_split_022.html
Het_schervengericht_split_023.html
Het_schervengericht_split_024.html
Het_schervengericht_split_025.html
Het_schervengericht_split_026.html
Het_schervengericht_split_027.html
Het_schervengericht_split_028.html
Het_schervengericht_split_029.html
Het_schervengericht_split_030.html
Het_schervengericht_split_031.html
Het_schervengericht_split_032.html
Het_schervengericht_split_033.html
Het_schervengericht_split_034.html
Het_schervengericht_split_035.html
Het_schervengericht_split_036.html
Het_schervengericht_split_037.html
Het_schervengericht_split_038.html
Het_schervengericht_split_039.html
Het_schervengericht_split_040.html
Het_schervengericht_split_041.html
Het_schervengericht_split_042.html
Het_schervengericht_split_043.html
Het_schervengericht_split_044.html
Het_schervengericht_split_045.html
Het_schervengericht_split_046.html
Het_schervengericht_split_047.html
Het_schervengericht_split_048.html
Het_schervengericht_split_049.html
Het_schervengericht_split_050.html
Het_schervengericht_split_051.html
Het_schervengericht_split_052.html
Het_schervengericht_split_053.html
Het_schervengericht_split_054.html
Het_schervengericht_split_055.html
Het_schervengericht_split_056.html
Het_schervengericht_split_057.html
Het_schervengericht_split_058.html
Het_schervengericht_split_059.html