Dinsdag 10 januari 1978

The Egg Man

 

  1

 

 

Ook toen hij nog niet met zijn mechanische eieren in de talkshow van Jeffrey Jaffarian was geweest, noemde iedereen in San Francisco hem al The Egg Man, hoewel het me opviel dat hij in onze buurt op straat onveranderlijk werd toegeroepen met: ‘Hai, Hippie-ie-ie...!’

 

  Herfst 1966 – de bijnaam kon dus niet ontleend zijn aan ‘I am the Walrus’ van The Beatles (‘I am the egg man/I am the walrus/goo goo goo joob’), want John Lennon schreef het nummer een jaar later pas. Als leverancier van de meest diverse levensbehoeften, niet alleen bloemen, was The Egg Man een bekende figuur voor de straatnomaden van Haight-Ashbury en de steraanbidders in de parken rondom. Er waren aanwijzingen dat George Harrison, die in de zomer van ’67 Golden Gate Park aandeed om er wat te jammen met de hippies, het verhaal over de bizarre marskramer mee terug naar Londen nam, en het aan zijn bandgenoot overbracht. Lennon zelf was altijd vol blijven houden dat ‘the egg man’ verwees naar de zanger van The Animals, die de gewoonte had om, ter verhoging van het genot, rauwe eieren op het naakte lijf van zijn bedgenotes stuk te slaan.

 

  Tot begin jaren zeventig bleef zijn engagement met het ei een mystieke obsessie. Met een praktische uitvoering van zijn idee kwam hij pas naar buiten in de paasspecial van Jeffrey Jaffarian in 1972. Aan het begin van de uitzending stonden ze nog roerloos, in persingen van wit kunststof, tussen de microfoons op tafel, maar The Egg Man bracht ze algauw via zijn technische snufjes aan het praten, zingen, dansen. Het ene ei bracht, ijl en blikkerig, het Amerikaanse volkslied; het andere tolde over het tafelblad nadat Jaffarian er, op verzoek van de uitvinder (of kunstenaar), sigarenrook overheen geblazen had. Na de uitzending meldde zich een fabrikant, die het in rooknevelen rondtollende ei wel in productie wilde nemen – als brandmelder.

 

  The Egg Man ontwierp voor hetzelfde bedrijf nog eieren als alarm tegen auto-inbraak (een onopvallend souvenir op de hoedenplank), als elektrische cocktailshaker, en als vibrator voor vermoeide knieholten. Zijn paradepaardje, vier jaar later, was natuurlijk het Ei van Washington, dat met z’n sterren en strepen het ontbijt op de tweehonderdste Onafhankelijkheidsdag moest opluisteren. Tot ver na 4 juli 1976 was het een verkoopsucces, al werden de Amerikaanse vrouwtjesadelaars niet massaal door moederlijke gevoelens bevangen bij de verre roep van een ongeboren arendsjong, en bleef de beloning van $ 25 000 voor het samenbrengen van ei en roofvogel onuitgekeerd – zoals ook de bedoeling was.

 

  Hij heette Charles van Deusen, en was geboren in Amsterdam. Begin jaren zestig, op zijn eenentwintigste, had hij zich met zijn spaarcenten aan de Amerikaanse westkust gevestigd, als zakenman en kunstenaar. Toen al gold voor hem de schaal van een ganzenei als de volmaakste vorm die de kosmos te bieden had, maar Van Deusen had er nog geen kunst mee bedreven, laat staan zaken in gedaan. Voorlopig nam hij genoegen met een handeltje in doorgedraaide (maar niet vernietigde) snijbloemen uit Aalsmeer, die hij van Schiphol naar San Francisco International Airport liet overvliegen. De kratten haalde hij bij de vrachtterminal op met zijn Chevrolet cabrio 1951 – een door de Amsterdamse autorijschool Hippe afgedankte leswagen, die hij per schip uit Nederland had laten komen. Een beugel met de naam HIPPE spande nog over het dak, en Van Deusen liet het maar zo. Om reclame te maken voor zijn niet geheel verse producten hing hij, naar Keukenhofgebruik, de voor en achterklep en de portieren van zijn zescilinder vol bloemguirlandes. Zo reed hij met verwelkende handel door zijn buurt, de kunstenaarswijk rond het kruispunt Haight en Ashbury. Omdat de bewoners de naam Van Deusen niet konden onthouden, groetten ze hem door zijn open raampjes met een soort langgerekte cowboykreet: ‘Hai, Hippie-ie-ie...!’

 

  Later bedacht The Egg Man dat het reclamemaken ook buiten de auto door moest gaan. Hij gaf zijn bloemen een schijn van nieuwe frisheid door de losse kelken strak aan elkaar te rijgen tot iets Hawaïaans, en dat rond zijn nek te hangen. Het was niet de eerste rage die hij creëerde. In Amsterdam had Van Deusen eind jaren vijftig het nozemtijdperk z’n roestbruine vlag gegeven door een vossenstaart op een stuk ijzerdraad aan het stuur van zijn Berini te bevestigen. Het leidde, met instemming van de kippenboeren, bijna tot uitroeiing van het vossenbestand in Nederland. De lagere echelons nozems namen noodgedwongen genoegen met een eekhoornstaart.

 

  Steeds meer buurtgenoten kwamen zeuren om bloemenkransen, die hij ze ver onder de prijs verkocht of zelfs gratis meegaf, als ze maar bereid waren de naam van de bloemist rond te bazuinen: Hippe. Zo werd iedereen getooid met bloemen een hippee, en het duurde niet lang of het werd een groet onder gelijkgestemden: ‘Hai, hippie-ie...!’

 

  In latere jaren zijn er hele artikelen geschreven over de etymologie van het woord hippie. De auteurs zochten het te ver – helemaal tot in Ghana, vanwaar de slaven het als onderdeel van een subversieve geheimtaal mee naar Amerika zouden hebben gebracht. De geboorte van het woord: ik stond er met mijn neus, mijn ogen, bovenop. Het stamde van een zescilinder met dubbele stuurinrichting, omgebouwd tot rijdende bloemenzaak.

 

  De allesvernietigende Summer of Love moest nog aanbreken, maar een dichter had al de vreedzame strijdkreet Flower Power geijkt, die het begin van het einde aankondigde. Het was inmiddels voorjaar 1967, en ik wist dat de tijdgeestgevoelige sjacheraar uit Amsterdam de aangewezen man was om mijn orakel bij de juiste persoon afgeleverd te krijgen.

 

 

 

  2

 

 

Als Scott Maddox het in Choreo over zijn federale gevangenissen had, het verhaal tot en met Terminal Island, werd zijn keel meestal dik van ontroering. Het ging over thuis. Een eigen haard, die hij later had moeten verruilen voor een gevaarlijk bestaan in vrijheid. De consequentie van zijn verblijf buiten de muren was dat hem het vrije leven ook weer werd afgenomen – zonder dat hij er zijn oude thuis voor terug had gekregen. De gevangenissen van de staat Californië waren niet minder gastvrij dan de federale strafinrichtingen, maar het was Maddox zelf die niet langer welkom was. Van autodief en souteneur was hij gepromoveerd tot meervoudig moordenaar, onder meer van een hoogzwangere vrouw, en dat merkte hij aan het comfort. Zijn medebewoners zouden er voortaan alles aan doen om hem het verblijf tegen te maken.

 

  In de federale gevangenis op McNeil Island, in Puget Sound, Washington, had hij van een oude bankrover gitaar leren spelen. Hij oefende op de oude tophits die hij zich van voor zijn insluiting, in 1960, herinnerde, en zong met zijn schurende stem flarden van de tekst. Later ontwierp hij een systeem om zijn eigen muziek te noteren, en zocht er de woorden bij – maar daartoe had hij zichzelf, op zijn zevenentwintigste, eerst lezen en schrijven moeten leren. In uiterst langzaam tempo, de lippen bewegend als een schoolkind, las de leergierige Charlie boek na boek: van de Bijbel tot het Handbook Hypnosis; van Scientology tot de duivelse geschriften van Mr en Mrs DeGrimston; en van Nietzsche tot Hitlers Mein Kampf, waarvan de vertaling gewoon in de gevangenisbibliotheek stond.

 

  Het peilloos diepe water rondom, de ijskoude mist die er de helft van de tijd boven hing, de gevangenisferryboten die ver aan de overkant werden afgemeerd om vluchtgevaarlijke gedetineerden geen kans te gunnen... dat alles gaf Maddox nog meer het gevoel een intiem thuis te hebben, veilig afgesneden van de levensgevaarlijke mensenwereld. Om straks, daarbuiten, een vak te hebben gaf hij zich helemaal aan de gitaar en zijn songs, maar zijn maats van McNeil Island af en toe iets voorspelen, dat was hem eigenlijk voldoende: aan de overkant liepen zijn akkoorden alle kans vernederd te worden, net als hijzelf.

 

  Het vochtige klimaat van de staat Washington was slecht voor zijn gitaar. Omdat hij had aangegeven in Californië een nieuwe toekomst te willen opbouwen, met zijn muziek, werd hij na vijf jaar overgeplaatst naar Terminal Island, ten zuiden van Los Angeles bij San Pedro. Hier, vlakbij de grootste door mensen aangelegde haven ter wereld, waar duizend schepen tegelijk het etensafval uit eigen kombuis met hun kielzog omschepten, klonken de meeuwen veel agressiever dan in Puget Sound. Al naargelang de stand van de wind kon hij in zijn cel de geur van ruwe olie ruiken, of de rotte vislucht van de drijvende tonijnfabrieken.

 

  Op Terminal Island bekwaamde Maddox zich verder in het gitaarspel en het schrijven van songs. Wat zijn lectuur betrof, werd hij een wandelend conglomeraat van ideeën, alles vervormd door zeventien jaar bajesdieet, en doorkruid met eigen oprispingen. Op de radio in de recreatieruimte zocht hij met droge keel, bij voorbaat misnoegd, de zenders af naar nummers van The Beatles, waar hij nooit lang naar hoefde te zoeken, want ze hadden een nieuwe langspeelplaat uit: Revolver. Als hij er een gevonden had, luisterde hij in een nijdige koorts toe, de stemmen en gitaarakkoorden diep inzuigendan de wereld onttrokken en tot onhoorbaarheid verteerd moesten worden. Hij werd er letterlijk ziek van, als een verslaafde van te zuiver spul, maar kon zich er niet van losmaken. ‘And your bird can sing.’ Nee, dat niveau haalde hij nooit. Jawel, op een dag zou hij met iets vergelijkbaars komen, iets veel beters nog, en zijn naam zou wereldwijd op ieders lippen zijn, en The Beatles zouden hem in zijn kleedkamer achter het grote podium van Carnegie Hall komen opzoeken om zijn voeten te kussen, en...

 

  Als Maddox de geruchten op de luchtplaats van Terminal Island mocht geloven, had San Francisco sinds midden negentiende eeuw niet meer zo’n goudkoorts gekend, en het enige dat de jonge gouddelvers zochten, was de nectar in het hart van een bloem – zoals hij het later in een van zijn liedteksten verwoordde. ‘Het Pentagon,’ zei een diskjockey op de gevangenisradio, ‘zal nooit voor elkaar krijgen wat die verdwaasde kinderen in de straten van Haight-Ashbury hebben weten te ontwerpen... een vrede geweven uit kralen, zang, bloemen, oosterse stoffen en breed gedeelde liefde. Zoals onze commando’s wel oefenen in voor de sloop bestemde wijken, en de holle ogen van onbewoonbare huizen in en uit kruipen, zo oefenen de vredessoldaten van Frisco’s liefdesleger in de gedoemde straten rond Haight en Ashbury.’

 

  Deze Nieuwe Mensen hadden een Nieuwe Tijd in de steigers staan: die van Aquarius. Tegen Pasen ’67 zou Scott vrijkomen, en hij wilde dan wel eens met eigen ogen zien tot welke verdieping het tijdperk in aanbouw al gevorderd was. Maar naarmate de datum naderde, begon hij hem te knijpen. Van zijn tweeëndertig levensjaren had hij er zo’n zeventien binnen de muren van allerlei inrichtingen en gevangenissen doorgebracht. Uit het gesticht in Plainsville, Indiana, was hij op z’n dertiende gevlucht na door oudere jongens, met medewerking van de dienstdoende bewaker, te zijn verkracht. Hij werd opgejaagd, gepakt, ingesloten, en opnieuw door zijn gestichtsgenoten als snotlap gebruikt. Later, na het overbrengen van hoertjes en gestolen auto’s van de ene staat naar de andere, gingen de poorten van de federale gevangenissen voor hem open. Maddox wist niet meer waar en wanneer, op McNeil Island misschien, maar ergens moest tot hem doorgedrongen zijn dat de bajes zijn beste kosthuis was. De laatste maanden van zijn straf, op Terminal, waren de gelukkigste van zijn leven. Het regime was er soepel. Artiesten van de wal mochten er het repertoire voor een nieuwe tournee uitproberen op een aula vol gevangenen. Na afloop van zo’n optreden werden enkele muzikale Terminals, onder wie Scott, aangewezen om mee te jammen met Johnny Cash. De zanger gaf aan wel gecharmeerd te zijn van Maddox’ grommerige, soms snauwende manier van zingen, maar raadde hem aan zijn gitaar ‘wat meer te laten galmen, en niet zo afgebeten te spelen’.

 

  Op de ochtend van 21 maart 1967 weigerde Maddox uit zijn cel te komen om voorwaardelijk te worden vrijgelaten. Twee bewakers in de deuropening probeerden hem de gang op te praten. ‘Vandaag begint de lente, Charlie. Denk aan alle planten die uit elke hoek van de wereld naar Los Angeles zijn gebracht... het staat daarbuiten allemaal op barsten, speciaal voor jou.’

 

  ‘Ik wil hier blijven.’

 

  ‘Deze cel is al voor de komende nacht besproken.’

 

  ‘Geef me een andere.’

 

  ‘Charlie, we zijn wettelijk verplicht je vrij te laten. Een commissie heeft je parole bevolen. Kom nou.’

 

  ‘Ik kan het buiten niet aan.’

 

  ‘Zie Los Angeles maar als een iets grotere luchtplaats dan Terminal Island heeft...’

 

  ‘...met je reclasseringsambtenaar als strenge bewaarder. Vooruit, Charlie, we hebben niet de hele ochtend.’

 

  ‘Ik kom toch weer terug.’

 

  ‘Niet hier. Als jij opnieuw in de fout gaat, wacht je een heelolenhok.’

 

  ‘Ik vertik het te vertrekken.’

 

  ‘Goed, dan met geweld.’

 

  En zo hadden ze Maddox met vier man sterk naar de gevangenisfotograaf gesleept, voor een laatste archiefkiek. Met acht geüniformeerde armen moesten ze hem op de kruk neergedrukt houden, zodat hij tenslotte uit de ontwikkelbak tevoorschijn zou komen als een veelarmige Indiase godheid. Zelfs in de gevangenisbus moesten ze hem nog met z’n vieren in bedwang houden, onder het oog van drie extra bewakers. ‘Bus of veer, Charlie?’ riep de chauffeur over zijn schouder.

 

  ‘Pier J,’ steunde hij onder de verpletterende kluwen uitwuivers.

 

  ‘Pier J, dat is de haven van Long Beach, idioot. Daar leggen de grote passagiersschepen aan. Oceaanstomers. De veerboten zijn aan de andere kant...’

 

  ‘Pier J,’ huilde hij. ‘Daar komt de Queen Mary.’

 

  ‘Hoor, jongens, hij wil de woeste baren op... de wijde wereld in. Als zijn parole officer dat maar goedvindt.’

 

  ‘Hoe ver kom je met dertig rotdollars? Gooi het onderkruipsel er maar bij pier J uit. Long Beach Harbor is nog altijd Californië. Verder gaat onze verantwoordelijkheid niet.’

 

 

 

  3

 

 

Maddox had het tegenover Remo over de gevangenis als Universiteit voor Zelfstudie. De Bijbel, Nietzsche, Scientology, Hitler, The Beatles, Sartre; de satanische geschriften van Mr en Mrs DeGrimston, en wat daarvan beklijfde in de blaadjes waarmee leden van motorsekte The Square Satans colporteerden. En dat waren dan nog maar een paar van zijn belangrijkste inspirators. ‘Dom ben jij niet, Scott...’

 

  ‘Dat zeiden ze op al die tuchtscholen ook. Het hielp niet.’

 

  ‘Die verwrongen intelligentie van jou is van een andere wereld... met een logica die wij, mathematische schoolkinderen, niet kunnen volgen. Die hele smeltkroes van invloeden... de ingrediënten daarvan... hoe dwingend gaan die in jouw hoofd een verbinding aan?’

 

  ‘De grondslagen van je denken analyseren... en een bla hier, en een bla daar. Humbug uit jouw wereld, Li’ll Remo. Charlie is Charlie. Zijn denken is puur, maar hongerig. Het vreet zich te barsten aan andermans braaksel, en werpt de afvalstoffen ook weer uit. Afval van afval.’

 

  ‘Heel logisch eigenlijk, voor een leermeester die zijn volgelingen naar voedsel liet wroeten in de vuilcontainers van supermarkten.’

 

 

 

  4

 

 

Maddox vertelde hoe hij zijn eerste bange ochtend in vrijheid op pier J had doorgebracht, wachtend op de aankomst van de Queen Mary, waarover hij op een lokaal radiostation gehoord had. Het leek of alle meeuwen uit de omtrek zich hier opgewonden verzameld hadden om straks op het schip aan te vallen. Hun lelijke, extatische geroep joeg hem angst aan, net als het grimmige zwenken van de drijvende kranen in de verte. Hij had het stratenlabyrint dat zich rond de andere kant van Terminal Island uitstrekte, niet meteen aangedurfd – maar dit hier, deze waterwereld met z’n gekartelde havenfront, bleek in z’n weidsheid nog vreeswekkender.

 

  Vanwaar hij stond, zag hij de Queen Mary schuins de Baai van San Pedro over glijden. Ze gunde hem het volle zicht op haar drie zwarte hellepijpen, die ingesponnen met hem in een web van aaneengeregen vlaggen. Het schip werd omstuwd door een vloot van zeil en motorjachten. Zijn leven was verbonden met deze schoonheid: ze hadden de fles op haar stukgeslagen in zijn geboortejaar. De radio zei dat dit haar laatste jaar in actieve dienst was. In december zou ze hier voor ’t laatst binnenlopen, om dan tot een zeevaartmuseum te worden omgebouwd. ‘Ik zwoer tegen de wind en de golven in, Little Remo, dat ik met haar mijn oude leven op Terminal Island zou achterlaten... en herboren aan een nieuw zou beginnen.’

 

  ‘Een ha voor zo’n eed. Pier J, daar legde ruim twee jaar later een nog veel groter passagiersschip aan... net nieuw... de Queen Elizabeth II. Juli ’69, en wie kwam daar de loopplank af, hoogzwanger en met haar hondje Proxy op de arm?’

 

 

 

  5

 

 

Het kanaal tussen Terminal Island en de wallenkant van San Pedro had Maddox tot diep in de middag een veilige slotgracht toegeschenen, die hem dichtbij de gevangenis hield. Maar omdat de voorwaardelijk in vrijheid gestelde zich binnen vierentwintig uur bij zijn reclasseringsambtenaar diende te melden, had hij geen andere keus dan op de bus te stappen, en zich de Vincent Thomas Bridge over te laten voeren – naar de voetangelwereld van de echte mensen.

 

  De hangbrug, een Golden Gate Bridge in het klein, herinnerde hem eraan dat hij in San Francisco nodig eens de stand van zaken rond Aquarius moest gaan opnemen. Scotts buurman in de bus wist te vertellen dat de hippies nu ook Venice ontdekt hadden, en vandaar uitzwermden over de Sunset Strip. ‘Het plan is... de vredestichter moet de oorlogsmachine verslaan,’ zei de man. ‘Ach, Sir, allemaal oosterse tegeltjeswijsheden van Jezus.’

 

  Na een paar keer overstappen verliet Maddox de bus op het kruispunt Sunset Boulevard en Benedict Canyon Drive. Op de Strip had de wierook de uitlaatgassen er nog niet onder gekregen, en het straatbeeld werd onveranderd gedomineerd door lichte maatpakken en jurken van de catwalk. Geen houten kralensnoeren, maar parelkettingen. Hoewel, er was wel iets veranderd sinds hij hier, tien jaar terug, twee hoertjes voor zich had laten tippelen. De motorbendes, bijvoorbeeld, die de brede trottoirs bezetten, waren er toen nog niet geweest. Van de SQUARE SATANS groepten er wel dertig, veertig bij elkaar, de meeste languit liggend op de zitting en de benzinetank van hun motor, bier hijsend. Misschien wachtten ze tot een maat met een strafblad naar buiten zou komen, want de hele club bivakkeerde pal voor het kantoor van Scotts reclasseringsambtenaar, Mr Lazaris.

 

  ‘Ik kan in Frisco in een bar spelen.’

 

  ‘Zeker weer zo’n tent op North Beach.’

 

  ‘Een ex-bajesklant moet ergens beginnen.’

 

  ‘Contract?’

 

  ‘Mondeling. Geld schoon in de hand.’

 

  ‘Ik mag je eigenlijk geen werkkring buiten Zuid-Californië toestaan, Charlie.’

 

  ‘Mr Lazaris, een muzikant trekt rond.’

 

 

 

  6

 

 

North Beach, daar moest hij dus zijn, volgens Mr Lazaris. Hij liftte langs de kust noordwaarts. Een vriendelijke automobilist, die hoorde dat Maddox heen wilde, waarschuwde hem voor de verloedering van de wijk. ‘Eerst had je er de kladschilders. Nu is het een hippiekolonie.’

 

  Een volgende, nog vriendelijker bestuurder zette hem af op de kruising van Broadway en Columbus Avenue, volgens de man het centrum van North Beach. Veel kleine theaters. Het was vroeg in de ochtend en nog donker. Sommige nachtclubs bleken nog open, andere dreven juist hun laatste klanten naar buiten. Onder de neonletters Topless Bottomless hing een affiche met de beeltenis van Carol Doda, een dame met een extreem opgepompte boezem. ‘AT 10 P.M. BOTH OF THEM’. Voor de ingang was al een traliehek geschoven, maar de zijgevel had nog een deur, en daardoor stapte een spookachtig wit geschminkt meisje de steeg in. Ze huilde, en liep stampvoetend het trottoir van Columbus op, waar ze besluiteloos bij een batterij overvolle vuilnisbakken bleef staan.

 

  ‘Problemen?’

 

  ‘Och, die stinkpot. Neemt me gisteren aan om te strippen, en vandaag heet het ineens dat ik... zielige tietjes heb.’

 

  ‘Ze hebben hun ontslag gekregen.’

 

  ‘De zeug mocht niet aan me zitten.’

 

  ‘Je centen gekregen?’

 

  ‘De helft.’

 

  ‘Ieder een halve kop koffie?’

 

  Het enige mooie aan Susan was haar glanzend bruine haar, dat onder de ballonlampen van de diner aan een shampooreclame deed denken. Als er een lachgrimas over haar gezicht trok, kregen haar ogen iets mongoloïdes. Haar boezem had inderdaad niet veel om het lijf, en de magerte van haar spillebenen werd benadrukt door knokige knieën, die nauwelijks nieuwsgierig maakten naar wat deze stripper verder nog te bieden had. Boven de koffie ontstond toch zoiets als een gesprek, want net als Scott had Susan, zo jong als ze was (negentien), in de gevangenis gezeten. Wapenbezit, afpersing, autodiefstal. Van huis weggelopen, onder de knoet van haar vader uit, was ze al op haar veertiende, nadat haar moeder het tegen de kanker had afgelegd.

 

  ‘Begin opnieuw, net als ik,’ zei Scott. ‘Zoek het in de liefde. Ik ben hier in North Beach om te zien hoe de hippies het aanpakken.’

 

  ‘Ze zijn alweer vertrokken. Naar de bouwvallen van de Haight.’

 

  Samen namen ze de bus naar Haight Street, waar in de ochtendschemering een leven van belangeloze liefde morrend en kreunend op gang kwam. Met z’n voddige en langharige bewoners leek de wijk op een kruising tussen het oorlogsgetto van Warschau en een van figuranten krioelende set voor een bijbelverfilming. Later maakte de voorjaarszon kleur uit dit alles los, en werd Haight-Ashbury pas het paradijs dat hem door Susan was voorgespiegeld. Het was waar: iedereen droeg op z’n minst wel een bloem in het haar of achter het oor. Sommigen liepen te stikken in complete boa’s constrictores van aan elkaar geregen kelken. Boeketten werden verkocht vanuit een met narcissen behangen bestelauto met de naam HIPPE op het dak, die bijna stapvoets langs de trottoirs reed.

 

  Scott en Susan sliepen een paar uur in de schaduw van Golden Gate Park, met de gitaar tussen ze in. Na het wakker worden plaatste hij het hardboard foedraal als een scherm naast het meisje, zodat ze ten minste een beetje aan het oog onttrokken werd. ‘Je bent te bitter over je oudeheer,’ zei hij. ‘Ontdoe je nou ’s eens en voor al van hem. Oogjes dicht, en dan ben ik je vader.’

 

  Ze liet zich meeslepen, en zo napoleontisch geschapen als hij was, ze raakte opgewonden genoeg om een paar keer met haar rollende hoofd tegen de gitaarkoffer te bonken, waar dan een galm uit opklonk die verderop in de bosjes met applaus begroet werd. ‘Het was heerlijk,’ bekende ze na afloop. ‘Hij was het helemaal, de zak. Ik hoorde je op zeker moment kreunen... en het was net die ouwe, als hij zich weer eens de aambeien zat te persen op de wc.’

 

  ‘Je moeder noemde je Susan. Zij is dood. Voor je vader heette je Susan. Je haat hem. Ik geef je een nieuwe naam. Sadie.’

 

  ‘Ik ben me van geen sadisme bewust.’

 

  ‘Naar sad. Je hebt dat hele trieste over je.’

 

 

 

  7

 

 

‘Toen ik in de Haight aankwam, Li’ll Remo, was Chet Helms net begonnen met het organiseren van al die rockconcerten... helemaal gratis.’

 

  Jefferson Airplane, Quicksilver Messenger Service, en Janis Joplin met Big Brother & The Holding Company – allemaal traden ze onbezoldigd op voor duizenden vredessoldaten zonder soldij, meestal in Helms’ eigen Avalon Ballroom aan Sutter Street. ‘Het eerste optreden dat ik bijwoonde, met Sadie, was van Grateful Dead. In de Fillmore. Ik was nog niet verder dan The Beatles op de radio, en nu... ik wist niet wat ik hoorde. En zag. Al die stroboscopische lampen... Charlies ballen knetterden ervan. De gitarist speelde een snelle solo, maar zijn armen stonden stil in het flikkerlicht. De drummer zat roerloos achter z’n kit, terwijl ik de ene na de andere roffel in mijn maag voelde. Als je er maar lang genoeg naar keek, schoven de zonder verder te bewegen heen en weer over het podium. Na een uur was ik kapot. Ik ben tegen de vlakte gegaan.’

 

  In de paastijd van 1967 was de hippiegemeenschap van Haight-Ashbury wereldfaam aan het verwerven – wat al neerkwam op zelfvernietiging. Ooit hadden die kinderen gehoor gegeven aan een vage rusteloosheid, die ze uit alle windstreken naar dezelfde plaats had gedreven om hun liefdesovervloed met elkaar te delen. Nu waren ze zover om hun imago, hun idealen te institutionaliseren door de organisatie van een Liefdeszomer. De gebloemde public relations draaiden op volle toeren. Kranten, tijdschriften zorgden ervoor dat de wijk overvol raakte, en niet alleen van hippies. Het probleem was dat de aapjeskijkers en de drugsdealers ook allemaal een kaftan aantrokken en een diadeem met kraaltjes om hun hoofd bonden. De plastic bloemen moesten nog komen, maar de eerste corsages van wasdoek waren al gesignaleerd.

 

  Midden juni zag Scott de sterren van het moment over het podium voorbijtrekken in Monterey, op het eerste popfestival uit de wereldgeschiedenis. Na elk nummer door vijftigduizend mensen toegejuicht worden, net als Jimi Hendrix en The Mama’s & The Papa’s, dat is wat hij wilde en altijd gezocht had. In het kerkkoor vocht hij al om een plaats op de voorste rij, omdat de gelovigen anders niet konden zien uit welke engel die goddelijke stem opklonk. Nu Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band verschenen was, obsedeerden The Beatles hem meer dan ooit. De teksten maakten hem gek. ‘Picture yourself in a boat on a river...’ Hij kreeg er geen vinger achter. Misschien, als hijzelf op die manier ging schrijven... dat dan...

 

  Een politieschatting meldde dat zo’n honderdduizend jongeren, exclusief hippietoeristen, de zomer in Haight-Ashbury doorbrachten. Op Haight Street 1337 was een psychedelische winkel, waar een bord hing met honderden oproepen van ouders aan hun weggelopen kinderen. Scott wist dat hij er altijd wel een paar meisjes aan kon treffen die hun vrijheidsgevoel kwamen laven aan de bezorgdheid van paps en mams.

 

  ‘Aan de manier waarop je je ogen samenknijpt bij het lezen, zie ik dat je je vader haat.’

 

  ‘Klopt.’

 

  ‘Ik kan je je vader laten vergeten...’

 

  Steeds meer leden van de oude kolonie trokken de heuvels in om daar in sekteachtige communes de idealen hoog te houden. De droesem die in de oude straten achterbleef, bestond uit meelopers, drugshandelaren, wervende pooiers, predikers van zompige religies, en kinderen die gewoon geen zin hadden om naar school terug te gaan. Er werd verkrachting gepleegd onder het mom van vrije liefde. Een tuil bloemen kon een mes verbergen. Een omhelzing maskeerde een beroving. Om een paar dollar per dag te verdienen met zijn muziek zocht Scott steeds vaker zijn heil op de campus van Berkeley, waar hij met de veerboot naartoe ging. Via universiteitsbibliothecaresse Mary, bij wie hij later introk om haar d’r paps te doen vergeten, hoorde hij van de radicale politieke bewegingen die op Berkeley aan het ontstaan waren. In de Haight legde hij contact met de Diggers, een anoniem zooitje extreem antiautoritaire anarchisten. Hij leerde net zo snel over politieke constructies als dat hij van Ol’ Creepy akkoorden had leren spelen.

 

 

 

  8

 

 

Al een paar keer had ik een kleine man bij de in Ashbury Street geparkeerde auto van The Egg Man zien rondhangen, met op zijn rug een veel te grote gitaar, die met z’n hals omlaag hing, tot bijna op de grond. Zo op het oog mat hij weinig meer dan anderhalve meter. Aan zijn slordig uitgegroeide kapsel was te zien dat het nog maar een paar maanden geleden kortgeknipt en hoog opgeschoren was geweest. Tussen de hippiegewaden viel hij een beetje uit de toon in zijn vormeloze pak van verschoten ribfluweel. Soms boog hij zich naar het open portierraam, en praatte dan een minuut of wat heftig gebarend op de bloemist in

 

  Om in het Parijs van de negentiende eeuw aan hasj te komen, moest de burger bij een bloemenstal zijn. Dit deel van San Francisco ademde nog helemaal de sfeer van een Europese stad uit die tijd, dus daar hoefde het niet aan te liggen. Ik zou zweren dat in de zescilinder van HIPPE scherpere geuren hingen dan van chrysanten.

 

 

 

  9

 

 

Ik had Woodehouse de bril met het schildpadden montuur toegespeeld om in Choreo zijn ijdelheid achter te verbergen. Een klein, bitter genoegen. Bij ondertekening van het contract met de NASA was ikzelf te ijdel geweest om mijn leesbril op te zetten, anders had ik uit de allerkleinste lettertjes, die mij niet meer dan een rasterachtige verdonkering van het papier toeschenen, kunnen opmaken dat ik het gebruik van mijn naam voor exact een eeuw exclusief aan hun project afstond. Terwijl de inkt van mijn handtekening nog aan het opdrogen was, werd ik met mijn neus op een vergrootglas gedrukt, waaronder de lettertjes zeiden dat ik mijn naam niet eens meer in spiegelschrift mocht schrijven, en zelfs niet kon gebruiken voor een acrostichon.

 

  Ik had al mijn aardse kleren nog aan, maar zo zonder naam voelde ik mij in het hardhouten kantoor naakter dan naakt – alsof mij, net als bij de opschepper Marsyas, de huid was afgestroopt. Ik hield mezelf voor dat ik nu als anonymus, niet gehinderd door mijn reputatie, elke poging zou kunnen doen de wereld naar mijn hand te zetten. Meer nog dan in de tijden van mijn marmeren consultatiebureau waande ik me in het volle bezit van mijn voorzeggende capaciteiten.

 

  Het was midden jaren zestig. Met het geld van de naamsverkoop hoopte ik in de Verenigde Staten een maatschappelijke tegenbeweging te financieren, die uiteindelijk moest leiden tot een wereldwijde omwenteling. Zelfs nu me duidelijk werd dat de tragedie de hele aarde kon omspannen, zocht ik de aanzet ertoe bij enkele individuen, die ik op elkaar kon laten inwerken om mijn doel te bereiken. Mijn geheim was altijd geweest met een orakel iemands noodlot in het leven te roepen of, zeg maar, uit te lokken. In die Californische dagen keek ik uit naar een held, kwaad genoeg om de wereld aan te kunnen vliegen, tegelijkertijd nog voldoende kneedbaar om voor een heerszuchtige carrière te worden opgeleid.

 

 

 

  10

 

 

Wandelend door de buurt zag ik op een late zomerochtend de Chevrolet bij een lantaarnpaal in Haight Street staan. The Egg Man, die zijn auto daar eerder die morgen in de schaduw geparkeerd moest hebben, zat met een van zweet lekkend gezicht voor het open raam. De bloemslingers op de motorkap waren al half verdord in het zonlicht. Ik stak aan de trottoirkant mijn hoofd naar binnen, en begon een praatje. De voormalige lesauto had nog steeds dubbele pedalen. Soms gaf een voorbijganger een klap op het dak, onder het uitroepen van: ‘Hee-haw, Hippie-ie...!’ Ik vroeg de bloemenverkoper naar de kleine gitarist die hem op het trottoir wel gezelschap hield.

 

  ‘O, dat is Charlie. Een straatmuzikant... hij schrijft zijn eigen nummers. Opmerkelijke teksten. Ga ’m maar eens horen. Hij zit tussen mijn afnemers in het park... ook wel op de trappen van Berkeley.’

 

  The Egg Man sprak Engels met een sterk overzees accent. Duits of Pools, dacht ik, maar het bleek Nederlands. ‘Amsterdams,’ zei hijzelf. Ik hoorde hem verder uit over Charlie.

 

  ‘Hier in de Haight brengt hij de leer van Jezus in de praktijk. Nederigheid van twee kanten, of zoiets. Soms is hijzelf Christus... tenminste, dat denkt hij. Een verbeterde versie van Jezus. Als Charlie genoeg discipelen om zich heen verzameld heeft, trekt hij met ze de woestijn in. Precies snap ik het allemaal niet, maar er moet daar een nieuwe wereld gesticht worden. Op basis van Liefde en Cosy Horror, geloof ik.’

 

  ‘Cosy Horror...’

 

  De bloemist probeerde het uit te leggen. Het was niet dat zijn Engels tekortschoot – hij werd te veel afgeleid. Geen oog van de bonte mensenstromen op beide trottoirs afhoudend beroerde hij geregeld zijn claxon, waarna er altijd wel een of andere bekraalde kaftan op de auto af kwam gesneld. Geld en luciferdoosje wisselden van eigenaar, en The Egg Man gaf er als bonus een dooie tulp bij. ‘Een soort herwaardering dus,’ vatte hij zijn verklaring samen, ‘van de waarden Leven en Dood.’

 

  Ik begreep er niet alles van, maar genoeg om nu pas echt geïnteresseerd te raken in de dwerg. Hier had je nou, gelouterd door de gevangenis en Gideons bijbel, een aankomende leider, uiterst kneedbaar nog. Een goeroe in opleiding, die nog leermeesters boven zich erkende.

 

  ‘Ze kan bij familie in Kentucky zijn,’ zei The Egg Man, ‘of naar een nieuwe liefde in de staat Washington, maar voorlopig... is onze nieuwe Messias nog op zoek naar zijn moeder.’

 

  ‘Zeker om haar aan zijn kruis te laten staan.’

 

  Volgens The Egg Man was Charlie geobsedeerd door The Beatles. Niet alleen in hun teksten beluisterde hij allerlei geheime boodschappen, ook in elke maat van de muziek, iedere tempowisseling, alles. ‘Charlie heeft een theorie dat The Beatles boodschappen in het brein van de luisteraar graveren... zoals dat met reclameslogans gebeurt. Het zit hem niet in wat er op het eerste gehoor te beluisteren valt, dat is gewoon een goede song... nee, het bevindt zich volgens Charlie behind the beat.’

 

 

 

  11

 

 

Tot die tijd was popmuziek weinig meer geweest dan een boodschap van niks, verpakt in geestdodende vierkwartsmaat. Na midden jaren zestig leek de suprematie van de simpele love song voorbij. Er werd geëxperimenteerd met duisterder tekst, complexere muziek – al hielden de studio’s vast aan nummers van gemiddeld drie minuten, die eventueel op een vijfenveertigtoerenplaatje pasten. Met het schimmiger worden van de teksten kwamen ook de misverstanden. John Lennon zong ‘Lucy in the Sky with Diamonds’, naar een tekening die zijn zoontje zo had gedoopt. De BBC hield het op een lofzang op LSD, en weigerde het nummer te draaien. Blijkbaar was ook in deze nieuwste popmuziek een minimum aan woorden voldoende (of zelfs vereist) om de kreet maximaal te laten overkomen. Een slogan met een dreun eronder, en de tiener had z’n boodschap.

 

  Nu was de provocerende kant van Lennon al eerder aan het licht gekomen. Toen hij op een dag met een interviewster voorbij een christelijke kerk wandelde, riep hij met de wit die hem eigen was naar de hoge deur: ‘Hé, jij, daar... kom ’s naar buiten, als je durft! Wij zijn populairder dan jij!’

 

  Dat kwam wereldwijd in de pers als: ‘Wij zijn groter dan Jezus.’ Het is geschiedenis. Nog dezelfde week stond ik me ergens in South Carolina op een vochtig kille avond te warmen boven een oliedrum, waarin platen van The Beatles verbrand werden. Ik vond hun muziek, toen al, ver boven alle pop en rock verheven, maar het vinyl waarin zij geperst was, stonk verbrand net zo gemeen als bij albums van The Rolling Stones het geval zou zijn geweest. De dampen van de borrelende droppannenkoeken sloegen neer op de christelijke keeltjes van al die hysterisch protesterende tienermeisjes, zodat er een paar ter plekke behandeld moesten worden, en er geen eind leek te komen aan hun vergiftiging door The Beatles. Vlakbij werden langspeelplaten tegen een paal gespijkerd, die vervolgens werd aangestoken. Toen het vuur, zich rondend om de schijven, hoger klom, bereikte het een dwarshout – en opeens stond ik tegen een brandend kruis op te kijken, waar puntige witte boetemutsen van de Ku Klux Klan omheen krioelden.

 

  Ik wist nog niet dat Lennon mijn man was, maar het fascineerde me hoe het soortelijk gewicht van de eenvoudigste uitspraak tot in het absurde toenam naarmate de spreker beroemder was.

 

 

 

  12

 

 

Toen de vrije liefde in Haight-Ashbury kwistig druipers begon uit te delen, wisten de hippies massaal de weg naar het verworpen establishment terug te vinden – voor een gratis portie penicilline. In de haastig ingerichte noodklinieken hielden de artsen zestien uur per dag hun gummihandschoenen aan. Op straat bestond de lunch uit speed. De bloemenkinderen werden er nog agressiever van dan de opgefokte types in de wereld waaraan ze ontvlucht dachten te zijn. Vingers die te pas en te onpas het V-teken maakten, bleken heel goed een stiletto vast te kunnen houden.

 

  ‘Van al dat geweld moest jij natuurlijk niets hebben. Wel, Scott? Ik snap waarom je de buurt voor gezien hield. Vertrapte bloemen... een belediging voor verfijnde geesten als jij.’

 

  Maddox, nog steeds van plan een nieuw leven van liefde en muziek te leiden, voerde zijn groeiende aanhang van meisjes uit de verloederende Haight weg. De vader van een veertienjarig bewonderaarstertje had, misschien als zoenoffer om zijn dochter te mogen behouden, aan Scott een piano cadeau gedaan. Als dank voor het genereuze gebaar (de man was dominee) ruilde hij de piano tegen een Volkswagenbus, ontvoerde daarin het meisje naar Mendocino, ontmaagdde haar op het strand, en bedacht haar met de bijnaam Ouisch.

 

  ‘Als je een keer een mooi erotisch sprookje wil horen, Mr Remo, om in je cel op verder te borduren... dan wil ik je het verhaal wel een keer in z’n geheel vertellen. Plooi voor plooi. Alles gegarandeerd niet ouder dan veertien.’

 

  De dominee haalde zijn dochter terug, maar Maddox had haar al geïnstrueerd om met de eerste de beste idioot te trouwen, en zo los van haar ouders te raken. Ze huwde een buschauffeur, en verliet hem meteen na de schamele voltrekking voor de bestuurder van een andere bus, die vol vrouwen van noord naar zuid en van zuid weer naar noord de Californische kustwegen afjakkerde.

 

 

 

  13

 

 

In mijn honger naar tragedies was ik in de zeventiende eeuw op Shakespeare gestuit. Schitterend, maar... verzinsels! literatuur! Geschreven tragedies, in verzen, had je in mijn goede oudheid ook. Ze waren meestal gebaseerd op tragische gebeurtenissen die de oude, sadistische goden al eeuwen eerder in de toenmalige werkelijkheid hadden uitgelokt, en die later, van mond tot mond de generaties afdalend, tot mythen werden – die weer het ruwe materiaal vormden voor het Griekse toneel.

 

  Ik had een geheime voorkeur behouden voor de tragedie in z’n ongebreidelde vorm, met een enkele raadselspreuk onder de mensen in hun harde wereld op gang gebracht en naar een onvermijdelijk zwart gat toe gevoerd. Misschien wilde Shakespeare mij, met zijn hypnotiserende taal, wel helpen een zwart drama over de planeet af te roepen.

 

  Ik had altijd moeten horen dat Lennon & McCartney een songschrijversduo vormden als Rodgers & Hart, Leiber & Stoller, Gershwin & Gershwin, maar de laatste tijd, begreep ik, schreven ze hun nummers steeds vaker los van elkaar, hoewel die onder gemeenschappelijke naam gepubliceerd bleven worden. De wereldwijd doorklinkende scheiding der geesten was al te horen geweest op de single met het behoudend melodieuze ‘Penny Lane’ op de ene en het ontregelend mysterieuze ‘Strawberry Fields Forever’ op de andere kant. Later, op Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band, was de muzikale tweespalt nog duidelijker. Ik ontdekte dat Lennons nummers dieper bij me binnendrongen dan die van McCartney.

 

  In een interview bekende Lennon niets met Shakespeare te hebben. Het bracht me op een idee. Ik zag al die Engelse postzakken met fanmail voor me, en besefte dat een persoonlijke brief aan de zanger hem nooit onder ogen zou komen. Ik sprokkelde de heksenzangen uit Macbeth bijeen, zette ze onder elkaar, en stuurde ze naar Lennons voormalige roadmanager, die sinds The Beatles niet meer op tournee gingen ook wel als zijn secretaris optrad. Op de envelop: ‘Mr Lee Aspinal/persoonlijk.’ In een begeleidend schrijven verzocht ik hem Mr Lennon de zangen ter hand te stellen, en er ‘namens deze betrokken bewonderaar’ bij te zeggen dat hij zich als tekstdichter tekortdeed door Shakespeare te negeren.

 

  Als afzender vermeldde ik een van mijn poëtischer aliassen, plus een postbusnummer. ‘PS – Zelfs bij Bob Dylan is Shakespeare in the alley.’

 

 

 

  14

 

 

‘Mr Lennon is u zeer dankbaar voor de toegezonden teksten, die hij gedeeltelijk in een nieuw nummer heeft verwerkt “om te zien of popmuziek de oude bard een stem kan geven”. Het heeft als werktitel “Laugh to scorn (the power of man)” en is gisteren opgenomen in Studio 2 aan Abbey Road. Mr Lennon het vond goed dat ik u, als bedankje, een proefpersing zou sturen, maar het mag niet van de platenmaatschappij. U zult het eindresultaat pas op de volgende langspeelplaat kunnen beluisteren. Tenminste, als het door de selectie komt, want The Beatles hebben de afgelopen weken honderden uren band opgenomen, met enkele tientallen nieuwe nummers.’

 

 

 

  15

 

 

Ik belde met de juiste foute types in Londen. Ja, Darwins neef Plume werkte nog steeds in de studio’s van EMI aan Abbey Road, en had zich daar van instrumentendokter tot geluidstechnicus opgewerkt. Plume had al eens een door iedereen vergeten, ongedateerde moederband met twaalf versies van een afgekeurd Beatlesnummer mee naar huis genomen, zodat Darwin er bootlegs van kon laten persen: een groot succes, weinig onkosten, en geen haan die ernaar kraaide. Een hele lading master tapes, dat was natuurlijk een andere klus.

 

  ‘Dar, de banden zijn voor jou. Of je ze nou allemaal naar buiten rolt of niet... als “Laugh to scorn” er maar bij is. Maak een mooie selectie voor een langspeler... Laat “Laugh to scorn” erbuiten, en pers daarvan een bootleg van vijfenveertig toeren. Oplage: een. Meer vraag ik niet voor mijn informatie.’

 

 

 

  16

 

 

Telefoon uit Londen. ‘Missie volbracht. Vierhonderd master tapes. Met dank aan Plume, die natuurlijk van niets weet.’

 

  Maar Darwin had ook slecht nieuws. ‘Jouw favoriet “Laugh to scorn” is er niet bij.’

 

  Hij had een lijst aangelegd van alle tweeëndertig nieuw opgenomen songs, compleet met datum en opnamenummer. Ik vroeg hem de titels voor te lezen. Geen ‘Laugh to scorn’, wel een ‘Hurly Burly’. ‘Dat moet ’m zijn, Dar.’

 

  Hij had de apparatuur bij de hand om zulke grote banden af te draaien. Uit de telefoonhoorn kwam, heel ijl, een slepende elektrische gitaar – veel te virtuoos voor Lennon of Harrison. De stem was wel degelijk van Lennon. ‘When the hurly-burly’s done... when the battle’s lost, and won.’

 

  ‘Volgens het etiket,’ zei Darwin, ‘speelt Clapton hier de lead. En wat lees ik hier... in het muzikale intermezzo gaat hij een duet aan met een draailier. Die wordt bespeeld door Jerry Raintight, straatmuzikant te Soho.’

 

  ‘Dar, “Hurly Burly” is voor mij. Niet meer dan dat ene exemplaar. Als je me bedondert... in die bootlegrimboe weet iedereen alles van elkaar. Laat me in San Francisco ook een stapeltje van die lp’s bezorgen.’

 

  ‘Per post?’

 

  ‘Ja, maar dan wel overplakken met labels van de London Philharmonic.’

 

 

 

  17

 

 

‘Hi, Hippie-ie-ie...!’ Zelfs onderstreept met een klap op het autodak klonk het uit mijn keel nergens naar. ‘Handel.’

 

  Het vierkantige pakket, gewikkeld in de San Francisco Chronicle, ging maar net door het portierraam. ‘Ah, de bootlegs,’ zuchtte The Egg Man, die meteen het krantenpapier openscheurde.

 

 

THE BEATLES

 

THE HURLY BURLY SESSIONS   ‘Vijf dollar.’
  ‘Onzakelijk om het zo te zeggen, maar... voor elk exemplaar kan ik een klein fortuin vangen.’
  ‘Het is je van harte gegund. Als je er maar een aan Charlie verkoopt. Hou het betaalbaar voor hem.’
  Hij betaalde me vijftig dollar voor de tien lp’s. Ik gaf hem vijf dollar terug. ‘Mocht Charlie blut zijn, doe hem de plaat dan cadeau.’
  ‘Zonde.’
  ‘Ik sta erop.’
  The Egg Man reikte naar de achterbank, en overhandigde me een klein bosje dieprode asters, die bitter roken en in mijn hand onmiddellijk, slap, alle kanten op zwabberden. ‘Herfstbloemen uit Amsterdam. Vanmorgen vers aangekomen met de nachtvlucht.’
  ‘Laat al dat vinyl niet te lang in die hete auto liggen.’
  Hij startte de auto, die met schokjes weg sukkelde, als zat er echt een beginneling achter het stuur, die nog even zijn gang mocht gaan voordat de instructeur ingreep. De beugel op het dak zag oranje van de roestvlekken, maar de naam HIPPE bleef leesbaar, net als de waarschuwende L van Leswagen. Toen hij gas gaf, wapperden de zonverschroeide bloemguirlandes rond het koetswerk van de Chevy hoog op, en tere bruine blaadjes woeien mijn kant uit.


  18

Eind september ’67 was de Liefdeszomer niet alleen calendarisch en meteorologisch ten einde, ook ideologisch – als er ooit een ideologie was geweest, en niet veeleer een vaag ideaal van waardige lamlendigheid. Cynici onder de achterblijvers knipten hun lange manen af, hun baarden ook, en deponeerden al dat haar in een vurenhouten lijkkist, die verder gevuld werd met houten kralenkettingen en jute gewaden. De beugel met de naam HIPPE werd van het autodak van The Egg Man geschroefd en op het deksel van de kist gemonteerd, waar nog plaats overbleef voor enkele weelderige bloemboeketten uit Aalsmeer.
  Ook Maddox en zijn vrouwen waren aanwezig bij de begrafenis van De Hippie. Na afloop nam The Egg Man Scott apart, en overhandigde hem een wit kartonnen hoesje. Het had geen opschrift, maar er zat een vijfenveertigtoerenplaatje in met een wit bootlegetiket, dat in onregelmatig gestempelde letters de tekst droeg: ‘The Beatles/Hurly Burly/(Lennon/McCartney)’. ‘Ik ben platzak,’ zei Scott.
  ‘Het is gratis. Een bonus bij je vorige aankoop. Dit is het enige geperste exemplaar. Ik weet, Charlie, dat je een kenner en een liefhebber bent.’
  Maddox ging met de plaat naar een kennis in Lyon Street, die een stereo had. Hij verzocht iedereen de kamer te verlaten, en luisterde in z’n eentje naar het onbekende nummer, dat geen b-kant had. Vanaf de eerste maten voelde hij dat het nummer zich tot hem, en hem alleen, richtte. Ook van de tekst, waar hij op het eerste gehoor niets van begreep, wist hij bijna zeker dat die speciaal voor hem geschreven was. Net zo vaak draaien, die bootleg, tot hij z’n geheim prijsgaf.
  Op de maat van het midtempo ‘Hurly Burly’ in zijn hoofd stuurde Maddox die middag alweer zijn Volkswagenbus over de bochtige kustweg 1 naar het zuiden. Door het meanderen tussen de rotspuisten keerden Lennons woorden met grote helderheid in hem terug, en van mijl tot mijl werden ze lichter, en begrijpelijker. Haight-Ashbury mochten de achterblijvers verder afbreken, als ze niet eerst zichzelf per overdosis te gronde richtten in het een of andere portiek, voordat dit van bouwvalligheid instortte. Die hele liefdespoeha, het was allemaal een zinsbegoocheling geweest, een poging ledigheid als creativiteit te verkopen. Op de zitbanken achter hem hingen, pratend en zingend, de meisjes tegen elkaar aan. Sadie, voorheen Susan, die hij als danseres achter de hand hield, voor als de nood aan de man kwam. Mary, drie maanden zwanger (van hem), die haar baan en haar woning in Berkeley had opgezegd om in zijn bus te wonen. Patricia, alias Katie, met haar zware cowboykaken en overvloedige lichaamsbeharing, die ze van hem niet mocht wegharsen. Ouisch, een getrouwde, alweer gescheiden vrouw van veertien, bijna vijftien, die ervoor zorgde dat de auto van haar vader, de dominee, in de achteruitkijkspiegel zichtbaar bleef. En dan was er, helemaal achterin, het dichteresje Lynette, dat met balpen vondsten op haar onderarm noteerde. Dat was nog eens een liefdesgezelschap, en Maddox had het zelf voor de kaken van de Haat uit de Haight weggesleept. Voor het eerst van zijn leven had hij, in vrijheid, zijn eigen cirkel van mensen – en die kon met elke kneedbare liftersziel worden uitgebreid.


  19

‘Niet de liefde, de dood is Charlies trip, beweerde een van jouw afvallige discipelen. Met de liefde, zei hij, weet Charlie geen raad.’
  ‘Ik weet welke verraaier je bedoelt.’
  ‘Als de liefde niet jouw trip is, Scott, en wel de dood... hoe staat het dan met jouw doodsangst?’
  ‘Charlie is niet bang voor de dood.’
  ‘Als iemand jou een sigaret aanbiedt, geef je er een heleboel kleine kneepjes in... van het mondstuk tot aan het eind, en weer terug. Pas als je er geen explosief in voelt zitten, steek je ’m aan.’
  ‘Als ik wel eens last heb van doodsangst, geef ik me een halfuurtje aan Cosy Horror over. Net zo lang tot ver weg terug in de tijd... in het jaar 1934, het nieuwe jaar nul... een afgrond opengaat. Hoe meer de tocht uit dat ravijn aan Charlie begint te trekken, des temeer doodsangst er uit hem wordt gezogen...’
  ‘Als je me niet kunt uitleggen wat Cosy Horror inhoudt, bespaar me dan je gezever.’
  ‘Cosy Horror is het wordt vervolgd van Hurly Burly.’
  ‘De twee pilaren van Charlies leer.’
  ‘Eerst van je hoogtevrees af... dan vertel ik je er alles over.’


  20

Omdat de Volkswagenbus te klein werd voor zijn groeiende harem van weglopertjes, ruilde hij hem tegen een afgedankte schoolbus, waarin nog wat verzuurde kartonnetjes melk onder een bank stonden. Op een ochtend werden ze, even voordat de 1 bij Carmel in een vierbaanssnelweg veranderde, door twee auto’s van de staatspolitie klemgereden. ‘Een schoolbus mag alleen geel zijn als hij ook als schoolbus gebruikt wordt.’
  Onder politiebegeleiding reden ze naar Monterey, waar op een braakliggend terrein de bus in de zwarte lak werd gezet. Op de plaats van de banken, die eruit gesloopt werden, kwamen matrassen, tapijten en sierkussens te liggen. Tule voor de ramen, tegen inkijk.


  21

‘Charlie en Little Remo hebben meer gemeen dan ze denken.’
  ‘Sharon.’
  ‘Jonge vrouwen. Meisjes.’
  ‘Zoek de verschillen,’ zei Remo. ‘Voor mij alleen feeën en prinsessen. Maar als ik de foto’s in Hurly Burly bekijk, en in al die andere boeken over jouw carrière, krijg ik een catalogus van jouw slechte smaak te zien. Geen wonder, Scott, dat ze telkens onverrichter zake van audities bij filmmaatschappijen naar jouw zwarte bus terugkwamen. Langs die weg konden ze jou ook niet rijk maken. Om te beginnen hebben ze geen borsten. Ik kom alleen dunne, rossige, sproetige typjes tegen. Is hier sprake van een voorkeur, of liepen die schriele, bleekzuchtige wichten eerder bij hun ouwelui weg? Muurbloempjes al in het ouderlijk huis. Roodharigheid wordt psychologisch altijd tot een snel ontvlambare drift herleid. Zijn die rooien van jou makkelijker te programmeren... eerder uit slachten te sturen?’
  ‘Crisis! Die plaatjes zijn uit de tijdootste chaos binnen The Circle. In Sybil Brand hebben ze de angst van die meiden gekiekt, niet hun jeugd. De rest is op het troitoir voor het gerechtsgebouw gefotografeerd. Ze hurkten daar neer in bange afwachting van het proces rond hun leider. Met niets anders te eten dan de bleke koekjes die de vrouw van de officier van justitie voor ze bakte. Met geschoren hoofd, en rillend van de wondkoorts, omdat ze een kruis tussen hun wenkbrauwen hadden gekerfd... in navolging van Charlie. Je had ze in de eerste bloeitijd van The Circle moeten leren kennen!’
  ‘Ik heb ze beter leren kennen dan me lief is.’
  ‘Jullie daarboven, in de heuvels van Hollywood, zijn altijd met uiterlijk bezig. In reclamezeep gewassen kindsterretjes... Shirley Templetjes... met allemaal hun eigen kindereunuch om het eerste menstruatiebloed tussen hun dijtjes weg te wassen. Voor Charlie telt het innerlijk. Ik spoorde bij mijn weglopertjes het inwendige letsel op. Ik las de getraumatiseerde ingewanden van hun jeugd. Als hun vader, zo bood ik mezelf aan. Kijk me aan, papa is aan het woord.’
  ‘En het werkte.’
  ‘O, ja.’ Maddox liet zijn stem tot een raspend gefluister dalen. ‘En dat is wat ik en jij gemeen hebben. De aantrekkingskracht van kleine, tengere mannen op ontwakende meisjes. Wij lokken tederheid uit in het jaar tussen pop en kind. Hun ongevormde moederlijkheid, dat is onze prooi. Tegelijkertijd, Little Remo, bezitten wij het milde overwicht van toegeeflijke vaders. De macht van kindmannetjes als wij is onverdacht... onschuldig... Het is machtshonger waarvoor het meisje haar ontluikende borst ontbloot. Hier, drink maar, papakind. Onze macht vertedert. Zo worden wij heer en meester over het rijk van de kleine, weerloze mensen.’
  ‘Ik zie nog steeds alleen maar verschillen. Jij bent hun tiran. Ik zoek erotiek bij ze.’
  ‘Erotiek, je zegt het. Een luxegoed, om de kuil van verveling mee te dichten. De liefde tussen Charlie en zijn meisjes is niet zo vrijblijvend. Ja, Squeaky is schriel, en sproetig, en roodharig. Haar stem is een vogeltje in de ochtend. Maar op haar dunne beentjes kan Charlie zijn kerk bouwen. En onder de gewelven van dat gebouw galmt haar getwiettwiet als een orgel. Als mijn plaatsvervangster op aarde voelde zij zich niet te goed om de oude blinde van Spahn Ranch in slaap te troetelen. Dat is liefde. Met een half woord, minder nog, begreep zij wat er van haar verlangd werd. De andere helft van het woord was haar liefdesverklaring. Ze mocht me niet bezoeken in San Quentin, maar ze vond toch wel een weg om tot me door te dringen. Ze liet weten dat ze een manier had gevonden om de sequoyawouden te redden. Een paar dagen later pleegde ze haar aanslag op de president. Kijk, dat is liefde. De echte. Het was haar protest tegen de wereld omdat ze me niet mocht zien. Sindsdien draagt ze de erenaam Sequoya Squeaky.’


  22

‘Zit daar ook een “Hurly Burly” bij?’ Remo wees op de rij cassettebandjes in Maddox’ cel. (Ze waren door de bewaking van hun scherpe hardplastic doosjes ontdaan, en hadden nu kartonnen hoesjes.)
  ‘ “Hurly Burly” was van vinyl. Een vijfenveertigtoerenplaatje. Het zit nu in de singletjescollectie van Jacuzzi. Bewijsstuk numero 17. Ze hadden het touwtje van het label door het gaatje in het midden gehaald. De openbare aanklager pakte telkens het afspeelgedeelte vast, zodat ik de groeven langzaam dicht zag slibben met zijn vingervet. Het enige exemplaar op de hele wereld...’
  ‘Nooit een bandopname van gemaakt?’
  ‘Het moest uniek blijven. Het was Lennons persoonlijke boodschap... nee, opdracht... aan Charlie. Met elke kopie was er meer kans dat de song de verkeerde oren zou bereiken... blinde oren.’
  ‘Zing hem me dan voor.’
  ‘Ook een vorm van kopiër‘Vind je niet, Scott, dat ik er een beetje recht op heb te weten op grond van wat voor tekst en melodie mijn geluk vertrapt is?’
  Maddox nam zijn gitaar van de standaard, en controleerde of hij goed gestemd was. Hij schraapte zijn keel, en zei: ‘Ik heb geen Lennonstem.’
  Als het om de muziek van een ander ging, speelde Maddox veel beter, waarschijnlijk omdat zijn eigen melodieën zo zwak waren. De gitaarintro leek op die van ‘Working Class Hero’, maar had een lager tempo. Dacht Remo Lennons aarzelend slepende stem voor Maddox’ gruizige geluid in de plaats, dan riep de zang reminiscenties op aan ‘Strawberry Fields Forever’, waarvan hij een keer een nog onvolmaakte, akoestische opname had gehoord. Hij was er zich zo tot het uiterste gespannen van bewust dat de gezongen woorden zijn leven vernietigd hadden dat hij vergat hun betekenis in zich op te nemen. Alleen het slotrefrein drong tot hem door.

When the hurly-burly’s done,
When the battle’s lost, and won.

‘Ik hoor de heksen uit Macbeth,’ zei Remo. Ook de overige tekst had hem vertrouwd in de oren had geklonken.
  ‘Het is een Lennon/McCartney-compositie.’
  ‘Ik geloof je. Maar op z’n minst het refrein is Shakespeare.’
  ‘Typisch Lennon. Er komt nog een soort praatstukje achteraan...’ Maddox tokkelde nog wat na, en zong in recitatief:

Sir John, I am thy Pistol and thy friend,
And helter-skelter have I rode to thee,
And tidings do I bring, and lucky joys,
And golden times, and happy news of price.

‘Ik kan het niet thuisbrengen, maar dit klinkt ook naar Shakespeare.’
  ‘Lennon op z’n zuiverst.’
  ‘Dat Hurly Burly uit het refrein... zo heet het boek van Jacuzzi, door wiens inspanningen jij hier de pleepotten mag uitschrobben. Gisteren van de bibliothecaris gekregen.’
  ‘En... goed boek?’
  ‘Ik heb er alleen nog in gebladerd. Van de plaatjes kreeg ik alvast tranen in mijn ogen.’


  23

‘Ik weet dat er veel over geschreven is,’ zei Remo. ‘Een hoop flauwekul ook. Maar welke boodschap trof jij nou precies in het nummer aan?’
  ‘Niet wat die carrièrekont van een Jacuzzi er in zijn krankjoreme boek van bakt.’
  ‘Het resultaat was hetzelfde.’
  ‘De boodschap... de opdracht, moet ik zeggen... was in orde, maar werd slordig uitgevoerd.’
  ‘Als de veldslag, volgens Shakespeare, gewonnen wordt en verloren... daar kun je alle kanten mee op.’
  ‘Dat, Li’ll Remo, was nou juist Lennons boodschap.’


  24

‘Het is een late Lennon/McCartney,’ gromde Maddox, schokschouderend van ongeduld, ‘en dan hoort het geoefende oor altijd onmiddellijk... niet alleen wie de zanger, ook wie de componist is. Muziek, tekst, gitaar, zang... “Hurly Burly” is helemaal Lennon.’
  ‘Over zijn teksten na Rubber Soul zegt Lennon zelf dat ze in een soort schertscompetitie met Bob Dylan werden vervaardigd. Dylan nam volgens hem een bepaald beeld, en improviseerde daar met afgeleide beelden wat interessanterig omheen. Hij dacht: jou heb ik door, maestro, dat kan ik ook. Zo ontstond bijvoorbeeld “Cry, baby, cry”. Lennon parodieerde dus eigenlijk Dylan, maar dan zo dat het niet in de gaten liep, want Dylan beweerde Lennons teksten te bewonderen. Als je dat zo hoort, Scott, denk je dan niet: de boodschap van “Hurly Burly” was nep... kinnesinne onder verveelde popmiljonairs?’
  ‘Wat Mr Lennon verder nog met zo’n tekst wil, verandert niets aan de opdracht die Charlie erin beluistert. Jij hebt het almaar over Shakespeare, Little Remo. Straks zal nog blijken dat Johannes zijn Openbaringen niet zelf geschreven heeft. Moet ik dan voetstoots aannemen dat de Put des Afgronds niet bestaat?’
  ‘Een hurly-burly is behalve een apocrief Beatlesnummer ook een Engelse kermisattractie.’
  ‘Zo goed ken ik de cultuur van het frivole Albion niet.’
  ‘Het is cakewalk en helter-skelter ineen. Had je dat geweten, Scott, zou je die wereldomspannende rassenoorlog van je dan ook Hurly Burly hebben gedoopt?’


  25

Een eenvoudig soepbord met, haaks als bestek neergelegd, een schoenlepel, een paletmes en een stemvork eromheen – ziedaar het mogelijke openingsbeeld van een film, dat hem niet losliet. Op het witte porselein zag hij onophoudelijk de schreefloze letters van de begintitels geprojecteerd, in zwart omlijnd rood.
  Op cel, oog in oog met zijn storyboard vol tandenstokers, dacht Remo na over hoe het verder moest met zijn vak. Vier jaar geleden alweer dat hij zijn filmische equivalent van een Griekse tragedie had afgeleverd. Op die weg verdergaan, maar dan compromislozer – nee, hij moest de absolute compromisloosheid zien te bereiken. Niet door voorbereidende snoepreisjes naar verre Polynesische eilanden. Om te beginnen zou hij zich ontdoen van de komische dinosaurustweeling uit Cinecittà. Geen risicoloze doorsneefilms meer. Ze leidden maar tot oppervlakkige vriendschappen, en tot valse gevoelens van macht en invloed, die hem in gevaarlijke situaties konden brengen als die met Wendy Zillgitt. Eerst de omslachtige en tijdrovende verovering, dan de slepende en kostbare juridische kwestie, en tenslotte het onvruchtbare geknies achter tralies, met het gevaar dat alle nog onontgonnen talent in bloed verdronk. De publieke vernedering ervoer hij niet langer als een schande, eerder als een goede gelegenheid om zijn uitzonderingspositie te verduurzamen.



Het Schervengericht
titlepage.xhtml
Het_schervengericht_split_000.html
Het_schervengericht_split_001.html
Het_schervengericht_split_002.html
Het_schervengericht_split_003.html
Het_schervengericht_split_004.html
Het_schervengericht_split_005.html
Het_schervengericht_split_006.html
Het_schervengericht_split_007.html
Het_schervengericht_split_008.html
Het_schervengericht_split_009.html
Het_schervengericht_split_010.html
Het_schervengericht_split_011.html
Het_schervengericht_split_012.html
Het_schervengericht_split_013.html
Het_schervengericht_split_014.html
Het_schervengericht_split_015.html
Het_schervengericht_split_016.html
Het_schervengericht_split_017.html
Het_schervengericht_split_018.html
Het_schervengericht_split_019.html
Het_schervengericht_split_020.html
Het_schervengericht_split_021.html
Het_schervengericht_split_022.html
Het_schervengericht_split_023.html
Het_schervengericht_split_024.html
Het_schervengericht_split_025.html
Het_schervengericht_split_026.html
Het_schervengericht_split_027.html
Het_schervengericht_split_028.html
Het_schervengericht_split_029.html
Het_schervengericht_split_030.html
Het_schervengericht_split_031.html
Het_schervengericht_split_032.html
Het_schervengericht_split_033.html
Het_schervengericht_split_034.html
Het_schervengericht_split_035.html
Het_schervengericht_split_036.html
Het_schervengericht_split_037.html
Het_schervengericht_split_038.html
Het_schervengericht_split_039.html
Het_schervengericht_split_040.html
Het_schervengericht_split_041.html
Het_schervengericht_split_042.html
Het_schervengericht_split_043.html
Het_schervengericht_split_044.html
Het_schervengericht_split_045.html
Het_schervengericht_split_046.html
Het_schervengericht_split_047.html
Het_schervengericht_split_048.html
Het_schervengericht_split_049.html
Het_schervengericht_split_050.html
Het_schervengericht_split_051.html
Het_schervengericht_split_052.html
Het_schervengericht_split_053.html
Het_schervengericht_split_054.html
Het_schervengericht_split_055.html
Het_schervengericht_split_056.html
Het_schervengericht_split_057.html
Het_schervengericht_split_058.html
Het_schervengericht_split_059.html