Donderdag 29 december 1977

Breinbroei

 

  1

 

 

Als er genoeg personeel voorhanden was om bezoekers te fouilleren, kon Remo zijn advocaat of secretaresse in de gemeenschappelijke ruimte ontvangen. Vandaag had Choreo voor het visiteren te weinig geschoolde vingers paraat, dus zat Remo al een tijdje aan een dubbelloket van onbreekbaar glas op Doug Dunning te wachten. Hij loerde naar links en rechts over de afscheidingen, en ontmoette heftig bewegende monden die over een afstand van een halve meter met elkaar telefoneerden. Alles beter dan zijn eigen zwaar bebaarde spiegelbeeld in de ogen te moeten zien. In de brij van geschreeuw die over de loketten hing, leken de afzonderlijke lippenparen stom en wanhopig naar woorden te happen. Er fladderde een schaduw over het glas, en daar zeeg het grote lijf van Dunning op een kruk neer. Ze grepen allebei tegelijk naar de telefoonhoorn.

 

  ‘Stop, Doug. Niets zeggen.’

 

  ‘Eh...’

 

  ‘Ik zag aan je lippen dat je hem ging uitspreken. De verboden naam.’

 

  ‘Sorry. Hoe gaat het... Remo?’

 

  ‘Oscar Wilde in Reading Gaol.’

 

  ‘Het kon minder.’

 

  ‘De insluiting, Doug, geloof het of niet, is als een bevrijding gekomen.’

 

  ‘O?’ In Remo’s hoorn knetterde het een beetje. ‘Al dat wachten al die maanden... Ik besef nu pas dat het me heeft doen verlangen naar een deur die achter me dichtviel.’

 

  De advocaat keek donker. Het leek of zijn gezicht verder uitzakte. Het was zijn taak cliënten buiten die deur te houden.

 

  ‘Bekijk het eens van mijn kant, Doug. Maanden aan de schandpaal. Bloot voor alle hoon en spot van de wereld. Toen het gevang in, voor nog steeds dezelfde misstap. En zie, ineens werd ik beloond met stilte, rust, anonimiteit. Zo sereen als nu heb ik me nog nooit gevoeld.’

 

  ‘Ik wil je over twee weken wel eens horen.’

 

  ‘Doug, ik begin er iets van te begrijpen. Dat voor verstokte misdadigers het gevang op den duur een thuis wordt, is niets nieuws. Ik snap het nu ook. Als ze daarbuiten met de thische lans in de weer zijn, verlangen ze terug naar hun haven. Als zeelui op de grote vaart.’

 

  ‘Als ik van een recidivist uit mijn praktijk hoor,’ zei Dunning, ‘dan verbijstert me nog altijd het risico dat zo iemand neemt om achter de tralies terug te keren.’

 

  ‘Recidive,’ zei Remo, ‘is gewoon de gedaante die zijn heimwee aanneemt.’

 

  ‘Beroepshalve,’ zei de advocaat met een vermoeide glimlach, ‘moet ik deze uitleg afwijzen.’

 

  ‘De juristerij, Doug, en dan heb ik het ook over jouw gilde... de juristerij heeft hier een steekje laten vallen. Als het zo is dat de ergste criminelen hun invrijheidstelling alleen maar zien als een noodzakelijk interval tussen twee welkome insluitingen... ja, dan is er iets grondig mis met de straf die de overheid voor wederrechtelijkheden heeft bedacht.’

 

  Dunning kon het niet langer aanhoren. Hij nam de hoorn van zijn oor, en keek ernaar alsof er een excrement in zijn hand lag. Toen legde hij het ding weer over zijn kaak, en zei kalm: ‘O, de maatschappij geeft de misdadiger een haven en een thuis?’

 

  ‘Precies. Een thuis, veel en veel solider dan de eigen haard, want die staat voortdurend op losse schroeven. Door zijn manier van leven. Door zijn ongewone kostwinning.’

 

  ‘Ik zal mijn best doen, Remo, je hier een permanente plaats te bezorgen.’

 

  ‘Ach, ik wilde niet ondankbaar overkomen.’

 

 

 

  2

 

 

‘Ik weet een strafkanon voor je,’ had Tom Snodgrass gezegd. ‘Douglas Dunning. Puur dynamiet.’

 

  Met advocatenkantoor Dunning & Hendrix had Remo in ’69 al eens te maken gehad, toen hij samen met een paar vrienden een beloning van $ 25 000 wilde uitloven ‘voor tips die konden leiden tot opsporing van’ et cetera. Matthew Hendrix stelde de voorwaarden op waaraan de informatie moest voldoen, wilde het tot uitkering van het bedrag komen.

 

  Dunning & Hendrix hield, ook toen al, kantoor op de negentiende verdieping van een gebouw aan Flower Street. Door zijn debiliserende rouw van destijds heen herinnerde Remo zich een wachtkamer vol nepantiek, met in de hoek een grote, van binnenuit verlichte globe. De wereldbol kreeg hij nu niet te zien, want de receptioniste (ook nog dezelfde, met niet langer MISS FOLDAWAY op haar bordje, maar MRS HILDRETH) riep dat hij meteen door kon lopen. ‘Mr Dunning heeft een afspraak voor u afgezegd.’

 

  ‘Dank je, Jenny.’

 

  De werkkamer van Douglas Dunning oogde als een rechtbank in het klein, met z’n overvloed aan lambrisering. Achter het rozenhouten bureau was plaats voor een compleet rechtscollege. Remo’s blik zocht automatisch het plankje met de hamer, maar zover ging de overeenkomst toch niet – zoals onder de vlag achter Dunnings stoel ook geen kleurenportret van president Carter hing, maar een ingelijste zwartwitfoto van John F. Kennedy.

 

  ‘U hoeft mij niets te vertellen wat u niet kwijt wilt,’ zei de advocaat. ‘Het is alleen beter dat ik alles weet. Alles. Zaken die u niet naar buiten gebracht wenst te hebben, blijven binnen de wanden van dit kantoor.’

 

  Dunning had zo’n gortdroge stem dat Remo, behalve er dorstig van te worden, zich afvroeg hoe de man er ooit een bezield of zelfs maar gloedvol pleidooi mee zou kunnen houden. Zijn te wijde gezicht hing in sombere plooien neer tot in zijn hals, als bij bepaalde honden met bloeddoorlopen ogen. Wat zijn spreektrant aan soepele stembuigingen tekortkwam, maakten zijn handen als kolenschoppen, voortdurend golvend en hakkend in beweging, weer goed.

 

  ‘Ik heb niets te verbergen,’ zei Remo. ‘U bent de verdediger. U moet maar uitmaken of het opportuun is een feit al dan niet te gebruiken.’

 

  ‘Vertelt u me eerst zo geleerd mogelijk wat er die dag, en dan vooral aan de Mulholland Drive, is voorgevallen.’

 

  Remo vertelde in het kort over zijn kennismaking met de Zillgitts (en met Kipp Pritzlaff), wat uitvoeriger over de eerste fotosessie, en toen met steeds meer details over de tiende maart. Zelfs luisterend was Dunning met zijn handen in de weer. Hij vervlocht virtuoos zijn lange tengels op verschillende manieren, knakte met de kootjes, en liet zijn duim met muis en al golven alsof er geen bot in zat. Deed hij dat in de rechtszaal ook?

 

  ‘En de arrestatie, hoe ging die in z’n werk?’

 

  De advocaat was niet erg te spreken over Remo’s loslippigheid tegenover inspecteur Flanzbaum en zijn rechercheurs. ‘U had het recht uw mond te houden.’

 

  ‘Er was me alles aan gelegen de indruk weg te nemen dat ik aan het ontvoeren en verkrachten was geslagen.’

 

  ‘Feit blijft dat het meisje de leeftijd nog niet had. En ze was niet zomaar minderjarig. Gemeenschap met een zo jong iemand geldt op voorhand als verkrachting.’

 

  ‘Ik ben er ingeluisd. De moeder, de stiefvader, ze wilden allebei hogerop via mij. Met hun dochter als onderpand. Louter investering.’ Remo schoot overeind uit zijn fauteuil, en begon rondjes te lopen door de weinige vrije ruimte in de kamer. ‘Zeven jaar terug was ik er niet op bedacht dat mijn gezinnetje in aanbouw me zou worden afgenomen. Nu ben ik er niet op voorbereid als een misdadiger te worden behandeld.’ Telkens wanneer hij op zijn driftige, ellipsvormige gang de boekenkast bereikte, streek zijn schouder met een ribbelgeluid langs de ruggen van de wetboeken. ‘Goed, ik houd van het jonge spul. Voorzichtigheid geboden, ik weet het. Maar dat een... een, hoe zal ik het noemen... een samenzijn dat ik als heel puur en poëtisch heb ervaren, binnen het etmaal tot een misdaad wordt omgesmeed, dat gaat mijn verstand te boven. Het is de wereld op z’n kop. Net als toen. De slachtoffers kregen postuum hun eigen dood in de schoenen geschoven.’

 

  ‘Als er een rechtbank voor de berechting van lijken had bestaan, waren ze daar zeker veroordeeld. Misschien wel tot het leven.’ Dunning, beseffend dat hij er iets ongelukkigs uit had geflapt, plooide zijn macabere grijns weg, en zei weer met die hondenblik: ‘We hebben in de eerste plaats met de letter van de wet te maken. Aanklacht, Grand Jury, een eventueel proces... dat zijn de dingen die we het hoofd moeten bieden. Al het andere... ontlastende getuigenissen, verzachtende omstandigheden... dat wordt vroeg of laat allemaal in de juridische maalstroom meegenomen.’

 

  ‘Voor nu, wat te doen?’

 

  ‘Moest er niet een film af?’

 

 

 

  3

 

 

‘Doug, er is iets dat je moet weten.’

 

  Dunning draaide de spreekkop van de hoorn naar zijn mond. ‘Ik ben er nog.’

 

  ‘Sinds dinsdag word ik samen met de rest gelucht.’

 

  ‘Ja, daar heb ik mijn tong blauw voor moeten lullen bij het Choreaanse opperhoofd.’

 

  ‘Ik mag me niet bij groepjes aansluiten. Maar gisteren stond er plotseling op de binnenplaats een vent voor me... een overbuurman van de EBA. Hij bood me een sigaret aan. Eerder ook al, in de recreatie, maar hij kan niet onthouden dat ik geen roker ben. Ik sloeg af, en kreeg een blokje chocola.’

 

  ‘Hij is op handel uit.’

 

  ‘Nee, Doug. In de ontspanningsruimte vroeg hij telkens terloops, alsof het hem eigenlijk niet aanging, waarom ik in Choreo zat. Gisteren drong hij voor ’t eerst aan. Hij hield me nog een halve reep voor. Maar dan eerst het antwoord.’

 

  ‘Op handel uit, dat zeg ik toch. De een of andere journalist met een vermoeden heeft hem ingehuurd. Mijd hem als de pest.’

 

  ‘Dan kun je bij O’Melvenygoed je tong blauw gaan lullen of ik permanent de isoleer in mag.’

 

  ‘Goed, eet zijn chocola, en hou je verder van den domme. Verzin een dossier voor jezelf... een dossier zo overtuigend dat de man binnen een week zijn opdrachtgever moet melden dat ze de verkeerde voor zich hebben.’

 

  Een bewaakster tikte de rij bezoekers af, ten teken dat ze moesten vertrekken. Voordat ze Dunning bereikt had, drukte de advocaat een vel papier tegen het glas. Er stond een lijst namen op. ‘Journalisten met een interviewwens,’ verduidelijkte hij. ‘Uitsluitend ter ondersteuning van je rehabilitatie, dat snap je.’

 

  ‘Geen naam die me iets zegt.’

 

  De hand die de bewaakster iets te lang op Dunnings bovenarm legde, schudde hij met een geërgerd schokschouderen af. Ze liep door.

 

  ‘Het hele stel beweert je al eens eerder geïnterviewd te hebben.’

 

  ‘Betekent meestal,’ zei Remo, ‘dat ze me ooit op een persconferentie van achter uit de zaal een overbodige vraag hebben toegeblaft. Ik wil ze hier niet zien.’

 

  ‘En dan zijn er nog wat vrienden...’ Na streng handgeklap van de bewaakster stond Dunning voor de vorm op; hij bleef in de hoorn praten. ‘Geen volksstammen.’

 

  ‘Vast niet de lui die zich vroeger bij tientallen mijn feestjes binnen wurmden...’

 

  ‘Van iemand achter tralies, Remo, vallen geen opkontjes te verwachten. Ik moet gaan.’

 

  ‘Jij, Paula, Jack, de Italiaanse tweeling. Verder niemand. O ja, laat Homer Gallaudet ook maar komen. Misschien wordt het nog wat met dat script. Snodgrass alleen met een goede zakelijke reden. De trutten van het agentschap handel ik telefonisch af.’

 

  Ook Remo kreeg nu van achteren een hand opgelegd. IJzeren vingers schroefden zich rond zijn nek. Hij hield net genoeg bewegingsvrijheid over om in het lachend zwarte gezicht te kijken van bewaker Tremellen, die hem rechtstreeks naar de luchtplaats zou begeleiden.

 

 

 

  4

 

 

Over het gebergte lag nu het harde licht van Californië in de winter, waardoor de toppen minder paars leken dan gisteren. Van de tribune, aan de rand van zijn blikveld, ging een plotselinge dreiging uit. Remo draaide een kwartslag op zijn hakken, om het gevaar vol in het gezicht te zien. De oplopende banken – allemaal bezet. Er werd gejoeld. Zijn ogen zochten de keizerlijke loge: nergens een neerwaarts gerichte duim. Als de woordloze hoon voor hem bedoeld was, zou die wel weer met zijn dwergschap te maken hebben. Zolang hij niet herkend werd, zou het hem een zorg zijn. De laatste flarden ijdelheid waren bij de magazijnmeester achtergebleven, in een gele envelop.

 

  Toen Remo zijn wandeling wilde voortzetten, stond opeens de amanuensis van de Arische Broederschap voor hem. Verderop bleef een groep AB’ers grijnzend staan toezien. De bleekzuchtige slungel wapperde met een hand voor Remo’s gezicht. Het duurde even eer Remo doorhad dat het zijn eigen schildpadden masker was, daar naast een witte basketballijn op het asfalt. De lakei had zich laten overhalen hem de bril van de neus te slaan.

 

  ‘Moet dat nou?’ Om zichzelf niet te verraden tastte Remo, als halfblind, met zijn voet naar het montuur.

 

  ‘Soms,’ sprak de huishoer van de Broederschap, ‘moeten er luiken open... om andere dicht te kunnen timmeren.’

 

  Remo bukte zich naar de bril, en de arische hulpvuist zwiepte rakelings over zijn rug. Geschreeuw. Toen Remo weer rechtop stond, zag hij nog net hoe de amanuensis door twee bewakers bij de elite van ware blanken werd afgeleverd. Hij hield de bril tegen het licht. Behalve wat krasjes op de glazen was er niets aan beschadigd. De Choreanen die, in de hoop op een kloppartij, stil waren blijven staan, verspreidden zich weer. Uit niets bleek dat ze een onbebrilde Remo herkend hadden als de man die hij voor zijn gang naar Canossa geweest was. Het incognito moest het vooral van de baard hebben. Zolang die hem niet werd afgenomen, was hij veilig.

 

 

 

  5

 

 

Voor Remo werd het tentenkamp bij de receptie meer en meer een beeld van de wereld die hij miste – en dan ging het hem niet om een bedoeïenenrijk van de vrijheid of zo, maar om een ondoordringbaar domein van bloedverwantschap, van familiebanden dwars door alle pijpenkrullen van prikkeldraad heen. Aan de poort van Choreo bivakkeerde niemand van zijn naaste verwanten om hem ’s avonds laat, na het centraal doven van de lichten, bemoedigend toe te yellen en zo de nacht door te helpen. Die gedachte maakte hem eenzamer dan de hele opsluiting zelf.

 

  Sinds Carhartt gevangene Woodehouse de dag tevoren voor het tralievenster had zien staan, was het Remo verboden in zijn cel op de verwarming te klimmen. ‘Op vernieling van staatseigendom, Woodehouse, staat in Choreo twee weken isoleer. Zo’n radiator is niet op menselijk gewicht berekend. Ook niet op het jouwe.’

 

  Maar zijn dag was incompleet als hij zijn blik niet minstens twee keer over het kampement had laten gaan – liefst de ene keer bij zonlicht, de andere keer tegen middernacht, bij kampvuurschijnsel. Vanmiddag leek het er uitgestorven. Hielden ze kleine dieren in het bivak? Of lag er een baby onbeheerd in een kinderwagen? Aquila non captat muscas, zoveel wist Erasmus al. Als het geen gezichtsbedrog was, cirkelde er boven het kamp een adelaar.

 

  ‘Woodehouse...!’ De Griek aan de deur. ‘Als de bliksem van die verwarming!’

 

  Nu zou hij nooit weten wat de prooi van de adelaar was. Op de gaanderij had zich een woedende Carhartt bij Agraphiotis gevoegd. ‘Wat valt daar te koekeloeren, Woodehouse?’

 

  Remo vertelde wat hij gezien had. Carhartt vloekte.

 

  ‘Ernie, je adelaarsei...!’ riep De Griek. ‘Nu de arend gekomen is, kan hij het niet vinden!’

 

  Carhartt beende naar de loge van de eerste verdieping, waar ze hem even later achter het glas woest met laden zagen schuiven. Hij kwam weer naar buiten met in zijn ene hand een fototoestel, in de andere een soort paasei geverfd (of bedrukt) in het motief en de kleuren van de Amerikaanse vlag. Zo haastte hij zich de trap af.

 

  ‘Doe geen moeite er iets van te begrijpen,’ zei Agraphiotis bij het zien van Remo’s gezicht. ‘Aan ons, vreemdelingen uit de Oude Wereld, is dergelijke nieuwlichterij op offergebied niet besteed.’

 

 

 

  6

 

 

Remo was, in Choreo tenminste, gezagsgetrouw genoeg om niet opnieuw de radiator op te klauteren, al had hij de hoofdbewaker graag zijn paasei zien verstoppen, of wat de man ook van plan was. De brits dan maar. Riemloze strafbank van het geweten. Zo had Remo in die gore maand maart, in afwachting van de officiële aanklacht, hele middagen dadenloos op zijn eenpersoons hotelbed gelegen, ten prooi aan een kwaal die hij ‘breinbroei’ was gaan noemen.

 

  Het kleine hotel aan de Sunset Strip verliet hij alleen om verderop, bij Trasimeno’s, een pizzapunt te gaan eten, nooit zonder zonnebril op. Als hij zijn nieuwe advocaat moest bellen, deed hij dat vanuit een publieke telefooncel, telkens een andere. Dunning bleek veel minder steil dan Remo eerst gemeend had, en stond er al bij hun tweede ontmoeting op met Doug aangesproken te worden. Het gesprek van dinsdag 15 maart werd gevoerd vanuit een cel zo nieuw dat er nog resten verpakkingsplastic om het snoer zaten.

 

  ‘Waar bel je?’

 

  ‘Hoek Sunset en Laurel Canyon.’

 

  ‘Eind uit de buurt.’

 

  ‘Voorzichtig blijven.’

 

  ‘En het script?’

 

  ‘Gallaudet is nog steeds verlamd van schrik na mijn arrestatie. Zoals ze hem fouilleerden, daar komt hij nooit overheen.’

 

  ‘Luister. Aanstaande vrijdag is de officiële aanklacht. Hoek Broadway en Temple. Gerechtsgebouw, zaal 114.’

 

  ‘Moet ik...’

 

  ‘Ik regel twee stevige knapen. Die loodsen je wel door de pers en het plebs heen.’

 

  ‘Attent van je, Doug. Het ging me om iets anders.’

 

  ‘Weet ik.’

 

  ‘Wat dan?’

 

  ‘Om wie daar terechtgestaan hebben.’

 

  De middagzon stoofde de verse laklucht uit het raamwerk van de telefooncel los. Omdat de synthetische damp op zijn keel sloeg, wrikte Remo met zijn voet de deur een decimeter open – waardoor de verkeersherrie het gesprek dreigde te overstemmen.

 

  ‘Doug, al die maanden dat het proces duurde, heb ik daar geen voet gezet. En dan zou ik daar nu... in datzelfde beklaagdenbankje... nee. Ik blijf in mijn hotel.’

 

  ‘Je moet verschijnen.’

 

  Remo had even geen woorden meer. Hij keek door een van de ruiten naar het verkeersknooppunt, en had opeens de gewaarwording dat de cel scheef op het trottoir stond. Er lagen losse tegels rondom, en hoopjes geel zand. Vlakbij rees een hoge kraan op.

 

  ‘Doug, ik moet ophangen.’ Voor elk gesprek met Dunning had hij, naar een complexe meetkundige reeks, een volgende telefooncel langs de Sunset Boulevard uitgekozen. De politie had zijn code gekraakt, en een splinternieuw, af te luisteren exemplaar op de uitgekiende plek neer laten zetten. ‘Dit ding is besmet. Een glazen doodskist. Ik heb ze door. Er is niet eerst een fundament gestort. Geen woord meer...’

 

  ‘Het is in een andere gerechtszaal dan jij denkt. Vrijdagmorgen half negen laat ik je door de kleerkasten...’

 

  Remo hing op. Hij had zich al een keer in de val laten lokken. Ze zouden hem niet nog verder hun fuik in drijven. Twintig minuten later en vijfhonderd meter verderop zou hij tegenover een ambulancebroeder, die hem vroeg wat eraan scheelde, luid en duidelijk (maar zonder zijn ogen open te doen) verklaren: ‘Breinbroei.’

 

Vrijdag 30 december 1977

The Black & White Minstrels

 

  1

 

 

‘In de lente, Li’ll Remo, speel ik weer gitaar zonder plectrum.’

 

  Maddox kwam van de ziekenboeg, waar hem schoon verband was aangemeten, zodat hij een halfuur later met vegen begon. Vlak voor Remo’s gezicht strekte hij zijn vingers onder de zwachtels uit. De nagels groeiden weer, maar waren nog niet meer dan een maantje breed. Ze hadden in dit stadium te weinig kleur om iets te verraden van Maddox’ ras, dat hijzelf zo hardnekkig in het midden liet. De huid van de vingers gaf een vermoeden van mat mokka, maar was te erg aan het vervellen om zekerheid te bieden.

 

  ‘En je gezicht,’ vroeg Remo, ‘komt het daar weer goed mee?’

 

  ‘Huidtransplantatie niet nodig, zegt Doc.’ Maddox liep de kast in om zijn veeggerei te pakken. ‘Mijn kont blijft heel.’

 

  ‘Geen littekenweefsel?’

 

  ‘Laat ik gewoon mijn baard weer staan,’ klonk het uit de kast.

 

  ‘Had je er dan een?’

 

  Maddox zette twee vegers en het blik met de lange steel tegen de muur. ‘Li’ll Remo, bij mijn baard vergeleken was die van jou een siersikje. Waar ik eerst een machtige gezichtsbeharing had, hangen nu de vellen en de korsten. Zie de mens.’

 

  ‘Weggeschroeid, helemaal?’

 

  ‘Net als mijn hoofdhaar. Er stonden alleen nog wat plukken hier en daar. Half verkoold. De zuster heeft ze weggekrabd.’

 

  ‘Een enkele haar in een kaarsvlam stinkt al als een oordeel.’

 

  Maddox hief bezwerend de armen. ‘Als de baard van de profeet tot brandstapel, Li’ll Remo, dan knijpt de terdoodveroordeelde zijn neus tot bloedens toe dicht.’

 

  ‘Niet bang, Scott, dat er nergens haar meer wil groeien?’

 

  ‘Wie zijn koninkrijk binnenin zich draagt, verdient niet meer dan een doornenkroon. Op de plekken waar de stekels in Jezus’ hoofdhuid waren gedrongen, Li’ll Remo, zou geen haartje meer gedijen. Hij werd alleen niet oud genoeg om er last van te hebben. De vrouwtjes gingen toch wel voor hem op de knieën. Wacht even...’

 

  Maddox schoof het onbedekte deel van zijn hand onder de windsels rond zijn hals. Aan het bewegen van de knokkels in het gaas was te zien hoe gretig hij zich krabde.

 

  ‘Sterkte met de infectie,’ zei Remo.

 

  ‘Ik dacht je er een plezier mee te doen.’ Maddox bleef kreunend zijn jeuk verdrijven. ‘Buurman Flapjaw kon er niet genoeg van krijgen. Het deed hem, zei hij, denken aan een masturberend meisje...’

 

  ‘Help me op weg.’

 

  ‘De hand in haar slipje. Achter tralies, Li’ll Remo, verandert zelfs de meest fantasieloze boer uit Kansas nog in een visionair. Dat zegt Scott.’ Hij trok zijn vingers tevoorschijn, en rook eraan met neusgaten die door een dunnere plek in het gaas heen schemerden. ‘Zelfs vers gepapt stinkt die zalf als de hel. Naar de uitstrijkjes van een half dozijn doorgerotte toverkollen. Nou loop ik de hele dag aan mijn tengels te snuffelen.’

 

  ‘Doe er visionair je voordeel mee.’

 

 

 

  2

 

 

Halverwege het luchtuur stapte een rossig bebaarde man in een te wijde trui op Remo af.

 

  ‘Mr Woodehouse? Chris O’Halloran. Hoe maakt u het?’

 

  ‘Afgezien van een lichte vrijheidsberoving... prima.’

 

  Het bleek de tweede pastor van Choreo. Een dominee dit keer. Even bleek als breedlachs. Met wintersproeten.

 

  ‘Mr O’Halloran, ik heb al tegen uw collega-zielzorger McCausland gezegd dat ik heel goed zonder geestelijke begeleiding kan. Ik ben geen terdoodveroordeelde. Nog niet.’

 

  ‘Neemt u mij niet kwalijk, Mr Woodehouse. Er was me verteld dat u als niet-katholiek een protestantse begeleider wenste.’

 

  ‘Dat is dan een voorbarige, serviele, roomse conclusie van Father McCausland geweest.’

 

  Er was iets gaande op de binnenplaats, al had Remo niet meteen kunnen zeggen wat. Een onverwachte windvlaag, die in een bakstenen hoek bleef rondwervelen.

 

  ‘U bent niet... belijdend?’ vroeg dominee O’Halloran.

 

  ‘Als ik iets ben, ben ik joods. Niet belijdend.’

 

  Hoe goed de vechtenden ook aan het zicht onttrokken werden door de gemaakt onverschillige ruggen van de omstanders, het opstootje ontging de bewakers op hun loopbrug niet. Er snerpten fluitjes, en uit een megafoon kraakte het: ‘Op de grond...!’ Meteen begonnen ook de sirenes te dreunen.

 

  Reglement. Iedereen plat op z’n gezicht. Remo voelde de kou van het asfalt door zijn overall heentrekken. Uit zijn ooghoeken zag hij een rossige wolk: O’Halloran, die herderlijk tussen zijn schapen lag. Door de sirenes was het weer 1939. Bewoners van het flatgebouw die met roffelende voeten langs de kale trappen naar beneden snelden om zich in de kelders zo klein mogelijk te maken. Ze rolden zich helemaal op, kont omhoog, en dan nog werd er gevochten om een plaatsje. Het huilen van de sirenes, onder straatniveau nauwelijks meer hoorbaar, werd hier overgenomen door de vrouwen met hun hysterische gegil. De mannen baden hardop dat de lucht niet zou gaan dreunen. Het kwam de zesjarige Remo voor dat de volwassenen zich hier, uit blinde noodzaak, een geïmproviseerde benedenwereld schiepen, als mollen. De kelders waren ondergrondse gaskamers, waar het onzichtbare gif vanzelf ontstond, door het opraken van de zuurstof (lo, kaarsen) en de aanmaak van menselijke en tegelijk mensvijandige afvaldampen.

 

  ‘Elke beweging voor eigen risico...!’ knetterde de megafoon. Van groepsvorming was nu nauwelijks sprake meer. Zwarten, AB’ers, Mexicanen – het lag allemaal roerloos door elkaar heen, de armen naar voren gestrekt. Als Remo zijn oogbollen verdraaide, kon hij tussen de lijven voor hem door een heel eind in de richting van de basketbalmast kijken. Daar lag, op een open plek in de menigte, het onschuldigst denkbare voorwerp.

 

  Een lepel.

 

  Fel zonlicht betrapte het ding erop dat het omgekeerd in de tomatensoep had gestaan. De steel was tot messcherpte bijgeslepen.

 

  ‘Dat komt ervan,’ klonk een zachte stem iets verderop. ‘Van al dat kastje kijken word je traag.’

 

  De spreker kon niemand anders dan Sofa Spud bedoelen, Choreals televisiejunk. Over een kalklijn van het basketbalveld rekte een plas bloed zich traag en stroperig in de richting van de lepel. Op het asfalt zelf was het bijna zwart op zwart.

 

  Vanaf de kelderwand grijnsde de kleine Remo een portrettengalerij van bebrilde zeepaardjes toe. Op hun korte, stompe slurf zat een dekseltje. In hun lege, ronde ogen weerspiegelde zich het ten dode opgeschreven interieur. Zo had ieder huis, in de gedaante van een kapstok vol gasmaskers, de meervoudige beeltenis van de vijand aan de muur hangen, door de bewoners met de kont omhoog aanbeden.

 

 

 

  3

 

 

Toen Remo na het door de steekpartij verlengde luchtuur op de EBA terugkeerde, stond Maddox daar te keffen tegen twee AB’ers met basketbalpostuur. Vier bewakers, onbekende gezichten, luisterden van een afstand grijnzend toe, de armen over elkaar. Maddox probeerde er een bergrede van te maken, maar werd tegengewerkt door zijn omzwachtelde hoofd, dat bepaald geen klankkast vormde. De verpleegster had vanmorgen ongetwijfeld weer met een wattenstokje het wondkruim uit zijn mondhoeken verwijderd, wat het spreken moeizamer maakte, en het blaffen nog meer.

 

  ‘De fout van de Broederschap,’ stootte Maddox uit, ‘is dat ze de neger onderschat.’

 

  ‘Pas op, Chuck,’ zei de ene AB’er. ‘Hij is van The Black & White Minstrels. Een wit masker over een zwarte kop.’

 

  ‘Wees gerust, nikkertje,’ zei de ander tegen Maddox. ‘We pakken alleen de gevaarlijke zwarten. Ik heb liever geen rouwranden onder mijn nagels. Wat jij, Bud?’

 

  ‘Ik hou ze schoon voor de echte luizen.’

 

  ‘Zo kan het wel weer.’ Een van de bewakers stapte tussen de twee AB’ers in, en greep ze ieder bij een bovenarm, waarvoor hij boven zijn macht moest reiken. ‘Naar boven. Alle trappen op... tot arische hoogten.’

 

  Remo zag nu pas, aan de kleine pasjes van die kolossale mannen, dat ook hun enkels geboeid waren. Er was net genoeg speelruimte voor hun voeten om de treden te nemen. De schakels ratelden als ankerkettingen langs het gietijzer.

 

  ‘Overschatting is de slechtste verdediging,’ riep Maddox ze na. ‘Onderschatting de slechtste aanval.’

 

  Hij draaide zich om naar Remo. In zijn kwaaie oog vonkte, tussen het bruin van de iris en het zwart van het binnengelopen bloed, voor ’t eerst een streepje wit.

 

  ‘Wat had jij nog, Li’ll Remo?’ gromde hij, uitgeput.

 

  ‘Het ziet ernaar uit, Scott, dat ik op mijn eerste indruk van Choreo moet terugkomen.’

 

  ‘Ach, Little Remo heeft zijn eerste bloed gezien.’

 

  ‘Uit verschillende lijven tegelijk.’

 

  ‘Johannes vroeg om een doopvont. Hij kreeg de Jordaan.’

 

  ‘Er wordt hier juist opvallend veel gevochten. Messentrekkerij.’ Terwijl Remo het zei kreeg hij een assmaak in zijn mond. Hier te zijn, waar hij niet hoorde. Niet terug te kunnen, omdat zijn liefde iets verduisterd had. Elke dag deze doorgebrande etterkop aan te moeten horen.

 

  ‘Nog altijd niks,’ zei Maddox, ‘in vergelijking met Corcoran, Folsom, San Quentin. Choreo is overzichtelijk. De strijd tussen de zwarten en de Arische Broederschap, veel spannender wordt het hier niet.’

 

  ‘Ik zag je staan smoezen met twee van hun kopstukken. Sollicitatiegesprek?’

 

  ‘Luister goed, Li’ll Remo.’ Maddox liet zijn bezemsteel los, die tegen het granito sloeg, een stuiterende echo naar de duiven zendend. Hij deed dreigend een stap op Remo toe. ‘Scott hoort nergens bij. Scott vormt zijn eigen partij.’

 

  ‘Je sympathiseert met ze.’

 

  ‘Dat is geen lidmaatschap.’

 

  ‘Hun volgende doelwit, dat zou jij wel eens kunnen zijn.’

 

  Maddox plaatste zijn borst tegen die van Remo, en zo liepen de mannen aaneengeklonken door de ruimte, de een voorwaarts, de ander ruggelings. Het ingezwachtelde hoofd was nu zo dichtbij dat Remo het mengsel van brandzalf en wondvocht kon ruiken. Hij had nooit de putlucht opgesnoven van een dozijn syfilitische kwartjeshoeren, of hoe zat het ook weer, maar het moest in de buurt komen.

 

  ‘Ik waarschuw jou, Little Remo. Hou op met Scott als een zwarte af te schilderen.’

 

  ‘Hun doel is het uitroeien van alle zwarten. Te beginnen in de Amerikaanse gevangenissen. Hou op met duwen... ik val.’

 

  Maddox bleef stilstaan. ‘Ik kan me bij ze aansluiten. Ik kan me door ze laten afmaken. In Scott huist een witte ziel, en in Scott huist een zwarte ziel.’

 

  ‘Geen gele?’

 

  ‘Ook. En een rode.’

 

  ‘Dat maakt vier zielen.’

 

  ‘Het hele godvergeten spectrum. Mijn witte ziel brengt alle kleuren voort... al het licht... Mijn zwarte ziel slorpt alle licht en kleur weer op. Scott is de zon en het zwarte gat.’

 

  ‘Maar puur etnisch gesproken...’

 

  ‘Dat, Li’ll Remo, is een kwestie van pigment.’

 

 

 

  4

 

 

’s Middags onder het dweilen had Remo geen zin in een gesprek. Telkens wanneer de twee kleine mannen elkaar bij het volbrengen van hun ingewikkelde schuimpatroon dicht naderden, sleepte Remo zijn trekker snel voorbij Maddox, die het zwijgen steeds met een kort, grimmig geneurie beantwoordde.

 

  De twee vooraanstaande AB’ers, die nu ieder in een cel op de bovenste verdieping zaten, hadden Remo doen denken aan de beide sportschoolkolossen die Doug Dunning op vrijdag 18 maart naar het kleine hotel aan de Strip had gestuurd om hem naar het gerechtsgebouw te escorteren. Hoek Temple en Broadway. Als de plek hem niet zo’n walging had ingeboezemd, zou het om te lachen zijn geweest: hoe de kleine, tengere man die hij was door twee kleerkasten, die hem af en toe moesten optillen, dwars door de meute van verslaggevers en rechtbankvoyeurs geloodst werd. En dat alles voor die paar minuten dat het de rechter zou kosten om de punten van de aanklacht voor te lezen.

 

  Begrijpelijk dat Dunning hem voorgelogen had, maar het was wel degelijk de rechtszaal waar het proces van zeven jaar terug diende. Een van de bodyguards, Gordon, was hier toen parketwachter geweest. ‘Het was deze ruimte. Zeker weten. Met mijn collega’s heb ik het zootje crapuul geregeld naar de wachtcel moeten slepen, als ze het weer eens op hun heupen kregen. Ik was ook de man die de krant afpakte. En het potlood.’

 

  De wetenschap in het door en door besmette beklaagdenbankje te zitten belette Remo de woorden van de aanklacht in zich op te nemen. Hier, aan deze zelfde tafel, waren in alle toonaarden de daden ontkend die voorgoed zijn leen vernietigd hadden. Op dit blad hadden de beklaagden, verveeld door de herhaling van steeds dezelfde gruwelijke details, hun droedels zitten tekenen. De potloodlijnen waren weggeboend, maar foto’s van de verse tekeningen hadden in sommige kranten gestaan: kinderlijke uitingen van bloeddorstige onverschilligheid.

 

  Doug Dunning moest na afloop van de zitting alle door de rechter genoemde punten voor zijn cliënt herhalen en toelichten. ‘En dan nog iets, dat je ook wel ontgaan zal zijn,’ zei de advocaat. ‘De zaak is toegewezen aan de rechtbank van Santa Monica.’

 

  ‘Voordeel? Nadeel?’

 

  ‘Het is natuurlijk een kleine gemeenschap. Iedereen kent iedereen. Ze kijken elkaar allemaal naar de ogen.’

 

 

 

  5

 

 

Middenin de grafische doolhof van dweilbanen, waar de twee schoonmakers gewend waren tijdens het opdrogen van de vloer een lang slotgesprek te hebben, stonden ze nog een hele tijd tegenover elkaar zonder een mond open te doen.

 

  ‘Nou moet een van ons wel iets zeggen,’ begon Maddox tenslotte. ‘Anders worden we meteen naar de cel gestuurd.’

 

  ‘Goed dan,’ zei Remo. ‘Als jij, zoals je zegt, een politieke gevangene bent... sta je dan nog achter de idealen waarvoor je vastzit?’

 

  ‘Dacht jij, Li’ll Remo, dat een Scott Maddox door muren en sloten van zijn leer af te brengen was? Tralies zijn voor mij een bundel pijlen rond een strijdbijl. Niet meer en niet minder.’

 

  ‘O, je houdt er fascistische idealen op na?’

 

  Irritant dat die vloer na al het soppen en dweilen pas echt naar verregende hond rook. Maddox werd nijdig.

 

  ‘Nee, Little Rat, ik bedoel dat Scott ook achter tralies over leven en dood regeert. Mijn Rome is niet de hoofdstad van Mussolini, maar van de oude Romeinen.’

 

  ‘Opereerde je in je eentje? Of waren er medestrijders?’

 

  ‘Alleen,’ zei Maddox schor. ‘Tenminste... voorzover ik boven mijn handlangers stond.’

 

  ‘De eenzame hoogte.’

 

  ‘Ik droeg de verantwoordelijkheid in m’n eentje, ja. Twijfels?’

 

  ‘Ben je ook als enige achter de tralies beland, Scott?’

 

  ‘Ze hebben de lagere echelons weten te vinden.’

 

  ‘Niemand meer daarbuiten om de fakkel, of de fasces, verder te dragen?’

 

  ‘Mijn tweede man wilde laten zien eerste man te kunnen zijn, en greep te hoog. Die heeft nu ook levenslang. Maar,’ – Maddox stem schoot krakend uit – ‘als idealen worden gesnoeid, Li’ll Remo, schieten nieuwe loten ergens anders met kracht tevoorschijn. Scotts aanhang groeit in vrijheid.’

 

  ‘Hou je contact met de achterban?’

 

  ‘Ze lezen mijn geschriften.’

 

  ‘Dat moet dan oud spul zijn. In de gevangenis gaat alles onder de röntgenblik van de censuur door.’

 

  ‘De California Medical Facility... je weet wel, in Vacaville... de ziekenboeg daar, die is door Scott tot zijn eigen uitgeverij omgebouwd. De verpleegsters van de CMF hebben mijn pamfletten, mijn traktaten onder hun warme rokken de wereld in gebracht.’

 

  ‘Hoe kreeg je ze zover?’

 

  ‘De zustertjes vallen voor Scott. Ze hoeven zijn geschriften niet te lezen om te weten dat hij de waarheid schrijft. De gloed in zijn ogen zegt ze genoeg.’

 

  ‘Vertel me dan eens in het kort, Scott, wat die leer van jou inhoudt.’

 

  ‘Mijn leerstellingen geuren naar verpleegkundig ondergoed. Mild vrouwenzweet. Naar onreinheid, eens per maand.’

 

  ‘De inhoud, Scott.’

 

  ‘Er zijn waardiger manieren om zelfmoord te plegen.’

 

  ‘Ik ga je ideeën echt niet uitventen.’

 

  ‘Jij komt binnenkort vrij, Li’ll Remo. Mijn taak is het ervoor te zorgen dat aan mijn levenslang niet voortijdig een eind komt.’

 

 

 

  6

 

 

‘Heren schoonmakers,’ zei ik, ‘jullie doen me denken aan twee drenkelingen die zich op een zandbank aan elkaar vastklampen... terwijl de zee om ze heen allang is drooggevallen. Vooruit, dweilen spoelen.’

 

  De twee dwergen sleepten hun emmers en trekkers naar de wasbak. Ik liep achter ze aan.

 

  ‘Mr Agraphiotis,’ vroeg Remo, de kraan opendraaiend, ‘wordt in Choreo iets aan oud en nieuw gedaan?’

 

  ‘Half elf licht uit, net als anders. En dan zeven uur later zonder poespas wakker in een gloednieuw jaar. Het oude kan op de celmuur bijgeschreven worden.’

 

  ‘Hier in Choreo,’ zei Maddox, ‘zit heel wat kwaad bij elkaar. Maar er zijn ook eenzame huisvaders bij. Ze van de jaarwisseling afsnijden, dat noem ik een onmenselijk regime.’

 

  ‘Op oudejaarsavond,’ zei ik, ‘is het de gevangenen toegestaan bescheiden oud en nieuw te vieren. Op cel kwart over twaalf. Half een licht uit.’

 

  ‘Vruchtencocktails?’ vroeg Remo.

 

  ‘Oogluikend,’ zei ik maar, zonder eigenlijk te weten wat ik toezegde. ‘Zeg, Maddox, laat jij het vuile werk aan je maat over?’

 

  Hij stak verontschuldigend zijn verbonden handen naar voren. De zwachtels begonnen alweer groezelig te worden. ‘Het andere werk, Mr Agraphiotis, is al smerig genoeg. Ik bedoel, voor iemand in mijn conditie.’

 

  Remo begon een dweil uit te wringen. Het zwarte water liep zijn mouwen in. ‘Op de EBA,’ zei hij, ‘zitten ook een paar politiemoordenaars. Waarom hier?’

 

  ‘De kooi in een kooi,’ zei ik op mijn deskundigste toon. ‘Ze worden beschermd tegen de lynchdrift van het gepeupel. De lui in de andere vleugels.’

 

  ‘Je zou toch denken,’ zei Remo, ‘dat ook het tuig buiten de EBA niet op een dooie agent meer of minder kijkt.’

 

  ‘Goed zo, Woodehouse,’ zei ik. ‘Je spreekt al een aardig mondje Choreaans. Ik neem aan dat de suggestie ook voor gevangenbewaarders in staatsdienst geldt. En waarom zat jij ook weer hier? Niet vanwege de moord op een politieman...’

 

  ‘Tenzij ik er een een hartverlamming bezorgd heb. Nee, speelschulden. Vandaar kooi in kooi. Tegen wraakacties van schuldeisers via de Choreaan die graag een centje bijverdient.’

 

  ‘Speelschulden,’ herhaalde ik. ‘Vandaar dat je ’s avonds nooit aanschuift bij het kaarten.’

 

  ‘Ik kijk uit naar nieuwe liefhebberijen,’ zei Remo, die de uitgewrongen dweil losjes in een emmer schoon water liet zakken. ‘Minder begrotelijk. Een verzameling of zo.’

 

  ‘Een student,’ zei ik, ‘verzamelde een miljoen postzegels, ging erop liggen, en schoot zichzelf een kogel door de kop.’

 

  ‘Speelschulden, m’n neus,’ gromde Maddox zacht, waarna hij zijn kiezen over elkaar liet knarsen. Die had hij dus nog.

 

 

 

  7

 

 

Op cel, in de namiddag, wachtte hem weer de breinbroei. Hoe vergiftigder zijn geweten, des temeer prikkelde het zijn geheugen en verbeelding. Details die hij graag verdrongen had, waren niet veilig voor de kruipolie van zijn herinnering.

 

  Het naderde. Toen Remo eind maart van een wandeling over de Strip in zijn hotel terugkwam, lag bij de receptie een dringend verzoek van Dunning hem te bellen. Haastig, bang ook, ging hij de straat weer op, net zo lang tot hij een telefooncel vond die nog niet eerder aan de beurt was geweest.

 

  ‘Jenny? Doug graag.’

 

  Remo had ontdekt hoe al bellend een kruising in alle richtingen te bespGewoon je onophoudelijk, voetschuifelend, om je as blijven draaien. Als de telefoondraad zich strak om je heen gewonden had, werd het tijd te keren, de blik gaande van ruit tot ruit. Niet dat hij ooit een achtervolger in het vizier kreeg.

 

  ‘De officier van justitie in Santa Monica,’ klonk de bromstem van Doug Dunning, ‘heeft voor aanstaande vrijdag een Grand Jury op poten gezet. De man heet Longenecker, en dat is meteen alles wat ik van hem weet.’

 

  ‘Grand Jury, dat is weer een van die Amerikaanse eigenaardigheden.’ Zijn kaak trilde. ‘Leg het me in Godsnaam uit, Doug.’

 

  ‘Van jou hoeven we op het witte doek geen rechtbankdrama’s te verwachten.’

 

  ‘Na jouw uitleg misschien. Ik heb me destijds niet alleen verre gehouden van alle juridische ontwikkelingen, ik heb zelfs de bijbehorende termen diep weggestopt.’

 

  ‘Altijd zoveel mogelijk kennis verwerven van wat jou onverhoeds kan bespringen en verpletteren. Dat is mijn devies.’

 

  ‘Ik ga de achterstand nu inhalen.’

 

  ‘De openbare aanklager, Longenecker dus, moet voor de Grand Jury zijn zakken binnenstebuiten keren. Laten zien dat hij genoeg bewijsmateriaal heeft opgepot om een proces tegen jou te beginnen. Getuigen worden ter plekke gehoord.’

 

  ‘Wendy ook?’ En weer trilde zijn kaak.

 

  ‘Die snoes zullen ze zeker in het getuigenbankje zetten.’

 

  ‘Dan nagelt de pers me dezelfde dag nog aan de schandpaal.’

 

  ‘Voor journalisten is het taboe. Net als voor het gewone publiek. De details hoef je niet uit de krant te halen. Je krijgt ze van mij.’

 

  ‘Doug, als de officier van justitie voldoende bewijs tegen mij denkt te hebben...’

 

  ‘Ja?’

 

  ‘...waarom staan er dan nu vier rechercheurs rond deze telefooncel?’

 

 

 

  8

 

 

En toch, op die paar incidenten na, zoals de dodelijke eetlepel vanmorgen, vond Remo het gevangenisleven tot nu toe niet erg opwindend. Als hij gedacht had er, bij wijze van schadevergoeding, wel een film uit te kunnen slepen, moest dat worden herzien. Het verschil tussen strafinrichting Choreo bij San Bernardino en bejaardentehuis Oldies-b’t-Goodies in Palos Verdes Estates was niet zo groot.

 

  Ook vanavond gingen de gesprekken in de recreatie alweer niet over de zegeningen van de vrijheid, zoals goed eten of het onbelemmerd bedrijven van de liefde. Er werd op ouwewijverige manier gekwebbeld over het vertrouwde huishouden binnen de muren.

 

  ‘Al gehoord? Tuskee is op rapport geslingerd.’

 

  ‘Voor zijn handeltje? Volkomen terecht.’

 

  ‘Dudenwhacker komt in februari vrij.’

 

  ‘Volkomen ten onrechte.’

 

  ‘Daar zit hij, Dudenwhacker. Moet je die grijns zien. Geen wonder.’

 

  ‘Wat dacht je van John Nuccio? Overplaatsing naar Chino.’

 

  ‘Praktisch om de hoek. Hadden ze ’m niet meteen naar Siberië kunnen transporteren? Stinkdieren staan daar in hoog aanzien. Vanwege hun vacht.’

 

  ‘Beter schudden, die kaarten. Als je ze zo bij stapeltjes in elkaar schuift, komt er geheid mot van.’

 

  Het had ook wel iets van school – waar de leerlingen over niets anders dan school konden praten. Nog op hun klassenfeestjes ging het over school. De kinderen die niet deugden. De leraren die, op die ene na, al helemaal niet deugden. De conciërge die op even dagen wel deugde, en op oneven niet. Totdat, vroeg of laat, het mooie meisje in wanhoop uitriep: ‘Altijd maar over school! Het is feest! Laten we het over de liefde hebben of zo!’

 

  Vanaf dat moment leidde iedere poging tot een ander onderwerp onvermijdelijk naar de valku van schoolaangelegenheden. Net zo lang tot de auto’s met vader of moeder voorreden, en iedereen bedrukt en uitgeput naar huis ging.

 

  In Choreo spraken gevangenen over de bewaarders als over hun leraren vroeger. ‘Die Griek, jongens, is dat een inspecteur van hogerhand of zo? Hij kijkt me nooit recht aan. Altijd naar een punt boven mijn wenkbrauwen. Net of hij me elk moment op hoofdluis kan gaan controleren.’

 

  Er werd ook gezwegen. Zoals door het groepje zwarte gevangenen dat aan twee tegen elkaar geschoven tafels domino zat te spelen. Ze gebruikten zwartgenopte witte stenen. Zo ver mogelijk bij ze vandaan (‘die lucht alleen al’) zaten enkele leden van de Arische Broederschap te rummyen, samen met aspirant-lid Dudenwhacker. De kaarten wierpen ze tussen hun voeten op de grond, want er was in die verre hoek geen tafel.

 

  Bij Remo’s binnenkomst had de televisie al aangestaan, zonder dat iemand zat te kijken. Op kanaal 4 was een dubbelinterview gaande met Edward Davis en Daryl Gates, respectievelijk de hoofdcommissaris en assistent-hoofdcommissaris van de LAPD. Remo viel middenin een vraag over de moord op Robert Kennedy. Na bijna tien jaar waren er feiten aan het licht gekomen, zoals een extra kogel in het plafond, die ‘erop leken te wijzen’ dat Sirhan Sirhan niet alleen had gehandeld. De koppen van Gates en Davis maakten plaats voor de overbekende beelden van een charmant lachende Bobby Kennedy, die het volgende moment ligt te sterven op de vloer van het Ambassador Hotel. Remo had ’s avonds nog met hem gedineerd in Malibu – samen met zijn vrouw, die het honorarium voor haar laatste filmrol in de verkiezingskas van de senator had gestort. Kennedy was voortijdig van tafel opgestaan om de bijeenkomst in het Ambassador niet te missen. Een uur later konden ze op televisie zien hoe hij zijn kogel tegemoet was gelopen. Remo wist nog wat hij aldoor om het onbevattelijke heen gedacht had: nu peutert de lijkschouwer hetzelfde voedsel uit zijn maag als wat ik nog, levend en wel, aan het verteren ben.

 

  Edward Davis wees, hooghartig en zelfverzekerd, zelfs elke schijn van een nieuwe aanwijzing van de hand. ‘Een gek als Sirhan doet zoiets in z’n eentje.’

 

  ‘Moet je dat uitgestreken smoelwerk nou zien,’ mompelde Remo. ‘Die arrogante kop... Ja, jij mag wel een hoge borst zetten, Davis. Jij hebt nog nooit iets opgelost, jij. Het heeft je toen bijna een halfjaar gekost om, na een hoop blunders, de zaak rond te krijgen. De daders grossierden in sporen, maar jij, Davis... jij was net zo blind als die paardengek in de Simi Hills. Persconferenties geven, daar ben je goed in, jij. En dan schitteren met de resultaten van de onderbetaalden.’

 

  Remo had niet door dat zijn gemompel was veranderd in een voor iedereen verstaanbaar tieren.

 

  ‘Man, zorg ervoor dat je mensen hun werk goed kunnen doen. Objectief. In plaats van ze aan te moedigen het bewijs op de blanco achterkant van hun vooroordelen te leveren.’

 

  Evenmin had hij in de gaten dat Dudenwhacker het kaartspel van de AB’ers de rug had toegekeerd, en naast hem was komen staan. De interviewer veranderde van onderwerp. ‘We moeten ruim zeven jaar teruggaan in de tijd,’ zei hij in de camera, ‘dat Los Angeles zo in de greep van de angst was.’

 

  ‘De Hillside Strangler,’ klonk het rechts van Remo. Voor ’t eerst zag hij Dudenwhacker van dichtbij. Door de vlassige plukken haar op zijn bleke linkerwang schemerden onder elkaar drie donkere stippen. Pigmentvlekken stonden nooit zo mooi in het gelid. Bovendien hadden ze iets blauwigs.

 

  De gespreksleider somde de elf vrouwelijke slachtoffers op, allemaal verkracht, gewurgd en verminkt aan de kant van de weg gevonden, vaak tegen een heuvelhelling aan in de omgeving van Glendale, Eagle Rock en Highland Park. De jongste meisjesalf en veertien. Een meevaller achteraf, dacht Remo, dat ze mij daar niet ook van verdacht hebben. Het laatste slachtoffer werd in North Alvarado Street aangetroffen op 14 december: Remo was toen nog op vrije voeten.

 

  De hoofdcommissaris en zijn adjunct verschilden van mening over de samenstelling van de Hillside Strangler. Volgens Gates moest er, gezien het verslepen van de lijken over vaak grote afstanden, sprake zijn van twee moordenaars.

 

  ‘Kom nou, Mr Gates,’ riep de hoofdcommissaris uit. ‘U heeft zelf de door en door verminkte lichamen gezien. Al die weerloze vrouwenjeugd... vernietigd. Er zijn op aarde geen twee gelijkgestemde monsters te vinden die bij zoiets gruwelijks zouden kunnen samenwerken.’

 

  En weer kon Remo zijn gal niet binnenhouden. ‘Ja, Davis, bal je vuisten maar alvast,’ siste hij. ‘Dan zijn ze zo meteen hard genoeg om je ermee op de borst te kloppen. Klootzak. Net als toen.’

 

  ‘Vijfduizend,’ zei Dudenwhacker zacht.

 

  De hoofdcommissaris, aangevuld door Gates, zette de stand van het onderzoek uiteen. Het was een heel eind gevorderd, in de goede richting nog wel. Geen reden tot massahysterie in Greater Los Angeles.

 

  ‘Nee, hè,’ begon Remo weer. ‘Geen vuiltje aan de lucht. Er zijn alleen wat onvoorzichtige dametjes koudgemaakt. De burger kan gerust gaan slapen. Zijn waakhond ook. De arrestatie van de moordenaar is een kwestie van dagen. Zo niet, Davis, dan geef je jezelf toch een mooie rol op de eerstvolgende persconferentie? Dan beticht je je eigen rechercheurs toch gewoon van laksheid? Vergeet je dasspeld niet.’

 

  ‘Vijfduizend,’ zei Dudenwhacker nog eens. Hij leek zich niet speciaal tot Remo te richten.

 

  ‘Vijfduizend wat?’ Remo klonk geërgerd.

 

  ‘Dollar. Voor vijf flappen neem ik hem voor je te grazen.’

 

  ‘Wie... de hoofdcommissaris?’

 

  ‘Geen probleem. In februari kom ik voorwaardelijk vrij. Vijfduizend, en ik leg hem voor je af. De arrogante klootzak. In zijn hol op Parker Center desnoods.’

 

  ‘Hoe kom je erbij dat ik de goede man uit de weg geruimd zou willen zien?’

 

  ‘Komaan, Woodehouse,’ zei Dudenwhacker, voor Remo neerhurkend en hem nu recht aankijkend. ‘Ik weet niet wat die Davis jou ooit heeft geflikt. Ik hoef het ook niet te weten. Maar in het rare luchtje van de haat heb ik me nog nooit vergist.’

 

  Dudenwhacker had ook op zijn rechterwang stippen – twee stuks, recht onder elkaar. Als je rechts en links de blauwe vlekjes naar boven doortrok, kwam je bij de pupillen uit.

 

  ‘Vijfduizend,’ vroeg Remo, ‘is dat het tarief?’

 

  ‘Lager in rang worden ze goedkoper. Die ander, Gates, ronden we af op vierduizend.’

 

  ‘Bedankt voor de offerte. Zwart? Of ontvang ik een factuur?’

 

  ‘Het is niet aftrekbaar.’

 

  ‘Zo’n hekel heb ik nou ook weer niet aan hem. Evengoed bedankt. Nu heb ik tenminste een prijsindicatie.’

 

  Dudenwhacker kneep Remo in zijn schouder, en liep kalm terug naar zijn hoek, waar de Arische Broederschap het rummyen hervatte.

 

 

 

  9

 

 

Omdat de spreekkoren hun boodschap nog steeds niet prijsgaven, kon Remo er moeiteloos de zes punten van zijn aanklacht in beluisteren – keer op keer, en weer van voren af aan. Nadat de recitatieven verstomd waren, hield breinbroei hem nog uren uit de slaap.

 

  ‘Houden die vier rechercheurs hun legitimatie omhoog?’ had Dunning aan het slot van hun laatste telefoongesprek nog net kunnen vragen.

 

  ‘Nee.’

 

  ‘Dan zijn het zakenlui die de beurs aan de lijn willen.’

 

  ‘Voor mij geen cel meer, Dougglazen pissoir vermenigvuldigt je zichtbaarheid. Kom me vrijdag maar persoonlijk verslag doen van de zitting.’

 

  En zo had Dunning die middag veel te groot en te hoekig in de kleine hotelkamer gestaan. ‘Reken erop dat de avondkranten met indianenverhalen komen.’

 

  ‘De Grand Jury, daar mocht toch geen pers bij, zei je?’

 

  ‘Nee, maar er stampte wel een hele horde van door de gangen. Betekent meestal dat ze de halve woorden die ze hier en daar losgepeuterd krijgen, gaan combineren tot een wereldscoop.’

 

  ‘En Wendy... is ze nog door Longenecker ondervraagd?’

 

  ‘Hij trok fluwelen handschoentjes aan, en behandelde haar als een poppetje van Chinees porselein.’ De oude parketvloer onder het tapijt kraakte onder Dunnings gewicht van plint tot plint. ‘Ze heeft verklaard dat jij haar iets hebt laten slikken. De openbare aanklager gaf jouw flesje met Quaaludes aan de rechter. Die kreeg er maar geen genoeg van ermee te rammelen. Geen fijn geluid in zo’n stille rechtszaal.’

 

  ‘Die pillen waren op recept.’

 

  ‘Niet voor Miss Zillgitt.’

 

  ‘Straks blijkt nog dat ik haar heb ontmaagd.’

 

  ‘Na diplomatiek aandringen van Longenecker gaf ze zuinigjes toe twee keer eerder iets met een man te hebben gehad.’

 

  ‘Al vanaf haar achtste, zei ze tegen mij. Met grote regelmaat. Doug, hou op met dat gekraak. Ga zitten.’

 

  Dunning perste zijn achterste in een te krappe fauteuil. ‘Die erotische ontboezemingen van haar, daar gaan we zeker nog iets mee doen.’

 

  ‘Haar wonderbaarlijke genezing, kwam die nog ter sprake?’

 

  ‘Ja, toen kwam er een huiltje. Ze bekende in tranen de aanval te hebben gesimuleerd. Om jou ertoe over te halen haar naar huis te brengen.’

 

  ‘In plaats daarvan begon ik, harteloos monster, haar op te vrijen.’

 

  ‘Zo werd het voor de Grand Jury wel gebracht, ja. Trouwens, die astma heeft de zaak aan het rollen gebracht.’

 

  ‘O?’ Remo wilde er nog iets aan toevoegen, maar zijn woorden werden overstemd door een groep dreunend en knallend passerende motors. Twintig op z’n minst. De ruitjes in de openstaande ramen rinkelden. ‘Ik...’

 

  ‘De Square Satans,’ zei Dunning met een zijwaartse knik van het hoofd, toen de ergste herrie alweer voorbij was. ‘Toen jij die zondag voor haar ouderlijk huis parkeerde, rende Wendy toch meteen naar binnen? Ze heeft toen tegen haar moeder gezegd: “Mam, als hij vraagt of ik astma heb, zeg dan ja.” Mrs Zillgitt heeft tegenover de Grand Jury getuigd dat ze de boodschap inderdaad aan jou heeft overgebracht.’

 

  ‘Ze zwakte het op z’n minst af. “Och, het is minder erg dan het lijkt.” Zoiets zei ze.’

 

  ‘Toch een bevestiging. Uit het paniekerige gedrag van haar dochter concludeerde Mrs Zillgitt dat er iets mis was. Terwijl jij in de woonkamer een diavoorstelling gaf, belde Wendy boven met haar vriendje.’

 

  ‘De vedergewicht.’

 

  ‘Zijn gewichtsklasse speelde tijdens de zitting geen rol. Wel wat ze hem opbiechtte over haar middag met jou. Zijn voeten droegen de krap vierenvijftig kilo hoorndrager met zweefsprongen naar Mrs Zillgitt.’

 

  ‘Woorden via woorden via woorden,’ zei Remo vermoeid. ‘En wat doe je als liefhebbende moeder dan?’

 

  ‘Ze belde haar accountant. De een of andere onderbetaalde boekhouder, die haar belastingformulieren invulde... de hypotheek regelde... Nu werd hij opgezadeld met een probleem waar hij tabellarisch niets mee kon. Misbruik onder zijn clientèle.’

 

  ‘Interessant.’ Remo lachte luid, maar zonder vrolijkheid. ‘Vooral in het licht van mijn me dat ik niets kon doen voor haar acteercarrière. Als dat telraam voldoende begaan was geweest met haar financiële positie, had hij haar een schikking met mij voorgesteld. Honderdduizend dollar op z’n minst.’

 

  ‘Hij deugde niet voor zijn vak,’ zei Dunning. ‘Hij belde de politie.’

 

  ‘Nou, daar kom ik dan mooi mee weg. Nu hoef ik alleen te boeten met mijn eigen carrière.’ Remo stond op, deed de kastdeuren open, en nam een fles whisky en twee glazen tussen zijn schoenenparen uit. ‘Daar drinken we op. Jij scotch, Doug?’

 

  ‘Wil je niet eerst weten op welke punten je in staat van beschuldiging bent gesteld?’

 

  ‘Laat je niet weerhouden, Doug.’ Hij schonk whisky in de glazen, en mat met twee vingers na of het de juiste hoeveelheid was. ‘Mijn immuunsysteem staat ingeschakeld. Het ketst allemaal op me af.’

 

  ‘Nou, dan hoef ik niet te zeggen: hou je vast.’ De advocaat zette zijn leesbril op, en vouwde een vel papier uit. ‘Een: het verstrekken van een uitsluitend op doktersvoorschrift verkrijgbaar medicijn aan een minderjarige...’

 

  ‘Met acute astmatische verschijnselen.’

 

  ‘Twee,’ las Dunning, ‘het plegen van wellustige handelingen bij een minderjarige.’

 

  ‘Kussen,’ zei Remo. ‘Strelen.’

 

  ‘Fijn dat je het even naar de werkelijkheid vertaalt. Elke rechtbank zou zo’n zinnelijkheidstolk in dienst moeten hebben. Drie: het hebben van bij de wet verboden geslachtsgemeenschap.’

 

  ‘Liefde op straffe van.’

 

  ‘Vier,’ las Dunning verder, ‘het plegen van perverse handelingen bij een minderjarige.’

 

  ‘O ja, ik heb haar ook nog heel teder met mijn tong gestreeld.’

 

  ‘Vijf: het hebben van tegennatuurlijk geslachtsverkeer met een minderjarige.’

 

  ‘Was het dan toch een jongen?’

 

  ‘Zes,’ zei Dunning uit zijn hoofd, het papier alweer dichtgevouwen, ‘het plegen van verkrachting bij een minderjarige’ (hij keek Remo over zijn leesbril aan) ‘na toediening van drugs.’

 

  ‘Ze gaan hun gang maar,’ zei Remo, in zijn whisky bijtend. De te grote slok schrijnde blijkbaar door zijn keel, want met vertrokken gezicht, de ogen tranend, voegde hij eraan toe: ‘Idioot dat ze hier geen ijsmachine hebben.’

 

 

Het Schervengericht
titlepage.xhtml
Het_schervengericht_split_000.html
Het_schervengericht_split_001.html
Het_schervengericht_split_002.html
Het_schervengericht_split_003.html
Het_schervengericht_split_004.html
Het_schervengericht_split_005.html
Het_schervengericht_split_006.html
Het_schervengericht_split_007.html
Het_schervengericht_split_008.html
Het_schervengericht_split_009.html
Het_schervengericht_split_010.html
Het_schervengericht_split_011.html
Het_schervengericht_split_012.html
Het_schervengericht_split_013.html
Het_schervengericht_split_014.html
Het_schervengericht_split_015.html
Het_schervengericht_split_016.html
Het_schervengericht_split_017.html
Het_schervengericht_split_018.html
Het_schervengericht_split_019.html
Het_schervengericht_split_020.html
Het_schervengericht_split_021.html
Het_schervengericht_split_022.html
Het_schervengericht_split_023.html
Het_schervengericht_split_024.html
Het_schervengericht_split_025.html
Het_schervengericht_split_026.html
Het_schervengericht_split_027.html
Het_schervengericht_split_028.html
Het_schervengericht_split_029.html
Het_schervengericht_split_030.html
Het_schervengericht_split_031.html
Het_schervengericht_split_032.html
Het_schervengericht_split_033.html
Het_schervengericht_split_034.html
Het_schervengericht_split_035.html
Het_schervengericht_split_036.html
Het_schervengericht_split_037.html
Het_schervengericht_split_038.html
Het_schervengericht_split_039.html
Het_schervengericht_split_040.html
Het_schervengericht_split_041.html
Het_schervengericht_split_042.html
Het_schervengericht_split_043.html
Het_schervengericht_split_044.html
Het_schervengericht_split_045.html
Het_schervengericht_split_046.html
Het_schervengericht_split_047.html
Het_schervengericht_split_048.html
Het_schervengericht_split_049.html
Het_schervengericht_split_050.html
Het_schervengericht_split_051.html
Het_schervengericht_split_052.html
Het_schervengericht_split_053.html
Het_schervengericht_split_054.html
Het_schervengericht_split_055.html
Het_schervengericht_split_056.html
Het_schervengericht_split_057.html
Het_schervengericht_split_058.html
Het_schervengericht_split_059.html