Maandag 23 januari 1978

En een stank

 

  1

 

 

Die ochtend heerste er op de EBA al heel vroeg een gedempte bedrijvigheid, vooral op de eerste verdieping van de Ring. Gevangenen waren er niet te zien: zij moesten vandaag in hun cel op het ontbijt wachten, dat via een drietal karretjes naar ze onderweg was. Wie goed luisterde, kon uit het binnenste van de cellenrijen een hommelachtig protestgebrom opvangen. De zware schoenen die de galerij deden trillen, behoorden aan een tiental bewakers en enkele leden van de tuchtcommissie. O’Melveny, met grauw doorgroefd gezicht, stond onderaan de trap op zijn adjunct in te gebaren. Hij wees omhoog naar de plek waar nog de schuimsporen van het blusapparaat zichtbaar waren.

 

  ‘Woodehouse maar even laten zitten nog?’ vroeg ik Carhartt.

 

  ‘Zes uur eruit. Instructies.’

 

  Woodehouse had bij het opengaan van de dikke, gewapende deur blijkbaar een ongeslagen indruk willen maken. Ik ving nog net een glimp van zijn vastberadenheid. Hij veerde met een superieure glimlach op uit zijn gehurkte houding. Vrijwel meteen brak hij. Het plotseling binnenvallende licht, het door de stenen kaalte versterkte stemmenrumoer... als Ernie en ik hem niet onder de oksels gegrepen hadden, was hij tegen het granito gegaan.

 

  Hij hing rillend tussen ons in. Zijn bottige heup schokte tegen de mijne. Door een loopneus glinsterde er zilverig snot in zijn baard. Voor de ogen, tegen de oren... omdat hij niet wist waar het eerst zijn handen te laten, fladderden ze maar wat rond, als bij een dronkelap met de beverd.

 

  ‘En een stank,’ zei Carhartt.

 

  ‘Die heb ik... zorgvuldig intact gelaten.’ Zijn stem was te wankel voor zo’n opmerking. Ik hielp hem in zijn overall, en vergat daarbij het T-shirt. Mijn chef suggereerde dat Woodehouse eerst maar eens een tijdje moest bijkomen op cel.

 

  ‘De cel, daar ga ik nu uit. Er moet ook nog gewerkt worden.’

 

  Waar de gevangene bij stond, kreeg ik ruzie met mijn baas over de uitspraak van de tuchtcommissie. Volgens mij was het Woodehouse verboden nog langer schoon te maken samen met Maddox – niet om het in z’n eentje te doen. ‘Dat probleem is dan gisteravond opgelost,’ zei Ernie.

 

 

 

  2

 

 

‘Niet naar de ontbijtzaal?’ vroeg Remo De Griek, die hem in de richting van de recreatie leidde.

 

  ‘Vandaag een bordje voor de televisie.’

 

  Remo werd langs zijn eigen (gesloten) cel gevoerd, en wierp automatisch een blik naar de overkant. Maddox zou daar wel niet aan het ontbijten zijn, want zijn deur stond open, en binnen de omlijsting dreigden twee bewakers vast te komen zitten, waarvan er een naar binnen, de ander naar buiten wilde. In de cel brandde feller licht dan anders, als van een filmlamp. Na bijna drie dagen in het aardedonker maakte de helwitte rechthoek binnen de deurpost Remo misselijk van duizeligheid, en hij wendde snel het hoofd af. ‘Het ziet ernaar uit, Mr Agraphiotis, dat gevangene Maddox wordt gefotografeerd.’

 

  ‘Misschien worden zijn lappen verschoond, en profiteren ze daarvan. Toen hij hier binnen werd gebracht, met die kop, viel hij niet te kieken. Ze hebben oude foto’s moeten opvragen.’

 

  Voordat hij met zijn bewaker in de zijgang verdween, keek Remo nog snel even opzij. Het licht uit Maddox’ cel bescheen een grote roetvlek, bijna niet te onderscheiden van de donkergrijze steen. De borstwering van de gaanderij was aan die kant verwrongen en zwartgeblakerd. De brandlucht die hij na het verlaten van de isoleer al in de gang geroken had, werd hier scherper, en prikkelde zijn longen.

 

  De Griek moest zijn bestelling ongemerkt per portofoon hebben gedaan, want in de recreatie stond voor twee personen een verpakt ontbijt klaar. Remo kreeg uit een kan cipierskoffie ingeschonken, die oneindig veel beter smaakte dan de Choreaanse cichorei.

 

  ‘Woodehouse, je had gelijk.’

 

  ‘Nou, dat had ik dan graag voor dit akelige weekend gehoord. Heerlijk, die koffie.’

 

  ‘Ik bedoel, wat die granaat betreft. Maddox had inderdaad de beschikking over een explosief. Hij heeft het gebruikt ook. Gisteren, eind van de middag.’

 

  ‘Ik dacht al, er wordt op mijn deur geklopt.’ Remo zag heel scherp het beeld voor zich van de zieke Dudenwhacker op zijn brits, maar dan verbrand, niet vergiftigd. ‘En... tegen wie, als ik vragen mag?’

 

  ‘Ik kan er eigenlijk niets over loslaten. Vooruit, jij hebt ons gewaarschuwd... Twee gewonden. Collega’s van me. Scruggs en Zalkus, je kent ze. Zalkus is er beroerd aan toe. Hij ligt in het Ridgway Memorial. Gisteravond geopereerd. Explosieven in Choreo... O’Melveny ziedend natuurlijk.’

 

  ‘Uitbraakpoging?’

 

  ‘De bewakers wilden hem uit zijn cel halen.’

 

  Remo grinnikte. ‘Ja, dan wordt Charlie nijdig.’

 

  ‘Charlie?’

 

  ‘Zei ik Charlie? Zo noemde ik hem ook wel. De door napalm getroffen Vietcongstraatveger. Een grapje tussen ons.’

 

  ‘Maddox was gewond. Hij bloedde als de Vlakte van Marathon, en moest hoognodig even naar de ziekenboeg. Meneer wilde niet. Er was iets met zijn keel... ze verstonden hem slecht. Alleen dat hij liever dood wilde dan terug naar Vacaville. Nou, toen heeft hij zich achter zijn bommetje verschanst.’

 

  De gek moet iets voorvoeld hebben, dacht Remo. Maddox was voorlopig niet van plan geweest de verzamelde ingrediënten tot een gebruiksklare granaat aaneen te smeden. Volgens De Griek, die het weer van Scruggs had, zag het ding er zo onschuldig uit dat de bewakers alle voorzichtigheid uit het oog verloren. Een verfrommeld stuk plastic afval, gevuld met iets zanderigs, in een hoek naast de deur. Of hij een lont gebruikt had, wilde Remo weten. Nee, volgens de lichtgewonde Scruggs leidde er van de brits, waaronder Maddox zich badend in eigen bloed verstopt had, een keurig spoortje geel poeder over de vloer naar de flacon. Hij zag het pas toen er al een knetterend vlammetje op zijn voeten toe wapperde. Scruggs’ gezicht en handen zaten onder de minuscule vleeswondjes. Net als gisteravond zou hij deze morgen thuis weer een arts op bezoek krijgen om met tangen en pincetten het ijzervijlsel, de paperclipfragmenten en de nietjes numero 10 uit zijn cellulitis te pulken.

 

  ‘Maddox die bloedde,’ zei Remo, meer voor zichzelf.

 

  ‘Ja, van die grote droppen op de vloer. Hij bedierf er nog bijna zijn eigen kruit mee.’

 

  ‘Dan... is hij door het dolle heen geraakt van zijn eigen bloed.’

 

 

 

  3

 

 

Cosy Horror. Nee, ook met Maddox’ viswijverige troostgebed was er die vrijdag aan hun haatconversatie geen eind gekomen. Door Agraphiotis’ verslag van de explosie wist Remo het weer. Het hele beschamende. Het heilige, misselijkmakende bloed. Nu Maddox, met dikke keel, zoveel luidruchtig berouw de ruimte van de EBA in had geslingerd, durfde Remo hem de vraag nog wel een keer te stellen. En daarna... hij wilde ervanaf, het gesprek moest stoppen. Hij kon niet meer. Het antwoord, en dan: overplaatsing. Als de commissie dwars ging liggen, zou hij dreigen zijn eigen identiteit en die van Maddox uit te venten. Gevaarlijk voor hemzelf? De huidige situatie was veel gevaarlijker, en dreigde een moordenaar van Remo te maken. Nee, weg daar, van die zogeheten Extra Beveiligde Afdeling, en gauw ook. Laatste vraag, Charlie.

 

  Na de bergrede Knusse Huiver was Maddox door bewaker Zalkus naar de ziekenboeg gebracht, voor schoon verband. Elke keer weer als hij daarvan terugkeerde, trof Remo de belachelijke smetteloosheid van de nieuwe zwachtels. Vandaag werd al dat maagdelijke wit ook nog eens weerspiegeld door de nieuwe dweilen die het magazijn had laten afleveren. De geprivilegieerde knecht had ze over een stapel nieuwe emmers gedrapeerd, en daar hing Maddox nu met zijn sneeuwpoppenkop boven.

 

  ‘Laatste vraag, Scott. Echt de allerlaatste.’

 

  ‘Het was die hufter van de hamsterkuil zeker? Jensen, Jennings, Jennison... hoe hij heten mag.’

 

  ‘Ik hoef alleen nog te weten waarom jij...’

 

  ‘De oude heeft hij meegenomen.’ Maddox schopte de dweilen uit hun hangende positie, zodat ze uitwaaierden over de vloer. ‘Als ze zo nieuw zijn, nemen ze het sop niet op.’

 

  ‘Ik wou het over ander huisvrouwenverdriet met je hebben. Uit jouw mond niet, van de gevangenisbibliotheek niet... ik heb nooit een goed antwoord gekregen op die ene vraag. Waarom, Scott, was jij zelf niet van de partij?’

 

  ‘O, Charlie was er. Zo zeker als wat. Hij verdedigde zichzelf. Alleen als hij zijn stem verhief, met een te scherp geslepen potlood in zijn knuist, ja, dan liet rechtertje hem verwijderen. Dan was Charlie niet van de partij.’

 

  ‘In mijn huis. Die nacht. Meer hoef ik tot in eeuwigheid niet te weten.’

 

  Voor de laatste keer bracht Maddox zijn strak omwonden hoofd dichtbij Remo’s gezicht. Het verband stonk nu eens niet. Het lichte parfum in de zalf was nog niet verdreven door de kadaverlucht van zachte wondkorsten. ‘Je bent gewaarschuwd, Li’ll Remo. De waarheid is... tot in eeuwigheid... dodelijk banaal.’

 

  ‘Al zou ik er ter plekke in blijven.’

 

  ‘Charlie was... voorwaardelijk vrij.’

 

  ‘Sinds 1967, ja. Nu het ’

 

  ‘Ik heb je geantwoord. Vrij on parole. Meer valt er niet over te zeggen.’

 

  ‘Dan heb ik iets gemist.’

 

  ‘Jij wilt de waarheid niet onder ogen zien, jij.’ De spuugspetters vlogen Remo alweer uit de verbandspleet tegemoet. ‘Jij verwacht van mij de opgesmukte waarheid, niet? Met veel Hurly Burly en Cosy Horror en... en nog meer onderaardse rivieren van melk en honing en bloed. De echte waarheid is dat ik voorwaardelijk vrij was, en mijn vrijheid niet in de waagschaal wilde stellen. Tevreden?’

 

  ‘Ik volg je niet. Jij stuurt je discipelen eropuit om een bloedbad aan te richten, en... je houdt jezelf afzijdig om... om je parole officer niet te ontstemmen?’

 

  ‘Ook de waarheid van Jezus en Charlie en Hitler is dodelijk banaal. Ik heb je gewaarschuwd.’

 

  ‘Jouw waarheid is ondoorgrondelijk. Jij sluipt bij die supermarktmensen binnen om ze met leren veters vast te binden... je draagt je vazallen op het karwei af te maken... en jij, Scott, jij tuft terug naar de filmranch in de overtuiging dat je reclasseringsambtenaar in z’n nopjes over jou zal zijn. Voor jou misschien een ijselijk banale waarheid, voor mij begint het mysterie daar pas mee. We blijken weer eens, jij en ik, in totaal verschillende werelden te leven.’

 

  Opeens was er overal, tot in alle hoeken en nissen, handgeklap. De echo’s klommen razendsnel omhoog tot aan de groenig matglazen nok van de afdeling, waar de geschrokken duiven het applaus klapwiekend overnamen. Bewaker Zalkus had eelt op zijn handen dat bij de akoestiek van Choreo paste.

 

  ‘Maddox! Woodehouse! Vrijwilligers genoeg...!’

 

  Zalkus ging weer aan zijn bureau zitten, en de twee schoonmakers slenterden uit het zicht van de loges.

 

  ‘Luister, Woodehouse.’ Maddox legde een witte klauw op Remo’s borst. ‘Als Charlie droomt, is het over het oude, houten huis van zijn oom in McMechen, West-Virginia. Mijn moeder zat in de gevangenis, en ik woonde daar. In mijn dromen ben ik op zolder. Er klapt een valluik onder me weg, en op de plek waar mijn voeten neerkomen, slaat er nog een open. En daaronder opnieuw een. En zo verder, dwars door alle plafonds en verdiepingen en kelders heen. Zo is het ook met waarheden. Ze bieden geen houvast. Ze klappen beneden je weg. Onder elke vulgaire waarheid bevindt zich weer een volgende, die nog platter is. Net zo lang tot, na het zoveelste luik, de laatste waarheid bereikt is. Die ligt tussen afgedankt meubilair... kapot speelgoed. Er hangt zo’n vochtige kelderlucht omheen... van gewoonheid.’

 

  De ingezwachtelde onderarm lag nog steeds dwars over Remo’s borst, en hij vroeg zich af wat hij voelde kloppen: zwerende brandwonden of zijn eigen hart. ‘Laatste valluik, Scott. Ik ben op alles voorbereid.’

 

  ‘Charlie kan geen bloed zien.’

 

  ‘Straks ga je me nog vertellen’ (Remo lachte bitter) ‘dat je daarom niet bij de slachtingen was. De kleine, teerhartige Charlie kan niet tegen bloed. Dat zou nog eens een sensationeel platte waarheid zijn.’

 

  ‘Als kind ging Charlie onderuit bij het zien van vers bloed. Het is nooit overgegaan. Twee weken terug ben ik nog flauwgevallen... dat was toen ik mijn eigen bloed op jou zag druppen.’

 

  ‘Je raakte buiten bewustzijn van de pijn.’

 

  ‘Het was het bloed. Ik ging van mijn graat als een juffertje.’

 

  ‘Met de legendarische Buntline Special heb je destijds, een week of wat voor het begin van Hurly Burly, die zwarte dealer een paar kogels in z’n donder gejaagd... Die gaten, kwam daar geen bloed uit?’

 

  ‘Voordat de damp is opgetrokken... voordat het bloed begint te lekken, heeft Charlie zich al omgekeerd.’

 

  ‘En die kleine cowboyShorty? Een afvallige... je hebt hem mee helpen onthoofden. Geen bloed kunnen zien, laat me niet lachen. Jullie hebben hem met z’n allen aan stukken gesneden.’

 

  ‘Hij ligt begraven onder de houtskool van Spahn Ranch. Ik garandeer niet dat hij nu nog heel is, maar mijn mensen hebben hem wel heel onder de grond gestopt. Minus zijn ziel dan. Ik stond er met mijn rug naartoe. Dat in mootjes hakken was een mooi verhaal. We hebben het voor de rechtbank maar zo gelaten. Een organisatie als de onze moet van tijd tot tijd reclame maken. Elke gratis advertentie is welkom. Zakelijk blijven.’

 

  Onder een brede grijnslach spleet het verbandgaas voor de mond wat verder open, om Remo zicht te geven op het onvolledige, bruine, langtandige gebit van een oude doodskop.

 

  ‘Een Charlie die niet tegen bloed kan...’ Remo deed een stap naar achteren, zodat Maddox’ pols van zijn bovenlijf gleed.

 

  ‘In de moraal van jouw wereld, Woodehouse, zal het wel een laffe reden zijn om ergens niet aan mee te doen. Voor Charlie is er geen verhevener motief.’ Hij verhief zijn stem alweer naar de akoestiek van Genesareth, de armen de hoogte in gestrekt. ‘Want het bloed, dat is het leven zelf. De kringloop die altijd maar doorgaat... die aan zichzelf genoeg heeft... en die blijft duren zolang de mensheid bestaat. De voortplanting, dat is overgieten van bloed. Trechterwerk. Dat heilige bloed, beminde volgelingen, uit z’n baan brengen, door kogels, messteken... met een zwaardhouw de bedding van het leven zelf verleggen... dat is de grootste doodzonde. Het verbodene zelf. Een godslastering die God zelf treft als een bliksem. Weglekkend bloed, dat is voor Charlie het obsceenste dat hij kent. Alleen al...’

 

  Maddox rende naar de wasbak. Hij knielde neer, trok met beide handen de zwachtels van zijn lippen weg, en braakte. En nog eens. Hij kreunde, spuugde na, en stond hijgend weer op.

 

  ‘Alleen de gedachte al.’

 

  ‘En dan je apostelen met Buckmessen eropuit sturen om...’ (Remo zag heel scherp Sharon voor zich met een bloedend sneetje over haar vingerknokkel. ‘Irritant.’ Ze zoog erop, en stak haar bloedrood gekleurde tong naar hem uit, en lachte de lach die tot aan het eind van zijn dagen bij hem zou blijven) ‘...om die verboden obsceniteit af te dwingen bij een paar springlevende mensen?’

 

  ‘Jij leeft in een wereld van psychologen en psychiaters, Woodehouse, maar de menselijke geest, die heb jij nog altijd niet in de smiezen. Ik zag een keer zo’n rotfilm van jou op televisie. Een of ander lekker blondje bezweert haar ergste angsten – door te gaan moorden. Er ligt al een lijk in de badkuip. De huisbaas wordt neergestoken voor de zitbank. Vrees is de grondmaterie van het leven. Vroeg of laat moet een mens z’n grootste angst bevredigen... door het ergst denkbare uit te lokken.’

 

  ‘En wie daar, door een zwakke maag, zelf niet toe in staat is, die fluistert anderen de opdracht in.’

 

  ‘Het was sterker dan Charlie.’

 

  ‘Na alle valluiken, Scott, ben ik dan nu bij mijn waarheid aangekomen. Mijn vrouw, kind, vrienden... allemaal moesten ze sterven in een bloedorgie, omdat ene Charlie uit McMechen, West-Virginia... geen bloed kon zien.’

 

 

 

  4

 

 

Maddox had wel meteen een heldendaad op zijn lafheid in mindering gebracht. Hij vertelde hoe hij in de vroege ochtend van de moordnacht, als een martelaar van zijn eigen oorlog, brakend en wel het bloed van anderen getrotseerd had – dit om de openingsscène van Hurly Burly nader vorm te geven. Nu, dagen later, vroeg Remo zich af of hij Maddox’ smerige ontboezeming ooit aan iemand zou kunnen doorvertellen. Zelfs de meest eufemistische bewoordingen zouden hem nog het gevoel geven het gruweltafereel opnieuw te laten ontstaan. Het was misschien meer iets voor op zijn sterfbed. Beroelaatste woorden die het in telegramstijl samenvatten.

 

  Na het laatste antwoord van Maddox had Remo niet veel taal meer in huis. ‘Kun jij geen bloed zien, Charlie? Ik zal godverdomme net zoveel bloed uit je lijf persen tot... tot je eraan kapotgaat... met je maag drijvend in een plas kots.’

 

  Maddox was kennelijk bang dat zijn windselen opnieuw tot bloedens toe zouden worden losgetrokken, met bezwijmen als gevolg, want hij verzette zich niet. Als een ouwe juffer met een flauwte neerzijgen, en in die toestand te worden gewurgd – de schaamte zou Maddox hebben overleefd.

 

  Onder Remo’s wurggreep voelde het verband rond de hals akelig zacht aan, met die over elkaar gelegde stroken gaas. Zijn duimen vonden geen houvast: elk reliëf van een strottenhoofd was verdwenen. Uit de spleet in de windselen kwam een klokkend gesteun, meer verzet werd er niet geboden. Het kostte de toegesnelde bewakers de grootste moeite Remo’s vingers, die in een moordende kramp verkeerden, een voor een los te wrikken: ze boorden zich als strakgespannen veren terug in Maddox’ omzwachtelde nek.

 

  ‘Als zo’n bastaardje eenmaal beet heeft...’ Uiteindelijk wisten Burdette en Tremellen de twee mannen van elkaar los te trekken. Ze wrongen Remo de armen op de rug, en Burdette klemde een arm rond zijn hals. Maddox, het slachtoffer tenslotte, werd door alleen De Griek in bedwang gehouden, met een wat lossere greep. Zo stonden de twee schoonmakers kwijlend tegenover elkaar.

 

  Nu er licht was komen te schijnen in de black-out, herinnerde Remo zich een dierlijk gejank: het moest uit zijn eigen keel hebben geklonken. Toen het ophield, was er alleen nog het stokkende gehijg uit de verbandmuts van Maddox.

 

  ‘Buiten adem allebei,’ zei Tremellen, ‘maar je voelt gewoon dat ze elkaar nog een boel stront naar de kop zouden willen slingeren.’

 

  Hij vergiste zich. Alles was gezegd.

 

 

 

  5

 

 

‘Voor Woodehouse alles zoveel mogelijk bij het oude,’ zei De Griek, die Remo na het weekendje isoleer verder aan La Brucherie overliet. Het betekende dat hij straks gewoon een hap lucht kon gaan nemen. Hij hoopte Dudenwhacker op de binnenplaats te treffen.

 

  ‘Je staat er vandaag alleen voor,’ zei The French Dyke, die de bezemkast van het slot deed. Ze maakte een paar passen achterwaarts, en keek omhoog naar de helverlichte deuropening van Maddox’ cel. Het besluit van de tuchtcommissie, om beide poetsers niet meer samen te laten werken, was haar blijkbaar ontgaan.

 

  ‘Duurt dat fotograferen de hele dag?’

 

  ‘Wel als het voor een damesblad is. In je eentje niet te doen, dit werk?’

 

  ‘In de isoleer kwamen een paar moppen bij me op. Ik had ze mijn maat graag verteld.’

 

  ‘Lachen is slecht voor zijn zweren.’

 

 

 

  6

 

 

De zon hakte vandaag roze en blauwe vlakken uit de bergen. Na dagen in volstrekte duisternis deed het Remo pijn aan de ogen. Liever dan zijn blik de lichtende hoogte in te laten klimmen, zoals hij anders graag deed, slenterde hij naar het asfalt kijkend langs de verschillende groepjes. Dudenwhacker leek hierbuiten al net zo afwezig als Maddox daarbinnen.

 

  ‘Niemand,’ hoorde hij bij het passeren van enkele Arische Broeders Goering Goiter uitroepen. Hij bleef stilstaan.

 

  ‘Je zou toch zeggen,’ opperde Schele Fritzsche, ‘een brancard met garnituur, daar kijk je niet zomaar overheen.’

 

  ‘Ziekenkot?’

 

  ‘Nagevraagd. Nee.’

 

  ‘Varkens?’

 

  ‘Kijken fluitend de andere kant op.’

 

  ‘Inzameling houden?’

 

  ‘Ik wilde De Mex een kleinigheid toestoppen. Hij heeft ineens andere hobby’‘En de kleine baardaap?’

 

  ‘Zwabbert nou in z’n uppie.’

 

  ‘Hij zit in het hol,’ kwam Riot Gun ertussen. ‘Weekje de naakt.’

 

  ‘Niks, daar staat hij,’ zei Fritzsche met een knik. Ze keken, lachten, en Goiter zei: ‘Maatje kwijt. Sneu.’

 

  ‘De vreedzame coëxistentie tussen die twee,’ wist Riot, ‘liet de laatste tijd te wensen over.’

 

  ‘Hou daar liever je kop over tegen de ondervragers.’

 

  ‘Er komt geen onderzoek. Wedden?’

 

  Remo liep door, verder speurend naar het blauw betraande gezicht van Dudenwhacker. Hij durfde zelfs links en rechts te informeren. De een wist te vertellen dat de man isoleer had, de ander dat hij met voedselvergiftiging in de ziekenboeg lag. Een derde had Dudenwhacker de week tevoren nog op de luchtplaats gezien, in een rolstoel – een spookverschijning. Hij zou toch rond deze tijd vrijkomen?

 

 

 

  7

 

 

De Choreanen hadden vandaag meer te praten dan te sporten, waardoor het luchtuur minder zwembadachtig klonk dan anders. Voelde ik me verantwoordelijk voor het gebeurde? Als bewaker, ja – het was mijn afdeling. Ik liep nu al voor de zoveelste keer naar Maddox’ cel, waarvan de deur nog steeds openstond, al spande er nu een geel lint dwars voor de opening, schommelend op de tocht. Roet en bomdeeltjes knarsten onder mijn schoenzolen. Middenin de cel stond nog de filmlamp, gedoofd nu. Onder het plafondlicht zaten de directeur en zijn adjunct te roken op de brits van Maddox. Ze staarden naar de pioenrozen bloed op de vloer, die al aan het verleppen waren ter weerszijden van een kronkelige zwarte brandstreep. In een hoek stond keurig op z’n standaard de gitaar, bespannen met nog maar vijf snaren. De bovenste en dikste ontbrak.

 

  De onderzoekers hadden de Mona Lisa aan haar lijm van fijngekauwd witbrood boven de brits laten hangen. Haar glimlach bleef onaangedaan onder Maddox’ raadselachtige afwezigheid. Opnieuw deed zich de nutteloze vraag voor: waar in Amsterdam, bij wie, hing een kleurenreproductie van het schilderij? Op de plek waar ik het in mijn herinnering dacht te hebben aangetroffen, in Tornijs boekwinkel tussen twee kasten, hingen vrijwel zeker twee kleine, vroege etsen van de Nederlandse kunstenaar Anton Heyboer. Volgens de boekhandelaar waren ze nog gemaakt met zink uit de dakgoot van de Haarlemse schilder Boot. Van de opbrengst had de arme etser twee kreeften gekocht, die hij levend kookte en uit schuldgevoel met pantser en scharen en al verorberde, om daarna zijn maag te gaan legen op de stoep van een vriend. Zo ongeveer. Olle zat altijd vol van dat soort verhalen.

 

  De directeur blies sigarettenrook naar de grond, misschien om het bloed te verdoezelen. Ja, Mothy, verbandkastjes werden ook nog voor andere noodsituaties gebruikt dan dorst alleen. Ik kon daar zo niet blijven staan.

 

  ‘Mr O’Melveny, kan ik u straks even spreken?’

 

  Hij keek me vuil aan. ‘Jij weet hier meer van, Spiros, begrijp ik?’

 

  ‘Het gaat over iets anders.’

 

  ‘Binnen een halfuur ben ik op mijn kamer.’

 

  Ik liep de Ring rond naar de loge, en stampte voor de ingang de laatste restjes roet van mijn schoenen. Die Amsterdamse Mona Lisa, in kleur, daar was iets eigenaardigs mee. Ergerlijk niet te weten waar, in welke woonkamer, ze boven het dressoir hing. Al het licht van de wereld stond me ter beschikking, en ik had mijn ogen niet behoorlijk de kost gegeven. Nep of oorspronkelijk: je leerde de mensen kennen door wat ze aan de muur hadden hangen. De plekken waar ze hun behang tegen de zon beschermden. Met de verhuiswagen al ingeladen voor de deur keerden man en vrouw in de lege kamers terug om al die maagdelijke rechthoeken te inspecteren, waarin hun huwelijk jong gebleven was. Zo’n wand was de mooiste afbeelding van de mziel die ik kende.

 

 

 

  8

 

 

Toen Remo na het luchten op de Ring terugkeerde, bleek de deur van Maddox’ cel gesloten en op twee plaatsen verzegeld. Hij had van De Griek opdracht gekregen de grote roetvlek van de gaanderij te boenen, maar ging eerst zijn eigen cel binnen. Het gezicht in de spiegel was, na drie dagen stinkende duisternis, weer net zo bleek als voor zijn reis naar Bora-Bora, met een blauwige doorschijn onder de ogen. Zijn baard zag er futloos uit. Hij zette de bril weer op, en klom met zachte bezem en veegblik naar de bovenste verdieping.

 

  Het was niet zo dat het vegen van elke gaanderij hem nu, zonder Maddox’ hulp, het dubbele aan tijd kostte. De gesprekken hadden het karwei elke dag eindeloos gerekt. Zonder aanspraak deed hij er ongeveer anderhalf keer zo lang over. Soms, bij het kijken recht in een lichtbron, wankelde hij nog. Hij moest dan als een skiër steun zoeken tussen zijn twee stelen. Onverminderd liep er dun snot uit zijn neus, maar of de naaktcel hem een zware verkoudheid had aangedaan, een longontsteking desnoods, kon hem niet schelen. Zijn lijf mocht nu verder wegrotten: de vereniging met zijn zoon had alle vuiligheid uit zijn ziel verdreven. Sereen als een engel was hij uit de donkerste dagen van zijn leven tevoorschijn gekomen.

 

  De sereniteit verhinderde Remo niet om de sporen van Maddox’ huisgemaakte handgranaat uit te wissen. Na het opvegen van de roetdeeltjes kreeg hij niet eens de kans de brandvlek met schuurmiddel te bestrooien, want daar kwam O’Melveny’s adjunct Glass Bell met beukende stappen over de gaanderij aanrennen. ‘Stop! Laat dat! Je vernietigt verdomme bewijsmateriaal!’

 

 

 

  9

 

 

‘Nu het mis begint te gaan,’ beet O’Melveny me toe, ‘verlaat De Griek het zinkende schip.’

 

  Ik was in Choreo voor een periode van twee maanden op proef aangesteld, wat betekende dat ik maar een week opzegtermijn in acht hoefde te nemen. Mijn taak zat erop. Ik had min of meer gedaan wat ik me voorgenomen had te doen, al was en bleef de oorspronkelijke opzet van mijn onderneming een tragische mislukking. Langer aanblijven als bewaker had geen zin.

 

  ‘Mr O’Melveny, met de hand op mijn hart: mijn vertrek heeft niets met de aanslag te maken. Ik zal deze laatste week al het mogelijke doen om het vuile zaakje op te lossen. Volgens mij...’

 

  ‘Ik hoef het niet te weten. Vertel me liever... ik dacht, Spiros, dat jij bevrediging vond in het cipierswerk.’

 

  O, zeker. De directeur, die na een bezoek aan het Rode Kruis purperen konen had gekregen, wond zich verder op. Als ik er zo’n plezier in had, waarom mochten ze dan niet langer van mijn gewaardeerde diensten gebruikmaken? Hij had al met Glass Bell overlegd om mij na de proefperiode een vaste aanstelling te bezorgen. Op de Extra Beveiligde Afdeling.

 

  Het deed me natuurlijk deugd dat te horen, maar ik kon zijn aanbod niet accepteren. Ik had tijdens het sollicitatiegesprek duidelijker moeten zijn over mijn beweegredenen. Mr O’Melveny had een rusteloze zoeker tegenover zich. Ik probeerde hier eens wat, daar eens wat. Men zou mij, naar een oud Duits begrip, een Wanderbursche kunnen noemen. Zwerven van de ene betrekking naar de andere, zowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld, dat was wat ik mijn leven lang gedaan had. Altijd in de leer, zogezegd. ‘Een eeuwige gezel.’

 

  Inderdaad had de directeur het op prijs gesteld als ik twee maanden eerder wat explicieter over mijn werkhouding was geweest.

 

  ‘U had me dan niet aangenomen.’

 

  ‘Dat is waar.’

 

  ‘Mijn kennis is nu weer zoveel rijker.’

 

  ‘Niet in ons voordeel.’

 

  Als O’Melveny het goedvond, zou ik vandaag over een week mijn uniform plus toebehoren inleveren.

 

  ‘Ik hebkeus.’

 

  Vrijdagmiddag om vier uur, bij de wisseling van de wacht, wilde ik mijn collega’s van de EBA een rondje appeltaart bij de koffie aanbieden, ten afscheid.

 

  ‘Alleen als hij door Mrs Agraphiotis zelf gebakken is.’

 

  ‘Mr O’Melveny, ik heb geen vrouw en geen oven. Ik dacht de kluit te belazeren met het lekkerste spul uit de supermarkt.’

 

 

 

  10

 

 

Woodehouse had me daar beneden kennelijk in de gaten staan houden, want toen ik heel even van mijn werk in de onderste loge opkeek, zwaaide hij op een vragende manier. Normaal zou ik het gebaar ‘straks’ hebben gemaakt, maar na het incident met de gloeilamp wilde ik zijn vertrouwen terugwinnen. Ik liet me langs de ijzeren ladder door het mangat zakken, en vroeg hem wat hij moest.

 

  ‘Ik krijg dit werk niet in m’n eentje rond.’

 

  ‘Een medeschoonmaker bij herhaling naar de keel vliegen, dat schiet ook niet echt op, Woodehouse.’

 

  ‘Is er een kans dat Maddox...’

 

  ‘Aan een uitspraak van de tuchtcommissie valt niet te tornen.’

 

  Hij wilde weten hoe ernstig Maddox eraantoe was, en waar de man herstelde – in de ziekenboeg van Choreo, of was hij misschien toch teruggebracht naar Vacaville?

 

  ‘Het valt niet binnen mijn bevoegdheid daar mededelingen over te doen.’

 

 Leeft hij eigenlijk nog?’

 

  ‘Zo’n vraag is nooit met volle zekerheid bevestigend te beantwoorden.’

 

  Met vegen liep Woodehouse niet al te veel achter, maar de hele afdeling dweilen, straks, dat lukte hem niet zonder hulp. Ik beloofde hem in mijn rapport te vermelden dat hij er alleen voor stond.

 

  ‘Mr Agraphiotis, ik kan het menselijke systeem van Choreo niet genoeg prijzen.’

 

  ‘Ja, goddelijk menselijk, niet?’

 

  Toen ik al van hem wegliep, terug naar de ladder, beging hij nog snel even de fout naar Dudenwhacker te informeren: of die een van de afgelopen dagen was vrijgelaten. Hij mocht wel oppassen om zichzelf zo opzichtig met dat huurbeest in verband te brengen. ‘Dudenwhacker vrij? Die gaat hier niet weg zolang hij met een oneven aantal tranen rondloopt. Hij heeft in Choreo nog debiteuren ook.’

 

 

 

  11

 

 

Niets mooier dan een gerucht. Ongewisheid over de ware toedracht voedt de overtuigingskracht van de verspreider. Hij stapt over zijn epische onmacht heen, en verwerft van het ene moment op het andere de gave des woords. Hij wordt verrassend beeldend, en bedrijft alchimie met verzonnen details. Net zo lang tot hem een blik gegund is in de open mond van de toeschouwer.

 

  ‘Een soort wurgpaal, schijnt het.’

 

  ‘Welnee, zijn eigen gitaar.’

 

  ‘...nooit eerder zulke mooie akkoorden in zijn cel.’

 

  ‘Zo’n lijfje... makkelijk te begraven in de klankkast.’

 

  ‘Niemand heeft hem zien wegdragen.’

 

  ‘Punch toen, met dat lekke condoom in z’n pens, die hebben we tenminste nog fatsoenlijk kunnen uitzwaaien. Met alles wat maar herrie kon maken. Het geratel langs de tralies... man, de varkens lieten het lijk bijna de trap af lazeren, zo bloednerveus werden ze ervan.’

 

  ‘Maddox is in het holst van de nacht afgevoerd.’

 

  ‘Zo nemen ze ons, Choreanen, elke uiting van rouw ook nog af.’

 

  ‘Rotvarkens.’

 

  ‘Gaat er net een voorbij. De Griek.’

 

  O’Melveny had zijn bewakers gevraagd een neutraal gezicht te behouden, maar droeg wel Burdette en mij op om onder het avondeten een paar extra rondes door de eetzaal te maken, en zo onze oren de kost te geven. Mijn houding van gekwelde verstrooid, die mij altijd buiten gehoorsafstand leek te plaatsen, kwam me ook nu weer goed van pas. Niet ver van de tafel waar Woodehouse zat, bestudeerde ik met wazige blik het keukenrooster voor geprivilegieerden, dat aan een betegelde pilaar hing.

 

  ‘...gekruisigd aan zijn eigen gitaar,’ zei Jallo, tegenover Remo. ‘Ik hoor het net van Schele Fritzsche.’

 

  ‘Voeten omhoog zeker,’ zei Pin Cushion, die zijn bijnaam dankte aan de tientallen steekwonden die hij in zijn lange gevangenisbestaan had opgelopen.

 

  ‘De gitaar,’ wist Janda, naast Remo, ‘stond keurig op de standaard. De kleine klootzak zat er met zijn rug tegenaan. Een van de snaren was rond zijn hals gewonden.’ Janda’s handen maakten, aan de rand van mijn blikveld, een fladdervlucht boven de boord van zijn overall. ‘Hier, net onder zijn achterhoofd, was de koperdraad met een houtje aangedraaid. De snaar sneed zo diep’ (hij gaf tussen duim en wijsvinger vijf centimeter aan) ‘in zijn hals.’

 

  ‘Slagaderlijke bloeding?’ wilde het Speldenkussen weten.

 

  ‘Hanenpoten van graffiti,’ zei Jallo. ‘Tot aan het plafond. Onleesbaar, maar in mooi helderrood. Hij...’

 

  ‘De gek,’ kwam Janda eroverheen, ‘had nog geprobeerd het aanhalen van de strop tegen te houden. Zijn vingers hingen een beetje raar tegen zijn strot aan...’ En Jallo vulde aan: ‘Tot op de botjes doorgesneden. Dag met het handje.’

 

  ‘Vertel ook van het damesverband, Jal,’ zei Janda.

 

  ‘Ja, nou komt het mooiste. Die gore lappen van ’m waren met korsten en al van zijn rotkop gerukt. Ze lagen naast hem. Volgens Schele Fritzsche, en die zwoer het bij God, stond de gave afdruk van zijn verbrande smoel erop. Ze hebben van Jezus Christus toch ook zo’n vlag bewaard?’

 

  ‘Een fan van ’m, de een of andere groupie,’ zei Remo, ‘die had met een doek zijn kapotte gezicht afgedept.’

 

  ‘Zo’n aquarel dus,’ ging Jallo verder, ‘maar dan in repen. Zo is het me verteld door Fritzsche, en die kijkt scheel, dus hou me ten goede. Maddox’ ene ooglid, begreep ik, hing er als een verschroeid appelschilletje bij. Daar puilde de oogbal onderuit, precies middenin een lillend kwakkie pus. Ik was er niet bij, maar jongens, wees eerlijk... zulke details verzin je niet.’

 

  ‘Zeg, Jal,’ klonk de trage stem van Pin Cushion, ‘denk een beetje om de zwakke magen van de hotelgasten, ja? De mijne is vier keer geperforeerd.’

 

  ‘Een varkenstrog,’ zei Remo, ‘zou je deze soep nog niet toewensen. Ik heb al dagen trek in een goede borsjtsj.’

 

  ‘Nu hoeven we alleen nog uit te vinden,’ zei Janda, ‘wie van de gitaarsnaar een wildstrik heeft geknoopt.’

 

  ‘Ik dacht aan Dudenwhacker,’ zei Pin Cushion. ‘Die schoft heeft bij mij twee keer een traan proberen te halen. Het ging mooi niet door.’

 

  ‘Dudenwhacker,’ zei Jallo, ‘is hier al dagen niet meer.’

 

  ‘Ik heb hem eergisteren nog gezien,’ zei Pin Cushion.

 

  ‘Dan is hij gistermorgen vrijgekomen.’ Janda was er nogal stellig in. ‘Het zal saai worden hier.’

 

  ‘Niet dat het mij wat uitmaakt,’ zei Remo, voor mij nog net verstaanbaar, ‘maar De Griek luistert mee.’

 

  Ik slenterde om de pilaar heen, met in mijn hoofd een grafisch mannenportret van Escher, dat geheel vervaardigd leek uit een regelmatig gesneden appelschil.

 

 

 

  12

 

 

‘Lieve papa,

 

  het afgelopen weekeinde heb ik je eindelijk grootvader gemaakt. In een onverlichte isoleercel heb ik hem teruggevonden, mijn enig ongeboren zoon. Na al die jaren kan ik hem eindelijk onderdak bieden: de suite van mijn hoofd en mijn hart (de kamers niet noodzakelijk in die volgorde), waar ik hem zal opvoeden in de zachte geest van zijn moeder. Met zijn middelste naam heet hij voorgoed naar jou.’

 

 

 

  13

 

 

De Choreaanse ziekenboeg lag aan de buitenzijde van het complex, schuin tegenover de receptie. Als het daar was, en niet in Vacaville, dat Scott Maddox van zijn eigen bloed lag te walgen, dan kreeg hij vanavond weinig steun van zijn eigen mensen. Al die weken waren de oorlogszuchtige spreekkoren hem ontgaan, en nu hij mogelijk binnen gehoorsafstand ervan was, zwegen ze in alle talen, ook het Hurlyburlisch. Aan de wind kon het niet liggen, want die kwam van de oceaan, en maakte zelfs de verkeersdreun van de Interstate in Remo’s cel hoorbaar. Op zijn brits lag hij te luisteren naar een verre sirene van politie of ambulance. Het geluid moest zich van de snelweg hebben losgemaakt; het verplaatste zich nu in de richting van Choreo.

 

  Remo sloeg de dekens van zich af. Zijn balletsprong door het duister, om bovenop de radiator te belanden, was in de loop van de weken precisiewerk geworden. Geen teennagel liep nog averij op. Een ziekenwagen. Misschien klopten de geruchten, en kwamen ze de gewonde leider inladen, om hem naar Vacaville of elders over te brengen. Niet dood dus – anders hadden ze wel een lijkauto gestuurd.

 

  De ambulance, die zijn zwaailicht tegen het witte gebouwtje wierp, hobbelde net voor de receptie het braakliggende terrein op. Hij stopte tussen de voorste tenten. De sirene ging uit, maar een dubbele lichtarm bleef rondmaaien door de rook van een nadampend kampvuur. Van opgewonden stemmen bereikten Remo alleen de hoge, schrille klanken. Hij kon de kielen van de ziekenbroeders in het donker volgen. Bij het prikkeldraad kruisten de bundels van hun staaflantaarns elkaar in een nerveus zoeken. De bries bracht het huilen van een kind, met stokkende uithalen, opeens onbegrijpelijk dichtbij.

 

  Remo bleef op zijn uitkijkpost staan tot zijn ogen begonnen te tranen van de nachtkou, die door een barstje in het glas op ventielkracht naar binnen spoot. Zijn vertroebelde zicht wist hem nog net te melden dat er een brancard naar de ziekenwagen werd geduwd, die algauw wegreed over de asfaltweg, voorafgegaan door een personenauto en nagekeken door enkele vrouwen uit het tentenkamp. Twee jongetjes renden erachteraan, maar werden teruggeroepen.

 

  Pas bij nadering van de Interstate liet de ambulance zijn sirene weer horen.

 

 

 

  14

 

 

Remo wreef de bril, die hem niet tegen de tocht had kunnen beschermen, droog en legde het ding opgevouwen in zijn linkergymschoen. (Altijd links. Op een bril rechts was de voet niet berekend, zodat hij met een verkeerde instap zijn masker kon vernielen.) Hij kroop weer in bed.

 

  ‘De mug kan ik aan, Li’ll Remo. Niet de vlek op de muur.’

 

  Zo had Maddox nog eens zijn weerzin tegen bloed samengevat, om er na een stilte op te laten volgen: ‘De schildpad is van mij.’

 

  ‘Ja, dat beweerde Zeno ook. Daarom zorgde hij ervoor achter het dier te blijven. Dan kon hij het in de gaten houden...’

 

  ‘...en opjagen.’ Maddox bracht een nagelloze wijsvinger naar Remo’s gezicht. ‘De bril.’ Hij plantte zijn vingertop op de brug van het montuur, en drukte het vast. ‘Het is Charlies bril.’

 

  ‘Hoe aandoenlijk. De grote goeroe, die onder zijn discipelen geen brildragers duldt, probeert zijn gezicht te redden... met een bril.’

 

  ‘Charlie is bijziend.’

 

  ‘Je wilt me laten denken dat jij toch, als regisseur, op de set aanwezig was. Het zou verklaren waarom het ding in mijn huis gevonden is. Toen zijn onderdanen eenmaal creatief bezig waren, zette Charlie de bril af, omdat hij... geen bloed kon zien.’

 

  ‘Ik droeg hem nooit in aanwezigheid van mijn mensen.’

 

  ‘Alleen bij het eenzaam lezen van de Bijbel.’

 

  ‘Het is geen leesbril. Ik gebruikte hem voor schietoefeningen in de Simi Hills.’

 

  ‘Natuurlijk, de .22 Buntline Special. Zo’n lange loop, de korrel zo ver van het oog... daar kun je wel een fok bij gebruiken.’

 

  ‘Min twee, min zes.’

 

  ‘Zo stond het op alle affiches, ja. Tot in Canada aan toe. Kom ’s met iets nieuws, Scott.’

 

  ‘Je hebt toch gemerkt,’ schreeuwde Maddox opeens, ‘dat ik beroerd zie.’

 

  ‘Inderdaad heeft het lang geduurd eer je mij ontwaarde... achter nota bene je eigen bril.’

 

  ‘Mijn ene oog is dichtgeplakt. Het andere ziet dubbel, en dus maar half. Ik kreeg je niet in de kijkerd.’ Hij haalde met zijn vervellende vingers naar het montuur uit, maar Remo kantelde zijn hoofd naar achteren. ‘Ik mis mijn bril. Ik wil hem terug.’

 

  Remo hield hem voor dat, om Maddox’ eigendom over de bril aan te tonen, de hele rechtszaak van 1970-’71 over zou moeten. Er diende opnieuw te worden bekeken of de bendeleider zelf bij de moorden aanwezig was. De openbare aanklager, Jacuzzi of een andere, zou zich op z’n minst afvragen hoe Maddox, met zijn hippievodden, aan zo’n kostbaar schildpadden montuur kwam.

 

  ‘Charlie had een goedgevulde wapenkamer op Spahn Ranch. De Longhorn... het machinegeweer in een vioolkist... een zwaard vol edelstenen. Voor de deur een vloot aan buggy’s. Kijk, als Charlies meisjes aan een zilveren hamer weten te komen om Charlie na zijn dood driemaal mee op het hoofd... dan... dan...’

 

  ‘...dan moet het ook mogelijk zijn de opticien een schildpad lichter te maken.’

 

  Opnieuw weerde Remo een uitval van Maddox naar de bril af. ‘Je hebt er niets aan, Scott. Er zit gewoon glas in.’

 

  ‘Ik laat er weer min twee, min zes van maken.’

 

  Maddox trok een witplastic flesje uit de zak van zijn overall. Uit de dunne, gekromde tuit spoot hij Remo een straal kleurloze vloeistof in het gezicht. Het goedje, dat Remo dwars door zijn baard heen langs kin en hals voelde sijpelen, had een sterk chemische geur.

 

  ‘Hier, die bril,’ riep Maddox. In zijn vrije hand hield hij een aansteker. De lucht van vers schilderwerk drong in Remo’s neus. Hoewel hij, in gesprek met dolfijnen, geen getuige was geweest van het opknapwerk, zag hij nu in een explosie van wit en geel de pasgeverfde kinderkamer van de kleine jongen voor zich.

 

  ‘Mijn bril terug’ (Maddox zwaaide met de aansteker, duim aan het lipje dat het ding tot ontbranding moest brengen) ‘of je gaat in de hens.’

 

  ‘Jij, vuile rat. Jij wilt mij alleen maar van mijn vermomming beroven. Jij denkt nog mee te maken dat het tuig hier mij verscheurt.’

 

  ‘Als je mij de bril niet geeft, zal ik je niet alleen voor de rest van je dagen hier een masker bezorgen. Ook voor je verdere leven. Kijk naar mij, Li’ll Remo... wil je nog meer mijn dubbelganger worden?’

 

  Maddox’ zwakte was dat hij, door het verband dat zijn vingers half bedekte, voortdurend alles uit zijn poten liet vallen. Op goed geluk gaf Remo een klap onder de vuist met de aansteker. Het weggooiding belandde met een boog op de vloer, en gleed nog meters door over het gladde granito. Remo greep Maddox bij de kraag van zijn overall. ‘Hoe kwam die schildpad in mijn huis?’

 

  ‘God weet het.’

 

  ‘Dan moet jij, als Zijn Eniggeboren Zoon, het ook weten.’

 

  ‘Mijn Vader heeft net zo goed geheimen voor mij.’

 

  ‘Goed, Scott, dan zal ik voor God spelen, en het je vertellen. Jouw eenmansballotage weerde brildragers uit de groep. Een al aangenomen lid met een bril op betrapt? Royeren, die invalide. Het was net als met jouw achtste of zestiende negerbloed, niet? De fysieke smet van jouw min twee, min zes, die moest in anderen afgestraft worden. Toch?’

 

  Maar wat bedachten de iets minder volgzame volgelingen, die zich geterroriseerd voelden door het verbod van hun goeroe op baarden en brillen? Ze ontvoerden Charlies schildpad naar de plaats delict, en kwakten hem daar op de grond. Charlie was here.

 

  ‘Ze kenden de bril,’ zei Maddox. ‘Maar niet als de mijne. We gebruikten hem als vergrootglas... om het kampvuur mee aan te maken. Mijn mensen zullen van plan zijn geweest een vals spoor achter te laten. De Black Panthers droegen zulke dure brillen, bekostigd uit bankovervallen. Nooit zouden mijn strijders hun leider...’

 

  ‘Niet zolang ze tegen hem op konden kijken. Zeg eens, Scott, hoe groot denk je dat het gezag is van een generaal die de brildragers van oorlogsvoering uitsluit... en zelf bebrild en wel gezien wordt bij het legen van zijn proppenschieter?’

 

  ‘Ze hebben mij hun vergrootglas nooit zien dragen.’

 

  ‘Van jouw meiden is bekend dat ze zelfs huiverend van aanbidding toekeken als jij je manen kamde. En dan zouden ze zich jouw tuchtiging van een leeg bierblikje laten ontgaan? Kom, kom, Scott. Ze zaten in de bosjes, en zagen jou als een kippige cowboy met de Longhorn in de weer. Ze voelden zich verraden. Toen je dan ook nog eens je handen schoon wenste te houden, en je krijgers zonder jouw leiding eropuit stuurde, ja, toen hebben ze zichzelf een kleine wraak gegund. “Laat iets duivels achter,” heb je gezegd. Ze hebben op z’n minst jouw fok achtergelaten.’

 

  ‘Na de arrestaties hebben al mijn vrouwen over die bril hun mond gehouden. Zegt dat niet alles over de saamhorigheid binnen...’

 

  Remo trok de bril van zijn hoofd, en drukte hem tegen Maddox’ verband, ongeveer op de plaats waar zich de neuspijpjes bevonden die hem in staat moesten stellen door alle lagen windsels heen te ademen. ‘Hier, ruik de schildpad. Na al die jaren stinkt hij nog naar het verraad van jouw eigen elitetroepen.’

 

  ‘Mijn neus ruikt alleen Charlies lijden. Verbrande huid, beboterd met pus. De geur van de pijn die hij voor zijn mensen heeft geleden. Zoiets vergeten ze niet. Nooit.’

 

 

 

 

Het Schervengericht
titlepage.xhtml
Het_schervengericht_split_000.html
Het_schervengericht_split_001.html
Het_schervengericht_split_002.html
Het_schervengericht_split_003.html
Het_schervengericht_split_004.html
Het_schervengericht_split_005.html
Het_schervengericht_split_006.html
Het_schervengericht_split_007.html
Het_schervengericht_split_008.html
Het_schervengericht_split_009.html
Het_schervengericht_split_010.html
Het_schervengericht_split_011.html
Het_schervengericht_split_012.html
Het_schervengericht_split_013.html
Het_schervengericht_split_014.html
Het_schervengericht_split_015.html
Het_schervengericht_split_016.html
Het_schervengericht_split_017.html
Het_schervengericht_split_018.html
Het_schervengericht_split_019.html
Het_schervengericht_split_020.html
Het_schervengericht_split_021.html
Het_schervengericht_split_022.html
Het_schervengericht_split_023.html
Het_schervengericht_split_024.html
Het_schervengericht_split_025.html
Het_schervengericht_split_026.html
Het_schervengericht_split_027.html
Het_schervengericht_split_028.html
Het_schervengericht_split_029.html
Het_schervengericht_split_030.html
Het_schervengericht_split_031.html
Het_schervengericht_split_032.html
Het_schervengericht_split_033.html
Het_schervengericht_split_034.html
Het_schervengericht_split_035.html
Het_schervengericht_split_036.html
Het_schervengericht_split_037.html
Het_schervengericht_split_038.html
Het_schervengericht_split_039.html
Het_schervengericht_split_040.html
Het_schervengericht_split_041.html
Het_schervengericht_split_042.html
Het_schervengericht_split_043.html
Het_schervengericht_split_044.html
Het_schervengericht_split_045.html
Het_schervengericht_split_046.html
Het_schervengericht_split_047.html
Het_schervengericht_split_048.html
Het_schervengericht_split_049.html
Het_schervengericht_split_050.html
Het_schervengericht_split_051.html
Het_schervengericht_split_052.html
Het_schervengericht_split_053.html
Het_schervengericht_split_054.html
Het_schervengericht_split_055.html
Het_schervengericht_split_056.html
Het_schervengericht_split_057.html
Het_schervengericht_split_058.html
Het_schervengericht_split_059.html