Zondag 22 januari
1978
Lof der Inversie
1
Het avondeten werd gebracht. Voor de laatste keer gingen de twee deurluikjes open om een baan stofdoorspikkeld licht de cel in te stoten. Met een beschermende hand voor de ogen wankelde Remo tegen de hellende vloer op. De bewaker zette een vol etensblik tussen de twee kleppen neer. Het was Jorgensen: een altijd vriendelijke bewaker, die wel naar zijn klacht over de uitgevallen lamp zou willen luisteren.
‘Mr Jorgensen, er is...’ Op dat moment daverde er een explosie door het gebouw, waar zelfs hier, tussen de fundamenten, de muren van wiebelden. Achter de rug van de bewaker gutste kalk neer. De bak met voer was toen al naar binnen geblazen, en de inhoud lag te dampen in de buurt van het latrinegat. Van de luchtverplaatsing had Remo zelf een vuistslag in het gezicht gekregen.
‘O, mijn God! id="filepos1526807"> riep Jorgensen onder het wegrennen. ‘De keuken! Het gas!’
Als dat tenminste zijn woorden waren, want er dreunde een misthoorn in Remo’s hoofd. Met zijn fluitende oor bij de opengelaten luikjes ving hij flarden van door de gangen echoënde paniek op. Kreten van bewakers; gegil van de gedetineerden, die al bezig waren met harde voorwerpen langs tralies te ratelen en op celdeuren te rammen. Totdat alles overstemd werd door de langgerekte boer van een alarmbel, waarvan de klanken bijna tastbaar door het gangenstelsel rolden en stuiterden.
Nu zou de claustrofobie moeten opspelen, maar die had hij al ruimschoots besteed aan de eenzaamste twintig minuten uit de geschiedenis van de mensheid. Nee, Remo voelde zich merkwaardig veilig achter zijn bankkluisdeur, tussen dikke negentiende-eeuwse kerkermuren.
Er kwam geen tweede explosie. Het alarm hield op. Alleen het razende getimmer van de Choreanen ging door, en zwol nog aan. Net zo lang tot het kalkbepoederde hoofd van Jorgensen weer voor de opening in de deur verscheen.
‘Mr Jorgensen, wat was dat voor knal?’
De bewaker trok zonder iets te zeggen vlak voor Remo’s gezicht het binnenluikje in het slot, zodat de gevangene van een hele timmerwerf aan angst en protest werd afgesloten.
2
Het massieve duister had zich weer om hem heen gesloten als het donkere fluweel van een precies passend foedraal rond een instrument. Zijn stem was, onbeantwoord, opnieuw gesmoord, maar Remo kon nog altijd de ruimte om hem heen tot klinken brengen. Maar de stemmen van zijn dode geliefden, die hem het lange weekend doorgeholpen hadden, zwegen nu stil. De enige stem die zich meldde, rauw en direct, had de tongval van het Midwesten.
Voordat Remo hem op vrijdagmorgen aangevlogen was, had Maddox nog kans gezien een van zijn bergredes te beëindigen, die beg als een ‘troostgebed’ voor Remo’s ongeboren zoon. In een soort verdoving, automatisch voortbezemend, had hij geprobeerd Maddox te volgen en, zoals hij de voorbije weken gewend was geraakt, met vragen tot grotere duidelijkheid te dwingen.
‘Charlie ziet een kwaaie kop. Little Remo heeft gisteren te veel waarheid moeten slikken.’
‘Perinde ac si cadaver.’
‘Charlie verstaat geen Pools.’
‘Ignatius van Loyola over de grondslagen van de Jezusgemeenschap. Zou jou moeten aanspreken.’
‘Latijn verstaat Charlie ook niet.’
‘Ik had het over de kadaverdiscipline van jouw volgelingen, Mr Jesus. Zelfs vanuit de gevangenis...’
‘Als ik ze iets geleerd heb, is het de absolute gehoorzaamheid aan de vrije wil.’
‘Aan de wil die jij zo vrij bent ze op te leggen. Ze storten zich voor jou met open ogen in de bajonetten van de tegenstander.’
‘Omdat ik van ze houd. Omdat ze van mij houden.’
‘Ze zien jouw eigenliefde in een lachspiegel. Ziedaar het misverstand.’
‘Squeaky liet me weten dat ze de sequoyawouden ging redden. Een agent stak zijn vinger in haar pistool. Het was Lynettes eigen initiatief.’
‘De opdracht was al veel eerder in haar gezaaid. Door jou.’
‘Het was haar vrije wil. Als mijn eed, die door de rechtbank zo vaak belachelijk is gemaakt, nog iets waard is, zweer ik op het hoofd van mijn eerstgeboren zoon.’
‘Gratuit gedoe. Je hebt hem net zo min gekend als ik de mijne. Hij is een vreemde voor je, die waarschijnlijk ergens in Detroit of op Hawaï leeft onder een andere naam.’
‘Andere namen hebben we allemaal. Goed, dan zweer ik op het hoofd van mijn derde zoon Michael... Mickey... zoon van Charlie en Mary.’
‘Ik kom nu aan de kern van mijn aanklacht.’ En hij had Maddox de eenzaamste twintig minuten uit de geschiedenis van de mensheid voor de voeten geworpen.
‘Eenzaam zijn we allemaal wel eens.’
‘In de kranten van toen was steeds sprake van vijf lijken op Cielo Drive 10050. Het is blijkbaar een kwestie van binnen of buiten de baarmoeder. Als het om protesten tegen abortus gaat, kan het embryo nog zo klein en ongevormd zijn, het zal als “mens” in de strijd worden geworpen. Onze voldragen foetus werd niet bij de slachtoffers opgeteld.’
‘En nu wil je dat ik toegeef dat er zes doden waren?’
‘Ik klaag jou hier, van mens tot mens, aan vanwege die eenzaamste twintig...’
‘Wat maakt ze eenzamer dan de laatste minuten van elke andere overrijpe garnaal in een dode moeder?’
‘Het feit dat jouw discipelen maar een of twee messteken aan een totaal van tegen de tweehonderd hadden hoeven toe te voegen om het kind te redden. Dat maakt die twintig minuten uniek in hun eenzaamheid.’
3
‘De avond van de LaBianca-moorden reden jullie eerst naar een ander huis. Jij ging poolshoogte nemen. Je kwam terug met de mededeling: “Hier niet. Ik zag een heleboel foto’s van kinderen tegen de muur.” ’
‘Kinderen hebben de toekomst.’
‘Hoe moet ik die menselijke houding rijmen, Scott, met het laten sterven van mijn kind de avond tevoren?’
‘Charlie,’ zei Maddox, ‘heeft een diep ontzag voor kinderen. Ook voor ongeboren leven. Ik ben Jezus genoeg om de kinderen tot me te laten komen. Ze zijn de toekomst. Charlie heeft overal kinderen. De meeste kent hij niet. Michael wel... Waar is hij nu, Mickey? Ergens daarbuiten, in een tent. Charlie heeft zelf zijn navelstreng doorgebet‘Charlie had ook de navelstreng van mijn zoon door mogen bijten. Als de baby maar gered was. Charlie had niet eens de moed om mee te gaan.’
‘Als je nog een keer zegt, Li’ll Remo, dat Charlie zelf veilig thuisbleef, sla ik je met deze ijsberenklauw op je gezicht. Die avond van de Cielo Drive bleef ik op de ranch, en het werd een smerige troep. Ik ben de volgende avond meegegaan, om ze voor te doen hoe het schoner kon.’
‘Je bent huize LaBianca binnengeslopen. Na het knevelen van die mensen ben je naar de auto teruggegaan. Je hebt je onbezoldigde huursoldaten opdracht gegeven de LaBianca’s af te maken, en dat was dat. Zelf ben je er in de auto vandoor gegaan. De slachters moesten na hun karwei maar gaan liften.’
‘Wil je het weten?’
‘De enige reden, Scott, dat ik je nog niet de hersens heb ingeslagen, is dat ik het wil weten.’
‘Wat jij wil weten, wil je niet weten.’
4
‘Ik ben niet met het moederschap bezig, Little Remo. Charlie weet niet wat een vrouw al die maanden doormaakt. Ik kan de pijn van het baren niet navoelen...’
‘Die werd in dit geval vervangen door een andere pijn.’
‘Charlie ziet dood en leven anders dan jullie in je chique heuvels.’
‘Ik weet het. Mensen leven niet graag.’
‘Zo simpel ligt het niet.’
‘Jij brengt ze liever op een ingewikkelde manier om. In commissie.’
‘Soms zijn er offers nodig voor een hoger doel... een algemenere zaak.’
‘Misschien is dit het moment om enig berouw te tonen.’
‘Strategisch klopte mijn zet. Ik zou het zo weer doen. Nu of in de toekomst. Al ging het om mijn eigen moeder... mijn eigen kind. De wet van Hurly Burly is Charlie heilig. Als er een paar stinkend rijke varkens geslacht moeten worden om honderden leden van mijn Circle naar beneden te leiden... de Put in... om ze te dopen in de gouden rivieren van melk en honing, dan moet dat maar. De generaal toont geen berouw met zijn uniform aan. Na Hurly Burly komt Cosy Horror. Er is nog een lange weg te gaan, met veel slachtoffers in de middenberm.’
‘Je ziet, Scott, waar Hurly Burly nu al toe geleid heeft. De leider voor de rest van zijn leven achter tralies.’
‘Charlie erkent alleen de wetten van Charlie, en van Hurly Burly, en van Cosy Horror. Mijn levenslang is een dooie letter in hun administratie. Ik blijf achter hun tralies doen wat ik tussen 1967 en 1970 in vrijheid heb gedaan.’
‘Jonge mensen ronselen voor je misdadige club voddenrapers.’
‘Een Charlie hoeft niet te ronselen. Een Charlie hoeft in zijn cel, hun cel, alleen maar een eenmans ballotagecommissie te vormen. Ik zeg vaker nee dan ja, want The Circle moet een elitekorps blijven. En toch groeit het harder dan alle politiekorpsen en geheime diensten bij elkaar kunnen bijhouden. Laat Charlie maar kantoor houden in het afgegrendelde centrum van hun macht. Een onzichtbare leider, die door de vijand wordt vastgehouden, doet wonderen voor de saamhorigheid... voor de bereidwilligheid. De overheid is tot de tanden gewapend, maar draagt mijn explosief in haar ingewanden.’
‘Ik heb ontdekt dat het hier in Choreo op scherp staat. Ik kan het onschadelijk maken.’
‘Vermoord me, Li’ll Remo, en Charlie wordt van levende tot dode martelaar. Het zou mijn laatste promotie in de hiërarchie van The Circle zijn.’
5
‘Charlie leest tijdschriften. Kunstfanaten uit jouw wereld, Little Remo, wijden hun leven aan de glimlach van de Mona Lisa. Ze krijgen ervoor betaald. Charlie heeft zijn eigen Louvre op cel. Ik zeg: het is geen mysterieuze, het is een wetende glimlach. Nu, wat weet die glimlach? Charlie zegt: de glimlach is zelf de ontraadseling. Ik hoef er alleen maar... het juiste probleem bij te zoeken. De vraagstelling.’
‘Ze was misschien Leonardo’s minnaar in travestie.’
‘Ik ken jouw troostgebeden, Scott. Het zijn vrijbrieven om te moorden. Ik kan er niets anders in beluisteren dan een bagatellisering van de dood.’
‘Ook de Openbaring spreekt al over Cosy Horror,’ zei Maddox. ‘ “En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken en zullen die niet vinden, en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vlieden.” Kan het duidelijker?’
‘De glimlach spreekt tot Charlie, en zegt: het is eenvoudig, en toch niet voor de hand liggend. Het is duister en licht tegelijk, net als deze omschaduwde lippen. De glimlach zegt: ik zal, aan de mannen onder u, een handreiking doen. Ik ben een vrouw. Er zijn speculaties geweest. Ik zou de minnaar van Leonardo zijn... in travestie. Niemand, weet beter dan de glimlach: de geportretteerde is een vrouw.’
‘De schilder was een man.’
‘Het zijn de vrouwen, Charlie, die iets weten over het begin van het leven. Niet de mannen. Een man verwekt blindelings. Een vrouw baart bewust. Mijn schepper had een vrouwelijke kant. Zijn intuïtie was vrouwelijk. Leonardo was van beroep oplosser van problemen. Instinctief voelde hij het raadsel van de wereld aan. Om er uitdrukking aan te geven nam hij een vrouw als model. Zijn penseel gaf haar de geheimzinnig wetende glimlach. Ik, Mona Lisa, was zijn hint aan de mensheid. De oplossing van het onvruchtbare leed in de wereld... o, niet meer dan een aanzet. Met de kruisiging van Christus zat het mensdom al vijftienhonderd jaar op een dood spoor. Hij zou de zonden en het lijden van de wereld wegnemen. Nou, mooi niet. Leonardo had meer in de smiezen dan Christus. Zijn Annunciatie betekent iets heel anders dan: voorzegging van Christus’ geboorte. Geef Charlie een halfuur, Li’ll Remo, en hij formuleert het weten achter de wetende glimlach van La Gioconda. Het is een troostgebed, Li’ll Remo, voor Li’ll Paul.’
6
‘De mensen zijn zo godvergeten bang voor de dood,’ zei Maddox, ‘dat ze zichzelf een riant bemeten levenstijd in de toekomst voorspiegelen. Vluchtend voor de dood... in feite op weg naar de dood... proberen ze zo diep mogelijk in een onbekende toekomst door te dringen, koste wat kost. Het lijkt op rijk worden... geld vergaren... Voor de pigs lijkt het allemaal op elkaar. Ze weten niet of het haalbaar is, en ook niet hoe haalbaar het is. Hoe lang nog? Maar kort of lang, dat de toekomst zich laat doordringen, is wel zeker.’
‘Als we het niet actief doen, worden we wel vooruit gestuwd.’
‘Maar... maar, Little Remo, wie van al die toekomstgraaiers bekommert zich erom dat we niet op dezelfde manier... in het verleden kunnen doordringen?’
‘Een enkele romantische dichter misschien.’
‘En Charlie. Kijk, eigenlijk is er geen verschil. Als we met onze rug naar de toekomst gaan staan, en proberen op te rukken naar de tijd die aan ons voorafging, levert dat net zo goed een plaatje op van dood en onmacht. Mee eens?’
‘Vegen, Scott. De Griek staat te kijken. Met zijn duimen in zijn koppel, dus dan weet je ’t wel.’
‘Onbereikbaar het land dat zich voorbij onze dood uitstrekt. Even onbereikbaar als het land dat zich, in omgekeerde richting, voorbij onze geboorte bevindt. Voor die twee landen hebben wij alleen maar een visum van niet-zijn.’
‘Ik voel wel eens een steek van heimwee,’ zei Remo, ‘naar het Wenen van Mozart, dat ik niet heb kunnen meemaken. Te laat geboren. Ik geef toe, Scott... dat is allemaal luxenostalgie van een populairwetenschappelijk nieuwsgierige...’
‘Het zal de mensen in het algemeen niet radeloos maken dat hun leven niet die kant op kan groeien. Terwijl ze wel in paniek raken bij de gedachte aan een toekomst waarin ze niet meer zullen bestaan... waar de grens van die toekomst ook ligt. Er niet meer te zijn...! En dat alles gewoon maar doorgaat zonder ze... zonder hun bemoeizucht! Onverdraaglijk!’
‘Maar toen, in achttiende-eeuws Wenen... en nog verder terug, in de vijfde eeuw voor Christus... toen waren we toch net zo goed dood?’
‘Zo’n Little Remo, die begrijpt iets. Hou bij alles wat ik je nu verder ga vertellen het schilderij aan de muur van mijn cel in gedachten.’
‘In vijfhonderd voor Christus, Li’ll Remo, waren jij en ik een stuk doder dan we nu zijn. En net zo dood als we straks, na ons sterven, zullen zijn.’
‘Eeuwen voor Christus waren we dood zonder gestorven te zijn.’
‘Misschien is doodsangst alleen maar de vrees om te sterven, terwijl de angst om er niet meer te zijn... van ondergeschikt belang is. Dat verschil – Charlie heeft het nog in onderzoek.’
‘Beschouw jij jezelf als een mysticus, Scott?’
‘Charlie hoeft zichzelf niet te beschouwen. De wereld heeft allang bewezen dat Charlie een mysticus is.’
7
‘Vergelijk, Little Remo, het stervensproces nou eens met het geboorteproces. De tijdschriften zijn vergeven van plaatjes van gelukkige moeders. Hun kut ligt er nog uitgerekt en uitgescheurd bij... maar ze vertroetelen hun bloedkeutel al. Geeft dat hele ter wereld komen nou een zoveel rooskleuriger beeld van het leven dan het creperen?’ Hij zwaaide mechanisch zijn veger over de vloer heen en weer. ‘Nee, want wat door de jubelende ouders als een teken van hoop wordt gezien... een nieuw leven!... houdt tegelijkertijd iets gruwelijk fataals in. De baby is geboren op dat moment, in dat jaar. Geen seconde eerder of later. Door ter wereld te komen, en nog wel op dat eigenste moment, is deze nieuwe mens onherroepelijk... definitief en voorgoed... afgesneden van wat aan hem voorafging.’
‘Ik hou jouw zwartwitte Mona Lisa scherp voor ogen. Ze blijft ondoorgrondelijk glimlachen.’
‘Jij, ik... puur door geboren te worden, op dat ene moment, palen wij de tijd af dat wij ongeboren waren... dat wij nog niet bestonden...’
‘Zoals we ooit, in een ongewisse toekomst, door te sterven de tijd zullen afbakenen die de wereld zonder ons verder zal moeten doen. We schieten op.’
‘De mensen hebben het altijd maar over de tijd dat ze er niet meer zullen zijn. Zo triest... ook voor de nabestaanden.’
‘En voor de clientèle. Rosemary LaBianca, die haar kledingwinkeltje niet kon voortzetten.’
‘Zeg nou eerlijk, zie jij een verschil? Is het uitgestrekte tijdsgebied dat zich voor jouw geboorte, of verwekking, uitstrekt minder troosteloos, doods, onbegaanbaar dan het land dat aan de overkant van jouw dood ligt? Het ene terrein of het andere... nooit, Li’ll Remo, zullen die gebieden de voetafdruk dragen van de persoon die leefde van dan tot dan... na te lezen op een grafzerk. Ze doen niet voor elkaar onder in zielloosheid. Ze missen de ziel van degene die te laat kwam, en die te vroeg wegging.’
Maddox veegde niet langer. Geleund op de steel van zijn bezem oreerde hij alsof hij een kleine menigte toesprak. Zijn stem werd rauwer. Het verband rond zijn mond raakte doorweekt met kwijl. Remo keek omhoog naar de cipiersloge. De Griek zat over zijn elektrische typemachine gebogen. De andere bewaker was weg.
‘Ware het dus,’ zei Remo, ‘beter geweest dat we nooit geboren waren, zoals de oude Grieken zeiden?’
‘Als ik nooit geboren was, dan was ik ook nooit een eeuwigheid dood geweest voor mijn geboorte. En dan was ik ook nooit voorbestemd geweest tot de dode eeuwigheid die straks, na mijn dood, aanbreekt. Voorwaar, Charlie zegt u... elke ter wereld gekomen mens draagt, als een perfect balancerend juk, deze twee doden op zijn schouders mee... deze twee bodemloze manden vol eeuwige dood.’
‘Het leven, wou je zeggen, is precies zo lang als het juk. Ik kan je helemaal volgen, Scott, maar feit blijft toch dat de mensen in het dagelijks leven vooral beducht zijn voor de eeuwigheid duisternis die nog komen moet... omdat we die, anders dan de eeuwigheid duisternis die aan onze verwekking voorafgaat, nog op de een of andere manier moeten binnengaan. Sterven is een daad, zeggen ze wel. Nou, de levende moet die daad nog plegen. En bovendien... hoe vaak moeten we onze geboortedatum niet noemen of invullen? We zijn er, vaak tot op de minuut precies, zeker van waar de eerste dode eeuwigheid eindigt. Waar de tweede dode eeuwigheid begint... het uur en de dag daarvan zullen wijzelf niet kennen.’
‘Tenzij de dag van onze executie wordt vastgesteld, en er geen uitstel meer komt. Alleen dan weten we vooruit wat er op onze grafsteen komt.’
‘Ik wil nog steeds graag horen,’ zei Remo, ‘waarom het beter voor mijn zoon was te stikken in het niemandsland van twintig minuten tussen de dood van zijn moeder en zijn eigen ongeboren dood. Ik blijf kalm, maak je geen zorgen.’
‘Charlie spreekt u van Cosy Horror. Waarom, vraagt hij u, begint de mens op voorhand te rillen bij de gedachte aan een afgrond die... onzichtbaar, in nevelen gehuld... voor hem gaapt in de nacht? Waarom duizelt het hem? Waarom krijgt hij hoogtevrees van een ravijn waar hij nog niet eens in kan kijken, en van welks diepte en zuigkracht hij nauwelijks meer dan een bijgelovig vermoeden heeft?’
Maddox klampte zich opnieuw aan de bezemsteel. ‘Terwijl,’ hernam hij, ‘de mensen bij de gedachte aan de afgrond die, net zo zwart gapend, achter ze ligt hooguit het soort toeristieke huiver ondergaan van... nou ja, van natuurliefhebbers rond hun gids aan de rand van de uitgebluste krater.’
‘Toeristieke huiver... ik probeer met je mee te denken.’
‘Je stelt je voor hoe de vlammen eruit slaan... de witgloeiende massa omhoogkomt. Dan pas voel je de gezellige rillingen. Het is een knusse huiver, zoals een kind ondergaat bij het horen van een spookverhaal. Cosy horror bij de open haard...’
‘Knusse huiver tegenover doodsnood.’
‘Het is het voor Charlie grote raadsel van de mensen. Waarom doodsangst en niet even erge geboorteangst?’
‘Het lijkt erop alsof je zoiets wilt zeggen als: God, wat is alles toch ongelijk verdeeld in de wereld! Moeten we ons niet gelukkig prijzen dat de ware huiver aan de dood is voorbehouden... en dat we, met terugwerkende kracht, voor onze verwekking en geboorte alleen een soort vrijblijvende toeristieke huiver kunnen voelen?’
‘Het is Charlies heilige taak,’ riep Maddox met plotselinge fanatieke heesheid, ‘om de angst voor de dood om te buigen tot een angst voor de verwekking... voor de geboorte. Alleen zo zal de mensheid te redden zijn.’
8
‘Ik zal je troosten met Cosy Horror,’ zei Maddox met brekende stem. Hij legde zijn omzwachtelde hand op Remo’s schouder.
‘Jij mij troosten?’ Remo schudde de hand af.
‘Het is geen gewone troost. Het is Cosy Horror.’
‘Aan mij niet besteed.’
‘Laat me dan, via jou, je kleine zoon troosten.’
Op hetzelfde moment ontstond er een film in Remo’s hoofd. Mensen met hun rug naar de toekomst en hun eigen dood. Mensen met het gezicht naar h voorland... een van nevelen overkokend ravijn... Niet uit doodsangst keren ze het ongewisse de rug toe, nee, zij treden met open vizier de afgrond tegemoet die voorbij hun geboorte gaapt. Niet wat nog komen moet boezemt ze angst in, maar wat definitief gebeurd en geweest is, voor hun tijd en voor alle tijden al. In de afgrond van de voorgeschiedenis zijn de dingen of gestold en versteend, of alleen nog als contour zichtbaar... geesten, spoken...
‘Omkeren,’ zei Maddox, ‘dat is mijn systeem.’
‘Lof der Inversie.’
‘Charlie heeft vele volkeren bereisd...! Ze waren allemaal min of meer bevreesd voor de dood... vooral voor de onzekerheid ervan... Ik hoorde ze nooit... behalve in eerbiedige zin, en dan ging het om hun voorvaderen... nooit hoorde Charlie ze spreken over het huiveringwekkende gebied van voor hun geboorte. Charlies uitverkoren volk laat het land dat zich voorbij het sterven uitstrekt koud. De leden van The Circle deinzen juist terug voor het donkere verleden, waar alles gebeurd is... waar de gebeurtenissen gestold zijn zonder dat ze er zelf deel aan gehad hebben. Bij ons, in de Put des Afgronds, Li’ll Remo, wordt de geboorte in heel z’n onherroepelijkheid als een gruwelijker lot gezien dan de dood. Wat, vraagt Charlie zich af... wat is er in de wereld gevaren dat al die volkeren... al die tongen en natiën... de dood als een zwart afgodsbeeld vereren? Niet op een voetstuk, maar in een diepe, zwarte kuil... Mijn mensen hebben voor de dood alleen de knusse huiver over van kinderen in hun pyjama bij het knapperende haardvuur... Mijn mensen offeren, in diep bevreesd ontzag, aan de afgod van de geboorte. Charlie heeft gezegd.’
9
‘Wie garandeert mij, Scott, dat die hele Knusse Huiver niet vooral weer een retorisch rotfoefje is om jouw soldaten wat eerder klaar te stomen voor een zelfmoordactie?’
‘Als ze door Cosy Horror eerder met open vizier de dood tegemoet lopen, is dat het bewijs voor het gelijk van Cosy Horror.’