Maandag 26 december
1977
Kraamvrouwenkoorts
1
‘Zoals je al begreep, zit ik hier incognito, en dat wil ik ook graag in brieven zo houden. Er is hier niemand die de taal kan lezen, maar juist daardoor raken ze door namen in het geschrevene gealarmeerd; in twijfelgevallen zijn ze in staat de hele brief tegen te houden. Richt je voluit tot Remo Woodehouse, en reduceer alle andere namen tot een initiaal (zonder punt). Als je wilt weten waarom ik Woodehouse tot tijdelijke achternaam heb gekozen, denk dan aan de glansrijke Londense première in 1968. Meer kan ik niet zeggen.
Voor Remo moet ik misschien je geheugen opfrissen. De mooie Franse voornaam die mama en jij me bij mijn geboorte gegeven hebben, werd later op school verbasterd tot: Remo. Misschien had ik er minder onder geleden als hij niet met zoveel hoon was uitgesproken. Ik weet niet meer of ik me er bij jullie over heb beklaagd destijds, zodat “Remo” je misschien niets zegt; ik heb me er tenslotte zelf uit gered door een afgesleten naam van de straat aan te nemen, zeer tot jullie ongenoegen. Toen mijn advocaat erop aandrong een schuilnaam te prikken, voor in de gevangenis, heb ik voor de oude verbastering Remo gekozen. En wat denk je, papa? Ik vind het prettig hier Remo genoemd te worden, en niet alleen omdat het mijn incognito bevestigt. Gewoon, omdat het me dichter bij mijn vroegste jaren met mama en jou brengt. Ook al gaat het om een misvorming, die hier ook nog eens verengelst wordt, in elk “Remo” klept het klokje van mama’s stem. Ze bestaat dus nog ergens in de wereld.’
Erg roekeloos van gevangene Woodehouse om er zo vanzelfsprekend vanuit te gaan dat niemand in Choreo zijn moerstaal beheerste, al was het in mijn geval dan alleen passief. Op tweede kerstdag begon mijn dienst al vroeg, maar behalve de routinecontroles was er weinig te doen, en ik vroeg Burdette (die als tijdelijke hoofdbewaker van de EBA de afwezige Carhartt verving) om administratief werk. Hij had me, met het reglement erbij, aan het censureren van de uitgaande post gezet. De passage met het verzoek om namen tot een onopvallende initiaal terug te brengen maakte ik met viltstift zwart. Eens zien wat Remo’s oudeheer me de volgende keer kon onthullen.
‘Op hoog bevel van mijn advocaat heb ik ook een baard laten staan. Ik vermoed dat zelfs jullie me niet zouden herkennen. En, schrik niet: ik draag een bril. Ja, papa, je leest het goed: je eniggeboren zoon, met zijn arendsogen, heeft een fok op zijn gok, en verdient eindelijk de erenaam brillenjood. Onder ons: het is het schildpadden geval dat na de verschrikkingen in mijn huis werd gevonden en nooit door iemand is opgeëist. Omdat het als stomme getuige alleen maar tot dwaalsporen leidde, en als bewijsstuk had afgedaan, wist de recherche niets beters te bedenken dan het te retourneren naar de vindplaats. Om mijn incognito te vervolmaken heb ik er door een opticien neutraal glas in laten zetten. Niemand heeft me hier tot nu toe herkend. Zelfs de pers aan de ingang zag me bij aankomst over het hoofd, en dat wil wat zeggen.
Ach, hoe lang is het niet geleden dat ik jou zo geduldig, knagend op het achtereind van een potlood, een brief met de hand heb geschreven? Kort na de oorlog, denk ik, toen ik op het land bijkwam van die klap op mijn kop. Trouwens, een potlood is ook al geen onschuldig voorwerp meer sinds ik hier zit. Wat mijn brein kwijt wil, zoekt via het potlood z’n weg naar het papier. Hier zoekt het potlood even vaak z’n weg naar het brein. Meer zeg ik niet, anders maak je je maar extra zorgen.
Breng al mijn liefs over aan Kika. Druk haar op het hart dat ze, mijn aanvankelijke afwijzing ten spijt, een goede tweede moeder voor mij is geweest.
Papa, ik omhels je,
Remo (uit te spreken met mama’s accent)’
Voor de adressering gebruikte hij de meisjesnaam van zijn stiefoor de vorm zwartte ik hier en daar een woord weg, zonder de begrijpelijkheid aan te tasten. Ik hechtte de envelop met een paperclip aan de brief, en wierp het geheel in het bakje UITG./GOEDGEK.
Omdat ik de deur van de loge altijd open liet staan, had ik de stemmen van de schoonmakers al gehoord. Ze stonden bij de bezemkast te wachten tot iemand van ons hem open kwam doen. Door de verraderlijke akoestiek van de EBA kon ik ze, in de loges van zowel de eerste als de tweede verdieping, vrij goed verstaan, ook al spraken ze op normale sterkte. Zelfs sotto voce wisten sommige mededelingen me te bereiken.
Ik was net opgestaan om ervoor te zorgen dat de twee kleine opdonders bij hun spullen konden toen ik Burdette al op ze af zag lopen.
2
Nou niet over zijn vernedering in de kapel beginnen.
‘Hoe was jouw Kerstmis, Scott?’
Maddox liet de bezemsteel tegen zijn schouder rusten, en spreidde zijn armen. ‘Li’ll Remo, ik had een witte kerst. En moet je nu zien.’
Het verband, zaterdag nog verschoond, zag eruit alsof de drager zich dagenlang door het stof van zijn cel had gewenteld.
‘Nog pakketjes ontvangen?’
‘Dit is Scotts kerstgeschenk.’ Maddox gaf een doffe klap op zijn ingezwachtelde hoofd – op de kruin, waar de minste pijn school.
‘Wordt het geen tijd dan dat je het eens uitpakt?’
‘Pas als de boom er zijn naalden over uitstort. Ik kan wachten.’
‘Geen slechte eigenschap, Scott, voor een tot levenslang veroordeelde.’
Maddox zette zijn bezem weer in de veegstand, maar zonder hem in beweging te brengen. ‘Mijn oom en tante hadden een pakketje voor me onder de boom gelegd. Van Santa Claus, zeiden ze, mocht ik het pas uitpakken als mijn moeder terugkwam.’
‘En dat gebeurde kort na kerst.’
‘Li’ll Remo...’ Het leek of iets slijmerigs in de keel Maddox’ stem extra diep liet grommen. ‘Het duurde nog twee volle maanden.’
Remo liet de houten zijkant van zijn veger op het basalt neerkomen, om er stof uit te slaan dat hij nog helemaal niet vergaard had. ‘Waar moest ze helemaal vandaan komen dan, je moeder?’
‘Uit de gevangenis. Het was niet ver. Ik bezocht haar elke zondag.’
‘En toen ze vrijkwam?’
‘Mijn cadeau lag nog op de plaats van de boom. Het kerstpapier was helemaal verschoten.’
‘Wat een jeugd, Scott. Ze hebben mijn moeder ingesloten toen ik zeven was. Ik heb haar nooit teruggezien.’
‘Levenslang... En nooit op bezoek geweest?’
‘Ze kreeg de doodstraf.’
‘Waarvoor?’
‘De een heeft verkeerde vrienden. De ander verkeerde familie.’
‘In welke staat?’
‘Vegen, Scott. Burdette staat te loeren.’
Toen Remo al vegend bij zijn eigen deur was aangekomen, liet hij zijn blik even langs de glazen varkenskooien gaan. Niemand op de uitkijk. Hij stapte zijn cel binnen, en klom op de radiator. Het heldere weer deed de rode en blauwe tenten scherp uitkomen, waardoor het kamp dichterbij leek dan een dag eerder. Wel stond er een straffe wind, die de strengen wasgoed tussen de tentpalen hoog opwierp. Een shirt of vest raakte los van de lijn en werd tegen de omheining aan geblazen, waar het in het prikkeldraad bleef hangen.
‘Hoe ziet de vrijheid er vandaag uit, Li’ll Remo?’ In de deuropening stond Maddox met een plastic emmer aan de hand. ‘Laat mij eens kijken.’
‘Mijn cel uit, jij. Dit uitzicht is van mij. Jij hebt dplaats.’
‘Er komt net een opdracht van Burdette binnen. Het traliewerk.’
3
Tweede kerstdag, en de Choreaanse routine werd alweer hervat. Ik was blij terug op het rooster te zijn, want al had ik niet direct de indruk dat er iets te gebeuren stond, ik wilde die twee onderdeurtjes liefst geen moment uit het oog verliezen.
Misschien omdat het toch een bijzondere dag was, een christelijk feest nog wel, werd in de douches een afvallig lid van de Arische Broederschap verkracht. Het gebeurde achter de rug van collega Mattoon, die altijd precies wist wanneer zich om te draaien. (‘Het is zijn manier,’ zei bewaker Tremellen, ‘om aan te geven dat hij ook een beurt wil.’) Geen van de douchers had natuurlijk weer iets gezien. Voorzover adjunct-directeur Harold Bell het incident kon reconstrueren, had een speciale krijgsraad van de AB besloten het beulswerk, bij wijze van bonus op de vernedering, door een willige zwarte te laten verrichten. De verkrachter ontving tien dollar voor het karwei, plus een huisgemaakt glijmiddel. Nooit zou de afvallige meer in de boezem van de Broederschap kunnen terugkeren, zelfs niet als de beschuldigingen op een misverstand bleken te berusten: hij had immers zijn Arische inborst geschonden door het met een neger aan te leggen.
‘Spiros...!’ Als ik mocht afgaan op zijn commandotoon, die met de dag luider klonk, had Burdette zichzelf alvast promotie toegekend. ‘Spiros, ga jij gedetineerde Woodehouse zeggen dat de directie hem toestaat zich beperkt onder zijn medegevangenen te begeven.’
‘Luchten?’
‘Beperkt. Hij dient zich te onthouden van groepsgedrag.’
‘Douchen?’
‘Voorlopig nog alleen. Onder toezicht. Niet van Mattoon.’
‘En de schrijfmachine?’
‘Een uur per dag. Mannetje voor de deur. O’Melveny wil het ding eerst uit elkaar gehaald zien. Tot het laatste schroefje.’
Besluipen kon je het niet noemen, maar toegegeven, de van staatswege ontworpen rubber profielzolen garandeerden de bewaker, mits hij niet rende of slofte, een vrijwel geluidloze tred – en zo stond ik opeens vlak achter de twee, zonder dat ze me hadden opgemerkt. Ze waren bezig de verschuifbare traliehekken tussen de hal van de EBA en de gang naar de noordvleugel een beurt te geven.
‘Van die meniekleur moet ik zo langzamerhand spugen,’ zei Remo. ‘Het geeft zoiets... voorlopigs aan al die gangen en vleugels. Dat is het. Als bij een gebouw dat nog in de steigers staat.’
‘Volgens De Griek,’ gromde Maddox, ‘is het de eigenlijke kleur van Choreo.’
Uit een plastic flacon, met een kleine hendel aan de hals, spoot Remo een blauwe vloeistof in een lap, en haalde die langs een tralie. Hij opende de doek vlakbij Maddox’ vrije oog, om hem te laten zien dat de verf rood afgaf. ‘Het is menie, Scott. Al het hekwerk staat in de grondlak.’
‘De loodmenie van de Choreaanse ziel, Li’ll Remo. Zo ziet De Griek het.’
‘Nooit geweten dat Agraphiotis bijkluste als gevangenisaalmoezenier.’ Remo ging door met krachtig de verf van de spijlen te boenen. ‘Aw, mijn hand wordt er gloeiend van.’
‘Weet je, Li’ll Remo, die Griek,’ (Maddox liet zijn stem tot een bijna gorgelend gegrom dalen) ‘daar zit een luchtje aan.’
‘In noordelijk Europa zeggen ze dat iedereen ten zuiden van Parijs onder z’n neus vandaan stinkt. Bedoeld is dan verschaalde knoflook.’
‘De bajesveteraan in mij zegt, Li’ll Remo, dat hij zijn werk heel behoorlijk doet. Ik bedoel, voor een beginneling. Maar hij hoort hier niet. Scott voelt het aan het steken van de brandwonden A2 en B3. Linkeroog en rechterka
‘Hij is te ontwikkeld.’ Remo liet de nu geheel rode lap op de grond vallen, bekeek zijn besmeurde handen, en nam een schone witte doek uit de emmer.
‘Dat bedoel ik. De Griek, die weet te veel. Als een gestudeerd mens dit soort strontwerk gaat aanpakken, dan is er iets grondig...’
Zo was het wel genoeg geweest. ‘Het doet me deugd,’ zei ik, ‘om jullie ook achter mijn rug met zoveel warmte over mij te horen praten. Zo moet het zijn als je aanschuift bij je eigen begrafenis.’
‘Mr Agraphiotis,’ riep Maddox met plotseling luid krakende stem, ‘u staat achter onze rug.’
‘Kijk,’ zei Remo, mij de poetslap voorhoudend. ‘Choreo bloedt.’
‘Ik dacht, Woodehouse,’ flapte ik eruit, ‘dat jij vermiljoen onderhand wel van een echte bloedkleur wist te onderscheiden.’
Het was de stomst mogelijk verspreking, van het soort dat al lang voor Freud bestond, maar zij richtte voorlopig weinig schade aan. Via een kier in Maddox’ zwachtels wisselden de twee mannen een niet-begrijpende blik. Hun verstandhouding had iets ondraaglijks.
‘Woodehouse,’ zei ik, ‘als je bereid bent op de binnenplaats afstand te houden van allerlei groepen, mag je met ingang van morgen een uur luchten. Gewone tijd, tussen tien en elf.’
‘En mijn compagnon hier?’ vroeg Remo.
‘Die werkt tijdens het luchtuur gewoon door.’
‘Met plezier,’ zei Maddox. ‘Wie bereid is zich daarbuiten de strot te laten doorbijten, krijgt weinig frisse lucht binnen.’
4
‘Wat heb jij, gevangene Woodehouse, wat Scott mist,’ gromde Maddox zacht, terwijl ze De Griek nakeken.
‘Het klinkt niet als een vraag,’ zei Remo, ‘dus zeg jij het maar.’
‘Ik antwoord met een vraag. Een die ik al eerder gesteld heb. Little Remo, wat brengt jou naar Choreo?’
‘Vroeg of laat krijg je het wel te horen.’
‘Als het niet uitmaakt, vroeg of laat, waarom dan nu niet?’
‘Later.’
‘Langgestraft?’
‘Drie maanden. Psychiatrie.’
‘Gesnapt. Binnen twee maanden slaap jij weer naast moeders.’
‘Mijn vrouw was dood, weet je nog?’
‘In het kraambed.’
‘Zoiets.’
‘Ik snap het.’
‘Nee, je snapt het niet. Later.’
‘Was je erbij, Li’ll Remo?’
‘Waar... wanneer?’
‘Toen je echtgenote aan de kraamvrouwenkoorts bezweek.’
‘Het gebeurde onverwacht. Ik was weg. Voor zaken.’
‘Je hebt het haar alleen laten opknappen.’
‘Er viel voor haar niets op te knappen. Een ongelijke strijd. Geen eer aan te behalen.’
5
‘Wij hebben ook een huiszoekingsbevel voor de Mulholland Drive,’ had de hulpofficier van justitie gezegd. ‘Bent u genegen om daarbij aanwezig te zijn?’
Ze stonden met z’n vijven, Remo nog in smoking, rond de salontafel van de overhoopgehaalde suite.
‘Ik ben tot alles bereid,’ zei Remo. ‘Als het maar bijdraagt aan de oplossing van dit akelige misverstand.’
Inspecteur Flanzbaum, die voor hem uit liep naar de deur, tilde in het voorbijgaan heel even de zilveren stolp van de zalm op de serveerboy. De gerookte vis was al aan het verkleuren, maar Flanzbaum dekte hem met een spijtig bromgeluid weer af. Hij had wel zin gehad in zo’n fluwelen lik.
Remo ook trouwens, nu hij in zijn cel Homy’s beweer voor zich zag – en dan hadden de lappen zalm nog verder mogen verdonkeren en uitdrogen, tot ze op kromgetrokken schoenzolen leken.
Als Remo had gedacht die namiddag zijn cel leeg aan te treffen, vergiste hij zich. Wendy had hem voor zich uit een fuik in gedreven die bij de gevangenis uitkwam. Zich overgeven aan een straf, had Remo gemerkt, kon heel bevrijdend zijn. Het was daarom rechtvaardig geweest als de tralies hem van haar hadden verlost. Maar ranke typetjes als zij glipten overal binnen, tussen twee spijlen door... via het luchtrooster... een tochtkier...
Zolang Remo met Maddox de Ring aan het schoonmaken was, deed de vraag ‘waar ging het mis?’ zich niet voor. Het was eenvoudig fout gegaan, en daarom dweilde hij nu de Extra Beveiligde Afdeling van Choreo. De vraag besprong hem pas weer als hij op zijn brits lag – misschien vanuit het zorgvuldig intact gelaten spinnenweb waar hij urenlang in trance naar kon liggen kijken. Of er precies zeven fruitvliegjes rondom de spin in het web hingen, viel moeilijk uit te maken, maar het raadsel was zevenkoppig vandaag. (1) Inderdaad, waar ging het mis? (2) Had hij zich erin laten luizen? (3) Zo ja, door wie? Moeder, dochter, immigratiedienst? (4) En zijn eigen rol: was hij te kwader trouw geweest? (5) Zo nee, dan op z’n minst gebrekkig integer? (6) Kon je een meisje een suikerklontje toedienen als was het een paard? (7) Had de familie Jacuzzi met de uitvinding van het bubbelbad de mensheid een dienst bewezen?
Er waren tijd en paniek in overvloed om alle vragen aan bod te laten komen.
In twee auto’s ging het naar de Mulholland Drive. Remo zat naast Flanzbaum op de achterbank van een Chevrolet Monte Carlo, bestuurd door de hulpofficier van justitie. De twee rechercheurs deden in een Ford Pinto hun best de grote broer bij te houden.
‘Ik garandeer niet,’ zei Remo, ‘dat er behalve de huisbewaarster iemand is.’
‘U hoeft ons niets te garanderen,’ zei Flanzbaum. ‘Wij komen toch wel binnen.’
Zelfs de huisbewaarster moest uit zijn, want ook na herhaald aanbellen bleef het elektronische hek dicht. Om te laten zien dat hij alle medewerking wilde verlenen, ontsloot Remo de poort handmatig, door tussen de spijlen door te reiken en een knop op een paaltje in te drukken. Het aluminium gevaarte ging zoemend en klapperend open.
‘Mooi,’ zei Flanzbaum, ‘dan weten we meteen hoe u hier met Miss Zillgitt binnengekomen bent.’
‘Ik ben zelf de twijfelachtig gelukkige bezitter van precies zo’n hek geweest. Niets bijzonders aan te zien, maar het is wereldberoemd geworden. De huidige bewoners overwegen hun huisnummer te veranderen. Om fotograferende toeristen van de poort te weren.’
‘Dan hoop ik voor u,’ zei Flanzbaum, ‘dat dit niet uw tweede wereldberoemde hek wordt.’
‘Hoe dan ook, erdoorheen,’ zei de hulpofficier door het open portierraam. De inspecteur en zijn arrestant stapten in, en gevolgd door het Fordje reed de Chevy op de contouren van twee onverlichte huizen af.
‘Ondervraagt u de huisbewaarster,’ zei Remo. ‘Zij heeft ons gisteren opengedaan.’
‘Als ze bestaat,’ zei Flanzbaum.
Wie in ieder geval bestond, al was het niet in het volle licht: Anjelica. De rechercheurs vonden haar op de bank in een donkere huiskamer, met alleen de gloeiende punt van haar sigaret zichtbaar. Er werden lampen aangedaan.
‘U heeft niet gereageerd op ons aanbellen,’ zei Flanzbaum tegen Anjelica.
‘Ja, ziet u, de huiseigenaar en ik zijn sinds kort uit elkaar,’ zei ze, Remo met een vuile blik aankijkend. ‘Ik behoor hier helemaal niet te zijn.’
‘U zat in het donker op iemand te wachten.’
‘Ik kwam wat spullen van mezelf ophalen. en.’
‘En waar is de heer des huizes?’
‘Aspen, Colorado. Skiën.’
‘Ondanks uw verboden aanwezigheid hier,’ zei Flanzbaum kalm, ‘heeft u gisteren wel deze heer binnengelaten. Met een minderjarig meisje.’
Als ik Flanzbaum was, dacht Remo, zou ik zeker ook de haatdragende blikken van Anjelica naar mij in zijn proces-verbaal opnemen, want die vertellen meer dan haar woorden. ‘Ik was niet thuis,’ zei ze.
‘Hoe kwamen ze dan binnen?’
‘Via de huisbewaarster, neem ik aan.’
‘U heeft niets van hun aanwezigheid gemerkt?’
Anjelica keek Remo aan. Het was vragend bedoeld, maar walging vernauwde haar ogen. Hij knikte. Ze zei: ‘Toen ik thuiskwam, waren ze er.’
‘Foto’s aan het maken...’
‘Ze gingen net weg. Het begon donker te worden.’
Flanzbaum wendde zich nu tot Remo. ‘De plekken waar u het meisje gefotografeerd heeft... kunt u ons die laten zien?’
6
Liggend op zijn brits, de ogen nu stijf dicht, ging Remo zijn gangen met Wendy na – tot waar het verkeerd kon zijn gegaan. Hij zag zichzelf de dingen met haar doen die hij gedaan had, maar miste de foute stap. Remo verdiepte zich net zo lang in kleine details tot hij besefte dat ze alleen nog zijn eenzame genot dienden. Niemand kon hem beletten de film eindeloos in zijn hoofd af te spelen. Hij had er tenslotte met zijn eer en goede naam voor betaald, misschien wel met zijn carrière. Hier en daar veranderde hij wat aan de montage. Kleinigheden, om het geheel scherper te krijgen.
Terwijl de twee rechercheurs het huis doorzochten, wees Remo inspecteur Flanzbaum en de hulpofficier van justitie de plaatsen (bij elkaar een bedevaart) waar Wendy voor hem geposeerd had. Woonkamer, keuken (de doos met suikerklontjes stond er nog), zwembad, open bubbelbad.
‘De jacuzzi als achtergrond?’ vroeg Flanzbaum.
‘Hij stond aan. Ik heb haar in het bad gefotografeerd.’
‘De eigenaar skiet in Colorado, en hier staat zijn bubbelbad over te koken. Goed, bloot dus.’
‘Vervormd naakt.’
De hulpofficier maakte notities.
‘En die aanval van astma?’ Flanzbaums stem werd er niet warmer op.
‘In de jacuzzi. Ik dacht dat het van de stoom kwam.’
De vragen van de inspecteur leidden naar de televisiekamer. Remo deed er het licht aan. Op het tapijt lagen de badlakens, nog precies zoals ze van hun lijven gegleden waren. Naast de bedbank de flacon met lotion, die zulke goede diensten bewezen had.
‘De bekleding spreekt boekdelen,’ zei de hulpofficier.
‘Procesdelen,’ zei Flanzbaum.
De medeplichtige telefoon, nu zonder opgloeiende knopjes. Het grote televisiescherm, dat de hele romance weerkaatst had, kwam Remo nu voor als een verraderlijke zwarte spiegel.
‘Hier ook foto’s genomen?’ wilde de inspecteur weten.
‘Nee, hier niet.’
‘Dan vraag ik Marty de vervolgserie te maken.’
Flanzbaum kwam terug met een van de rechercheurs, die schutterig met een groot fototoestel in de weer ging, herhaaldelijk kijkend of de lens wel onbedekt was.
‘Het hele stilleven,’ gebood de inspecteur. ‘Totaalindruk. Close-ups. Vergeet de abstracte aquarel op de bankbekleding niet. Ik hou van moderne kunst.’
In een asbak werd nog het rafelige eindje van een hasjsigaret gevonden. Peuk, flacon, handdoeken: het ging allemaal in plastic verzegeld mee.
‘Op een van de door mij genomen foto’s,’ zei Remo, zult u Miss Zillgitt aan een suikerklontje zien knabbelen. De doos staat op de keukentafel.’
‘Dank voor uw behulpzaamheid,’ zei de assistent-officier.
De doos suikerklontjes verdween in een plastic zak, samen met de gemorste korrels, die heel zorgvuldig met een identiteitspasje van de LAPD bij elkaar werden geveegd. Remo zag de champagnefles nergens meer, en om niet te uitsloverig te lijken begon hij er ook maar niet over. Wel vonden de rechercheurs in Anjelica’s huishoudknip een paar envelopjes met wit poeder, waarvan niet zeker was dat het tegen migraine diende, zodat zij en Remo even later naar politiebureau West Los Angeles werden vervoerd – in aparte auto’s gelukkig, want Remo had nu niet graag met de vrouw van zijn vriend in zo’n kleine ruimte verkeerd. Al zat ze voor je, Anjelica kon je ook met haar achterhoofd verzengende, nee, verkolende blikken toewerpen. Tweesnijdend temperament.
‘Ik heb geen handboeien om,’ zei Remo tegen rechercheur Marty, naast hem. Hij hief zijn vuisten uit zijn schoot. ‘Altijd al willen weten hoe het voelde.’
Marty bleek handiger met armbandjes dan met sluitertijden, want er flitste iets door het verglijdende lantaarnlicht, en Remo’s polsen zaten vast. De boeien sneden in zijn vel.
‘En?’ vroeg de rechercheur.
‘Koud,’ zei Remo.
7
Het nam allemaal niet weg dat het straffe kwartiertje in de televisiekamer goddelijk was geweest – alleen in zoverre van zijn dromen onderscheiden dat het een waargemaakte droom was. Die avond, na het uitgaan van de plafondlamp, beleefde hij op zijn brits opnieuw de paringsdans van fotograaf en model, met de cameradriepoot als roerloze derde in een nevel van stoom. Dan weer ondermijnde hij zijn visioen door tegelijkertijd zijn motieven te onderzoeken. Hier was hij te doortastend geweest... daar had hij iets over het hoofd gezien... Er was een moment geweest dat hij zich overgegeven had – niet alleen aan haar, aan Wendy, ook aan de gedachte: dit... dit is het voor mij... dit wijnjaar. God, bewaar me. God, vergeef me. God straffe me. Ik kan niet anders. Daar ga ik.