Maandag 9 januari
1978
De hoer en de kolonel
1
‘Mr Agraphiotis, doe me dit niet aan.’ Maddox’ rauwe Midweststem was eigenlijk niet op smeken berekend. ‘Haal me hier niet uit.’
‘Wij doen niet aan verlenging van logies,’ zei ik. ‘Trek die overall aan.’
‘Als jullie wel aan levensverlenging doen,’ gromde hij, ‘laat me hier dan zitten.’
‘Woodehouse is geen harde jongen. Hij zal je echt niet vermoorden.’
‘In elke gevangene, Mr Agraphiotis, sluimert een moordenaar. Stel dat nou juist ik die in Woodehouse wakker heb gekust...’
‘De directeur mag beslissen. Aankleden nou. Voor schoon verband... de zuster is er om zeven uur.’
2
Gevangene Woodehouse sliep zo vast dat hij niet eens wakker werd van de knarsend openschuivende deur. Hij lag in een deken gewikkeld op de stalen brits, zonder matras. Er hing een zoetige stank in de cel. Onder de wasbak een bord onaangeroerd eten van de vorige dag. Irish stew met aardappelpuree. Barstjes in de gestolde saus. ‘Half zeven. Goedemorgen.’ Ik raakte zacht zijn schouder aan, zoals je dat bij een te wekken logé zou doen. ‘Het is gevangene Woodehouse toegestaan de isoleer te verlaten.’
Hij ging kreunend verliggen. ‘Wat voor dag is het?’
‘Nu al de tel kwijt? Denk eens aan de jongens die drie weken achter elkaar in afzondering zitten. Gewoon, maandag.’
‘Ik hoopte,’ steunde hij, ‘dat het inmiddels dinsdag zou zijn. Dan had ik nu net iets meer dan vierentwintig uur geslapen.’ Hij bevond zijn elleboog te zwak, en liet het hoofd weer op de brits zakken. ‘De eerste nachten geen oog dichtgedaan.’
‘Ik hoorde het van Mr Burdette, ja. Het middel ziet er onschuldig roze uit, maar op zo’n dosis Pink Starfish slaap je niet lekker.’
‘De methode-Charrière hield me wakker. Was u dat dan niet, Mr Agraphiotis, met die lantaarn?’
‘Afgelopen nacht wel. Daarvoor had ik twee etmalen verplicht vrij. De methode-Charrière?’
‘Een uitbraakprocédé via een dekenslip. In die zin was ik er ook twee dagen tussenuit. Oude vrienden gesproken. Dode ook. Huwelijksplicht vervuld... zonder tegenzin. Ach, laat u mij toch hier, met mijn Charrière.’
‘Je bent vanmorgen de tweede al, Woodehouse, die de isoleer niet uit wil. De Choreaan is asociaal aan het worden.’
‘Maddox maakt het niet uit. De bajes is zijn thuis, en binnenshuis is hij gesteld op privacy.’
‘Ik heb mijn instructies. Douchen, ontbijten, en dan naar de kamer van de dirk. Kom.’
‘O’Melveny?’ Hij trapte de deken van zich af, en ging op de rand van zijn brits zitten. ‘Nog meer uitschijters.’
Ik verbeeldde me zijn gore verdriet te kunnen ruiken. ‘Hij wil bekijken of jullie te handhaven zijn. Samen, bedoel ik. Als schoonmaakploeg.’
3
Toen ik met Woodehouse bij O’Melveny’s kamer aankwam, ging net de deur open. Tussen twee bewakers in, een voor en een achter, stapte Maddox naar buiten. Al lette ik scherp op, het viel moeilijk uit te maken of de twee gevangenen elkaar aankeken. Er werd geen hoorbare groet gewisseld. Maddox’ verband was ververst, en nog smetteloos.
Zoals Remo middenin de hoekig ovale ruimte stond, met tenger afhangende schouders, leek hij nog kleiner dan voorheen. Of liever, hij liet met zijn aanwezigheid het interieur groeien: het bureau, de man erachter, de goudomwonden driekleur, de hamsterwangetjes van president Carter, alles rees en dijde uit, zelfs het web van glasscherven in het portret van ex-president Ford. Ik bleef ter zijde staan.
‘Zeg eens, Woodehouse,’ begon O’Melveny, hoog en recht in zijn zetel, ‘is er een onoplosbaar conflict tussen jou en medegevangene Maddox?’
‘Het was een incident, Sir.’
‘Voor herhaling vatbaar?’
‘Wat mij betreft niet, Sir.’
‘Waar ging de herrie over?’
‘Religie, Sir. Ik zal het onderwerp niet meer aanroeren.’
‘Een gewonde het verband van zijn hoofd trekken,’ zei O’Melveny, die een witgouden sigarettenkoker liet openspringen. ‘Pus... bloed. Het slachtoffer dat vervolgens de aanvaller probeert te vergiftigen. Kots, troep, verspilling van gevangenisvoorraden. Het is me nogal wat. Hoe nu verder, Woodehouse? Moord en doodslag opties?’
‘Sir, ik laat het van medegevangene Maddox afhangen.’
‘Gevangene Maddox,’ zei O’Melveny, onnodig traag met een sigaret op de weer gesloten koker tikkend, ‘laat het van medegevangene Woodehouse afhangen.’
‘Sir,’ zei Remo, zijn rug rechtend, ‘ik wil de samenwerking graag voortzetten, Sir.’
De directeur zoog vuur uit een witgouden aansteker. ‘Nog zo’n handgemeen, en het is over. Laatste godverdomde kans. Agraphiotis, naar de duivel en naar de bezemkast met hem. Ik reken erop dat je er persoonlijk op toeziet dat de voorraad Pink Starfish voor goeie sopbeurt wordt aangewend... en niet als mondwater.’
Toen ik met de deurklink in de hand nog even omkeek, was van Timothy O’Melveny alleen nog de wolk van zijn laatst uitgeblazen rook te zien – zo’n haast had Mothy om bij zijn eigen op oude sherryfusten gerijpte duivel te komen, in een kast met een rood kruis erop.
4
De heetwaterkraan liep. Omgeven door witte damp was Scott Maddox bezig in de lage wasbak de hard opgedroogde dweilen van vrijdag uit te spoelen. Om het schone verband te sparen had hij gummihandschoenen aangetrokken. Ze pasten niet over de zwachtels, en hingen er met lege vingers zo’n beetje bij. Uit de dweil die slap over zijn handen onder de kraan hing, gulpte een pikzwarte vloeistof, die ook werd opgezogen door de onbedekte windselen rond zijn polsen. Naast de wasbak lagen nog twee dweilen, stijf als grote stukken kroepoek.
Dit was een van de cruciale momenten waar ik, overwerkt en onderbetaald, naartoe geleefd had – en nu het zover was, wist ik me met de situatie niet goed raad. Woodehouse en ik keken elkaar eens aan. Hoewel hij zijn best deed nerveus en gegeneerd te kijken, brandde in zijn ogen een vastberadenheid die ik bij hem niet eerder opgemerkt had. Dan kon ik niet achterblijven. ‘Heren, leg het bij, zodat we kunnen overgaan tot de orde van de dag.’
Maddox kwam traag uit zijn hurkzit omhoog, en draaide zich onberekenbaar langzaam om. Het kortgeleden nog kraakheldere hoofdverband was alweer rijkelijk bespat met modderdruppels. Zijn ene vrije oog vonkte blauwig. Met de linkerhand begon hij aan de gummivingers van de rechter te plukken, net zo lang tot de handschoen losschoot met het geluid van een katapult. De zwachtels waren grijs doorweekt. Hij stak de verbonden hand uit. Woodehouse legde de zijne er niet meteen in. Het werd me niet duidelijk of hij aarzelde vanwege de natte windsels, of omdat hij nu wist wat er in het verleden op een sein van die hand was aangericht.
‘Sorry, maat, ik wilde je niet vergiftigen,’ zei Maddox met een knik van ontroering in zijn stem.
‘Wel een erg hardhandige manier,’ zei Remo, ‘om een collega aan het eind van de middag een aperitief aan te bieden.’
‘Ik voelde me Christus op paasochtend, verlost van zijn bandages. Zoiets was wel een drankje waard, dacht ik.’
Het klonk waarschijnlijker stroever dan bedoeld. Zoals altijd wanneer zijn zwachtels verschoond waren, sprak hij moeilijk, bijna als iemand met een hazenlip. Ik had er een keer bij gestaan toen de verpleegster het aangekoekte wondkruim in zijn mondhoeken met een houten tongspatel verwijderde, net zo lang tot er een bruinig mengsel van wondvocht, etter en bloed over zijn kin liep, als vette jus na het kip kluiven. Alleen wanneer hij een van zijn bergredes inzette, trok hij zijn scheur onbekommerd ver open.
‘Maddox, Woodehouse, aan de slag,’ rondde ik mijn verzoeningspoging af. ‘Met de heren in isolatie sneeuwde het stof hier gewoon door.’
Ze lieten de dweilen tot ’s middags rusten, en klommen met harde en zachte bezems, plus twee langstelige veegblikken, de gietijzeren trappen op naar de bovenste verdieping. Ik klauterde langs de bewakersladder naar de hoogstgelegen loge, om vandaar uit, in rapporten verdiept, de ontwikkelingen te volgen. Als vanouds (vormden ze wel het radeloze tweetal dat ik voor me dacht te hebben?) begonnen ze ieder in een andere hoek van de Ring met vegen, om zo langzaam naar het uitgangspunt van de ander toe te werken. Pas bij het uitmesten van de geopende cellen zouden ze weer dichter bij elkaar zijn. In een onderkoelde stemming had ik gezegd: het zou me benieuwen.
Uiterlijk de onbewogen cipier voelde ik in me het oude verlangen branden naar een verblindend en onblusbaar conflict tussen rood en groen Bengaals vuur.
5
‘Ze praten weer gewoon met elkaar, die twee,’ zei Carhartt. ‘Alsof er niets is voorgevallen.’
Ik wist wel beter. Het was niet in mijn belang hem uit de droom te helpen. Vanuit onze loge zag de pas de deux van de vegers er idyllisch uit. Op de omliggende muren, onzichtbaar voor lieden als Carhartt, wemelde het van de monsterlijke beelden, voortdurend van vorm veranderende foetussen in blauw en rood – als vroeger bij een lichtshow van Grateful Dead.
6
‘Isoleer, Li’ll Remo, hoor ik dat goed?’ grauwde Maddox met hoorbaar strakgehouden lippen. ‘Noem je dat isoleer?’
‘De Griek noemt het zo.’
‘Dan wil ik de petoet in Griekenland wel eens zien. Isoleer... Krap drie dagen in afzondering, met je warme vreten op de gewone tijden. In Folsom hebben ze me wel eens voor twee volle maanden het hol in geschopt. Me nog proberen uit te hongeren ook. Eens per dag een mok water... Wel eens een groene marshmellow geproefd?’
‘Ze zijn wit of roze.’
‘In Folsom schraapten de varkens om beurten hun keel. Zo kwam Charlie aan een uitgelopen groene marshmellow op zijn enige portie drinken van de dag.’ Hij verdween in een halfdonkere cel op de tweede verdieping, maar bleef doorpraten. ‘Enige maaltijd: een homp brood, net zo rond en hard als een keisteen. Als de honger niet mijn grootste vijand was geweest, had ik hem bewaard, en er een bewaker de hersens mee ingeslagen. Ik at mijn eigen wapen op. De kakkerlakken...’
‘Toch iets om af te richten.’
Maddox kwam achterwaarts vegend, stroken cellofaan meesleurend, de gaanderij weer op. ‘Niks kakkerlakken africhten. Ik stopte ze tussen mijn brood. Voor het eiwit.’
‘In de isoleercel nog zondigen tegen de geboden van het veganisme...’
‘Nood breekt wet, Li’ll Remo.’ Als hij zijn mond onvoldoende kon gebruiken, stootte hij des temeer geluid uit zijn keel. ‘Anders had Charlie het niet overleefd.’
‘Wat had je misdaan... om eindelijk eens vlees te mogen eten?’ Ondanks de grimmigheid van zijn voornemen had hij opgezien tegen de confrontatie met een door de isoleer gelouterde Maddox. Een Maddox die na hun wederzijdse herkenning al te merkbaar had nagedacht over het litteken dat hij door het leven van zijn medegevangene had getrokken: het was meer dan Remo aankon. Beter de goeroe in zijn babbelende waanzin te volgen, en dan onverhoeds de vraag stellen. Maar zie, het viel mee – en dat was weer een teleurstelling.
‘Als de dominee van Folsom zijn ongelijk had toegegeven, dan... goed, dan had zijn neus nu niet scheef gestaan. We probeerden elkaar de loef af te steken. Wie van ons tweeën kon Jezus’ leer in een woord vangen? De dominee: “Overgave.” Charlie: “Onderwerping.” Een wereld van verschil, Li’ll Remo. Hij wilde niet naar Charlies argumenten luisteren. Een bloedneus betekent nog geen isoleer. Een gebroken neusbrug wel. In Folsom mocht je niet langer dan een maand in afzondering. Reglement. Ook daar hadden de varkens iets op gevonden. Ze zetten de uitgehongerde Charlie na negenentwintig dagen voor een etmaaltje in een gewone cel.’
Charlie? Maddox was nog steeds Maddox, en met dat verse verband anoniemer dan ooit. Om de eigenlijke zwachtels had de verpleegster beschermende bandages in gebroken wit aangebracht, die ook weer met metalen krammetjes in de onderlaag vastzaten. Het geheel gaf het gezicht nog minder reliëf dan tevoren. De nieuwe windsels lieten oog en mond nauwelijks ruimte. Het hoofd was een massief blok gaas en pleisters. Dit kon nooit de karbonkelogige gek zijn die in de lange isoleeruren voor Remo tot leven was gekomen. En toch, hij was het.
‘In die gewone cel kreeg ik drie maaltijden. Alles ging erin. Ook het vlees. Ik overat me. De volgende dag... Charlie kotend terug het hol in. Voor nog ’s negenentwintig dagen.’
‘De trek in kakkerlakken... over zeker?’
‘Binnen twee weken een uitgestorven diersoort. Na nog eens veertien dagen... het beest Charlie net van de hongerdood gered.’
‘De wereld herademde.’
7
‘Vier dagen niet poetsen,’ riep Carhartt in het voorbijgaan, ‘en moet je zien wat voor bende.’ Hij maaide zich met beide armen door een gordijn van dalend en rijzend stof heen.
‘Mr Carhartt,’ schreeuwde Maddox terug, ‘vanmiddag jagen we Choreo op onkosten... met een sop zoals u nog nooit gezien heeft. Ze zullen hier weten ook wie ze in de isoleer stoppen. De duiven daar boven zullen stikken in het schuim van Pink Starfish.’
De hoofdbewaker stak half groetend zijn vrije hand op. Met de andere hield hij, deels bedekt door zijn uniformjack, het blikken adelaarsei tegen zijn shirt gedrukt. De camera hing aan een riem om zijn hals.
‘Acht jaar terug,’ mompelde Remo, als voor zichzelf, ‘stond er vijfentwintigduizend dollar op jouw hoofd, Scott. Gauw verdiend. Tegenwoordig moet je voor dat bedrag een arend met een kinderwens vangen.’
Maddox graaide met zijn hand in de lucht, die vol hing van blinkend stof, dat zich bij deze lichtval soms als ijzervijlsel voordeed. ‘Het sneeuwt hier altijd maar door, Li’ll Remo.’ Het was niet duidelijk of hij zijn somberheid speelde. ‘Gevangenen turven de dagen, de maanden, de jaren van hun straf op de celmuur. Allemaal nieuwe pansfluitjes over weer oude heen. Stompzinnig tijdverdrijf. Voor Charlie staan de uren in gevangenisstof getekend... in zilveren streepjes. Niet te tellen... ze blijven maar vallen. Het stoft hier levenslang.’
‘In Folsom, in Vacaville, in Choreo... het stof turft net zo goed de uren, de maanden, de jaren, Scott, die jij al dood had kunnen zijn. Pansfluitjes van de reservetijd.’
‘Zo hebben zelfs de nietigste stofjes twee kanten. Kijk naar ons.’
Om zijn blik enig houvast te bieden op het stompe masker nog geen twee meter bij hem vandaan zocht hij Maddox’ ene oog. De twee banen verband die het moesten vrijlaten, schoven met hun rafelige zijkant bijna over elkaar heen. Bij een plotselinge wending van het hoofd (‘Kijk naar ons’) blikkerde daar, uit bloeddoorlopen diepten, voor ’t eerst een driehoekje oogwit. Nu het eindelijk tevoorschijn kwam, was het niet langer het oogwit van een neger. Of toch? Hem niet van me afstoten, dacht Remo. Profiteren van zijn verpakte uiterlijk om mijn weerzin eronder te houden. Vertrouwelijkheid herstellen. ‘Nou, hoe was jouw weekend, Scott?’
‘Tamelijk geïsoleerd, dank u. Hij zette zijn Engelse butlertoontje op, daarbij geholpen door de stijfheid van zijn lippen. ‘En het uwe, als ik zo vrij mag zijn?’
‘Het isoleerde... mijn denken.’
‘Dat is dan dubbel gestraft, Sir. Een aanval op de Rechten van de Mens.’
‘Na anderhalve dag maalde alleen nog dat ene door mijn hoofd. Mijn beste voornemen voor het nieuwe jaar.’
‘Charlie vermoorden,’ gromde Maddox, weer met zijn gewone stem. ‘Ik wist het.’
‘Een eeuwige vlam ontsteken.’
‘Om Charlie te roosteren. Voor eeuwig op de barbecue.’
Een eeuwige vlam, zoals op het graf van de Onbekende Soldaat.’
De twee mannen daalden met hun veeggerei af naar de begane grond, waar de vloer nog sporen droeg van het onafgemaakte karwei eind vorige week. ‘Voor wie of wat, Li’ll Remo, zo’n eeuwige vlam?’
‘De Grote Onbekende.’
‘Zo’n vlam is hier al.’ Maddox wees op de wasbak aan de overkant. ‘Als ik daar de heetwaterkraan opendraai, springt ergens in Choreo een geiser aan. Er brandt dus dag en nacht een vlammetje... ik weet alleen niet waar. En voor wie. De Onbekende Gevangene...’
Om verder te kunnen praten, en toch een bezige indruk te maken, liepen ze als op afspraak naar de bezemkast, om daar wat in te gaan rommelen. ‘Ik heb mezelf gezworen, Scott, om zo’n vlam te onderhouden’ (hij wierp een spons tegen de achterwand van de kast, en ving hem weer op) ‘vanaf het moment dat ze me hier vrijlaten.’
‘Hoe? Terug in je poenige varkenskot pak je hamer en spijker... je slaat een lek in de gasleiding... je houdt er een tijdelijk vlammetje bij... je houdt er een eeuwig vlammetje aan over... of een strik in je haar, zoals ik.’
Remo drukte de spons tegen zijn borst. ‘De waakvlam hier brandende houden is voldoende.’
‘Goed, dan wil ik nu weten wie in het graf eronder ligt... of niet ligt. Aan wie het graf, hoe noem je dat, is gewijd.’
‘De Onbekende Tragicus.’
‘Li’ll Remo, ik weet wat soldaten zijn. Ik heb ze zelf aangevoerd. Ik weet wat een gevangene is. Ik ben er zelf een. Ik weet niet wat een tragedian is. Misschien ben ik er zelf wel een.’
Tragediedichter. Treurspelschrijver. Remo gaf wat Griekse synoniemen, en vertelde wat over de Griekse tragedie was. Oud nieuws, vond Maddox: de Bijbel stond vol van dat soort verhalen. De blinde Simson, die de pilaren op deugdelijkheid testte, was dat soms geen tragedie? ‘Op z’n minst voor de architect,’ zei Remo.
‘Goed, The Unknown Tragic Magic. Wie, o, wie?’
‘Iets minder onbekend, en ik zou weten wie hij was.’
‘Wat maakt hem onbekend?’
‘Ik wil al je vragen beantwoorden, Scott, maar niet voordat je me gezworen hebt straks antwoord te geven op een knellende vraag van mij. We blijven op bijbels terrein. De talenten uit Matteüs 25:14-18.’
‘De onbekende Tragic Magic, wat maakt hem zo onbekend?’
‘Griek op de uitkijk,’ waarschuwde Remo. Hij trok lukraak een bezem naar zich toe. ‘Hij is verbannen naar een onbekend land. En thuis, daar wordt zijn naam nooit meer genoemd.’
‘Griek richting trap,’ bromde Maddox, die de steel van een veegblik ter hand nam. ‘Wat heeft de Tragic Magic misdaan om zijn eigen land uitgegooid te worden?’
‘Goed zijn in z’n vak.’
‘Het rijmen van tragedies,’ snoof Maddox met minachting. ‘Hoe kan dat nou een misdaad zijn?’
‘Hij was te goed.’
‘Griek boven trap. Hoe kan een mens te goed zijn... menselijkerwijs, bedoel ik?’
‘Hij bedierf de competitie.’
8
‘Rassenproblemen volop in Choreo, met die heropleving van de Broederschap.’ De Griek had halt gehouden bij de twee schoonmakers. ‘En uitgerekend jullie discussiëren over vreemdelingenhaat in het Oostblok.’
‘Pardon?’ Oostblok. Heel even wankelde Remo’s incognito.
‘Ik ving de term Ost-Rassismus op.’
‘Misschien speelde mijn accent me parten.’ Uitgerekend nu zijn uitheemse afkomst zo te benadrukken: hij had zich de tong af kunnen bijten. ‘Ik had het tegen Maddox over ostracisme.’
‘Ah,’ riep Agraphiotis uit, ‘hoor ik daar een echo van de taal mijner voorvaderen? Ostrakismos! Schervengericht! Referendum in het oude Athene! Geen alledaags onderwerp, heren, in een gevangenis waar alleen lieden zitten die met de Amerikaanse rechtspraak te maken hebben gehad.’
‘Helpt u me op weg,’ zei Remo. ‘Ik probeer mijn vriend Maddox iets aan het verstand te brengen over de wedijver bij uwoorouders.’
‘Welkom, Mr Agraphiotis, in het rijk der dwergen,’ teemde Maddox met van pijn verwrongen stem. ‘Op uw knieën kunt u ons misschien verstaan.’
‘Vriendelijk van je, Woodehouse,’ zei de bewaker met een buiging, ‘om te veronderstellen dat zij de directe voorvaderen zijn van de huidige Grieken, dat stelletje bastaards. De ouden hadden de schurft aan de barbaren. Nooit gedacht natuurlijk dat ze die zelf nog eens zouden voortbrengen. Athene, ooit zo’n trotse stad... na de interne barbarij eeuwenlang vergeten in de zon liggen bleken. Veil voor wie er maar langskwam, te land of ter zee.’
9
Omdat Maddox op enige afstand van ons bleef staan, aarzelde ik om hem bij het gesprek te betrekken. Hij schuifelde soms een halve pas naderbij, als om ook iets in het midden te brengen, maar op mijn uitnodigende blik deinsde hij weer achteruit.
‘In deze verrotte eeuw, Woodehouse,’ ging ik verder, ‘wordt alles tot een spelletje teruggebracht.’
‘Sportiviteit,’ zei Remo. ‘Het toverwoord.’
‘Voor mijn verre voorouders was de competitie een zaak van uiterst vruchtbare haat. Reken maar dat die haat de vrije teugel kreeg. Die hele wedstrijdcultuur van ze... nauwelijks te onderscheiden van hun oorlogsvoering.’
‘Nou, dan noem ik dat een afgang van de geschiedenis, dat de eerzucht op leven en dood in het slop is geraakt.’
Met enkele snelle schuifelpasjes was Maddox bij Woodehouse, bij wie hij in het oor fluisterde: ‘Ik heb mijn best gedaan, Li’ll Remo. En kijk eens, hier zit ik.’
‘Dan valt er voor jou dus iets te herstellen, Woodehouse,’ zei ik, de ander negerend, die zich weer snel achterwaarts verwijderde.
‘Om iets uit oude tijden te kunnen repareren, Mr Agraphiotis, wil ik wel graag iets van de voorgeschiedenis weten. De competitie als halszaak, bestond die al vroeger... in de wereld van Homerus, zal ik maar zeggen?’
‘O, ja, maar die homerische heksenketel was nog idyllisch vergeleken met wat eraan voorafging. Toen, daar, in de aardedonkere voortijd, is de pure lust in de overwinning ontstaan. Niet zomaar in het winnen op punten, nee, de zege werd in opperste wreedheid gevierd. Vitaliteit op z’n schrikbarendst. Het feestje moest nu z’n beslag krijgen, want de volgende keer kon de huidige overwinnaar met zijn gezicht omlaag in het stof liggen.’
‘De woestijn, Mr Agraphiotis,’ riep Maddox met een hand aan zijn mond, ‘dat is de ideale worstelmat voor zo’n strijd. De schorpioenen spelen ’m aan de zijlijn na.’
De kleine schooier was vandaag erg onvoorzichtig in zijn uitlatingen. Ik negeerde hem. ‘Alles moord en tegenmoord, Woodehouse. Uit die golfslag kwam het Griekse rechtssysteem voort. Vergelding... het hele leven was ervan doortrokken. Het bestaan was nou eenmaal strijd, en dan moest je de zegevierende de bloedroes van het moment gunnen.’
‘Voor een bewaker,’ zei Maddox, weer wat dichterbij, ‘legt u wel erg veel begrip voor zo’n slachtpartij aan de dag.’
‘De mensen van toen,’ ging ik verder, ‘verkeerden in de overtuiging dat ze het allemaal nog verdienden ook... slaag, vernedering, bloed, dood. Wie moet smeken om z’n leven, bekommert zich niet om het rechtvaardige van de snelheid waarmee het zwaard op hem neersuist. Wie leefde, was schuldig. Punt. De latere christenen, die hadden er wat van kunnen opsteken, met hun erfzonde.’
‘Jammer dat de christenen niet beter afgekeken hebben,’ zei Woodehouse, ‘dan had de erfzonde ze misschien wel uitgeroeid. In ons voordeel.’
‘Van Jezus afblijven, Li’ll Remo,’ riep Maddox met overslaande stem.
‘In die oudste tijden,’ zei ik, ‘wa het strijd om de strijd. De slachting als wellust... een doel in zichzelf. Later werd het oorlog voeren vruchtbaar gemaakt, als allesdoordringende competitie. Eenmalige overwinning, wisselkampioenschap... dat werd het middel om de stadstaat groot te maken. Hoe tem je een volk tot creativiteit? Mannen in de bloei en de kracht van hun leven... hun vechtersmentaliteit... die kanaliseren. De lust in de overwinning aanmoedigen.’
‘Helaas, Mr Agraphiotis,’ brulde Maddox, ‘Choreo is zover nog niet. Hier is het moorden om het moorden.’
‘Als er spullen door slijtage niet meer bruikbaar zijn,’ zei De Griek, ‘meld het dan tijdig bij de bewaking. Dan zorgen wij voor nieuwe.’
In de dweilen, die over lege emmers te drogen hingen, zaten forse gaten, groepsgewijs, zodat ze op de mazen van een visnet leken.
10
Nu Remo besefte niet alleen met Scott Maddox in gesprek te zijn, maar ook met Charlie, begon zijn gebrek aan kennis hem te hinderen. Na de arrestatie van Charlie en zijn volgelingen had hij zich van alle berichtgeving over de zaak zoveel mogelijk afgesloten. Hij gokte erop dat de gevangenisbibliotheek Hurly Burly op de plank had, het boek dat de openbare aanklager, Vincent Jacuzzi, over het proces geschreven had, en diende een schriftelijke aanvraag in. De bibliothecaris kwam het hem een halfuur later persoonlijk brengen. Sinds er her en der in het land, door idolate bewonderaars van Charlie, kopieën van zijn moorden waren begaan, compleet met teksten in bloed op het behang, werd Hurly Burly in Choreo niet meer zomaar aan iedereen uitgeleend. Remo werd door de bibliothecaris, die ook een keer interessant wilde doen, kort over zijn motieven om het boek te lezen uitgehoord (‘toen ik als gokker nog in goeden doen was, had ik een van de slachtoffers als kapper’), en mocht het toen twee weken houden.
Voordat Hurly Burly achter het gesloten deurtje van de Choreaanse index verdween, had het heel wat potentiële copycatmoordenaars op ideeën kunnen brengen, want het zag er stukgelezen uit. Het viel vanzelf open bij het tweede fotokatern – en daar zat hij, onbeschermd in de recreatie, oog in oog met een paginagrote foto van de dode Sharon in haar executiebikini. Er stonden meer van die vakantiekiekjes uit het schimmenrijk in. Hij had ze eerder mogen bekijken, in de Los Angeles County Morgue, maar toen was hij erop bedacht. Nu niet.
11
‘Zeg eens’ – Maddox deed een stap achteruit, eerder een luchtsprongetje van schrik – ‘ben jij hier gekomen om kwaad te stichten?’
‘Ik ben in Choreo om een psychiatrisch onderzoek te ondergaan.’
Maddox stak een trillende wijsvinger onder het verband uit. ‘Ze hebben jou hierheen gestuurd om wraak op Charlie te nemen. Via die ingehuurde krisjnamonnik in Vacaville is het niet helemaal gelukt. Te weinig verfverdunner... Nu is de wreker in hoogst eigen persoon verschenen.’
‘Wraak, Scott, wat is wraak? Moordlust die de mazzel heeft zich te kunnen legitimeren met een voorafgaand incident.’
‘Dan kom jij aan legitimatie niets tekort.’ De angst in zijn stem leek echt, al wist je bij Maddox maar nooit. ‘Luister, Li’ll Remo, ik onderga hier al de wraak van de samenleving.’
‘Vergelding. Geen wraak.’
‘Er staat geschreven: “Mij komt de wraak toe en de vergelding.” Allebei.’
‘Vanuit het oogpunt van de maatschappij is wraak onvruchtbaar. Contraproductief, zoals ze tegenwoordig zeggen. Vergelding is betaling... terugvordering... dat past in de economie. De overheid als incassobureau. En dan neemt ze je, bij wijze van bonus of korting, ook nog eens tegen jezelf in bescherming... dat je niet in herhaling vervalt. Daar komt, heel pragmatisch, nog bij dat ze jouw straf gebruikt omriminelen in opleiding af te schrikken.’
‘Als er van het feit dat ik in Choreo zit te stinken een afschrikwekkende werking uitgaat, is dat buiten mij om. Voor Charlie betekent de gevangenis: thuiskomen. Het is allang geen veilige haven meer, maar... ik zal nooit meer uitvaren. Ik ben thuis.’
12
‘Als het goed is, Scott,’ zei Remo, ‘hebben we nu pas echt een gesprek, jij en ik.’
In een opwelling van grimmige frivoliteit liet Remo zijn poetsgerei vallen, om snelle, wenkende gebaren in Maddox’ richting te maken. ‘Kom maar op, goeroe... genie... generaal.’
‘Nu je dit weet, Li’ll Remo...’ Maddox’ stem klonk opeens mat, niet alleen maar gedempt door het verband. ‘Nu het tot je doorgedrongen is, Li’ll Remo, wie ik ben... hoe kun je nog met me werken? De jongens hier maken elkaar voor minder koud. Een pakje sigaretten.’
‘Ik heb vorige week mijn best gedaan,’ zei Remo kalm. ‘Zo’n gladde hals als van jou... helemaal glibberig van zalf en etter... die laat zich moeilijk aanvatten.’
‘De beste bescherming tegen verwurging, Li’ll Remo... jezelf in brand laten steken.’
‘Ik beheers mezelf, en heb er reden toe.’
Maddox, achterwaarts voor Remo uit bezemend, begon over zijn volgelinge Squeaky, ook wel Sequoya Squeaky, die hij ‘mijn voormalig plaatsvervangster op aarde’ noemde – voormalig, omdat ze sinds haar aanslag op president Ford zelf vastzat, en ‘nu Sandy als opvolgster had’. Een paar weken na haar mislukte daad kreeg Squeaky in de vrouwengevangenis gezelschap van een minder jeugdige dame, die ook al een poging had gedaan de president neer te schieten.
‘Die tweede aanslag,’ zei Remo, ‘daar zat jij toch ook weer achter? Als politiek activist vanuit de gevangenis...’
‘Charlies lange arm, Li’ll Remo, reikt niet over de menopauze heen.’ Maddox bleef maar ruggelings voor Remo uit vegen, alsof hij bang was een weerlozer kant naar zijn gesprekspartner toe te keren. ‘Een oud vel van vijfenveertig... een uitgedroogd lijk van socialistischen huize. Je zou verwachten dat die twee vrouwen elkaar in hun mislukking hadden gevonden. Niks. Vlogen elkaar bij elke gelegenheid in de haren. Letterlijk. Zo jaloers op elkaars... ja, op wat van elkaar? Op elkaars plannetje, denk ik. Al was het dan op niets uitgelopen. Terwijl jij en ik gewoon... nou ja, gewoon... met elkaar praten.’
‘Scott, ik vind bij jou niets om jaloers op te zijn.’
‘Li’ll Remo, alles waarvan ik beschuldigd word...’ Maddox bleef midden op de gaanderij stilstaan. ‘Alles waarvoor ze me veroordeeld hebben... dat moet voor jou de waarheid zijn. Jij bent van hun wereld. Jij gelooft in de rechterlijke macht. Volgens hun logica heb ik al die misdaden bevolen. Het ging ook om jouw huis... Hoe kun je dan met me praten?’
‘Ze noemen het wel bovenmenselijke krachtsinspanning,’ zei Remo. ‘Kijk.’ Hij zette zijn bezem tegen de muur, en liet zijn vuurrode handpalmen zien. ‘Mijn geloof in de rechterlijke macht van Californië, Scott, heeft het afgelopen jaar een aardige knauw gekregen. Ik heb meer dan vroeger de neiging mijn eigen vragen te stellen... mijn eigen conclusies te trekken. Nu ik jou hier tref, door god weet wat voor sadistische ambtenaarsgrap... nu wil ik de gelegenheid wel eens te baat nemen, Scott, om jou over een paar dingetjes uit te horen.’
Remo nam het risico van een afwijzing: hij had Maddox al leren kennen als een gretig prater, en vermoedde dat de man ook nu zou toehappen – al wist Remo dat hij een heleboel misleidend en verschonend gebral op de koop toe zou moeten nemen.
‘Li’ll Remo, je zult me niet geloven,’ zei Maddox.
‘Ligt eraan, Scott. Fei dat je hier zit. Met levenslang. Elke nuance is welkom.’
13
‘I didn’t tell Squeaky to take no shot at president Ford.’
14
‘Ik denk,’ zei Maddox, ‘dat Charlie en Li’ll Remo elkaar meteen al herkend hadden... ergens in de wriemelende diepte... en dat ze het zichzelf niet durfden toegeven.’
Het veegkarwei was gedaan. De twee schoonmakers stonden bij hun kast te wachten op het wagentje met de lunch, die ze meestal naast elkaar op de trap gezeten nuttigden. ‘De diepte had er blijkbaar belang bij de herkenning vast te houden,’ zei Remo.
‘Geen twee zielen die slechter op elkaar aansluiten.’
‘Of te goed juist,’ zei Remo, die de walging alweer voelde opschuimen. ‘Met een bajonetsluiting.’
Bedoelde diepte mocht bij Remo dan de herkenning hebben tegengewerkt, zij liet het woord bajonetsluiting moeiteloos als een moerasbel naar de oppervlakte los. Remo rilde al bij het uitspreken ervan.
‘Goed, Li’ll Remo,’ kraakte Maddox’ stem bijna opgewekt, ‘twee kleine mannen doen hun eerste kennismaking over. Nog steeds vermomd, maar nu met de echte namen. Ha, daar is stewardess Scruggs met de lunch van Chorean Airlines.’
Achter bewaker Scruggs schoof het traliehek naar de zijgang dicht. Hij duwde zo’n gevangeniskarretje vol voedsel maar zonder vering voor zich uit, dat rammelde bij elke oneffenheid, iedere scheur in het granito.
‘Wat heeft u ons te bieden, Mr Scruggs?’ riep Maddox de dikke bewaker toe.
‘Salami op brood.’
‘Geen pindakaas voor gevangene Maddox?’
‘Witbrood met honing, stond er op mijn lijstje,’ hijgde Scruggs.
‘Zolang er maar margarine onder zit,’ zei Maddox.
‘Roomboter, Maddox, komt Choreo alleen binnen via de sandwiches van Mr O’Melveny. Aanpakken.’
Met allebei een pakje brood en een kartonnetje melk in de hand keken de schoonmakers Scruggs na, die achter zijn karretje naar de dienstlift waggelde, waarin het naar de bovenste verdieping zou worden vervoerd, en vandaar telkens weer een verdieping lager. De mannen aten staande, alsof het naast elkaar zitten op een gietijzeren traptrede te intiem voor ze was geworden. Maddox likte eerst de honing rond de korst van zijn boterham weg, maar kon niet verhinderen dat het verband rond de lippen geel en kleverig werd. Remo lette scherp op de teint van Maddox’ tong – en niet om te zien of hij ziek was.
‘Dat gevangenisalias van je,’ zei Remo, zonder trek een hap brood met salami verstouwend, ‘dat had van meet af aan iets vertrouwds. Ik ken jouw dossier niet. Help me op weg.’
‘Heel simpel. Maddox is de familienaam van mijn moeder. In ’34, als weglopertje van vijftien, zestien, kreeg ze mij. Later heeft ze... lukraak, denk ik... een zekere kolonel Scott als mijn vader aangewezen.’
Remo stopte de half opgegeten boterham terug in het zakje. ‘De zoon van een kolonel verantwoordelijk voor de dood van een kolonelsdochter?’ Hij trok het bindtouwtje van de salami onder zijn tong uit, en kokhalsde.
‘Mijn vader was de valse kolonel,’ zei Maddox. ‘Jouw schoonvader de echte. Al was hij een valse hippie.’
‘Dat heb je van anderen,’ zei Remo. ‘Ergens gelezen misschien.’
‘Ik heb je schoonvader op de Strip ontmoet. Hij hing daar de hippie uit. Met lang haar en een baard. Ongeveer zoals jij er nu bij loopt. Hij was alleen een stuk groter...’
‘Dan jij.’
‘...en hij droeg foute hippiekleren. Veel te veel franje en kralengedoe. De kolonel zwalkte er daas rond, alsof hij aldoor stoned was. Aan de waarop hij wazig keek, zag je dat hij niet stoned was, de kolonel.’
‘Scott, hoe wist je... nee, kijk me aan met dat ene oog. Hoe kon jij weten dat hij het was?’
Als Maddox kauwde, was het malen van zijn kaken door de zwachtels heen nauwelijks te zien. Alleen het gaas rond zijn mond wapperde wat op de maat van een vlezig bewegende spleet. ‘Li’ll Remo, ik zat dat najaar van ’69 met mijn mensen in Death Valley. Maar ik ben een paar keer in Los Angeles terug geweest. Voor zaken. Op de Strip ging ik dan bij mijn vrienden van de Square Satans langs. Voorzover het nog vrienden waren sinds de inval van de sheriff op Spahn, die zestiende augustus. Ze zaten daar de hele dag op hun motoren te kletsen en te zuipen. Bobby of Danny vertelde me dat de baardmans die al drie keer voorbij was gekomen een nephippie was. Hij hing rond op de Strip om iets over de moord op zijn dochter aan de weet te komen. Ik ben toen maar eens een praatje met de kolonel gaan maken.’
Remo voelde zich nog misselijker worden. ‘Mijn schoonvader heeft dus... met de moordenaar van zijn dochter gesproken.’
‘Als je me zo blijft noemen, Li’ll Remo, hebben wij geen gesprek meer. Hou je aan de feiten.’
‘Wat heb je de arme man gezegd?’
‘Vergeten,’ zei Maddox. ‘Ik gaf hem de een of andere duistere tip. Zonder te laten merken dat ik wist wie hij was. De kolonel gaf me een blokje hasj. Als dank.’
‘Om zich door jou de verkeerde kant op te laten sturen.’
‘Och, Charlie is nooit te beroerd een officier van de Inlichtingen valse inlichtingen te verstrekken. Varkens moet je hoeden met straffe hand. Ze willen altijd een andere richting uit... naar de drek en de wortels en de paddestoelen.’
‘Onze zoon,’ zei Remo zacht, meer voor zichzelf, ‘die hadden we naar hem willen vernoemen.’
‘Mijn moeders kolonel had onrein bloed,’ gromde Scott. ‘Er lag ergens een neger in zijn voorgeslacht te stinken.’
‘Dan ben jij... dan heb jij...’
‘De klootzak is door de rechter veroordeeld tot wat onderhoudsgeld. Een paar dollar per maand, die hij niet betaald heeft. Kolonel Scott mijn verwekker? Nooit aangetoond.’
‘Toch haat je hem.’
‘Voor mij, Li’ll Remo, was hij de kolonel... van de vijfde colonne.’
‘Ach, die van het Kwaad,’ zei Remo vermoeid. ‘We raken aan de bron.’
‘Dan had ik misschien nog iets van hem kunnen leren,’ riep Maddox heftig uit. Omdat hij het voor zijn geroep niet van plooibare lippen moest hebben, maar van krachtige adempersingen, stootte hij Remo een waaier van fijngekauwd brood in het gezicht. ‘Ik bedoel natuurlijk, klein huftertje, de vijfde colonne als... als de wereld van de mannen. De vijandige mannenwereld, die ons leven binnenmarcheerde... dat van ons saampjes. Van mijn moeder en mij. Kolonel Scott was de eerste in een lange rij.’
‘Een logische verwekker,’ zei Remo. Hij keek loensend langs zijn neus omlaag naar de glinsterende sliertjes broodpap in zijn baard, die leken te bewegen als – nee, nog een keer het beeld van de maden, dat werd hem te veel. Sharon, zie, ik ben met de beste bedoelingen in je onderwereld afgedaald, maar ik kom niet voorbij dit stromannetje van de duivel.
‘De kolonel heeft Charlie niet verwekt, Li’ll Remo, de kolonel heeft Charlie mogelijk gemaakt. Snap je? Als ze me vroeger in het gesticht naar mijn ouwelui vroegen, zei ik: “De kolonel en de hoer.” Meer niet.’
‘Ze knokten allebei voor hun soldij.’
‘Jij bent van de film.’ Maddox liet zijn stem tot een raspend gefluister dalen. ‘Mickey Rooney in Boys Town, dat was ik. Alleen... mijn s Town was echt. Van baksteen. Het was alles waar mijn moeder niet was.’
15
Bij de post was een brief van de gebroeders DinoSaur, uit Florence. Op de avond van hun aankomst waren ze, als altijd, de Dom gaan bekijken – die niet alleen de gebruikelijke schijnwerpers op zich gericht had, maar aan de voorkant baadde in het extra koude licht dat ze zo goed kenden. De opname van een filmscène in en rond een telefooncel, die daar anders niet stond. Het was te koud om te blijven wachten tot de acteurs op de set zouden verschijnen. Toen de twee de volgende avond naar hun vaste restaurant aan de Piazza San Spirito liepen, bleek het plein voor een deel met touwen afgezet. Er stond heel wat volk omheen te blauwbekken. ‘Mastroianni.’ De naam ging van mond tot mond, maar binnen de afzetting waren alleen technici in de weer. Ergens verloren in de avond, met het touw in haar knieholten, stond een jonge, blonde scriptgirl haar papieren door te nemen.
‘Mastroianni... Mastroianni.’ De acteur werd uit de auto geholpen en naar de trappen van de San Spirito geleid – waar de blondine zich bij hem voegde, zonder paperassen. Verlegen stonden de man en het meisje naast elkaar te wachten tot de rijdende camera in stelling was gebracht. ‘Een schoonheid van nog geen zestien,’ schreef de tweeling. ‘Je zou kapot van haar geweest zijn.’
Misschien om Remo wat op te monteren in zijn cel beschreven ze uitsloverig gedetailleerd de verrichtingen van de jonge actrice. Na het sein tot actie liepen de twee in een onverstaanbare woordenwisseling op de camera af, daarbij een lantaarnpaal passerend, waaronder in een pose van lamlendigheid enkele hippieachtige figuren hurkten. De blondine liet zich op een bank vallen. ‘Het was op grootse wijze dat ze ging zitten. Haar lange jeansbenen gingen uit elkaar, en tegelijkertijd sloegen haar handen in elkaar, om met verstrengelde vingers tussen haar dijen te vallen. De perfecte wanhoop, met zulke geringe middelen. Gelukkig voor ons moest de scène twaalf keer over.’
Dino en Sauro bleken de regieassistent te kennen, uit Rome. Hij liet de broers de volgende dag, clandestien, wat van de rushes zien, en had daar geen moeite mee: ‘De producent, de regisseur, ze geloven niet in hun eigen film.’
Mastroianni met een rode anjer achter zijn oor baltsend in de steriele entourage van een reclamespot. ‘Misschien kun jij ons bij gelegenheid uitleggen wat jouw ontdekking Stassja, die zou debuteren in Cyclone, in die derderangs flutfilm tegenover Mastroianni deed.’
O, godverdomme, het was die ploert van een agent van haar. Bij elke productie had Remo altijd in het midden van een goed aangelegd web gezeteld. Zijn cel lag ver buiten dat middelpunt. Hij had de dingen niet meer onder controle.
16
‘Zo’n geheime identiteit, Scott, die geven ze je niet zomaar.’
‘Ze willen rust in de tent. In Folsom leidden de varkens, voor een rotfooi, moordtoeristen langs de tralies van mijn cel. Bezoekers van andere gevangenen, maar ze kwamen voor mij. Zie het beest in kooi 666. Verboden te voederen. De lui verrot schelden had geen zin... teleurstelling als ik het niet had gedaan. Hoe harder ik tekeerging, in des te groteren getale kwamen ze aanzetten. De geüniformeerde zwijnen hadden er een pikzwarte bijverdienste aan.’
‘Je zou zeggen... ze hebben je gepakt en levenslang opgesloten. De burger herademt, gaat over tot de orde van de dag, en laat Charlie in vergetelheid wegrotten. Maar nee, ze houden hun haat levend... in de bajes en daarbuiten.’
‘Wat de burgers betreft, Li’ll Remo... die hebben me, via een jury, de hoogste straf opgelegd. Charlie heeft niet eens aan het gas mogen ruiken. Hij bleef op afstand wel de vrouwelijke klieren van hun dochters prikkelen. Het aanmeldingsbureau van The Circle moet de meest meisjes terugsturen, omdat de organisatie anders te onoverzichtelijk wordt. Ze blijven komen... smeken lid te mogen worden... bieden zich aan voor de meest doldrieste acties, je reinste zelfmoord. Met die kinderen komt het thuis nooit meer goed.’
‘Natuurlijk niets vergeleken met de haat van je gevangenismaats...’
‘Die haat is tot de tanden gewapend. Ze willen zelf macht over jonge vrouwen. Alle pijn en moeite van de misdaden die ze hebben moeten plegen... en thuis zitten hun bebrilde echtgenotes zich te verbijten. Ze zetten hun bril af, sjorren hun tieten omhoog, en gaan vreemd als een stel loopse vullisbakteven. De jongens in Folsom hadden het allemaal zelf moeten opknappen... de thermische lans, de thermische dolk, de thermische kogel. Het hele handwerk. Alles. Charlie had daar zijn personeel voor. Dat steekt.’
17
‘Het noemen van Charlies naam,’ gromde Maddox, terwijl hij het bezoedelde gaas wat beter rond zijn mond schikte, ‘is voldoende om het boek van zijn misdaden open te laten gaan. Alles staat erin. Van Hurly Burly tot Hurdy Gurdy. Met plaatjes en al. Maar van Little Remo’s barmhartige werken, Li’ll Remo, weet Charlie nog weinig af. Het dossier-Woodehouse... eerste pagina graag.’
‘Van een vriend, een acteur, die wel regelmatig op de publieke tribune te vinden was, weet ik dat jij een tijdlang je eigen verdediging gevoerd hebt, Scott. Als het goed is, mag je dan met je neus in alle dossiers. Ga me nou niet vertellen dat je toen mijn armzalige biografietje niet tegengekomen bent.’
‘Het is jaren geleden, Li’ll Remo, dat ik mijn eigen advocaat was.’ Met een gewatteerde hand aan zijn voorhoofd dacht Maddox na, of hij veinsde dat te doen. ‘Geboren in het jaar... waarin het Duizendjarig Rijk begon.’
‘Het zal mijn lot wel geweest zijn ermee vergroeid te raken. Als jongetje het getto... de onderduik. Nu zit ik opgesloten tussen de Arische Broeders, en schrob ik hun stront uit de pot samen met nog zo’n bewonderaar van Hitler. Nee, met mijn geboortejaar zit het wel goed.’
‘Een Duizendjarig Rijk overleven,’ zei Maddox, ‘is meer dan de meesten kunnen zeggen. En jouw familie vluchtte de ellende nog wel tegemoet... van Parijs naar Polen... recht in de armen van...’
‘Geen wonder, Scott, dat ze jou in 1970 je eigen verdediging afgenomen hebben. Met een beetje dossierkennis had je geweten dat mijn moeder... Nee. Laat ik haar nagedachtenis niet bezoedelen door haar aan jouw arische hoon bloot te stellen. Zulke hoon is altijd giftiger naarmate de hoonlacher minder zuiver arisch is.’
‘Doe Russisch, Pools en joods bloed in de cocktailshaker,’ zei Maddox met de stem van een televisiekok, ‘en men krijgt Little Remo. Een cocktail van Russisch, Hongaars en joods zigeunerbloed, en men heeft een Gypsy. Ook van Parijs, mijn Gypsy. Uit net zo’n hoog cultureel milieu als jij. Niemand krast virtuozer op de viool dan zij. Waar is jouw viool, Li’ll Remo? Ik mis Gypsy om mee te jammen.’
‘Ze speelt hier elke avond aan de poort,’ zei Remo. ‘Geen antwoord van jouw gitaar.’
‘Joods, Russisch, Pools,’ herhaalde Maddox. ‘Weinig Amerikanen zullen geen hekel aan je hebben.’
‘Reken daarbij mijn leefwijze, die door jouw mensen destijds zo dapper aan de kaak is gesteld. De orgieën. De zwarte magie. De pillenfestijnen...’
‘Reken daarbij, Li’ll Remo, het spelen met dertienjarig grut.’
18
‘Met namen uit de bladen heb ik niets,’ brieste Maddox. ‘Ik blijf jou Remo noemen. Li’ll Remo Woodehouse. Voor jou ben ik Charlie. Zolang je het maar niet over de afdeling roept.’
‘Laat mij maar Scott zeggen,’ zei Remo, en hij dacht: het ventje hier voor me kan altijd nog een bewonderaar van Charlie zijn. Zo een die griezelig veel van zijn idool en voorbeeld weet, en bij wie de vereenzelviging te ver is doorgeslagen. Als Charlies copycat net zo veel antwoorden in pacht als de echte Charlie in bezit heeft, geef mij dan de copycat. Ik zal het langer met mijn vragen bij hem uithouden, en hij krijgt meer overlevingskansen. ‘Zolang jij Scott voor me bent, Scott, red ik het wel. Dat gevecht vorige week... naakter kunnen we niet tegenover elkaar komen te staan. Laat die schuilnamen een laatste vijgenblaadje vormen.’ En hij dacht: dat vijgenblaadje, Scott, zou wel eens je reddende pantser kunnen zijn – een toque niet alleen voor je ballen, ook voor je kloppende hart.
‘Ik noem jou Remo. Jij noemt mij Scott. Charlie kan zichzelf alleen Charlie noemen.’
‘Zo zul je je vroeg of laat tegenover het varkensdom verraden,’ zei Remo. ‘Net als afgelopen donderdag tegenover mij.’
‘Charlie,’ zei Maddox, ‘had het Amerikaanse volk geen grotere dienst kunnen bewijzen dan Charlie te heten.’
Hij liet zijn blik aftastend van onder naar boven langs de loges gaan, zag geen varkenssnuiten, en sprong op blote voeten in de wasbak – blijkbaar om een podium te hebben, want hij spreidde Messiaans de armen, en zette zijn stormachtigste bergredenaarsstem op. ‘Vijand in de zwartste jaren van Vietnam, dat was Charlie. Charlie... alles wat in de bosjes ritselde... wat net beneden de napalmdampen over de oerwoudgrond kroop, dat was Charlie. Charlie was het gevaar. Het lange mechanische gegrinnik, Li’ll Remo, waarmee in Saigon een lijkenzak werd dichtgeritst... ook dat was Charlie. Charlie: de pooier van honderdduizend spleetoogkutjes. Een communistische druiper... allemaal Charlie.’
De gewonde mondhoeken zaten hem nog hoorbaar in de weg, maar zijn stem loeide op uit een woedende keel. ‘Het ging steeds slechter daar in Vietnam. Al moest gezegd... de export van welgevulde lijkenzakken, die bloeide. En toen, Li’ll Remo, kwam de redding. In eigen land. Toen stond, binnen de eigen muren, een andere Charlie op... en dat was ik. De Vietcong in z’n eentje. Een Vietcong voor gebruik thuis. De Charlie van Noord-Vietnam stuurde volle body bags naar Amerika. Met de groeten van Ho Chi Minh. De Vietcong-Charlie maakte jullie zonen weg. De Charlie van Haight-Ashbury roofde jullie dochters. Dat wil zeggen... hij raapte wat ondervoede weglopertjes bij elkaar. Een Charlie in eigen huis, beste Choreanen,’ (Maddox strekte zijn grauwwitte berenklauwen uit naar de hogere verdiepingen van de Ring, maar zijn enige publiek bleef Remo) ‘het Amerikaanse volk had niet dankbaarder kunnen zijn. De ouders van al die lijkenzakken, eindelijk konden ze hun eigen, kleine Charlie omsingelen en’ (denkbeeldig gehanteerd zoutvaatje) ‘met napalm besprenkelen. De Charlie uit de rimboe rond Spahn’s Movie Ranch had van hun dochters Vietcongsoldaten gemaakt. Met Buckmessen. Met een Hi Standard nine shot Longhorn .22 Buntline. Met een machinepistool in Gypsy’s vioolkist... Dus moest deze eenkoppige Charlie, Fifth Column Charlie, de gaskamer krijgen, voor de gelegenheid gevuld, Li’ll Remo, met huisgemaakte napalm. Voor de napalm maakte het geen verschil... het kamertje was groen. What’s in a name? vroeg Shakespeare zich in een stomme bui af. Alles, Shakespeare! Alles! Luister naar Charlie! Het draait allemaal om de naam! Als Charlie door iets ter dood veroordeeld werd, dan door zijn eigen voornaam, die’ (hier knerste een snik in het diepst van de verbandkluwen) ‘zijn moedertje van vijftien voor hem bedacht had. Amen.’
Maddox stapte uit de wasbak, veegde zijn natte voetzolen aan de overallpijpen af, en schoof zijn tenen in de Choreaanse slippers.
19
‘Als ik hier onder mijn eigen naam binnen was gekomen, Li’ll Remo,’ zei Maddox driftig, ‘dan, ik weet niet... een lik pus van mijn krisjnastig’s had dan op de wolven hier de uitwerking van een druppel bloed gehad. In Choreo scharrelen al genoeg tatoetranen-op-pootjes rond.’
‘Voor je eigen veiligheid, ja, zo’n schuilnaam,’ zei Remo, ‘dat snap ik. Het geldt voor mij ook. Maar... waarom Scott Maddox?’
‘Een zoon heet naar zijn ouders, niet?’
‘Juist daarom. Waarom zo doorzichtig? Ik kwam de namen vanmorgen in het boek van Jacuzzi tegen. Scotty, zo noemde je moeder haar kolonel. Ik weet nu alles. Anderen hebben het ook gelezen.’
‘Het was mijn manier, Li’ll Remo,’ zei Maddox hees, ‘om met mijn moeders naam het lot te tarten. In dat lor van Jacuzzi heb ik zelfs nooit gespuugd, laat staan gelezen. Ja, Charlie weet ongeveer wat erin staat. Het gaat over Charlie... over zijn rechtszaak. Maar van mijn moeder had Jacuzzi af moeten blijven.’
‘Opvallend,’ zei Remo, ‘dat je de achternaam van je vader als voornaam hebt gekozen... en je moeders achternaam als eigen achternaam.’
‘Mom’s naam is het enig ware echtheidscertificaat.’ En weer was er die korte keelklank van ontroering in zijn stem. ‘Voordat je mijn identiteit aan de grote klok hangt, Li’ll Remo, denk aan haar.’
‘O ja, reken maar dat ik aan haar zal denken.’
‘Mijn moeder, Li’ll Remo, mijn moeder.’ Alleen een natuurlijke rauwheid belette Maddox’ stem smekend te klinken. ‘Als je mij vanavond verraadt, ben ik morgen een lijk.’
‘Sinds wanneer kijkt Charlie op een lijk meer of minder?’
‘Een lijk meer of minder, daar kijkt de grote filmmaker ook niet op.’
‘Scott, ik heb het patent op het echtst lijkende bloed uit de hele filmgeschiedenis. Ik wed dat het echter lijkt dan het bloed dat jij hebt laten vloeien. En dat is nou precies het probleem... en het verschil tussen jou en mij.’
‘Consumptiegruwelen op celluloid,’ gromde Maddox. ‘Jij met je snoepwinkeltje.’
‘Jij met je slagerij. Als jij in die amusementswereld aan de bak had kunnen komen, was je gehaktmolen schoon gebleven.’
20
Terug in de cel liet hij zich, terwijl de deur nog achter hem aan het dichtschuiven was, op zijn knieën vallen – niet alleen van uitputting. Ja, hij was ten dode toe vermoeid: van het interesse veinzen, van het zich tot het uiterste beheersen, van de urenlange dans met Maddox rond een open wond. Het was in de eerste plaats een knielen voor de portrettengalerij van Sharon, met houten tandenstokers op de zachtboardplaat vastgeprikt. Remo trok een paar van de houten pinnen los, en draaide haar mooiste foto om, zodat hij haar in het gezicht kon kijken. Hij vroeg haar vergiffenis: voor zijn omgang, een dag lang, met het monstermannetje dat haar ondergang gelast had. Zomaar stilzwijgend had hij aangenomen (een andere communicatie was er niet) dat zij net als hij de voorrang gaf aan waarheid boven wraakneming. Hij beschouwde het als zijn plicht eerst de openstaande vragen te vereffenen, en dan pas de openstaande rekeningen.
‘Als ik het mis heb, liefste... als ik hem van jou in een eerste rode opwelling had moeten kelen, vergeef me dan mijn halfhartigheid.’
Hij trok aan tandenstokers, en draaide meer portretten om. Zijn geknielde houding maakte dat de overall strak over zijn rug spande, vooral wanneer hij ook nog het hoofd boog. Om het snijden van de stof tussen zijn schouderbladen minder te maken rechtte hij zijn bovenlichaam. Hij liet zijn ogen langs de foto’s gaan. Op de eerste was Sharon een halfjaar oud. Een staatsieportret van Miss Tiny Tot of Dallas 1943.
Het cowboymeisje uit Texas, dat haar eigen schoonheid niet wilde kennen, was veroordeeld tot de spotlights. Haar vader, een beroepsmilitair, was nu eens hier gelegerd, dan weer daar. Het gezin volgde hem de Amerikaanse bases langs, en daarmee de domeinen van de schoonheidskoninginnen. Moeder voerde haar eigen strijd om het gezin status te geven. In Texas stuurde ze haar wolkig fotogenieke dochtertje, nog geen halfjaar oud, in voor de uitverkiezing van Mooiste Baby. En ze werd het: Miss Tiny Tot of Dallas.
(Moeder Doris bereidde een optreden voor bij de parole hearings van de moordenaars later dit jaar. Er moest tot elke prijs worden voorkomen dat de duivels en duivelinnen die haar dochter en kleinzoon hadden weggemaakt voorwaardelijk op vrije voeten zouden worden gesteld. Hij keek naar de foto waar Sharon, in Italië, met haar moeder op stond. ‘Vergiffenis, Doris, dat ik hier in Choreo zit, omdat ik... nou ja, mijn waardigheid als weduwnaar niet kende. Ik had nu samen met jou moeten strijden tegen vervroegde vrijlating van het Kwaad Puur. Beschouw me, lieve Doris, als jouw persoonlijke Vijfde Colonne in Choreo. Ik kan er het mijne toe bijdragen het al danig verschroeide oppermonster verder in het nauw te drijven. Ik zal ervoor zorgen dat het niet levend z’n kooi verlaat. In der eeuwigheid niet. Beloofd, bij deze. Nee: gezworen.’)
De spotlights zouden van nu af aan hooguit nog knipperen tussen twee Missverkiezingen door. Overal waar het gezin was neergestreken en vader promotie had gemaakt, liet Sharon een nieuw koninkrijk achter. Ze werd gekroond tot Miss Richmore in Washington DC, tot Miss Lauderdale (met laurierkrans) in Florida, en tot Miss Houston, in Texas weer – allemaal nog voor haar zeventiende. Haar gouden schoonheid won zilveren bekers, ze straalde gepast, maar snappen deed ze er niets van. Misschien beschouwde ze het als haar plicht van oudste dochter, met extra verantwoordelijkheid wegens een afwezige vader, om al die luidruchtige wedstrijden af te sjokken. De zijden sjerp glad en koel rond haar blote schouder – het werd een vertrouwd gevoel voor haar, al wende het nooit. De laurierkransen, groot als hoepels, deden haar met hun zwart bedrukte linten (MISS PICKEREL OF LAKE TAHOE) aan statige begrafenissen met hoge zijen denken.
Het koper schalde. De cheerleader liet vierentwintig glittermoffen rond twaalf paar polsen rondtollen. Sharon bleef glimlachen. In het feestlicht na de spotlights leken haar ogen, al zo geroemd in het juryrapport, nog groter te worden. Over haar zilverig blauwe badpak dwarrelde de schaduw van vers afgeschoten confetti.
Remo had de glazen trofeeënkast gezien, bij haar ouders thuis. Op de bodem van zo’n wedstrijdbeker bleef soms een miniem plasje champagne achter. Niemand die eraan dacht het weg te poetsen. Onder een dekseltje droogde het restje wijn nooit helemaal op. Het werd schimmelig. Lichtgroen dons op een kelkbodem die al zwart begon te worden.
21
Niemand vroeg Remo ooit nog hoe hij haar had leren kennen. Het had in tal van interviews gestaan – met hem, met haar, met ze samen. Iedereen wist ervan. Het was filmgeschiedenis. Dat er zoveel varianten op het verhaal de ronde deden, vaak nog tegenstrijdig ook, daaraan werd voor ’t gemak voorbijgegaan. Na Sharons dood, toen haar necrologie in overeenstemming gebracht moest worden met de geruchten, werden de verschillende versies van hun kennismaking nog doldriester, met de herenkapper in de rol van hoorndrager en toekomstig wreker. Als hij alle aangekoekte nonsens van de gebeurtenis bikte, hield hij weinig spectaculairs over. De blauwe plek op zijn heup. Een driearmige kandelaar met twee kaarsen. Het masker van graaf Dracula. Veel meer kon hij er niet van maken.
En toch, het was het gouden scharnier van zijn leven.
In zijn cel rees de gestalte van Andrew Romsomoff voor hem op, hoofd van Blush Movies Inc., waar televisieseries als Petticoat Crossroad, The Beverly Beavers en Mr Bit, The Counting Horse geproduceerd werden. Romsomoff was zo’n te snel rijk geworden filmbons die nog geen tijd had gevonden af te rekenen met zijn slordige gewoontes uit de tijd van het eeuwige sappelen. Vormeloze jasjes schikten zich al twintig jaar naar zijn uitdijende gestalte. Nooit een das. Het zitvlak van altijd dezelfde broek had zich in zijn directeurszetel tot een spiegel gewreven, en toonde dat trots via een diep uitgezakt kruis. De asbakken in zijn kamer, groot als dekschalen, waren zo vol sigarenas, half verkoolde spaanders en verkruimelde peuken dat zijn vier katten er hun gevoeg in deden.
Andrew Romsomoff produceerde ook speelfilms, en zo was hij in contact gekomen met Remo, die voor hem een hoogstaande parodie op het horrorgenre wilde maken, The Vampire Destroyers. Ze troffen elkaar in het Londense restaurant Alvaro. Later, in een interview, herinnerde Romsomoff zich de ontmoeting zo: ‘Ik had nooit een foto van het bastaardje gezien. Zijn reputatie als artyfarty kunstfilmer was hem vooruitgesneld, dus ik zat aan mijn tafel uit te kijken naar een of andere filmhuisboer... een baardmans met een coltrui... Verschijnt daar een kleine, lawaaiige Beatle in een velours glitterpak van Oxford Street. Met wapperende bakkebaarden.’
Het gesprek kwam algauw op de ideale actrice voor de vrouwelijke hoofdrol. Remo dacht aan Rebekah Rutherford. ‘Ze heeft zo’n volbloed hals. Het is vragen om de slagtanden van een vampier.’
‘Bloedvol, zeggen wij in Amerika... of doorbloed.’ De producent had nog heel moois achter de hand. Kauwend op zijn sigaar vertelde Romsomoff over de dag dat hij, om toch een keer zijn gezicht te laten zien, de set van Mr Bit, The Counting Horse op was gelopen. Ze had een bijrolletje als winkeljuf met een defecte kassa. Mr Bit, buiten de zaak aan de balustrade vastgebonden, moest met schrapende hoef het telwerk voor haar doen. Romsomoff wachtte haar acteerprestaties niet eens af, nam bij hoge uitzondering de sigaar uit zijn mond, en blafte om een contract. ‘Haal mijn advocaat hierheen! Laat de vader van dat meisje komen! Haar moeder! Haar voogd!’
Zo kwam Sharon onder de hoede van oompje Romsomoff, die haar verbood nog langer zulke onnozele rolletjes op zich te nemen, en haar op zijn zak acteerlessen liet volgen aan het Strasberg Institute – tot de tijd rijp was voor De Lancering.
‘Het moment is daar,’ riep Romsomoff, en door de kracht van zijn stem woeien de kaarsen op tafel uit. ‘Zij wordt het badverslaafde meisje in The Vampire Destroyers.’
Remo schudde zijn hoofd. Hij hield vast aan het doorbloede vampiersvoer van Rebekah Rutherford.
‘Neem mijn oogappel op z’n minst een keer mee uit eten.’ De producent liet zijn hoofd in de smekende hondenkopstand zakken, waardoor een grote kegel van zijn sigaar op het damast viel. Hij probeerde de as met een geplastificeerde dessertkaart op te scheppen, maar walste de vuiligheid alleen maar verder uit. ‘Je zult geen hap door je keel kunnen krijgen.’
En zo zat Remo een paar avonden later in hetzelfde restaurant tegenover het honingblonde, beledigend mooie protégeetje van Andrew Romsomoff. Hij schatte haar op zestien. Ze zag eruit als vroegrijp veertien. (Later bleek ze zelfs de twintig voorbij, maar dat maakte toen al geen verschil meer.) Het waren de plakwimpers, dacht hij, die haar ouder deden lijken. Het jurkje, zelfs voor een mini te kort, verried dat ze nog in de groei was (helaas, want ze was nu al bijna een hoofd groter dan hij): die gladde benen, waarvan het honingdons zorgvuldig verwijderd was, hadden haar de laatste tijd weer verder de hoogte in geduwd.
Hij kreeg gedurende de hele maaltijd geen hap zijn keel door en geen woord zijn mond uit. Tot halverwege het hoofdgerecht nam het meisje dapper het gebabbel voor haar rekening. Zoals alle in Londen gevestigde Amerikaanse starlets probeerde ze zich een Brispreekwijze aan te meten, maar in de ondertonen bleef een licht zangerig Texaans meeklinken. Remo’s botte zwijgen, dat Sharon als inschattende afkeuring onderging, maakte haar op den duur zo onzeker dat ze zelf haar mond hield. Ze voelde zich net zo’n stuk vlees als de biefstuk onder haar vork – nee, van lager allooi nog, want de lap op haar bord had ooit het stempel van de keurmeester gekregen, en zij zat daar nog met gebogen hoofd op te wachten.
Steeds vaker legde ze haar bestek neer, om dan een lange nagel naar haar mond te brengen. Ze deed haar best er niet in te bijten. Hij vermoedde afgekloven nagels onder de valse, en besliste tijdens het dessert (aan beide kanten onaangeroerd) dat het binnen de kortste keren afgelopen moest zijn met dat neurotische geknaag en geknabbel. Dat er zo duidelijk, bijna voelbaar aan een vochtig warme uitwaseming, een mens in de bimbo school, daar had hij nog het meest de pest over in.
Haar appartement was bij hem om de hoek. Hij bracht haar zwijgend naar huis, en zonder een woord, met hooguit een getroebleerde blik, namen ze afscheid. In de wanhopige hoop ten minste iets tegen haar te kunnen zeggen, belde hij Romsomoff om een nieuwe eetafspraak met haar voor hem te regelen, weer bij Alvaro. Nu zat ook de spraak van het meisje al vanaf het aperitief op slot, en er werden gedurende de hele maaltijd, zelfs tot merkbaar ongemak van de obers, zegge en schrijve vier woorden gewisseld, of eigenlijk maar twee. ‘Wijn goed?’ ‘Wijn goed.’
Er moest iets gebeuren. Zo kon het niet langer. Zwijgend naast haar voortlopend over Eden Square, waaraan zijn huis lag, sloeg hij zo onverhoeds zijn armen om haar heen dat ze allebei, zij bovenop hem, tegen het trottoir smakten. Hij kwam met zijn heup op een geribbeld putdeksel terecht, en kon zich van de pijn niet meer bewegen. Sharon wel: ze krabbelde overeind, gaf hem met haar tas een harde klap op het hoofd, en daar ging ze, de donkere zijstraat in. Verkeken kansen. Niet verhoorde gebeden. Hij probeerde zichzelf te troosten met de woorden van de heilige Teresa van Ávila: dat er meer tranen werden vergoten over wel verhoorde gebeden dan over niet verhoorde. Ondertussen bad Remo dat hij in staat was op te staan voordat de voortschrijdende stijfheid zijn been tot beneden de knie had aangetast. Dit gebed werd wel verhoord, maar leverde geen wonderbare genezing op: hij strompelde naar zijn voordeur, en wist nauwelijks de trap op te komen.
Later hadden ze samen nog vaak gelachen om haar beeld van hem als keurmeester met het stempel in de aanslag. De enige die een stempel had gekregen, was hij: van het gemeentelijke riooldeksel, dat z’n reliëfletters diep in de huid van zijn dijbeen had geslagen. Sommige ervan bleven nog dagen in blauw spiegelschrift zichtbaar, totdat ze paars uitvloeiden en onleesbaar werden.
22
‘Lights out...!’ Het bleef iets primitiefs houden, dat geschreeuw over de gaanderijen, als een stadsomroeper met een ratel in tijden van moderne communicatiemiddelen. Als de kreet voor de celbewoners bestemd was: die raakten vanzelf wel van licht verstoken, zonder een knop te hoeven omdraaien.
In het donker probeerde hij zich Sharon weer voor de geest te halen, zoals ze bij Alvaro opgelaten boven haar biefstuk had zitten zwijgen. Hij kreeg het niet voor elkaar. Zoals ze hem nu verscheen, was ze een en al lachend en pratend gezicht, zonder dat hij iets van het gesprokene verstond. Niet de huid zelf, de jukbeenderen eronder leken het beweeglijkste aan haar gezicht. Later had ze er voor de camera’s haar voordeel mee gedaan.
Ja, Romsomoff had nog een derde etentje voor de twee zwijgers georganiseerd, ditmaal in een minder poenige tent. ‘Die Europese kunstenaars, schatje,’ had hij Sharon gesust, ‘hebben met alles een bedoeling. Zie het nog even aan, liefje.’
‘Hij mag zijn bedoelingen houdene eerst nog uitgeroepen. ‘Ik wil niet met die little putz werken. Ik hoef hem nooit meer te zien.’
De conversatie wilde nog steeds niet erg op gang komen, maar de gewisselde blikken waren al minder aftastend. Telkens wanneer ze, in plaats van haar vork, een vinger naar de mond bracht, schudde hij zijn hoofd, en dan zag ze van bijten af.
‘Ik wil je mijn nieuwe huis laten zien,’ zei hij na het dessert, dat ze dit keer wel weg hadden kunnen krijgen – nou ja, half.
‘Ik ben verloofd,’ zei ze met een klein stemmetje.
‘Ik zal je aan mijn verloofde voorstellen.’
Ze ging mee. Het appartement, in een verbouwd koetshuis, had nog geen elektriciteit. Nadat ze de donkere trap op gestommeld waren, stak hij in de hal twee kaarsen aan. Hij ging haar voor naar de salon, vroeg haar op de grond te gaan zitten, en zette de driearmige kandelaber voor haar neer. ‘Van drie kaarsen,’ zei ze, wijzend op het druipvet rond de lege houder, ‘brandt er altijd eentje binnen een kwartier op. Bij die andere duurt het uren. Is dat niet gek?’ Ze was een beetje aangeschoten.
‘Als ik terugkom met mijn verloofde, wil ik dat je het raadsel opgelost hebt.’
‘Ze zet me vast het huis uit.’
Hij ging luidruchtig naar boven, nam op de tast het masker uit de hoedendoos, en sloop zonder een tree te laten kraken weer naar beneden. Hij liep, met het masker voor, de zitkamer door een andere deur weer binnen, en naderde zijn bezoekster van achteren. Onder zijn geringe gewicht hield zelfs oud parket zich muisstil.
Sharon zat over de kandelaber gebogen. Aan minieme bewegingen in haar nek en schouders was te zien dat ze poppetjes uit kaarsvet boetseerde, wat ze eerder in het restaurant ook al gedaan had. Er stond al een soort schaakpion of vleugelloos engeltje naast haar op de vloer. Zolang ze tegenover hem aan tafel zat, had haar kapsel gladgekamd geleken, gezond vettig. Nu droeg ze rond haar hoofd een beweeglijke halo van kaarslicht en losgesprongen haren. Door geruisloos tegen het papier-maché te ademen, dat een beetje nat werd, hoopte hij zich niet voortijdig te verraden. Hij had nog minutenlang, uren, zo naar haar kunnen blijven kijken. Maar er moesten ook dingen kapotgemaakt worden.
Even aarzelde hij, alsof hij ergens daar in het donker een grens overschreed. Toen, achter haar neerknielend, liet hij zijn waanzinnigengehuil op Sharon los. Met een verrassend elastische hurksprong vloog ze gillend over de kandelaar heen. Ze draaide zich in vluchthouding om – en keek sidderend in de doorgeprikte ogen van graaf Dracula. De hoektanden, wist hij, waren ook in dit bijna-duister lichtgevend.
Hij had meteen spijt. Het kostte hem een vol uur haar hysterische gehuil tot bedaren te brengen. Ze sloeg om zich heen als een kind dat tussen slapen en waken met een nachtmerrie worstelt. Zelf in tranen troostte hij haar onhandig en liefdevol, en langzaam maakte haar trillende boosheid plaats voor een zacht beven en snikken. Ze lag nat en slap in zijn armen, als een klein meisje dat zojuist de koortsstuipen heeft overleefd. Zijn strelende hand werd niet meer weggemept, en voor deze ene keer mocht zij, vanwege de schrik, op haar valse parelmoeren nagel kauwen. Zo bleef ze tot diep in de nacht over zijn schoot tegen hem aanliggen, terwijl zijn staartbeen een speldenkussen werd van het zitten op de houten vloer. Van tijd tot tijd, steeds minder vaak, schokte er nog een snik uit haar lijfje tegen hem op. Ze werd broeierig warm, en stoomde zo haar eigen lichaamsvocht uit haar kleren. De milde damp rook naar kinderwanten, in een dennenbos nat en plakkerig geworden van regen en hars, en op een Poolse tegelkachel gedroogd.
‘Jay,’ zei Remo eindelijk, tegen de ochtend, ‘heet hij zo, je verloofde?’
‘Oh,’ deed ze verontwaardigd, eenuist tegen zijn kin schroevend, ‘je hebt navraag gedaan. Je hebt boven opgebeld.’
‘Toen je zo schrok, riep je Jay naar de graaf.’
‘Er hangt hier geen knoflook. Ik moest toch iets.’
‘Wat doet Jay voor z’n vak dat er van zijn naam zo’n afschrikwekkende werking uitgaat?’
‘Niets. Hij is herenkapper.’ Dat Jay bekendstond als de Man met de Gouden Schaar, en dat zijn kapperszaak in Hollywood een imperium op zichzelf was, met een hele keten aan rijk beklante bedrijven, met eigen merken shampoo en aftershave, en met luchtbruggen naar filmstudio’s in Rome, Parijs, Londen – dat hoorde Remo allemaal later pas. Voorlopig vond hij dat een barbiertje geen partij voor hem vormde, en dat de hindernis eigenlijk al genomen was.
Voordat Sharon zich gewonnen gaf, moesten er van boosheid nog een paar nagels sneuvelen, niet alleen valse. Niet lang na de Draculanacht nam oompje Romsomoff haar apart. De regisseur had zijn bevindingen omtrent haar bij hem neergelegd. ‘Volgens hem zou jij het heel aardig kunnen doen in The Vampire Destroyers.’
‘O, zei hij dat? De kleine rotzak.’
‘Je draagt de hele film door een rode pruik. En er is een scène dat je over de knie gaat. Die snijden we er later wel weer uit.’
In het donker van zijn cel, waar hem zelfs geen stompje kaars was toegestaan, probeerde Remo zich de gemeentelijke putdekselletters te herinneren die door zijn val spiegelbeeldig in zijn vlees waren gehamerd – alsof ze met terugwerkende kracht een boodschap of een oplossing konden bevatten. Hoe hij ook zijn best deed de tekens helder te krijgen, het enige dat er uit het duister oplichtte, was de vormeloze bloeduitstorting van anderhalve week na de val: vettig donkerpaars, met ranzig geel omgeven. Aldus getatoeëerd was hij door haar voor de eerste keer naakt gezien.
Het stemmenkoor van Maddox’ achterban stak op in de nacht, maar had alweer de wind niet mee. De boodschap van het recitatief was net zo onverstaanbaar als die op zijn dijbeen onleesbaar was. Remo nam alle raadsels mee de slaap in. Op z’n best zou hij ze tot een oplossing dromen, en die bij ontwaken vergeten zijn.
Het voornaamste van de dag was dat hij, en nog wel zonder methode-Charrière, de geurig vochtige warmte van Sharons geschrokken lijfje had teruggevonden. Dat alleen al diende hem met zijn eigen wegrotten in Choreo te verzoenen.