Dinsdag 27 december
1977
Moerstaal visserslatijn
1
Ik was er nog geen maand in dienst, maar begon Choreo aardig onder de knie te krijgen. Zelfs mijn uniform zat beter – al had ik het daarvoor wel tien keer achter elkaar gewassen in de automaat van het motel, en later nog eens vijf of zes keer zonder tussentijds drogen.
Binnen de muren verwierf ik nog moeilijk overzicht, maar op de binnenplaats waren nu ook voor mij vijf etnische groepen en hun diverse organisaties te onderscheiden. In volgorde van afnemende omvang: blanken, zwarten, latino’s (voornamelijk chicano’s), Aziaten en indianen.
Van de laatste twee categorieën had ik er tot nu toe maar een paar kunnen ontdekken. Twee van hen leerde ik persoonlijk kennen: de van oorsprong Japanse Keho, bijgenaamd Dr Change, een patholoog-anatoom die vastzat wegens moedwillige verwisseling van lijken in koelladen; en Fine Feather, een afstammeling van de Apachen, die in diepe dronkenschap een hele kudde longhorns had afgeslacht, hoewel een overtuigd vegetariër.
De blanken vielen uiteen in leden van de Arische Broederschap en niet-leden van de Arische Broederschap. De zwarten vormden twee elkaar beconcurrerende gemeenschappen, of bendes: de C’s en de D’s. Geen idee waar dat de afkortingen van waren. Misschien voerden ze hun letters alleen om zich te onderscheiden van de A en de B, die stonden voor alles wat blank en fascistisch was.
De Mexicanen golden als individualisten, dus als stiekemerds, en werden door zowel bewaking als AB, C en D extra in de gaten gehouden.
Al tijdens het sollicitatiegesprek bij de directeur had ik me, afgaande op O’Melveny’s geruststellende woorden, erover verbaasd dat met zo’n onevenwichtig samengestelde etnische populatie, ook nog eens verdeeld in verschillende belangengroepen en politieke eenheden, de goede vrede binnen Choreo’s muren te handhaven viel. Het duurde niet lang of mijn verwondering moest het ontgelden. Mijn eerste weken als bewaker verliepen tamelijk rustig, maar in week 51, zo rond de komst van gevangene Woodehouse, begonnen de spanningen tussen de verschillende groepen, maar ook tussen allerlei gevangenen onderling, bijna ongemerkt op te lopen. De baas begreep er niets van, of gaf voor er niets van te begrijpen, en belegde extra vergaderingen van de Disciplinaire Commissie.
‘Ik wil rapporten van alle incidenten,’ riep O’Melveny. ‘Ook als ze onbeduidend lijken. Er is in Choreo een nieuw patroon ontstaan, en dat wil ik glashelder krijgen.’
2
De Griek kwam hem waarschuwen dat het luchtuur begon. Remo had er zelf om gevraagd, verzoekschriften laten indienen door zijn advocaat, en nu het eindelijk mocht, was hij liever met Maddox binnen de beslotenheid van de EBA gebleven, leunend op een wiebelige bezemsteel, zwart speeksel opgevend.
De binnenplaats liep al aardig vol. De meeste gevangenen droegen net zo’n pij-jekker als Remo uit het magazijn had meegekregen. Alleen de sporters hadden in de ochtendkilte genoeg aan hun T-shirt: het bovendeel van de overall was met de mouwen om hun middel geknoopt. In een hoek, beneden een van de wachttorens, lagen twee glanzend zwarte mannen naast elkaar ruggelings op houten banken. Brede borsten, smalle heupen. Ook hier het systeem, de hiërarchie. Ter weerszijden van de gewichtheffer stonden zijn helpers, die de stang van nieuwe gewichten moesten voorzien. De schijven hingen soort bij soort aan een rek. Een geoefend discuswerper had er de bewaker mee uit zijn toren kunnen gooien.
Maar Choreo’s luchtplaats, dat was ook: de scherpe schroeistank van een hasjsigaret in de verder nog onbezoedeld koele ochtendlucht. De roker die zijn adem inhield om de kostbare damp in zijn longen niet te verspillen, en de rook uiteindelijk, aan het lachen gemaakt door zijn ongeduldige kompanen, toch nog vroegtijdig prijsgaf, hoestend.
‘Ze sturen de laatste tijd alleen nog maar onderdeurtjes.’
Het was Remo verboden zich met de andere gevangenen op de binnenplaats te bemoeien. Hij keek niet om, maar bleef wel staan.
‘Dat heeft te maken, Rammy, met de lengte van de bezems hier. Die stammen uit de middeleeuwen.’
Misschien hoopten ze hem tot een weerwoord te verleiden, zodat de bewakers hem op hun beurt van groepsvorming konden betichten. Dan was hij weer binnen.
‘Mene, mene, tekel ufarsin.’
‘Spreek je moerstaal, Cubehead, en geef die reefdogger door.’
‘Onder de maat teruggooien,’ zei Cubehead. Remo zag vanuit zijn ooghoeken hoe Rammy de hasjsigaret terugkreeg. ‘Visserslatijn is mijn moerstaal.’
Zolang ze hem maar niet herkenden. Een bril met een baard eraan vast was nog altijd een klassieker in de feestartikelenwinkel, zelfs met Halloween. Remo naderde een volgend groepje smiespelaars.
‘De nor, dat is toch niks voor zo’n kontkrummel.’
‘Hij zal ervan gaan groeien.’
‘Dwergwerpen schijnt een Europese sport te zijn. Misschien iets voor Choreo. Op de EBA zit er nog zo een.’
‘Te hoog, die muur. Kabouters in het prikkeldraad... geen gezicht.’
Remo keek omhoog naar de muur tussen de wachttorens. De cocon van zijn jeugd had uit prikkeldraad bestaan, maar daarbij stelde hij zich strengen ijzerdraad dof als zink voor, met om de paar centimeter een cluster van scherpe punten, al dan niet roestig. Wat ze hier met het woord aanduidden, leek van glanzend gepoetst zilver vervaardigd. Onder de loopbrug door schitterde het in de zon met eindeloze draaiingen en windingen, doorspikkeld met blauwige scheermesjes: schaarse blaadjes in een verder kale haag. Daarachter rezen, in alle denkbare schakeringen paars, de San Bernardino Mountains op. Vanmorgen leken de lagere uitlopers in een dunne lila nevel gehuld.
In de spiegelbrillen van de bewakers daarboven werd het gewemel op de binnenplaats in miniatuur samengevat. De gewichtheffers. De basketballers. Het na wapperende net aan z’n ring. Choreo had Remo’s creatieve blik niet aangetast. Het kon net zo goed zijn dat hij hier incognito rondhing om zich onopvallend te documenteren voor een filmscène.
3
Van bovenaf, uit de hoogste loge, zag het er nog idioter uit dan van dichtbij: Maddox droeg een donkerblauwe muts over zijn verbandkluwen. Hij stond met brede gebaren te oreren tegen Woodehouse, die net terug was van het luchtuur. Ik besloot eens te gaan horen hoe Remo de leeuwenkuil ervaren had.
‘Mr Agraphiotis,’ verwelkomde Maddox me, ‘als ik zo vrij mag zijn, Mr Agraphiotis... ik en Li’ll Remo hier zijn van mening...’
‘Ik snap nu pas, Maddox, waarom ze die gebreide keppeltjes hier een eierwarmer noemen.’
‘Wij zijn van mening...’
‘Gaat het daar nu niet erg broeien, Maddox?’
‘Het smeult daar nog. Scott houdt de veenbrand gaande. Ik en Li’ll Remo vinden dat u een wel erg ontwikkelde indruk maakt voor een gewone cipier.’
‘Ik weet niet of dat een compliment is in Choreo.’
‘Niet als het van de C’s en de D’s en de E’s komt.’ Het Midwesttoontje van Maddox schuurde onaangenaam. ‘Van onze kant wel. Ik en Li’ll Remo wisselen nogal eens kennis uit. Met dat ene oog valt nauwelijks te lezen, maar gelooft u mij, Mr Agraphiotis... zonder boeken was Scott al die jaren gevangenis niet doorgekomen. Dan had Scott zichzelf gelyncht. Kennis, Sir, stilt de pijn.’
Hij onderstreepte zijn woorden ritmisch met een stijf soort stierenvechtersdansje.
‘Als u gestudeerd heeft,’ wilde Remo weten, ‘aan welke universiteit was dat dan?’
‘Mij interesseert de wetenschap van voor de universiteiten,’ zei ik. ‘Misschien ben ik onvoldoende met mijn tijd meegegaan.’
‘Met permissie,’ blafte Maddox bijna woedend. ‘Hoe oud bent u?’
‘Zo oud als het licht.’ Ik schrok zelf van die woorden, en lachte ze snel weg. ‘Kom, kom, we gaan hier als dames onder elkaar toch niet onze leeftijd verklappen?’