Zaterdag 7 januari
1978
De defecte tuinsproeier
1
Ergens in de loop van de vrijdagavond of nacht had de methode-Charrière het laten afweten, en was hij in een droomloze slaap geraakt. Zijn horloge was hem door De Griek afgenomen, dus hij wist niet hoe laat het was bij het wakker worden. De deken lag niet langer over zijn gezicht. Misschien had de lamp, die de hele nacht was blijven branden, hem gewekt. Het moest erg vroeg zijn: het ontbijt was nog niet gebracht.
Remo probeerde opnieuw zijn eigen tuin binnen te dringen. Hij legde de wollen punt over mond en neus, en zorgde ervoor zo zuinig mogelijk te ademen. Het lukte hem eerst niet de geluksvisioenen op te roepen waar hij zo’n behoefte aan had. Met de geen die de paardendeken prijsgaf, was niets mis. In Los Angeles was, in de gedaante van bomen en planten en bloemen, de hele wereld vertegenwoordigd. Het gold ook voor de tuin die Sharon en hij bij het huis hadden aangetroffen, en die ze secuur lieten onderhouden door twee hoveniers. De bitterzoete lucht van het gemaaide gazon werd almaar sterker: er moest vlakbij een hoop bijeengeharkt gras liggen. Alleen als hij zich binnen de hagen en schuttingen waagde, schrikte de tuin hem af.
Niet ver van de voordeur lag zijn jeugdvriend Voytek op het grasveld. De dauw liet zien dat het die nacht, na een dagen durende hittegolf, sterk was afgekoeld.Teks gezicht ging schuil achter een dik masker van gestold bloed, maar Remo zag toch wel dat hij het was. Hij lag op zijn zij, met het hoofd op zijn rechterbovenarm – een ontspannen pose, als de in het gras klauwende linkerhand niet een ander verhaal had verteld. Zijn kleren waren doordrenkt van bijna opgedroogd bloed.
Bij een volgende poging tot de tuin door te dringen, in de hoop er de oude idylle aan te treffen, was aan Voyteks roerloze toestand niets veranderd. Verderop lag, bij het rooster van een in het gras verzonken afvoerput, Voyteks geliefde Gibby ruggelings op het gazon, al even bewegingloos. Ze lag precies middenin een plas zonlicht tussen de schaduwen van de bomen. Ze had voor een vroege zonnebaadster kunnen doorgaan, als haar nachtpon niet uitbundig rood gebloemd was geweest.
Zichzelf het huis binnen denken wilde hij toen al niet meer. Hij vluchtte ervan weg, maar nam in zijn ooghoeken nog de letters mee die in bloed op de witte voordeur geschreven waren. Op dat moment werd er geklopt. ‘Woodehouse... ontbijt.’ In de deur werd een luikje neergeklapt, en daarop werd een in plastic verpakt ontbijt neergezet.
2
‘Olle Tornij Esq.
Ballinckstraat 10
Amsterdam
The Netherlands
Betreft: Prins Tibbolt aux petits pieds
Sgt Spiros Agraphiotis
Rim-of-the-World Motel
333 Arrowhead Springs Rd.
San Bernardino
California 90909 USA
Zaterdag 7 januari 1978
Geachte Tornij, beste Olle,
hier in Amerika noemt iedereen elkaar na eerste kennismaking bij de voornaam. Wij zouden de knoop ook eens moeten doorhakken, jij en ik: tutoyeren of niet. Het is raar voor de kleine Tibbolt ook, dat onderlinge gestuntel met “je” en “u” van de twee heren die zich in het weekend over hem ontfermen. De postcodes van de Straffenbuurt (ik had bijna Exilstraat als adres geschreven) ken ik nog steeds niet vanbuiten. Voor jou iets met 1000, 1071 misschien, maar dan houdt het op. De brief komt toch wel aan. Anders dan de Nederlandse overheid ons wil doen geloven, is het gebruik van de code nog lang niet verplicht. Toen ik voor mijn vertrek in het postkantoor aan de Galeilaan guldens tegen dollars ging wisselen, vertelde de dame aan het loket me dat “het sorteren op postcode nog in een experimenteel stadium” verkeerde – mimend achter het glas, want ze durfde dit staatsgeheim niet hardop uit te spreken.
In mijn vorige brief, Olle, schreef ik je over mijn tijdelijke betrekking als gevangenbewaarder. Om mijn verblijf in Californië te bekostigen wilde ik het werk wel voor een week of wat doen, om dan nog binnen de proeftijd afscheid te nemen met, bijvoorbeeld, het excuus dat de job te zwaar voor me was. Ik voel me nu gedwongen om er een paar weken aan vast te knopen, en hoop daarmee nog altijd binnen de twee maanden inwerktijd te blijven, anders krijg ik een probleem met de gevangenisdirectie. Het ergst van alles is het gemis van onze kleine Tib. (Ik ga hem dit weekend nog bellen.) Zijn moeder vertelde me aan de telefoon dat hij volgend weekend alweer bij opa gaat logeren. Mag ik, als Tibbi’s voogd, de grootvader op het hart drukken het jongetje geen moment uit het oog te verliezen? Ik zal niet in detail ik maak in Choreo van nabij mee wat voor afgrondelijk leed het verlies van een kind kan aanrichten. Bij eerdere logeerpartijtjes van de Prins waren we allebei thuis. Twee paar volwassen ogen om hem in de gaten te houden, en zeg eerlijk, Olle, dat bleek geen overbodige luxe. Als ik mezelf een slapeloze nacht wil bezorgen, tel ik in plaats van schaapjes de messen uit jouw keuken. Het houtwerk onder jouw aanrecht is zo verruimd geraakt dat een half uitgetrokken la al schuin naar beneden hangt: de broodzaag glijdt zo in Tibbi’s handje. Laat er een slot op zetten. In een hoger kastje opbergen heeft geen zin, want onze koene Prins, ook al is hij geen klimbok, stapelt desnoods twee stoelen...’
Ooit dicteerde ik brieven aan mijn eigen personeel. Sinds ik ze zelf moest schrijven, vochten uitstel, afstel en onderbreking om de voorrang. Olle Tornij als geadresseerde allang weer beu spitste ik gretig mijn oren naar wat me uit de epistolaire concentratie kon hebben gehaald. In het doodlopende gedeelte van de gang, waar meteen om de hoek van mijn kamerdeur de ijsautomaat stond, hing nog het gerommel van de kleine, door de machine uitgespuwde lawine. Eerder die ochtend al had ik opnieuw aan mijn brief moeten beginnen, nadat een motelgast met de inworp van twee dollarkwartjes een kartonnen beker ijsblokjes had afgetapt. De onbekende stoorde me dubbel, nu de leemte door het vriesmechanisme werd aangevuld. Amerikanen en hun manie om overal ijs in te mieteren... Straks aan de eigenaar van het Rim-of-the-World een andere kamer vragen, zover mogelijk bij de lawineautomaat vandaan.
Ik had toch al de pest in. Vrijdagavond was ik, als zoveel loonslaven, tegen etenstijd uit de bus gestapt om thuis te komen met het vooruitzicht van een verplicht vrij weekend. Sinds mijn aantreden in Choreo had ik het erop aangelegd zo min mogelijk vrijaf te hebben. De schoonmakers niet uit het oog verliezen, daar ging het om. Ik was altijd bereid in te vallen voor collega’s met griep of snipperdag, en daar werd dankbaar gebruik van gemaakt. Met uitzendkrachten nam de directie het niet zo nauw: als die overspannen raakten van treiterende gevangenen, nou, dan kwamen ze er wel weer bovenop in een volgende werkkring.
De dag tevoren, nadat Maddox en Woodehouse in afzondering waren geplaatst, had Carhartt me op het matje geroepen. De chef had het dienstrooster van de EBA voor zich liggen. ‘Spiros, ik zie dat jij sinds begin december geen dag vrij bent geweest.’
‘Goed kijken, Ernie. Met kerst.’
‘Ja, en verder alle dagen in touw. Dag en nachtdiensten door elkaar. Wat moet je met die mep geld bovenop je loon, als je geen tijd hebt het te laten rock-’n-rollen?’
Hoewel ik Burdette al beloofd had zijn zaterdagdienst over te nemen, verdoemde Carhartt mij tot een lang weekend motel Rim-of-the-World – net nu het er in Choreo om begon te spannen. Mijn schoonmakers zaten los van elkaar in isoleer, dat was waar, en konden elkaar zo twee, drie etmalen lang niet vergiftigen: met Pink Starfish niet en niet met pekzwarte woorden. Toch gaf het verlaten van het toneel mij een ongerust gevoel. Alleen maar dadeloos op wacht te staan, afwisselend bij de ene celdeur en de andere – ik had er de extra inkomsten van al mijn overuren voor willen neertellen. Een meevaller: het weekend zou niet tot maandagmorgen duren. Zondagavond laat mocht ik aantreden voor de Choreaanse nacht.
De ijsmachine op de gang zoemde nu alleen nog, maar omdat het ding tegen de achterkant van een kamermuur stond, trilde boven mijn bed het glas van een ingelijste prent mee. Wat had ik mijn Amsterdamse huisbaas verder nog willen schrijven? De Straffenbuurt van Zuid... het was een spel tussen ons. Het begon ooit met de straat waar BOEKHANDEL OLLE TORNIJ gevestigd was: de Ballinckstraat, genoemd naar een vergeten Nederlandse componist uit de zeventiende eeuw. ‘Hij had zijn naam niet mee,’ zei Olle toen voor het appartement boven de winkel kwam halen. In onze gesprekken werd Ballinck Exil, en toen moest de hele wijk eraan geloven. De ene na de andere straat kreeg een strafnaam. Kielhaal. Vierendeel. Guillotine. De kleine Tibbolt, die nog lezen moest leren, wist al niet beter meer of zijn grootvader en suikeroom woonden in de ‘Eskielhaalstraat’.
Ik deed mijn ogen dicht, en zag de kleine jongen met tastende stappen door de Exilstraat lopen, een tamelijk onbeduidende dwarssleuf in het Oud-Zuid van Amsterdam. Omdat Tibbi zo’n onzekere gang had, met scherp geknakte knietjes, werd er in de buurt gefluisterd dat hij rachitisbeentjes had. Met mij in hun midden was het de omwonenden geraden het vermoeden van Engelse ziekte niet hardop uit te spreken.
Behalve woonhuizen en kantoren telde de Exil een garage (GER’S GAR), een winkel (die van Tornij) en een restaurant (BESSEN-APPEL, op de hoek met de Procrustesstraat). Dwars door alle drukke hoofdstraten heen bewaarde de Exil de hele week lang een oude, korrelige zondagsrust. ‘Een kit voor vegetariërs,’ had de boekhandelaar bij de opening van BESSEN-APPEL met een vies gezicht uitgeroepen. ‘Het haalt de hele buurt naar beneden.’
‘Van bewakers wordt de post niet gecensureerd, maar een paar dingen die me hier zijn overkomen, Olle, kan ik je niet zomaar schrijven. Als ik terug ben, op z’n laatst eind januari, neem ik je mee naar het restaurant op de hoek, en dan vertel ik je het hele verhaal. Nee, het is niet vegetarisch. In plaats van er met boos afgewend gezicht langs te lopen zou je eens omhoog moeten kijken, naar het uithangbord, dan zie je onder de naam “non-alc” staan. We drinken thuis twee glazen van jouw favoriete port, en gaan dan een paar deuren verder een waaier van pornografisch roze lelletjes entrecôte verorberen, met een frambozenmilkshake erbij. Op mijn afdeling in Choreo zit trouwens een wereldberoemde vegetariër – veganist eigenlijk, al snoept hij als een wasbeertje van de honing. Ook die geschiedenis hou je tegoed tot in BESSEN-APPEL.’
3
De twee poetsers. Ik was er zo aan gewend ze, heftig pratend, om elkaar heen te zien draaien dat het me moeite kostte om ze me van elkaar afgezonderd, in een isoleercel voor te stellen. Opeens besefte ik dat de twee nu dichter bij elkaar waren dan ooit in de afgelopen drie weken, symbiotisch verbonden door de wederzijdse herkenning – een wetenschap die ze met niemand deelden (behalve met mij) en die ze, uit zelfbehoud, ook met niemand konden delen (ik hield mijn mond). Ik zag ze allebei op hun brits zitten, ieder met z’n eigen masker in de hand – nee, het masker van de ander.
Van de weeromstuit nam ikzelf op de rand van mijn bed plaats. Ik trok de telefoon naar me toe, en draaide een 2 voor de receptie, waar het meisje me een buitenlijn gaf. ‘Carroll? Agraphiotis. De EBA graag. Mr Burdette.’
‘Foei, Spiros,’ zei de telefoniste. ‘In je vrije weekend. Ogenblik.’
‘Alan? Sorry dat Carhartt me niet voor je wilde laten invallen. Hoe maken mijn schoonmakers het zonder stoffer en blik?’
‘Geen peil op te trekken. Maddox is het gekooide dier. Hij gromt en piept, en draait steeds hetzelfde rondje. Net of hij verschrikkelijke pijnen lijdt. Woodehouse ligt al sinds gisteravond op zijn naakte brits, met de deken over zijn hoofd. Als dood. Je moet heel goed kijken, en heel lang, om hem te zien ademen. Heel verschillende reacties dus.’
‘Doe me een plezier, Al, en ga wat vaker dan voorgeschreven bij onze vriend Woodehouse kijken. Ik vertrouw het niet helemaal. Bij Maddox is het verband losgetrokken, en dat zal wel zeer doen, ja. Woodehouse heeft een plens giftig zeepsop binnengekregen, genoeg voor de doe-het-zelfmiskramen van een half meisjesinternaat. Ik voel me antwoordelijk. Misschien had zijn maag leeggepompt moeten worden... ik weet het niet.’
‘Geen nood, Spiros,’ zei Burdette. ‘Ik zal zo eens zien of hij wakker te krijgen is.’
‘Zeg hem de deken terug te slaan, zodat zijn gezicht vrijkomt.’
4
Nadat Remo alles tot het laatste korstje had opgegeten en weer op zijn brits was gaan liggen, werd de methode-Charrière vaardig over hem. Hij kon nu vrijelijk rondlopen door het huis, en alles was zoals het hoorde te zijn. De soberheid van wit gestucte muren en witte plafonds gestut door witte balken. Hij maakte er een spel van tijdens zijn rondgang geen meubelstuk over te slaan. De sofa met de vlag over de rugleuning. Hij rook in het voorbijgaan de bestorven lucht van de open haard, die lang niet aan was geweest. Voytek had een varkenskop in het vuur gezien.
De piano. Remo deed de klep open, en sloeg een paar akkoorden in. Het instrument moest nodig gestemd. Voytek had er te woest Poolse liederen op gespeeld. Op een keer was er vuur van zijn sigaret op een toets gevallen. De stank van smeulend ivoor was oneindig veel verschrikkelijker dan die van brandend haar. Hij zou de pianostemmer vragen de toets te vernieuwen.
Verder lopend bracht hij de schommelstoel aan het wiegelen. Ooit moest hij hebben gekraakt onder het gewicht van Sharons zwangerschap, als zij er zelfgenoegzaam glimlachend in zat te schommelen, in draadloos gesprek met haar baby.
‘Durf ik al?’ Haar stem, bij het zwembad. Remo liep via de slaapkamer en de openslaande deuren de tegelplaats op. Zij stond in bikini op de zwembadrand, klaar om te duiken. De lichtspiegeling van het water danste over haar bleke huid, want het voorjaar was nog jong en zij had nog niet de kans gekregen bij te bruinen. ‘Je durft.’ Zijn antwoord kwam te laat. Zij helde al voorover. Met een hoge lachkreet raakte zij te water – iets tussen duiken en vallen in.
‘Waar is Paul?’ vroeg hij, toen haar hoofd weer boven kwam.
‘Niet lachen.’ Zij kneep water uit haar neus. ‘Hij is de tuinsproeier aan het repareren.’
Remo vond zijn zoon van acht in de tuin aan de voorkant, waar hij met een doodernstig gezichtje over een kapot sproeiwerktuig gebogen zat, dat al jaren geleden afgedankt en vervangen was. Gereedschappen uit de garage lagen om hem heen in het gras. Hij had de tuinslang van de nieuwe sproeier losgekoppeld en op de oude aangesloten. ‘Pap, draai de kraan even open, wil je?’
Remo gaf een flinke zwengel aan de kraan die uit de buitenmuur stak. ‘Meer,’ riep Paul. ‘Harder.’
Door de plotselinge kracht van het water verhieven de kronkels in de slang zich hier en daar van de grasmat. Het perste zich door alle gaatjes van de sproeier tegelijk – recht in Paul z’n gezicht.
‘Ik heb niets gezien,’ zei Remo, en ging het huis weer binnen. Voordat hij de voordeur achter zich sloot, draaide hij zich nog een keer om naar zijn zoon. Iets in de struiken had de aandacht van de jongen getrokken. Hij veegde met de mouw van zijn trui het water uit zijn gezicht, en kroop op zijn knieën het struweel in. Remo liet de deur in het slot vallen. In de studeerkamer zette hij zich aan de correctie van het scenario.
‘Pap, kun je met een nine shot ook Russische roulette spelen?’
Omdat de deur van de studio open was blijven staan, had hij zijn zoon niet horen binnenkomen. ‘Ja, schat,’ zei hij, zonder van zijn werk op te kijken. ‘Alleen leert de kansrekening ons dat we dan betere overlevingskansen hebben.’
‘Met deze blijf je altijd leven, pap. Hij is kapot.’
Remo keek over zijn leesbril naar Paul, die op de drempel stond. God, wat was hij mooi. Het honingblonde haar had hij van zijn moeder. Het was nu dat hij veel groter zou worden dan zijn vader, van wie hij toch maar mooi de neus geërfd had. De jongen hield een revolver omhoog bij de extreem lange loop. Het ding was roestig, en er klonterde aarde rond de trekker, in de half afgebroken beugel. ‘Paul, geef onmiddellijk hier. Je moeder vermoordt me.’
Hij droeg het wapen voorzichtig naar het bureau van zijn vader. Het magazijn hing open. ‘Niet doen, pap,’ zei de jongen, toen Remo de revolver bij de kolf aan wilde pakken. ‘Daar zitten de vingerafdrukken.’
‘Onverbeterlijke wijsneus, jij.’ Hij spreidde een zakdoek over zijn handpalm uit, en Paul legde er het wapen op.
‘De kolf is ook stuk,’ zei Paul. ‘Kijk maar, het hout is er aan deze kant af.’
Met een punt van de zakdoek probeerde Remo het loshangende magazijn op z’n plaats te duwen, maar het lukte niet. Op die ene na, waar nog een patroon in stak, waren de kamers gevuld met aarde. Een worm kronkelde zich naar buiten. ‘Hij lijkt ontwricht.’
‘Uit het lood, zal je bedoelen. Er is er eentje mee op zijn kop geslagen. Kijk, pap, hier onder de kolf... dat lijkt misschien teer, maar volgens mij is het bloed. Er zitten ook haren, kijk maar.’
‘Is het ding als slagwapen gebruikt, dan zaten er ook vingerafdrukken op de loop. Die heb je dan mooi verpest, wijsneus.’
‘Stom.’
Remo bekeek de revolver van alle kanten. ‘Zo’n krankzinnig lange loop heb ik nooit eerder gezien.’
‘Op de film toch wel?’
‘Bij westerns val ik in slaap.’
‘Het is een Hi Standard nine shot Longhorn .22 Buntline Special, pap.’ De jongen had de lange naam zonder haperen uitgesproken. Hij was er helemaal van buiten adem.
‘Nog zo’n vondst, en je loopt blauw aan. Hoe kom jij aan die gevaarlijke kennis?’
‘Achter je op de plank... al die boeken van Gun Magazine. Als er plaatjes bij staan, kan ik het beter onthouden. Wat nu, pap?’
Remo draaide aan het magazijn, dat na een centimeter alweer knarsend vastliep. De worm groef zich een andere kamer binnen. ‘Geen Russische roulette, Paul, want dat wordt niks. Weet je wat?’ Hij trok de telefoon naar zich toe. ‘We bellen de politie in Van Nuys. Ze hebben daar een enorm wapendepot, en een archief van gezochte en gevonden vuurwapens. Als ik beet heb, geef ik de hoorn aan jou, en dan mag jij de merknaam van dit monster nog eens helemaal uitspreken.’
‘Ik ben zo bang, pap, dat ze me gaan arresteren... door die vingerafdrukken.’
‘Ik zal ervoor zorgen dat je op borgtocht vrijkomt.’
5
Tien maanden terug zat ik op een gure avond in maart na het eten koffie te drinken met mijn huisbaas. De televisie stond aan op het journaal van acht uur, maar terwijl ik de zwarte nectar uit Tornijs percolator heet indronk, waren mijn gedachten ver van de actualiteit. ‘Op borgtocht vrij,’ zei Olle plotseling smalend, speculaas knersend tussen zijn kiezen. ‘Moeders, houd uw dochters binnen.’
Ik zat al op het randje van mijn fauteuil. Beelden van de regisseur na de borgstelling, bij aankomst voor zijn luxehotel, het bleke gezicht vaag zichtbaar achter het portierraam van een auto, die opeens hard achteruitreed, gierend keerde, en in de lichtdoorspikkelde nacht verdween. ‘Zo is de pers je grootste vriend,’ zei Olle, ‘zo je ergste vijand.’
‘Ik snap het niet... na alles wat die man heeft doorgemaakt. De media waren trouwens nooit op zijn hand.’
Archiefmateriaal van de jonge regisseur in triomf lachend op het filmfestival van Cannes (kortgeknipt), wanhopig kijkend over het spreekgestoelte bij een persconferentie (langharig, bakkebaarden) en ant grijnzend aan de zijde van een piepjonge actrice (de wangen al wat pafferiger). ‘Gek van verdriet nog steeds, allicht,’ zei Olle. ‘Een excuus is het niet. Laat hij zijn leed sublimeren in een stuk of wat meesterwerken.’
De boekhandelaar zwoer bij Freud. Niet voor niets zat hij in een commissie die de vertaling van het verzameld werk coördineerde. Er was al een half dozijn vertalers van naam en faam te licht bevonden. ‘De promotie van slachtoffer tot misdadiger, Olle, zie dat maar eens artistiek te verwerken.’
‘De honden zijn stil. Tornij brak nog een stukje speculaas tussen zijn tanden af. ‘De tragedie trekt verder in de nacht.’
Behalve aan gekruide koekjes was hij verslingerd aan varianten op het Arabische spreekwoord: ‘De honden blaffen, de karavaan trekt verder.’ Zoals: ‘De schapen mekkeren...’ of: ‘De wolven in schaapskleren blaffen (c.q. blaten)...’ En de mooiste om de tegenstander op maat te knippen: ‘De lammeren in wolfskleren blaten, de karavaan...’ De tragedie trekt verder in de nacht. De goede Olle had geen idee wat die uitspraak met mij deed. Ik werd er rusteloos van, dat om te beginnen.
Aan de rand van de Straffenbuurt lag, naast het Concertgebouw, café Keyzer, dat een welvoorziene leestafel had. Daar vlooide ik in ’t vervolg de kranten uit op nieuws over de Californische zedenzaak. Nadere details fonkelden me uit de tijdschriften tegemoet. De hele juridische koehandel. Door de kern van het ten laste gelegde te bekennen zou de regisseur een proces kunnen afwenden, en mogelijk alleen een voorwaardelijke straf opgelegd krijgen. Hij gaf het belangrijkste punt van de aanklacht toe, de rest werd ongegrond verklaard – en toen dreigde alsnog een detentie van drie maanden, om achter tralies de hersenpers van de psychiatrie z’n werk te laten doen. Meer borgtocht op tafel.
Ik las het allemaal met droge keel, zo in beslag genomen dat ik vergat Gerrit-met-de-moeie-voeten te wenken voor een van zijn slappe koffies. Natuurlijk werd ook, pijnlijk voor mij (maar niemand die me erop aansprak), de zaak van zeven, acht jaar eerder weer opgerakeld in woord en beeld. Compleet met foto’s van zijn vrouw en van de illegale verloskundigen. De toon was doorgaans bestraffend: hoe kon iemand met zo’n zwart verleden zelf zo’n misstap begaan? Een Nederlandse journalist met dichterlijke neigingen schreef letterlijk: ‘Hoe kon hij zo de mist ingaan, anders dan om zijn echtgenote te zoeken?’ Ik sloot niet uit dat hij zich inderdaad zo roekeloos in die stoomnevel had begeven, om er zijn verloren geliefde terug te vinden.
Een weekblad plaatste een foto van haar die, hoe mooi ze er ook op stond, nooit door de promotieafdeling van haar agentschap goedgekeurd kon zijn. Het achter de oren tot een paardenstaart bijeen gekamde haar omlijstte een voller gezicht dan gewoonlijk. Opeens vond ik het woord: moederlijk. De foto moest genomen zijn in de latere maanden van haar zwangerschap. De wijde hals van de sweater verried een comfortabel slobbergeval onder de afsnede van de foto. Ooit was dat de aardse werkelijkheid geweest: een weerbarstige lok, extra blond in het tegenlicht, die naar de tere oorschelp terugsprong. De zekerheid van haar dood maakte er een obsceen portret van.
6
De hele lente, zomer en herfst van ’77 bleef ik de ontwikkelingen rond de onfortuinlijke regisseur volgen. Niet alleen de juridische. Hangende de rechterlijke uitspraak vloog hij de wereld over om zijn films voor te bereiden. Hij keurde scripts, locaties, actrices. Door uitstel op uitstel van het psychiatrisch onderzoek leek de zaak zelf uit het nieuws te verdwijnen. Tot aan het begin, eind september, van de Münchense oktoberfeesten.
Mens, god of ezel – het valt elk wezen zwaar een mislukking definitief toe te geven. We vergeten het debacle een poos, en hopen dat het zich, terwijl andere zaken onze aandacht opesnog ten goede keert. Tijdens slapeloze nachten, in het lantaarndonker van de Exilstraat op mijn rug liggend, liet ik alle aspecten van mijn ontspoorde transatlantische onderneming aan mijn oog voorbijtrekken, om eindelijk eens terdege te reconstrueren wat er destijds mis was gegaan. Ik bestudeerde de gang en de stand van zaken van alle kanten: of er achteraf misschien nog iets aan te repareren viel. Voorlopig kwam ik niet verder dan het vroegochtendlijke telefoontje aan een Berlijnse collega uit de tijd dat ikzelf nog fotografeerde. Hij had het soppende moeras van de porno verlaten, en kluste nu als freelancer voor de internationale persbureaus: oorlogen, kettingbotsingen, adellijk overspel. Hij kwam net, zo vroeg al of zo laat nog, uit zijn Dunkelkammer.
‘...in München, ja. Het is een tip, Detlev. Vraag niet waar ik het vandaan heb. Vanavond, of eind van de middag al, bij Das Schmeichelkätzchen. Later op het terras van Die Zwei Hosenträger.’
‘En dan zeggen dat het voor UPI is? Daar trapt hij niet in.’
‘Toen jij nog natneuzige poezen kiekte, Lev, heb je toch wel eens gejokt over de aard van je motieven, niet?’
‘Een fotoboek met de titel Metaphysik der Fotze, dat vond ik wel een goeie.’
‘Die had ik bedacht. Dank je. Het was trouwens Phänomenologie der Fotze. Nou, Lev, dan kun je toch zeker voor United Press International wel een of ander Münchens buurtsufferdje in de plaats bedenken... Wat was dat voor klap?’
‘Die mug uit de doka... hij is me gevolgd.’
‘Goed, dan heet de wijkkrant Der Mückenstich.’
‘Binnen het uur sta ik op Bahnhof Zoo.’
‘Ik laat het verder aan jou.’
‘Thanks for the Geheimtipp.’
Als rechter Ritterbach bij het zien van de foto in de Santa Monica Herald zijn hamer bij de hand had gehad, was het ding aan splinters gegaan. De knokkels van zijn vuist hadden het maagdelijke wit van aanstaande wraak. Om te beginnen ontbood hij de regisseur, die nog wat in Londen draalde, naar Los Angeles. Er werden hem een reclasseringsambtenaar en twee psychiaters toegewezen. Hij onderging een ongewoon zwaar onderzoek, als ik de bladen mocht geloven. De rechter, die zich als een bloedhond in de cineast had vastgebeten, bevond de conclusies te positief, en stuurde zijn al danig gehavende prooi naar de gevangenis voor meer psychiatrie en een sluitender rapport.
Mijn vriend Detlev, intussen, zag op zijn bankrekening in twintig verschillende valuta de honoraria binnenstromen voor zijn tripelportret van de filmmaker met Gretl en Nannerl: die namen had de fotograaf zelf bedacht, compleet met ver naar beneden bijgestelde leeftijden. Zelf werd ik er niet wijzer van, in mijn portemonnee niet en al helemaal niet in mijn geplaagde brein, dat toch al ernstig aan het twijfelen was gebracht over z’n eigen voorzeggende capaciteiten. Ik moest nog maar zien, straks, of ik me met de kleine Tibbolt niet had misrekend. Een onttroonde haruspex, zo zag ik mezelf in die dagen.
Er was een menselijke fakkel voor nodig om me mijn zelfvertrouwen terug te geven.
7
In de loop van zaterdag verdween, ergens tussen lunch en avondeten, de claustrofobie. Het was of de muren tot stilstand kwamen uit ontzag voor de smartelijke visioenen die de methode-Charrière in de cel had gebracht. Ook nu hij vrijer ademde, lukte het Remo nog steeds om met een vochtig warme dekenslip over zijn gezicht gebeurtenissen uit een ver verleden op te roepen, tot in de kleinste details. Zoals die lange zaterdag in het najaar van 1968. Ze woonden toen nog niet aan de Cielo Drive, maar waren gelukkig als onderhuurders in het huis van een afwezige vriendin.
‘Een godsgeschenk, Sharon. Midden november, en nogIndian summer. In het weekend eropuit.’
‘Paardrijden in Chatsworth Park... in de Simi Hills. Altijd al gewild.’
‘Liefdesherinneringen zeker.’
‘Al die westerns zijn daar opgenomen.’
‘Hoe komen we aan paarden?’
‘Iemand heeft me ooit het adres gegeven van een spookstadje... een oude filmset.’ Ze rommelde in een la van haar commode. ‘Hier. Spahn’s Movie Ranch. Santa Susana Pass Road. Eigenaar George Spahn. Vragen in Longhorn Saloon naar Ruby Pearl of Juan Flynn. Ze verhuren daar paarden.’
‘En de auto?’
‘Ook in spookstadjes kun je blijkbaar bewaakt parkeren.’
‘Zaterdag, liefste, spelen wij in de Simi Hills Tom Mix na.’
Als je timmerlui een stadje liet bouwen, bedoeld om op het witte doek de illusie van een solide eenheid te bieden, en dat hele decor raakte ook nog eens door de tijd in verval, ja, dan kreeg je zoiets als Spahn’s Movie Ranch. Aan de enige straat stonden de gebouwen, waarvan het verveloze hout door weer en wind was uitgeloogd, erbij alsof ze alleen elkaar nog overeind hielden. Erachter klom een half begroeide rotsheuvel de hoogte in. Voordat het stadje verrees, moesten er al rotsblokken op het terrein rondgezworven hebben: ze waren voor de veranda’s op een rij gelegd. Ze zouden de bebouwing eeuwen overleven, en tot in lengte van dagen de rooilijn van de verdwenen straat blijven vormen.
Remo parkeerde zijn Lamborghini voor een houten gebouw dat volgens een bord boven de veranda de LONGHORN SALOON was. In het donker achter de gesloten luiken zaten zeven of acht meisjes in een kring op de vloer van aangestampte grond. Twee hadden er een baby aan de borst. ‘Juan heeft vandaag geen dienst,’ zei er een onwillig. ‘Ruby is vaak hiernaast.’
Sharon had daar een bord gezien met ROCK CITY CAFE.
‘Nee,’ zei een ander lijzig, ‘aan de andere kant. Probeer anders George, in de caravan.’
Ze stonden weer buiten. In een grote, ovale corral, die zich tot aan de weg uitstrekte, sleepten enkele middelbare paarden vermoeid hun langgerekte schaduw met zich mee. Ze vonden Ruby Pearl ook niet in de UNDERTAKING PARLOR, dus vroegen ze twee meisjes in voddige jurken naar de caravan van de eigenaar.
‘Bij het Rock City Café de hoek om. De caravan is een museumstuk uit 1943. Kan niet missen.’ Een van de meisjes had haar baby in een soort meelzak voor haar buik hangen.
‘Ik weet het weer,’ zei Remo, terwijl ze op de caravan af liepen. ‘Hier is een deel van The Outlaw opgenomen, door Howard Hughes.’
De caravan was van het type fritestent-langs-de Franse-binnenweg. Er kwam juist een roodharig meisje in morsige jeans naar buiten. Vanachter het vliegengordijn klonk een oude, gebarsten stem. ‘Als je sproeten in braille had, Lynette, dan kon ik ze tellen.’
‘George, mensen voor je,’ riep ze met een hoog, zangerig stemmetje in de richting van de gekleurde repen plastic. En tot Remo en Sharon: ‘Ga maar naar binnen. Hij is eraan gewend dat iedereen in- en uitloopt.’
In de caravan troffen ze een oude man met net zo’n zwarte bril op als Ray Charles droeg, zo een die geen inkijk aan de zijkanten duldde. Hij zat op een visserskruk, met zijn handen gevouwen over de knop van een stok. Onder een duur grijs kostuum een kraakhelder wit overhemd, zonder das maar met een elegant gestrikt zwartzijden koord. ‘Met wie heb ik de eer?’ Hij tastte naast zich, tot hij op de bedbank een lichtgrijze stetson vond, en zette die op zijn gebeeldhouwde kop.
‘Wij zijn op zoek naar Ruby Pearl,’ zei Remo, ‘voor twee paarden.’
‘Dan treft u het niet. Rubyggelopen paard zoeken, en jullie filmlui kunnen nooit zelf zadelen.’
‘Ik wel,’ zei Sharon. ‘Ik had als kind mijn eigen paard.’
‘Goed, dan wachten we op Lynette. Zij zal u twee prachtexemplaren wijzen.’
‘Er lopen hier nogal wat jonge vrouwen rond,’ zei Remo. ‘Met baby’s ook.’
‘Die meisjes zijn een zegen voor de oude George. Ze zijn mijn ogen. Vooral Squeaky. Zo noem ik Lynette, omdat ze praat zoals een vogel zingt. Zij is meer dan het licht in mijn duisternis.’
‘Houden ze dit al lang vol?’ vroeg Sharon. ‘Ik bedoel, met die baby’s. De bewoonde wereld is niet direct naast de deur.’
‘Van de zomer waren ze er opeens. In augustus. Ik hoorde een bus voorrijden. Er stapte een jongeman uit, en die vroeg of hij met wat vrienden hier een paar nachten mocht kamperen. Als tegenprestatie boden ze aan de stallen uit te mesten. Ik vond het goed. Later begreep ik dat er nog tien kerels in de bus zaten, en zeker dertig meiden. Het ging slecht met ouwe George. Ik dacht dat mijn leven erop zat, en wilde mijn einde bespoedigen. En dan stopt opeens het paradijs op wielen voor mijn bouwval. De droom van Job. Ze zorgen goed voor me, die kinderen. Als ik me terneergeslagen voel, komt Gypsy met de viool.’
‘Ze bezorgen u een tweede leven,’ zei Sharon.
‘Op nog een andere manier,’ zei Spahn, zijn stem dempend, ‘is hun aanwezigheid goed voor me. Mijn eigen kinderen komen weer op bezoek. Ik heb er zeker twaalf. Misschien wel vijftien.’
‘Vast niet bij een en dezelfde vrouw,’ zei Remo. ‘Anders had ze u wel helpen tellen.’
‘Het aantal vrouwen weet ik ook niet meer. Ik ben al over de tachtig. De namen van de kinderen kan ik zo opdreunen. Dat komt... ik ben een paardenman. Ik heb ze allemaal naar beroemde wedstrijdpaarden genoemd.’
‘Als u ze opsomt, zal ik meetellen. Dan krijgt u zekerheid.’
‘Chérie, dat is mijn oudste dochter. Toen kwam Proud Prole, mijn oudste zoon. Ik breng ze in volgorde van geboorte. Festoon. Sovereignty. Outshine. Lofty Boy... dat was naar een Engels renpaard met de lichtste jockey die ik ooit gezien heb. Greenback. Tempest... Ja, op het bevolkingsregister vulde ik christelijke namen in, maar thuis heetten ze naar mijn lievelingen. En dat werden natuurlijk ook weer koosnamen. Zoals mijn dochter Stolidity, dat werd Liddy. Dudgeon, dat was weer een jongen, Dudge. Sugar Candy, mijn jongste dochter. Hardy, mijn voorlaatste zoon. En dan nog Trivet, mijn jongste zoon. Trivial Trivet. Een invalide nakomertje, genoemd naar een mank paard dat twee seizoenen lang alle belangrijke wedstrijden won.’
‘U weet zeker dat u geen van uw nazaten heeft overgeslagen?’
‘Alleen de niet erkende. Alles wat ik bij het bevolkingsregister heb opgegeven, zit erbij. Het uitspreken van de namen is honing op mijn tong. Ik kan me niet vergissen.’
‘Mijn gelukwensen. U heeft dertien kinderen.’
‘Ik dacht wel zoiets. Vanmiddag komt Sovereignty, Riggy, langs met haar man.’
‘U vertelde,’ zei Sharon, ‘dat de kinderen u weer bezoeken dankzij die bus vol meisjes...’
‘Ja, dat zit zo.’ Spahn dempte opnieuw zijn stem, die door het noemen van de paardennamen weer luid was geworden. ‘Die leider van ze, of weet ik veel wat hij van ze is... die Charlie... die moet ik in de gaten houden. Hij zou een paar dagen blijven, maar is hier nu alweer maanden. En als mijn oren me niet bedriegen, wordt die troep om hem heen steeds groter. Het zijn vooral jonge vrouwen, vaak met kinderen. Veel meer meisjes dan de oude George aankan. Ik...’ Omdat het vliegengordijn ritselde op een zuchtje wind, onderbrak hij zijn verhaal.
‘Meneer, kunt u de deur even dichtdoen? Lynette kan elk moment terugkomen, en ik wil niet dat ze dit hoort.’
Remo trok de kleine deur in het slot.
‘Ik heb sinds een paar weken het vermoeden,’ ging Spahn bijna fluisterend verder, ‘dat Squeaky mij hier komt... nou ja, in opdracht van Charlie.’
‘Als bonus bovenop het uitmesten van de stallen...’
‘Het gaat verder. Al in augustus begon ze me uit te horen over Spahn’s Movie Ranch. Of het in z’n geheel mijn eigendom was... of de bank er nog tussen zat... wie het zou erven. Al die dingen. Veel te wijsneuzig voor een meisje van achttien. Pas later drong tot mijn oude brein door dat deze Lynette haar vragen heel slim afstemde op haar verwennerij. Ik hoef niet in detail te treden, maar... nou ja, ze bracht me in de stemming, ik bevredigde haar nieuwsgierigheid, zij bevredigde mijn verlangens. Ik zag er geen kwaad in. Maar een week of drie, vier geleden, toen ik al helemaal aan haar verslingerd was, begon ze opeens over mijn testament. Of zij het me waard was haar er een plaats in te geven. Ze was die middag heel romantisch bezig geweest, maar toen ik zei dat de erfenis onder mijn kinderen zou worden verdeeld, liet ze me onbevredigd achter. Sindsdien houd ik haar aan het lijntje. Ik zeg geen ja, en ik zeg geen nee. Zo hoef ik haar gezelschap niet te missen, en word ik niet in mijn bed vermoord. En sinds de kinderen er lucht van hebben gekregen dat papa een piepjong ding als maîtresse heeft, komen ze weer langs. Soms met de notaris.’
‘Het klinkt allemaal minder vredelievend,’ zei Sharon, ‘dan ik me bij zo’n hippiekolonie had voorgesteld.’
‘Zolang ik mijn testament niet verander,’ zei Spahn, ‘blijft alles liefde en vrede.’
Er ging een lichte beving door de caravan toen iemand het trapje op kwam. De deur werd opengetrokken, en daar was de roodharige weer. Zij ging op schoot zitten bij de oude man, voor wie het iele lijfje geen te grote belasting leek te vormen. Met een arm om zijn nek keek zij het bezoek pruilerig aan. ‘Luister, Squeaky,’ zei Spahn, ‘deze mensen willen uit rijden. Ruby en Juan zijn er niet. Ga naar Shorty, en vraag of hij Rascal en Tumble voor ze uit de kraal haalt. Als hij geen tijd heeft voor het opzadelen, doen ze het zelf.’
‘Ik wil niet.’ Squeaky gaf Spahn een reeks vlinderlichte kusjes in zijn geplooide hals. ‘Ik wil bij jou blijven.’
8
Begin november raakte ik op straat in discussie met een roedel monniken van hare krisjna. Ze bleven maar om me heen dansen, rinkelend met hun schelle bekkentjes. Eentje bracht zijn gezicht zo dicht bij het mijne dat ik de lik witte verf boven zijn neus kon zien bladderen. ‘Geef het maar toe,’ riep hij, buiten adem van het rondhopsen, en zonder een moment stil te staan. ‘Ik zie het aan je versleten ogen. Jij hebt ook het licht gezocht... niet gevonden. Het licht, man, is in jezelf.’
‘Vertel mij wat, man.’ Ik had kleine Tib aan de hand, en die probeerde me, een beetje angstig, mee te trekken. De fascisten van Scientology, beademd door hun eigen stankbel aan de Nieuwezijds, sloeg ik altijd van me af, met hun intimiderende enquêtes. Ook voor de hossers van hare krisjna wilde ik nog wel eens een zijsteeg van de Kalverstraat in vluchten. Maar deze jongen met zijn blauwig kaalgeschoren hoofd en meloenkleurige jurk had iets intrigerends, al was het maar door zijn blikkerende ogen – een zeldzaamheid tussen al die uitgebluste smoelen van de meelopers. We wisselden wat kreten uit, over het juiste licht en waar dat te vinden, en toen werd hij door de anderen meegevoerd. Een oranjewitte draaikolk in de grauwe stroom winkelpubliek. ‘De Herengracht,’ riep hij nog. ‘Kom een keer langs.’
Iemand had me een wervende folder in de hand gedrukt, met daarop het adres van de Amsterdamse vestiging plus een overzicht van de bezoekuren. ‘Die meneer heeft zeker zijn Portlux ingeslikt,’ zei Tibbolt (Portlux was het merk van de zaklamp die ik hem gegeven had).
Hare Krisjna Amsterdam had een kapitaal grachtenpand in gebruik. Bij het beklimmen van de trap naar de voordeur keek ik in een hoge stijlkamer met veel marmer en goudverf. Een monnik zat met zijn rug naar het raam aan een groot bureau te schrijven. Licht uit een kroonluchter viel op zijn hoofd, dat kaal was, met alleen een staartje in de nek.
De donkergroen gelakte voordeur kaatste mijn beeld naar me terug. Een gedistingeerde man van onbestemde leeftijd, met een misschien iets te lichte regenjas aan, aarzelend ergens binnen te gaan. Als er aangebeld had moeten worden, was ik misschien weer vertrokken, maar de deur rustte tegen een leren stootkussen, zodat ik meteen door kon lopen naar de marmeren kamer.
De schrijver was de jongen van het licht. Hij fungeerde hier zo’n beetje als secretaris, ook wel als écrivain public voor de simpelen van geest onder de aanhang. Hij verontschuldigde zich dat hij niet in zijn normale doen was. Er moest een persbericht de deur uit in verband met een probleem binnen de afdeling San Francisco. ‘Het is nog geheim,’ zei hij, doorschrijvend in schuine, bijna plat liggende letters. Hij leek ontdaan.
‘Als het vanavond in de krant staat, kun je net zo goed nu al je gemoed luchten.’
‘Ik wist het meteen,’ zei de monnik, opkijkend. ‘Jij bent een echte lichtman. Ik zal je aan de Blinde Verblinder voorstellen.’ Hij streepte een woord door. ‘Nou, goed dan. Een voormalige monnik van Hare Krisjna Frisco zit in de gevangenis van Vacaville, en is daar in de isoleercel gegooid.’
‘En zo’n wapenfeit is hier goed voor een persbericht?’
‘De beweging heeft een naam te verliezen.’
‘Wat had hij misdaan?’
‘Hij dacht dat zijn vader Josef Mengele was, dus die moest dood... op hoog bevel van God. Met een jachtgeweer. Ze hebben hem toen als monnik geroyeerd.’
‘Ik bedoel, wat was er in Vacaville gebeurd dat hij in afzondering moest?’
‘Medegevangene in brand gestoken.’ Hij ging door met schrijven. ‘Benzine erover... lucifer erbij. Derdegraads.’
‘Niet de stijl van hare krisjna.’
Hij liet zijn pen vallen, vouwde de handen in zijn nek. ‘De man was geen monnik meer van ons. Hij had met het slachtoffer ruzie over religieuze kwesties.’
‘Als jullie niets meer met hem te maken hebben, wat heeft de beweging dan te vrezen?’
‘Hij geeft zich, als het hem zo uitkomt, nog wel voor hare krisjna uit. De lucifer streek hij af uit naam van Swami Prabhupada. De stichter.’
‘Ik zie nog steeds geen benzinevlekken op jullie blazoen.’
‘Wacht tot je straks de naam van het slachtoffer in de krant leest.’
Op dat moment kwam een oudere man binnenschuifelen, die er in zijn kaftan uitzag als een Romeinse senator. Tastend langs deurstijlen en muren zocht hij zijn weg naar het bureau. De secretaris stelde hem niet voor als de Blinde Verblinder, maar als Swami Kari Kurkuma. De Blinde Verblinder negeerde mijn uitgestoken hand met alles wat eraan vastzat, leunde zwaar op het bureau, en zei met een accent dat aan Indiase winkeliers in Londen deed denken: ‘Geen persbericht.’
‘Niet?’ De jongen was uit eerbied achter zijn bureau overeind gekomen, en nam een soort militaire houding aan.
‘Ik heb met de directie van Vacaville gebeld,’ zei Kari Kurkuma. Hij had het gezicht van Neroe, met een nijdig neerhangende onderlip, waarvan rijkelijk druppels op het met ivoor ingelegde schrijfblad spatten. ‘Ze brengen het niet naar buiten.’
‘Dan wij zeker niet,’ zei de jongen, bij wie iets van de Kalverstraatse blijmoedigheid op het gezicht terugkeerde. Hij nam het papier met de onaffe tekst op, en scheurde net zo lang tot de snippers niet kleiner konden. Zich verontschuldigend nam hij de Blinde Verblinder bij de arm, en leidde hem de gang op. Ik stond al bij het bureau. Mijn vingers schoven de stukjes papier uit elkaar. Ondertussen volgde ik op het gehoor de schuifelpassen over het marmer... de vergalmende stemmen... de kreunende scharnieren van een deur. Ondoenlijk de puzzel te herstellen. Ik las zoveel mogelijk afzonderlijke snippers, die in het beste geval een compleet woord bevatten. ‘...cal Facility.’ ‘...blusapp...’ ‘Jan Joh...’ ‘BABY KILL...’ ‘Johanson...’ ‘...Diego.’ ‘...baardha...’ ‘...urly.’
‘Bespaar je de moeite, Spiros,’ zei de hare krisjna, die zonder gerucht terug was komen lopen. ‘Ik was nog niet aan de naam van het slachtoffer toe.’
‘Toch wel,’ probeerde ik. ‘Jan Johanson. Moest ik bij die onthulling niet steil achterovervallen?’
‘Het is Jen Johensun’ (hij sprak de naam op z’n Engels uit) ‘uit San Diego. Hij is de nepmonnik... de vadermoordenaar.’
‘Nu kan ik vanavond niet in de krant lezen wie er vlam heeft gevat.’
‘Je hebt het gehoord. Ik mag het nieuws niet verspreiden.’ De jongen kwam op me toe lopen, en sloeg onverhoeds zijn arm om mijn hals. De omhelzing verraste me, en dat ik er niet meteen op inging, was maar goed ook, want het was niet als liefkozing bedoeld. ‘Sorry, de muren hebben hier oren. Elektronische.’ Toen drukte de monnik zijn lippen op mijn allerminst elektronische oor, om me heet en raspend de naam in te fluisteren. De vier lettergrepen (of eigenlijk maar drie, in zijn uitspraak) zo dik en vochtig de schelp en gehoorgang te voelen binnendringen, was meer dan ik verdragen kon. Ik duwde de jongen van me af, en ontdekte tot overmaat van ramp dat er een erectie in de maak was. ‘Ik zwijg als het graf van zijn doden,’ beloofde ik de hare krisjna nog bij het haastige afscheid. Door mijn knellende kruis verliet ik de stijlkamer met heel wat minder soepele tred dan waarmee ik binnen was gekomen. Voor ’t eerst sinds lang: visioenen van bovenbeens verkeer naar Oudgrieks model in de Wilde-Bosy-variant.
In bordeel Yackety-Yak nam de jongen van mijn keuze mij mee naar de sauna. Aan zijn lijf lag het niet. De deuken in de zijkant van zijn billen betekenden allerminst dat hij kontloos was. Toen hij zich aan me gaf, staken zijn schouderbladen zo puntig omhoog, als zadelknoppen, dat ze me bijna voldoende houvast voor de rit boden. Dat ik niet van zijn nauwe opening gebruik wenste te maken, alleen van de engte hoog tussen zijn dijen, leek hij vreemd te vinden, maar er kwam geen protest. Het was er smerig. Overal de stille getuigen van woeste verstrengeling, waar geen oliespuit aan te pas was gekomen. Bloedsporen, strontvegen; droppen sperma verontreinigd door beide. Zo stelden wij ons vroeger in Athene de beestenbende bij de Spartanen voor.
Misschien lag het niet eens aan de orgastische aanblik die onze betegelde sponde bood dat ik het niet tot een zaadlozing bracht. Het leek wel alsof iets anders dan de onverwachte aanraking door de hare krisjna mijn lust had gewekt, die dan ook niet langs de natuurlijke (of tegennatuurlijke) weg te verzadigen was. ‘Wil het niet?’ vroeg de jongen, nadat ik me van hem had losgemaakt.
‘Ach, weet je,’ zei ik, de meegekregen handdoek over mijn onderlichaam draperend, ‘ik vind in de kale daad zo weinig drama.’
‘Nou, trut,’ zei de jongen zangerig, ‘ik vind het allemaal dramatisch genoeg.’
9
Ze was zo mooi zoals ze op Rascal voor hem uitreed, Sharon. In de franjes van haar zeemleren cowboyjack sidderde elke beweging van haar door. Ze keek .
Niet ver van Spahn’s kwamen ze voorbij een kreek. In het ondiepe water was een hele groep jonge vrouwen met kleine kinderen aan het pootjebaden. Remo herkende een paar gezichten van de ranch. Hoog te paard staken ze lachend hun hand op, maar ze oogstten alleen stuurse blikken. ‘Wij zijn de vijand,’ riep Sharon over haar schouder.
‘Indianen en cowboys. Dit is filmland.’
Het was echt de allerlaatste roodkoperen dag van de herfst. Ze hadden geen betere manier kunnen vinden om hem vast te houden dan door zich er helemaal, te paard en wel, in te storten. Ergens stonden ze stil in het fijne stuifsel van een smalle, van heel hoog komende waterval. De paarden schudden afkeurend briesend hun hoofd in de druppelnevel. Ze was zo vrolijk, Sharon. De rotsheuvels zorgden ervoor dat haar hoge lach terugkeerde om een kort duet te zingen met het neer ruisende water.
Op de rotsachtige bodem, vol losse stenen, vonden ze nergens een geschikte plek om zich aan de liefde over te geven. Bovendien wisten ze niet hoe de paarden zouden reageren. ‘We wachten tot thuis,’ zei ze. ‘Dan hebben we nog iets om naar uit te kijken.’
De zon zakte al vroeg achter de heuvels, en daarmee trad een kilte in die definitief afrekende met de Indian summer van 1968. Ze reden terug naar Spahn’s Movie Ranch. De kreek was verlaten. Op het terrein voor de hoofdgebouwen was nu naast Remo’s Lamborghini een lange bus geparkeerd. Het was het type Amerikaanse schoolbus, maar dan niet geel – zwart. Tegen de omheining van de kraal aan stonden strandbuggy’s en -zeilers op een rij. Op het hek zat een vrouw in een circusachtig cowgirlkostuum, dat z’n beste tijd gehad had. Terwijl Sharon en Remo afstegen, kwam zij naar ze toe om de paarden over te nemen. ‘Hallo, ik ben Ruby. Ik heb op jullie gewacht.’
‘Moet je dat pak van George Spahn dragen?’ vroeg Remo.
‘Ik heb rodeo’s gedaan. Ik draag die kleren hier af. Zo weten de mensen me beter te vinden.’
‘Moeten we Tumble en Rascal niet afzadelen?’ vroeg Sharon.
‘Daar ben ik voor. George heeft me gevraagd met jullie af te rekenen.’
Op het formulier dat Ruby Pearl aan Remo gaf, hoefde alleen nog maar het aantal rijuren te worden ingevuld. ‘Ik zie,’ zei Remo, ‘dat jullie ook buggy’s en strandzeilers verhuren. Zijn we hier niet wat ver van zee?’
‘Ze zijn niet te huur. Die rare Charlie en z’n mensen razen ermee over de zoutvlakte van de woestijn. Het zijn geen paardrijders.’
10
De directie van de California Medical Facility in Vacaville had de ketterverbranding blijkbaar met succes uit de publiciteit weten te houden, want het nieuws was niet op het journaal geweest, en bij Keyzer las ik er niets over in de kranten. Alles wat ik ervan wist, had ik van Hare Krisjna Amsterdam. Het uitblijven van elk officieel bericht maakte me nog rustelozer. De gewonde lag waarschijnlijk op de ziekenboeg van de CMF, zonder dat de burger, die zo om hem gehuiverd had, van zijn toestand op de hoogte was. Een van de beroemdste tronies ter wereld zou misschien blijvend verminkt zijn, en ik was een van de weinigen die, bij benadering, zijn verwondingen kende. Het was of hij daar, in pijn, lag te wachten – op mij. Er stond misschien een extra mannetje voor de deur, maar het moest te doen zijn de patiënt daar weg te krijgen. Geen ontsnapping – een overplaatsing. Ik moest hem van A naar B zien te brengen. A was Vacaville, duidelijk genoeg. Het probleem vormde B: een nog onbekende bestemming.
Ik kon natuurlijk de regisseur van B naar A vervoeren, maar ook daarvoor moest B bekend zijn.
Geen geweld. Ik moest het van woorden hebben. Iets zei me dat een gewonde gevangene zich gemakkelijker bij de autoriteiten liet lospraten dan een ingoede gezondheid.
Er waren momenten, in het begin van die novembermaand, dat ik mezelf hevig haatte. Mens, god of ezel: geen wezen stootte zich graag twee keer aan dezelfde steen, maar ik had koppig mijn zinnen gezet op de materie waar ik al een keer over gestruikeld was – om languit op m’n bek te gaan. De complexe onderneming die ik rond 1967 in Californië had opgezet, was op een volledige mislukking uitgelopen. Vier jaar na de eerstesteenlegging zag ik me gedwongen om eerloos het land uit te vluchten. Er waren een degen en een brandende wereldbol voor nodig om me de weg te wijzen naar de Randstad Holland. Sindsdien is dat mijn familiewapen: een globe in vlammen met een gevest op de plaats van Californië en de kling tevoorschijn stekend uit Nederland.
En nu zou ik me door het verbrande hoofd van de man die destijds, als de slechte verstaander bij uitstek, mijn bedrijf naar de knoppen had geholpen terug naar Amerika laten lokken? ‘Niet doen! Afblijven...!’ klonk hoog en schril de stem van de ratio in mijn hoofd. Meer naar beneden, tussen hart en onderbuik, dreunde een heel koor van basstemmen: ‘Doen! Doen! Doen! Nu of nooit...!’
Ik moest de rede laten zegevieren. Ja, ik droeg de schande van een groot falen met me mee, maar ik diende mijn verlies te nemen. Ja, sinds de godsdiensttwist van Vacaville zag ik nieuwe mogelijkheden – niet om fouten ongedaan te maken (uitgesloten), maar tot voortzetting van de hele onderneming met andere middelen. Toch... afblijven! Als ik de draad in Californië weer oppakte waar hij toen zo wreed was afgesneden, zou dat de pijnlijke gebeurtenissen oprakelen en misschien nog meer beschamende details aan het licht brengen. Ombuiging van de geschiedenis naar een nieuw doel kon de dingen ook erger maken dan ze al waren. Nee, laten rusten. Linke boel.
Het Amerikaanse bankroet onder ogen zien. Ernaar verwijzen als naar het voorbeeld van een mislukt orakel. Ervan leren voor mijn volgende onderneming, in de stadstaat Randstad.
Nog zoiets. Ik kon de kinderen die aan mijn voogdijschap waren toevertrouwd toch niet zomaar in de steek laten? Weken of maandenlang zou ik het labiele gezin van de Mombargs, in Rotterdam, aan z’n lot moeten overlaten, zonder iets te kunnen bijdragen aan de vorming van de kleine Reinier, die toch al nooit buiten speelde. Hij was de voorvorige dag, de eerste november, vier geworden. (Ik had hem een zaklantaarn van het merk Portlux laten bezorgen, voor in de donkere hoeken waar Niertje zich graag ophield.) Tibbolt zou de volgende dag, de vierde, dezelfde leeftijd bereiken. Aan Tibbi begon ik me te veel te hechten. Het zou geen kwaad kunnen hem een tijd niet te zien. Maar om daarvoor nou aan de overkant van de oceaan een verloren zaak nieuw leven in te gaan blazen... zonder de zekerheid dat hij nu wel levensvatbaar zou blijken... nee.
Die ochtend bracht de post de novembernummers van WorldWide en WereldWijd. In zowel de Amerikaanse als de Nederlandse editie stond mijn horoscoop voor de Schorpioen: sterrenbeeld niet alleen van Tibbi en Niertje, maar ook van de verbrande man in Vacaville, die mij ooit dreigde te vermoorden voor het doodrijden van een schorpioen op de woestijnweg.
‘...krijgt u het aan de stok met een collega, die zo mogelijk nog fanatieker is dan u. In de ruzie delft u het onderspit, zodat u nu met ziekteverlof bent. Het is in uw huidige toestand niet raadzaam op wraak te zinnen. U deed er beter aan een nieuwe werkkring te zoeken, waar...’
Zo, dat sloeg in ieder geval niet op Tibbolt Satink of Reinier Mombarg. Ik vergeleek altijd WereldWijd met WorldWide op verschillen. In beide uitgaven stond een reportage over de veroordeelde regisseur en de moeilijkheden bij het voorbereiden van de film Cyclone – maar met deels verschillende foto’s, en met in het Nederlands meer tekst. In de Engelstalige editie antwoordde de cineastraag waar hij zijn straf ging uitzitten: ‘Mijn advocaat heeft met de rechter afgesproken dat de naam van de gevangenis geheim blijft. Het is in Californië, meer mag ik er niet over zeggen.’
WereldWijd had aan het vertaalde antwoord toegevoegd: ‘(Navraag leert dat bedoelde rechter, Shurrell Ritterbach van de rechtbank in Santa Monica, officieel niets loslaat over de straflocatie, zogenaamd uit veiligheidsoverwegingen, maar dat onder zijn medeleden van de Palisades Cliffside Golf & Yacht Club de naam van de inrichting een publiek geheim is: de California State Penitentiary Choreo, gelegen binnen de gemeentegrenzen van San Bernardino, ten oosten van Los Angeles, aan de voet van de San Bernardino Mountains.)’
Choreo. B had een naam.
Hoe de filmmaker zijn deconfiture onderging, kwam verder niet aan de orde. Er was sprake van ‘een ruige stoppelbaard, zoals bij een monomaan werker verwacht mag worden’, maar op de bijgeplaatste foto’s, in mei genomen op Bora-Bora, was het vertrouwde gladgeschoren gezicht te zien.
Choreo. Ik had de naam liever niet gekend. Ik nam de tram naar de binnenstad, voor een bezoek aan Hare Krisjna Amsterdam. Ze moesten me op de Herengracht maar vertellen dat het allemaal geweldig meeviel met die brandwonden, en dat het slachtoffer alweer van de ziekenboeg naar zijn cel was overgebracht. De secretarismonnik was opgetogen dat het autodafe tot nu toe niet in het nieuws was geweest. ‘Wij hebben uit Vacaville gehoord dat zelfs zijn volgelingen... ze kamperen voor de poort van de CMF... dat die niets van het incident weten. Het was trouwens verfverdunner. Net zo brandbaar.’
‘Iets naders bekend over hoe hij eraan toe is?’
‘Buiten levensgevaar, maar wel voor twintig procent verbrand. Tweede en derdegraads. Nee, dat wordt een lang herstel. Hij zal wel gelittekend blijven ook.’
‘Ik zal eens bij hem langsgaan, daar in Vacaville.’
Het was als grapje bedoeld, en de monnik grinnikte beleefd, maar eenmaal uitgesproken stichtten de woorden een belegen bloedsmaak in mijn mond. En daar was, zonder omhelzing, ook de halve erectie weer. Ik nam nog sneller afscheid dan de vorige keer. Voor het huis stond ik een hele tijd tegen een boom geleund te kijken naar de gele bladeren die, omkringeld door hun eigen olie, op het grachtwater dreven. Alsof ik uit hun kabbelende slingerbeweging richting brug een besluit zou kunnen aflezen. Een woerd die er dwars doorheen zwom, vernietigde het patroon, en toen wist ik dat de beslissing alleen in mezelf te vinden was. Ze was al genomen.
Uit een open raam op een van de bovenverdiepingen van het Krisjnahuis klonk het geklep van kleine bekkentjes. Ik begon langzaam in de richting van de Nieuwe Spiegelstraat te lopen. Over de gracht dreef eentonige samenzang, een recitatief eerder: hare rama, hare krisjna... hare krisjna, hare rama...
Een gracht verderop zag ik net Olle Tornij uit het grote hoekpand van Uitgeverijen Hoek Keizersgracht/Spiegelstraat BV komen. Hij had ‘koffie met advies’ gedronken bij een bevriende redacteur van De Spiegel, een imprint van Hoek BV.
‘Meneer Tornij, wat een aangenaam toeval.’
‘Nu is het weer meneer Tornij.’
‘Olle, loop een eindje met me op.’
In de passage onder het Rijksmuseum wedijverden een saxofonist en een sitarspeler om de aandacht. Rond een op de grond liggende tamboerijn met munten paradeerden duiven, alsof ze wachtten op een hand die maïs in plaats van metaal zou uitstrooien. Aan de andere kant van de tunnel stoof ons een motregen tegemoet. ‘Lijn 2 was me liever geweest,’ zei de boekhandelaar.
‘Te laat. ‘Ga even mee. Ik moet je iets vertellen... Nee, dAmerikaanse consulaat op.’
We staken schuin, in feite kriskras, het Museumplein over – naar het houten noodgebouwtje van de KLM onder de bijna lichtgevend okeren boomkruinen. Hoog op de wielen stond daar, de bagagekleppen open, een hemelsblauwe pendelbus te ronken en te schudden. Reizigers stroomden van alle kanten toe, met paraplu’s en koffers geholpen door de uitzwaaiers. De chauffeur, met al bijna doorweekte hemdsmouwen, stouwde de bagage in de ruimte onder de bus. ‘Een zonvakantie voor ouwe Olle,’ zei Tornij. ‘Spiros, dat had je nou niet moeten doen.’
‘Vraag niet verder. Ik ga hier een ticket voor Los Angeles reserveren. Aan de overkant ligt een visum voor me klaar.’
Sinds er militanten van de RAF in Nederland waren opgedoken, stonden er in een stervormig patroon hoge hekken rond de tuin van het Amerikaanse consulaat. Hier en daar hingen verwelkte bosjes bloemen met verregende briefjes uit de mazen: ongetwijfeld voor Midden-Amerikaanse doden, met dank aan de VS.
Aan de KLM-balie kon ik tot mijn verrassing nog een vlucht voor de volgende dag boeken. ‘Onbegrijpelijk,’ zei Tornij bij het horen van de datum. ‘Tibbi’s verjaardag.’
‘Olle, ik schaam me dood. Bij terugkomst maak ik het goed.’
11
De methode-Charrière bracht ook de geur van oude boeken in zijn cel. Als jongen had Remo de romans van Jack London gelezen, voorzover ze in het Pools waren vertaald. Verhalen over sledehonden in de witte stilte van Alaska. Er was ook een heel ander boek bij, dat hem onbehaaglijk stemde. In het Engels heette het John Barleycorn, wat ze in het Pools letterlijk hadden vertaald als ‘Jan Gerstekorrel’, terwijl de hoofdpersoon gewoon Jack London zelf was. Het ging over zijn kennismaking met de dronkenschap, en hoe de drank langzaam en onomkeerbaar zijn leven binnengedrongen was. Remo moest daarbij denken aan de wodkadrinkers in de portieken van het vooroorlogse Krakau, op wie zijn moeder hem gewezen had. Het beeld klopte niet, want London zette zichzelf neer als een welgesteld schrijver met een kast van een huis op een eigen landgoed, met personeel, paarden, een zwembad. Hij was hartstochtelijk verknocht aan zijn tweede vrouw Charmian, en schreef elke ochtend tussen negen en elf zijn duizend woorden, waarna hij de rest van de dag aan zwemmen, de jacht en het socialisme besteedde. Hij was niet een man die zijn problemen in drank smoorde, maar die zich boven zijn geluk uit probeerde te drinken.
In de verder onaangename lectuur was een passage die Remo vreemd ontroerd had. De schrijver had met Charmian een lange rit te paard gemaakt door de bergen. Omdat het personeel vrijaf had, maakten ze bij thuiskomst zelf, in een sfeer van grote euforie, hun eten klaar. London wist zich op het hoogtepunt van zijn bestaan. ‘Ik voelde me zo goed dat ergens diep binnenin de gulzige begeerte opkwam me nog beter te voelen. Ik was zo gelukkig dat ik mijn geluk verder wilde opdrijven. Ik wist hoe dat aan te pakken.’
Wachtend op het eten schonk hij zich de ene cocktail na de andere in. ‘Mijn geluk stapelde zich torenhoog op. Zo vrijgevig als het leven al mocht zijn, ik maakte die vrijgevigheid nog groter. Het was een machtig uur. Later, veel later, moest ik ervoor boeten, zoals u zult zien. Zulke ervaringen zijn onvergetelijk en in je menselijke domheid besef je niet dat er geen onwrikbare wet bestaat die zegt dat dezelfde dingen altijd eendere resultaten hebben.’
Er lag voor de jongen die Remo toen nog was een zoet soort doem over die regels. Ze schoten hem, in het Pools, te binnen terwijl ze de Ventura Freeway verlieten om de San Diego een eind naar het zuiden te volgen. Later, toen ze door de Benedict Canyon reden, zei Sharon: ‘Ik verheug me op mijn eerste Manhattan.’
‘Als je maar niet denkt dat ik een hele fles champagne openmaak voor die paar bubbeltjes die er volgens Harry’s boekje in horen.’ Hij had meteen spijt van zijn zuinigheid.
‘Het kan ook heel goed zonder champagne. Alleen scotch en vermout. Ik heb een potje van de olijven die jij zo lekker vindt.’
‘Old Greece.’
‘Dat zijn de zwarte. Olymp Olives. De groene.’
Thuis dronken ze zich met een heleboel Manhattans boven hun geluk uit. Bij de derde cocktail was Remo de waarschuwing van Jack London vergeten. De vierde bleef half leeggedronken staan, omdat ze zich op nog een andere manier boven hun geluk uit moesten worstelen.
Toen Sharon vlak voor Kerstmis zwanger bleek, wisten ze allebei zeker dat het die zaterdagavond was gebeurd, na het paardrijden in de Simi Hills.
12
Meer nog dan tien jaar tevoren kreeg ik te maken met de krankzinnige maatschappelijke complexiteit van het moderne Amerika.
Ik ontdekte dat er een heus ‘Vakblad voor het Californische Gevangeniswezen’ bestond, The Guardian Angel, vol artikelen over jubilerende directeuren, tevreden gedetineerden en hoe de veiligheid van bewakers te verbeteren. Van de vacatures streepte ik alleen die voor Choreo en Vacaville aan. Ik zou al blij zijn geweest met een baantje als voedselopschepper in Choreo, maar er was daar zelfs plaats voor meer dan één bewaarders ‘van de laagste categorie’. Wie de advertentie goed las, concludeerde dat de voorwaarden en vooruitzichten niet ongunstiger konden: uitzendniveau. Mooi. Zo was er alle kans dat er niet gezeurd zou worden over mijn beperkte visum.
Op een mooie novemberdag ging ik per bus vanaf Civic Center over de San Bernardino Freeway op weg naar Choreo. Aflandige valwinden hadden de smog de zee in gedreven, zodat Los Angeles wit lag te blikkeren onder een blauw waar Yves Klein al zijn monochromen voor had willen ruilen. Bij het opdoemen van de San Bernardino Mountains, in alle denkbare schakeringen paars, besefte ik waarom zoveel Californische gevangenissen aan de voet van een gebergte liggen: paars is op het palet van de aardse gerechtigheid de kleur van de Boetvaardigheid.
Had ik gevreesd dat een of andere onderknuppel mij het sollicitatiegesprek zou afnemen? Ledigheid en ijdelheid waren op mijn hand. De directeur, die blijkbaar niets anders te doen had, wilde mij persoonlijk spreken. ‘O’Melveny.’ Hij ademde een alcohollucht uit. Het zou wel geen bocht van gegiste fruitschillen zijn.
‘Agraphiotis.’
‘Dank je, Don,’ zei O’Melveny tegen de geüniformeerde receptionist die zich had voorgesteld als Penberthy en me naar de directeur had gebracht. ‘Ik bel je wel als we hier klaar zijn.’
De directeurskamer was langgerekt achthoekig, en leek daardoor enigszins ovaal, reden misschien om hem ook verder als de Oval Office in het Witte Huis aan te kleden. De ingelijste kleurenfoto van Jimmy Carter, waar de Amerikaanse vlag omheen was gedrapeerd, bedekte niet geheel de lichte plek die het grotere portret van de vorige president op het behang had achtergelaten. Gerald Ford stond nog, in zwartwit, tegen de muur – achter gebarsten glas. Sinds de heksensabbat van acht jaar tevoren controleerde ik altijd automatisch of de vlag niet met zijn sterren naar beneden hing. Het zou het slechtst denkbare teken geweest zijn.
Via de intercom op zijn bureau bestelde O’Melveny koffie voor twee. ‘Voor mij, Liza, koffie plus.’ Hij leunde achterover in zijn leren troon. ‘Uw naam, Mr Agraphiotis, klinkt mij Grieks in de oren. Uw onmiskenbare... met permissie... accent veel minder.’
‘Ach, Griekenland, dat ligt zover achter me. Ik heb overal gewoond.’
‘En nu, zo te horen, alweer heel lang in Amerika. U bent voornemens de gelederen van versterken.’
‘De baan scheen me tijdelijk toe.’
‘Dorst, dorst,’ zei O’Melveny, en herhaalde de bestelling luid in de intercom. Liza gaf alleen geruis. ‘U moet weten, Mr Agraphiotis, dat ons in korte tijd nogal wat goede krachten ontvallen zijn. Zo’n breed verlies laat zich langs officiële weg niet meteen aanzuiveren. De terreur van de vakbonden maakt het allemaal nog erger. Als u maar weet dat u, bij gebleken competentie, kans maakt op een langduriger aanstelling. Met alle promotiemogelijkheden die daarbij horen...’
Precies, dat was het. De directeur sprak in de stroef exacte zinnen van iemand die aangeschoten aan het raken is en zich verzet tegen de tongstruikelend naderende wanorde van de totale dronkenschap. ‘Goed om te weten, Mr O’Melveny. Ik vind die voorlopige onzekerheid geen bezwaar.’
‘Dan mag u, wat mij betreft, door de molen heen. Medische keuring... alleen het hoogstnoodzakelijke, hoor. En u zult door een kleine commissie aan een mild verhoor worden onderworpen.’
Klop op de deur, en daar was Liza met de koffie en een schaaltje marshmellows. De directeur rook goedkeurend aan zijn kopje, en liet er twee van die roze moppen in glijden. Ik volgde zijn voorbeeld. ‘Bedelft u mij gerust onder uw vragen, Mr Agraphiotis.’
‘Hopelijk beledig ik u niet met te stellen dat de naam Choreo een minder bekende klank heeft dan San Quentin en Folsom... dan San Luis Obispo en Chino zelfs... Wat voor gevangenis is Choreo?’ Bij mij waren de marshmellows gesmolten tot een rozige schuimkop, waar ik de hete drank onderuit zoog, maar op de verdunde koffie van de directeur dreven ze nog in heel hun molligheid rond.
‘De door u genoemde instituten hebben een gewelddadige reputatie. Zoiets blijft bij de burger eerder hangen dan een instelling met een goede naam. Choreo is, als gevangenis, relatief onbekend... en dat willen we graag zo houden. Zolang die relatieve onbekendheid tenminste het gevolg is van rust, orde en discipline.’
O’Melveny goot de koffie gretig naar binnen. De warmte van het mengsel verhevigde de whiskygeur, die aangenaam boven het bureau bleef hangen. Karamel op een fornuis met een gaslek. ‘Choreo wil niet beroemd worden, juist vanwege die voorbeeldigheid?’
‘Het volk, Mr Agraphiotis... enfin, dat hoef ik u, als Griek van origine, niet uit te leggen. De mensen eisen voor hun belastingcenten nou eenmaal geweeklaag en geknars van tanden. Wrede waar voor hun geld.’
De directeur keek in zijn kopje, dat alleen nog de resten marshmellow bevatte. Hij stond op, verontschuldigde zich met een eufemisme, maar bleef te kort weg om het eufemisme te kunnen hebben volbracht. Wel moest hij onderweg, aan de binnenkant van het medicijnkastje misschien, in een spiegel hebben gekeken, want hij probeerde de dunne roze snor van zijn bovenlip te boenen. Het opgedroogde schuim weerstond de rug van zijn hand. ‘Het volk...’ In zijn keel zat een verkeerd soort oprisping, die naar beneden wilde in plaats van omhoog. ‘Het Amerikaanse volk ziet elke gevangenis liefst als een stelsel van death rows, waar de gedetineerden... nou ja, elkaars executie opknappen. In Choreo koesteren wij, onder bewakers, een traditie van geduld en... en vreedzaamheid.’
Hij formuleerde nog steeds dapper als iemand die bang is voor onbekwaam gehouden te worden. In de bewegingen van zijn tong was al iets van rigor mortis te bespeuren. Socrates bleef tot ’t laatst welbespraakt de vanuit zijn voeten naar het hart opklimmende verdoving beschrijven. Bij O’Melveny begon het in de mondholte. Tegen dat het gif zijn voeten had bereikt, zou hij als een stamelend lijk ineenzakken. Ik vergiste me nooit in een Ier met een voorouderlijk drankprobleem. ‘Geen chantage,’ ging hij verder. ‘Geen sadisme. Geen nodeloos geweld. Gevangenen, zo leer reglement... ik bedoel, de ervaring... onze gevangenen belonen een dergelijke houding van het personeel met inschikkelijkheid. Medewerking zelfs.’
O’Melveny excuseerde zich opnieuw voor een gang naar het EHBO-kastje. Meer jodium in de open wonde. In een geplastificeerd mandje op de hoek van zijn bureau lag een stapeltje onbeschreven postpapier met niet alleen het adres van Choreo in het briefhoofd, ook de naam van de directeur. Drie, vier velletjes zou hij zeker niet missen. Bijbehorende vensterenveloppen lagen ernaast op een stapeltje. In de tas ermee. ‘Ik twijfel niet aan de goede sfeer hier, Sir,’ zei ik bij zijn montere terugkomst. ‘Maar met permissie... dit is een gevangenis. Er zal toch wel eens iets gebeuren.’
‘Hoogst zelden,’ zei hij, de restjes marshmellow uit zijn kopje lepelend. (Een mens moest toch eten.) ‘Het laatste echte incident... nou, dat zal toch zeker een paar maanden geleden zijn. Iets met drugs. Een zeldzaamheid in Choreo. Een gevangene had onder het bezoekuur een wel erg delicaat worstje te smikkelen gekregen. Condoom vol cocaïne. Het worstvelletje barstte open in zijn maag. Dood in zijn cel gevonden... Het heeft ons geleerd, Mr Agraphiotis, nog alerter te zijn. Maar... op een onnadrukkelijke manier. Choreo is nu, mag ik wel met enige trots onthullen, vrij van verdovende middelen. Om die reden staan wij het maken van een slap alcoholische drank oogluikend toe. Om niet te streng over te komen, snapt u?’
‘Klinkt geweldig.’ Zelfs het woord ‘slap’ was nog sterk genoeg om de directeur aan zijn dorst te herinneren. In zijn afwezigheid vond ik, half onder het in leer gevatte vloeiblad uitstekend, de doorslag van een document met O’Melveny’s handtekening eronder. Het zat al in mijn tas.
Net op tijd. De directeur kwam mopperend binnen. Hij wreef met een papieren zakdoekje over zijn revers: de natte vlekken zaten te hoog om van ongericht urineren te komen. ‘Ik weet niet of u nog verplichtingen heeft jegens... tegenover... De stomerij is er weer goed mee.’
‘Jegens mijn vorige werkkring, bedoelt u? Geen enkele.’
O’Melveny trok zijn broekspijpen dit keer wel erg hoog op bij het zitten gaan. ‘Eens zien.’ Hij raadpleegde met vernauwde ogen het rooster dat voor hem lag. ‘Het is nu de achttiende. Vrijdag. U zou donderdag de eerste december kunnen beginnen. Het hangt ook van u af.’
13
Na de moorden had de politie in Remo’s huis een videoband gevonden, die in eerste instantie als pornografisch bestempeld en geconfisqueerd werd. Een filmavondje op het hoofdbureau wees uit dat het om een intiem samenzijn van Remo en zijn vrouw ging. De cassette werd discreet op z’n vindplaats teruggelegd, maar loslippigheid had het kwaad al gesticht. In de pers verschenen berichten over op de moordplek gevonden pornofilms, die niet zozeer groepserotiek te zien gaven als wel hele troepenbewegingen van op scherp gezette lust. De vrouw des huizes zou zich uit gastvrijheid aan alle deelnemers hebben gegeven, met name aan een bolpootvormig groot geschapen neger, die zijn taken voor Hurly Burly kennelijk nog even had opgeschort. Nog weer later kwamen er verhalen in de wereld over films die van de moorden zelf zouden zijn gemaakt: gewild verzamelobject voor perverse miljonairs. Van de opbrengst zou The Circle verdere uitbreiding van de oorlog hebben willen bekostigen, op z’n minst een bevrijdingsactie om de leider weer in z’n midden te krijgen.
De waarheid was dat een mens nou nooit eens van z’n speeltjes af kon blijven. Remo had de videoapparatuur van zijn filmmaatschappij in bruikleen, voor thuiswerk. Aan het eind van de Dag des Overvloeds, die gouden zaterdag in november ’68, had hij behoefte aan een derde oog in de slaapkamer, een zwijgende, hooguit zacht brommende getuige van zijn geluk, die in latere jaren op afroep het bewijservloeiende liefde zou kunnen leveren. Remo stelde het apparaat in, en richtte het op het bed. ‘Ik weet niet welke rol ik moet spelen,’ zei zijn meisje zoet verlegen.
‘Laten we net als anders doen.’
‘Ik weet niet meer hoe net als anders is,’ pruilde ze lief.
Eerst schroefden ze met een reeks Manhattans het geluk verder op, en nu moest de onvermijdelijke omhelzing worden vastgelegd en ingeblikt, alsof die daardoor meer waard werd – voor henzelf, voor het nageslacht, voor het liefdespotentieel van de wereld. Hoogmoed. Het werd niet net als anders. Omdat Sharon zich begluurd voelde, verzette ze zich halfslachtig, als een onwillig toegeeflijke puber. ‘Zadelpijn.’ Als ze zo zacht bleef fluisteren, haalde haar stem de band niet. ‘Ik wil de doorrijplekken er niet op, hoor.’
Haar lijfje gloeide, van de scotch en van het paardrijden door de sterk afkoelende namiddag. Ze was een meisje dat koortsachtig gespeeld had, ook letterlijk tot aan de grens van de koorts, en nu thuis een behaaglijk holletje zocht, ondertussen alles om zich heen verwarmend met haar eigen kleine, hete lichaam. ‘Vind je me nog wel een beetje lief?’
‘Luider, schat, anders pikt de installatie het niet op.’
De ontroerende sensatie van een broekje dat, om een ongeduldige hand gehaakt, met elastische sprongen zijn weg naar de enkel vond, dralend in een knieholte – nooit ging het over. Zelfs nu ze zich door de camera geremd voelde, was ze gul met haar lichaam. Ze was altijd gul voor hem, in alles. Het enige dat ze terugvroeg, was om hem elke dag iets van haar overvloed te mogen geven. En dat... dat was nou juist vaak te veel van hem gevraagd.
Als ze die avond, zoals ze allebei zeker meenden te weten, hun kind hadden verwekt, dan stond die gebeurtenis op video. Nooit waren de geruchten ontzenuwd dat ook z’n ongeboren dood op film was vastgelegd.
14
Voor het sollicitatiegesprek in Vacaville, ten noorden van San Francisco, huurde ik bij EconoCar een Chrysler Cordoba. Twee dagen, en het kostte me nog geen veertig dollar. Ik wilde wel eens in zo’n bak de kustweg op, achter het spook van een zwarte schoolbus aan. De afspraak was op maandag de eenentwintigste november, maar ik wilde op zondag eerst naar Sacramento, meer naar het oosten. ‘Als u niet aan automatische transmissie gewend bent,’ zei de jongen die de sedan voor me uit de garage had gehaald, ‘leert u dan om te beginnen af het orgel met twee voeten te bespelen.’
Ik nam zijn beeldspraak ter kennisgeving aan. Hij kreeg pas betekenis toen ik bij de eerstvolgende kruising plotseling moest remmen voor een station wagon vol kinderhoofdjes met clownsgezichten, die geen voorrang gaf. Omdat ik geleerd had orgel te spelen met twee voeten drukte ik niet alleen de rem met z’n extra hydraulische bekrachtiging in – ook, in een overbodige poging te ontkoppelen, het gaspedaal. De Chrysler maakte een sprong op de plaats, en ik, zonder riemen, sloeg met mijn hoofd tegen de voorruit. Er zijn van die builen die je sneller voelt groeien dan een erectie, en zo zie je de bult ook, door een rode mist van woede en zelfhaat heen: als een zich rekkend gewei van hard aangestampt vlees. Geen koeltas met ijs bij de hand om de zwelling te stoppen. Zelfs geen Buckmes om het koele lemmet tegen de buil te leggen.
Alvorens de snelweg op te gaan ben ik eerst maar eens een tijdje in een rustige zijstraat met de automatische versnelling gaan oefenen. Ik begreep algauw wat de truc was. Verschraling van de orgeldienst. De balgentreder mist zijn linkerbeen, moet je bedenken. Zet het weg, Spiros. Helemaal naar links ermee. Laat het slapen. Rechtervoet paraat bij de twee pedalen. Het diende een automatisme te worden om bij gedwongen stoppen de rechtervoet van het gas te halen en op de rem te plaatsen. Pas toen ik in een eenbenige belaar was veranderd, durfde ik de Freeway op.
Laat die zondagmiddag, er hing al een begin van schemering, liep ik in Sacramento de wandeling na die Gerald Ford op 5 september 1975 had gemaakt van het Senator Hotel via Capitol Park naar het Statehouse voor een ontmoeting met de gouverneur. Zelfs slenterend legde je de afstand binnen twee minuten af. Maar een echte wandeling was het voor de president maar half geworden.
Met een foto uit de Sacramento Bee erbij zocht ik de boom op die Squeaky na haar overmeestering tot tijdelijk schavot gediend had. Via een welzijnswerker in San Quentin had zij haar meester laten weten een manier te hebben gevonden de reuzenpijnbomen van Californië te redden. Als martelares voor de redwoods droeg zij een opvallend rood gewaad, dat met z’n zedige capuchon het midden hield tussen een nonnenhabijt en de regenmantel van een negentiende-eeuwse dienstmaagd. De jurk liet zelfs geen enkel bloot, maar langs haar been slingerde zich een elastische slang omhoog, halverwege door de holster met de automatische Colt .45 geregen, en dat serpent was haar gezonden door de Cherokee Sequoya, die zijn naam aan de reuzenpijnboom had gegeven. Na de mislukte aanslag kreeg zij van haar goeroe in San Quentin de erenaam Sequoya Squeaky.
Arme Lynette – want zo heette ze voor de rechercheurs die haar van de geheime agenten overnamen. Op de foto stond ze omringd door politie, handen op de rug geboeid, met haar roodharige hoofd tegen een boom geleund – geen sequoia, maar een magnolia. Ze had het decor van haar gedroomde triomf slecht gekozen. Gerald Ford was toen allang door zijn veiligheidsmensen hardhandig naar het state house gevoerd. Voor het eerst in tijden had de president, om de sportbenen van de geheime agenten bij te houden, echt moeten rennen – voor zijn leven nog wel. Hij was zodanig buiten adem dat de natie, goedbeschouwd, minutenlang zonder president zat.
Die namiddag van de vijfde september 1975 was het, als kersverse gezinsvoogd, mijn taak om samen met de aanstaande pleegmoeder de bijna tweejarige Tibbolt van Rotterdam naar Amsterdam over te brengen. Alsof hij nu al zijn tijdelijke gastgezin miste, krijste hij op de achterbank de hele weg van de Crooswijkse abattoirbuurt tot aan zijn nieuwe huis op de Hugo de Grootkade. Ter hoogte van Leiden kwamen toen de eerste, nog verwarde berichten over een aanslag op Ford via de autoradio binnen. Op het moment dat de naam Squeaky viel, begon er iets in mij te tintelen. Het was voor het eerst sinds de afschaffing van de doodstraf in Californië, februari ’72, dat er een lichtpuntje hoop in me opgloeide voor een vervolg van de ontspoorde tragedie. ‘Schrik niet te erg,’ zei ik tegen Ulrike Tornij, die op de achterbank de peuter probeerde te sussen. ‘De Amerikaanse president vermoord door een bende extremisten.’
‘Uitgerekend vandaag,’ zei ze met verstikte stem. ‘Nu ik eindelijk moeder word.’
Nog geen minuut later werd de radiomuziek onderbroken voor een bulletin met de strekking dat ‘de president niets mankeerde’, en dat de vrouwelijke dader gearresteerd was zonder een schot te hebben kunnen lossen. ‘En dat noem jij een bende,’ zei de jonge pleegmoeder.
‘Achter een muurtje zitten er altijd nog meer,’ zei ik, met al vervliegende belangstelling. Het zou opnieuw twee jaar duren, tot aan de Münchense oktoberfeesten van 1977, voor mijn belangstelling voor die oude geschiedenis weer gewekt werd, en dan nog flauwtjes. Als mijn oude Berlijnse collega Detlev niet zo’n sprekende foto voor Der Mückenstich had geschoten, was ik nu, twee maanden later, niet in een vierdeurs rammelkast over de Interstate 80 op weg geweest van Sacramento naar Vacaville. Dixon lag achter me.
15
Wie vanaf de receptie de brede oprijlaan naar de California Medical Facility voor zich zag liggen, met al die witte kubussen in de verte moest eerder denken aan een laboratoriumcomplex dan aan een gevangenis met medische voorzieningen. Zelfs de achthoekige wachttoren kon net zo goed een noodzakelijke verheffing in het fabrieksterrein zijn voor de bedrijfsleiders, om allerlei ingewikkelde operaties te coördineren. Op het dak ervan stonden antennes en iets dat op een radarinstallatie leek, wat op een mediacomplex kon wijzen of een militair instituut – alles eerder dan een strafinrichting. Toch was dit Vacaville, en ergens daarbinnen op een ziekenzaaltje lag, aan niet meer vastgeketend dan een infuus, de man die, om zo te zeggen, mijn bestaan weer zin kon geven.
Tussen de pijnlijk nauwgezet bijgeknipte struiken op het terrein buiten de slagboom waren tenten opgezet – sommige in felle kleuren, andere van uitgeloogd kaki. Het viel me op dat het struweel zorgvuldig door touwen, haringen en tentdoek gespaard werd. Er was zelfs, bij wijze van latrine, een gat in de grond met aan drie zijden, tussen stokken, een jute afrastering. Aan de open zijde staken twee paaltjes uit de aarde: handvatten voor de stoelgang. Op de resten van een klein kampvuur moest iemand water hebben gegoten, want as en houtskool waren nat, en produceerden met zacht gesis meer stoom dan rook. In het kamp was geen mens te zien.
Het Choreo dat ik de vrijdag tevoren gezien had, was een negentiende-eeuwse kazerne, later omgebouwd tot gevangenis. Alles oogde en rook er oud. Zelfs de uniformen van de bewakers leken er, door overbewassing, valer dan hier in Vacaville, waar alles nieuw en schoon was – steriel zelfs, als in een echt ziekenhuis. Aan de receptiebalie, met zelfs geen koffiekring erop, herinnerde ik aan de telefonische afspraak voor een sollicitatiegesprek. Ik noemde mijn naam. ‘Is het voor een vacante betrekking van bewaarder?’ vroeg de receptionist met het kaneelbruine Thunderbirdsgezicht.
‘Keukenpersoneel,’ zei ik. ‘Afdeling hogedrukpannen.’
Begrijpelijk, toch teleurstellend, dat ik niet als in Choreo bij de directeur ontboden werd. Maar de bedrijfsleider van het keukenpersoneel had ook briefpapier van de gevangenis in zijn kantoortje liggen, te midden van allerlei formulieren op een wandstellage. Het gesprek duurde kort. Als ik de baan accepteerde, zou mijn taak uit niet meer bestaan dan het controleren van de hogedrukmeters op de snelkookpannen groot als kernreactors. Toen de bedrijfsleider mij om adres en telefoonnummer van mijn hotel in Los Angeles vroeg, hing mijn hand al boven het stapeltje postpapier. ‘Mag ik?’
Ik noteerde het gevraagde, en keek nog eens naar het postpapier. ‘Zo’n uitvoerig briefhoofd zie je zelden. Alleen de naam van de directeur ontbreekt.’
‘Hij is net nieuw. Rheinstrom.’ Hij spelde de naam. Bij het afscheid had ik drie onbeschreven velletjes postpapier van CMF in mijn tas.
16
Haar zwangerschap, ook zoiets. Van meet af aan een zaak van vrienden en kletstantes. Ze droeg een spiraaltje, raakte toch in verwachting, dus was het kind ongewenst. Na haar dood beweerden allerlei duistere geïnterviewden om strijd dat hun ‘vriendin’ Sharon de zwangerschap voor haar man geheim had gehouden tot het te laat was om nog een abortus te laten plegen. De waarheid was dat ze samen na twee weken uitgebleven menstruatie naar het ziekenhuis gingen, waar de bevruchting werd vastgesteld. Meteen daarna gingen ze naar Dr DeRienzo, die het spiraaltje had ingebracht – zogenaamd om verhaal te halen, maar zichtbaar gloeiend van het onverwacht gelukkige nieuws. ‘Hoe kon dit gebeuren, dokter?’ Remo probeerde streng te kijken, maar had het gevoel of de vonken in zijn ogen hem verrieden.
De arts spreidde zijn armen, waarbij de panden van zijn witte jas uiteen fladderden. ‘Mag ik openhartig zijn?’ Sharon keek naar Dr DeRienzo of ze hem elk moment om de hals kon vallen, zo gulzig dankbaar was ze voor zijn misk. Haar gezicht was branderig rood.
‘Dat eis ik van u,’ zei Remo.
‘Uw vrouw,’ begon de arts, grauw van ernst, ‘is blijkbaar een van die, nou ja, uitzonderlijke natuurschepselen waartegen... elk kunstmatig hulpmiddel het aflegt.’
‘Dan hoop ik niet,’ zei ze stralend, ‘dat ik ernstig ziek word. Want dan zullen medicijnen niet helpen.’
‘Dat is het ’m nou juist,’ zei Dr DeRienzo, het verwijderde spiraaltje omhoogstekend. ‘Wie zwanger raakt... als het ware om zo’n rotsvast anker heen... die zal ook nooit ziek worden.’
‘O, wat vind ik dit erg,’ riep Sharon, in haar handen klappend. ‘Ik haat de medische wetenschap.’ Zij vloog overeind, en daar had Dr DeRienzo alsnog zijn omhelzing te pakken. Pas toen keerde ze zich naar Remo, met een vlekkerig pruilmondje, waarvan de verf nu op dokters wangen zat. ‘Je bent toch niet boos?’
Remo, in gedachten, vergat haar te kussen. Hij was al aan het rekenen: groter huis, betere contracten, minder vaak op reis. Verstrooid nam hij afscheid van Dr DeRienzo. Er zat ook lipstick op de kraag van de doktersjas, en met haar aanplakwimpers, ten overvloede bijgeverfd, had Sharon nog wat rimmel over de arts z’n neus gepenseeld. ‘Het went wel, liefste,’ zei ze op de gang, haar adem heet in zijn oor.
17
De cryptische boodschap als panacee, dat was ooit het voornaamste product van het bedrijf dat ik leidde. De voetballer werd trainer, en zo schreef ik nu horoscopen voor WorldWide en WereldWijd. Mijn liefde voor codering en cryptoanalyse was jong gebleven. Een misleidende codenaam, een gekmakend geformuleerde orakelspreuk – middenin de nacht mocht ik ervoor wakker gemaakt worden. Vaak had ik nog meteen de sleutel te pakken ook.
Een codenaam als Deep Throat had bijna de grootste democratie ter wereld om zeep geholpen. Op de gevel van een Amsterdamse bioscoop stond de film indertijd, wel erg vrij vertaald, als Fok-Strot aangekondigd: een voorschot, dacht ik, op de fonetische spelling. Er was nog een hoekplaats stalles vrij. Als ik naar rechts keek, naar al die aaneengesloten mannenschoten, was het net of ik mijn blik over een volle hoedenplank liet dwalen. In vroeger tijden gingen vrouwen met een afwijking, bijvoorbeeld twee hoofden of drie borsten, op de kermis staan; eind twintigste eeuw was er de camera. De spil van de documentaire, Linda Lovelace, had een gouden keeltje met een geheim: waar normale vrouwen een huig hadden, droeg zij haar clitoris. Zo werd het lid minder belangeloos verzwolgen, en bleek kokhalzen een uiting van genot.
Geen van die hoog ingeschaalde puzzelaars bij de FBI heeft ooit Watergate uit Deep Throat weten te herleiden. En waarom niet? Ze probeerden Deep Throat uit Watergate te herleiden. Eerst was er het schandaal, zo redeneerden ze, toen de informant – en die liet zich Deep Throat noemen, omdat een geheime informant nou eenmaal niet zijn eigen naam kon gebruiken. Maar waarom Deep Throat, mijne heren?
Nixon trad af, om plaats te maken voor Ford als doelwit van Sequoya Squeaky, en het belangrijkste exportartikel van Amerika, de democratie, was gered. Al jaren voor het verkeerd begrepen Deep Throat was zo’n zelfde fragmentatiecode op de Verenigde Staten losgelaten: Hurly Burly. De verbale splinterbom kwam in handen van de slechte verstaanders, en ontplofte tenslotte in de verkeerde gezichten. En weer was de democratie veiliggesteld, zonder dat mijn honger verzadigd raakte.
Het beste wat je ervan zeggen kon, was dat de Hurly Burly’s en de Deep Throats, na het passeren van de mazen in Amerika’s orde, diep en ontwrichtend in de samenleving konden doordringen. Als mij dat, ook zonder dat het gestelde doel bereikt werd, in zo’n omvang gelukt was, kon ik het frauderen op veel kleinere sc aan. En garde, Spiros!
Nadat ik van Vacavilles keukenmeester een paar details had losgekregen over de bijna dodelijke godsdienstruzie in de werkplaats van CMF, noemde ik mijn nieuwe onderneming: Cosy Horror.