Woensdag 18 januari 1978

Vaseline op de lens

 

  1

 

 

‘U heeft na uw arrestatie verklaard,’ zei rechercheur Trutanic, ‘dat u rond half vier ’s middags met het slachtoffer bij het huis van genoemde actrice aan de Mulholland Drive arriveerde.’

 

  ‘Daar blijf ik bij,’ zei Remo.

 

  ‘Half vier,’ herhaalde inspecteur Dick Flanzbaum. ‘Rijkelijk laat voor een fotosessie. Ik ken die omgeving. Begin maart is het daar tegen vier uur gedaan met het zonlicht.’

 

  ‘Ik besefte algauw dat ik aan de verkeerde kant van de weg zat.’

 

  ‘In metaforische zin zeker,’ sneerde Flanzbaum. ‘Maar als we het even letterlijk nemen... u bent toch regisseur genoeg om een dag eerder ter plaatse het licht te gaan checken?’

 

  ‘Ik was daar niet in mijn functie van regisseur.’

 

  ‘Nee,’ zei Trutanic schril, ‘dat is wel gebleken.’

 

  ‘U bent minder spraakzaam dan vanmorgen,’ zei Flanzbaum. ‘Daarom zal ik vertellen hoe het zat. U was alleen voor de vorm een halfuurtje bij uw vriendin Jacky. Zodat Mrs Zillgitt kon bellen. En dat heeft ze, zoals het een goede moeder betaamt, ook gedaan. Grote geruststelling. U was bij de vijver toegewijd met haar dochter bezig... de camera een gegarandeerde kuisheidsgordel tussen de fotograaf en zijn model.’

 

  ‘En na moeders telefoontje,’ zei Trutanic, ‘als de bliksem naar de overkant. Naar vriend Jack.’

 

  ‘O ja, mag ik dan met hem op de foto?’ Flanzbaum probeerde kraaiend een meisjesstem te imiteren. ‘Mijn vriendinnen komen niet meer bij.’

 

  ‘Ik zal zien, schat,’ bootste Shannyn Trutanic Remo’s stem na, ‘wat ik voor je kan doen.’

 

  Remo schudde het hoofd.

 

  ‘Terwijl u verdomd goed wist,’ zei Flanzbaum weer met zijn eigen stem, ‘dat uw vriend Jack niet thuis was.’

 

  ‘En niet thuis zou komen ook,’ zei Trutanic, ‘want hij was skiën. Waar anders dan in Aspen, Colorado?’

 

  ‘Of alleen maar après-skiën,’ suggereerde Flanzbaum. ‘Met bijvoorbeeld Rebekah Rutherford. U heeft de pech dat zulke dingen zomaar via de kranten tot ons komen. Omgekeerd heeft uw vriend Jack ook het een en ander over een romance in zijn huis op de televisie moeten vernemen.’

 

  Remo bleef zijn hoofd schudden. Hij had net zo goed stom kunnen gaan zitten knikken, want wat de rechercheurs op tafel smeten, was zowel waar als niet waar.

 

  ‘Raar alibi was u daar trouwens aan het uitzetten,’ zei Trutanic. ‘Bij vriend Jack was u kind aan huis. U heeft er gelogeerd... gewoond zelfs. Waarom dan de huisbewaarster... kom, hoe heette ze nog weer...’ Ze legde papieren om.

 

  ‘Helena,’ zei Remo.

 

  ‘...waarom die er dan bij betrokken?’

 

  ‘Ik zal het antwoord geven,’ zei de inspecteur opnieuw voor zijn beurt. ‘Als eventuele toekomstige getuige moest de vrouw met eigen ogen kunnen zien dat u daar alleen maar wat plaatjes kwam schieten. Niet? Uw appetijt maakte u onvoorzichtig.’

 

  ‘Wat er na het fotograferen spontaan gebeurd is,’ zei Remo dof, ‘daar valt eindeloos over te bekvechten. Maar ik was die middag professioneel bezig. Ik werkte aan een opdracht.’

 

  ‘Shannyn, de foto’s,’ zei Flanzbaum op de toon van een goochelaar tegen zijn assistente. Hij hield zijn hand op, maar collega Trutanic schudde ruw de envelop leeg, en spreidde de kleurenfoto’s met haar worstvingers tot een waaier. Ineens was ze er weer, Wendy, in taartpuntvormige fragmenten.

 

  ‘Dit zijn de foto’s,’ zei Flanzbaum, er een paar van naast elkaar leggend, ‘die u afgelopen zondag van het slachtoffer heeft gemaakt... alvorens haar tot uw slachtoffer te maken. Wat valt u als professioneel fotograaf op?’

 

  Remo nam twee Wendy’s op, en hield ze zo vast dat ze het minst hinderlijk glansden onder het buislicht. De jurk met de steekzakken. ‘Dat het onprofessionele afdrukken zijn,’ zei hij tenslotte.

 

  ‘O, nee,’ gilde Trutanic bijna. Haar middelvinger gaf een driftige tik tegen de brug van het brilmontuur. ‘Ze zijn op het lab door experts ontwikkeld.’

 

  ‘De foto’s zelf zijn slordig genomen,’ zei Flanzbaum, Remo recht in de ogen kijkend. ‘Met een andere dan de vereiste artistieke betrokkenheid. U was met uw gedachten al bij de... après-ski, nietwaar?’

 

  Remo legde de foto’s weer bij de rest, en concentreerde zich op de koffievlekken rondom. Een van de sets handboeien vond hij bij nader inzien meer op het lorgnet van Toulouse-Lautrec lijken.

 

  ‘De vakantiekiekjes van een bejaard echtpaar in Florida lijdend aan Parkinson,’ ging Flanzbaum verder, ‘zijn hierbij vergeleken een wonder van scherpte en compositie.’

 

  ‘Ik heb wel eens betere foto’s gemaakt,’ gaf Remo toe. ‘Het licht, de locaties, het model zelf... er ging heel wat mis die middag.’

 

  ‘Hoe zat het ook weer met die opdracht?’ Rechercheur Trutanic, haar te krappe truitje alweer vergeten, leunde roekeloos ver achterover. ‘Bij de Franse WorldWide... hoe heet dat ding, mijn Frans stelt niks voor... daar konden ze niet bevestigen dat u een reportage over jonge vrouwen voor ze zou maken.’

 

  Boven Shannyns ceintuur was een baan witte bloes te zien, waarvan juist een knoopje opensprong. In de mollig diepe navel had zich, kunstig concentrisch, los stof van kleding gehecht, en Remo vroeg zich af of het holletje een kolibrie, niet groter dan een hommel immers, tot nest zou kunnen dienen.

 

 Mondial,’ zei Remo met vermoeid geduld, ‘kent twee zusterbladen. Femme Mondiale en Homme Mondial. Om me niet nog verdachter te maken zeg ik opzettelijk niet: dochterbladen. Ze hebben alledrie dezelfde hoofdredacteur, Robert Mayence, maar de redacties weten vaak niet van elkaar waar ze mee bezig zijn.’

 

  Rechercheur Trutanic, balpen als een snor onder de neus geklemd, rekte zich nog verder uit, al werd haar hals er niet langer door. Er sprong een tweede knoopje los. Een hommel, concludeerde Remo, zou zelfs met uitgevouwen vleugels in de navel passen, maar van een kolibrie, daar nestelend, zou de gekromde snavel in de weg zitten. Hij wilde hier weg.

 

  ‘Voor het wegwerken van onduidelijkheden,’ zei Flanzbaum, ‘gaan wij desnoods over ons budget heen. Vraagt u ons niet wat dat kost, zo’n direct lijntje Parijs. Zonde van het geld. Monsieur Mayence wist van geen opdracht. Zijn Engels is rottig.’

 

  ‘In die kringen wordt veel met mondelinge overeenkomsten gewerkt.’

 

  ‘Dan moeten ze wel eerst gemaakt zijn,’ zei Trutanic, weer met haar ellebogen op tafel. Ze drukte haar brilmontuur zo ver omhoog dat haar wenkbrauwen kwaadaardig tegen de binnenkant van de brillenglazen drukten, en zo keek ze Remo aan.

 

  ‘Mijn contactpersoon bij Homme Mondial,’ zei Remo, ‘was redacteur Gerald Onagre. Hij was erg opgetogen over het kerstnummer van Mondial, dat in z’n geheel door mij...’

 

  ‘De foto’s,’ zei Flanzbaum, ‘van alle actrices met wie u gewerkt heeft. Het hele verhaal erbij...’

 

  ‘Ook van een minderjarige starlet,’ wist Trutanic. ‘Krap veertien, het kuiken. Volgens onze informatie heeft ze nooit in een film van u gespeeld. Toch staat ze, door u gekiekt, in dat kerstnummer. Nogal schaars gekleed voor de tijd van het jaar. Veertien lentes... Niet ook een minnaresje van u? Uit de bladen herinner ik me een romantische boomhut of zoiets.’

 

  ‘Zij vormde de uitzondering in de reeks,’ zei Remo. ‘Ik kan later pas met haar werken. Als ze haar onmiskenbare talent verder heeft ontwikkeld.’

 

  ‘U bekostigt haar acteeropleiding,’ vatte Flanzbaum de tekst op een volgend vel papier samen. ‘Zang en danslessen... een cursus Engels. Dure bedoening.’

 

  ‘Het is pure investering. Niet wat u denkt,’ zei Remo. ‘Ze wordt onafgebroken vergezeld door haar moeder.’

 

  ‘Ach,’ hoonde Trutanic, ‘nog zo’n overbezorgde mammie. Zou Frau Wöhrmann echt geen oogje toeknijpen voor zo’n gulle suikeroom?’

 

  ‘Stassja,’ zei Remo, ‘doet in Los Angeles geen stap zonder haar.’

 

  ‘De moeder van Wendy,’ zei Flanzbaum, ‘belde tijdens het poseren voortdurend op. Toch zag u kans haar dochter... met de telefoon binnen handbereik...’

 

  ‘Mrs Zillgitt,’ zei Remo plotseling fel, ‘gafin onderpand voor een eigen filmcarrière.’

 

  ‘Misschien bent u het wel,’ schoot Trutanic nog feller uit, ‘die meisjes koopt met beloftes aan hun moeder.’

 

  ‘En na gebruik van de dochter, met dank,’ zei Flanzbaum, ‘blijken de vooruitzichten ongedekte cheques.’

 

  Remo liet zijn hoofd hangen. Het leek te zwaar om het nog ontkennend te schudden. ‘Onagre was vooral erg onder de indruk van mijn foto’s van Stassja. Ik mocht van hem voor Homme Mondial een hele reportage maken over ontluikende meisjes... naar het voor voorbeeld van zo’n zelfde serie in het blad door David Hamilton. Alleen... Hamilton had er weer van die dromerige nimfijnen in witte omajurken van gemaakt. Onuitstaanbaar. Ik wilde het rijpingsproces wat realistischer in beeld... die meisjes fotograferen in heel hun kwetsbare brutaliteit van midden jaren zeventig. Hamilton is tijdloze kitsch. Altijd een lik vaseline op de lens om het nog waziger en sfeervoller te maken...’

 

  ‘Concurrentieslag onder pedo’s,’ snoof Shannyn Trutanic. En inspecteur Flanzbaum zei: ‘Had u het maar bij vaseline op de lens gelaten.’

 

 

 

  2

 

 

‘Nu je ’t zegt, Li’ll Remo,’ gromde Maddox, ‘ik herinner me jouw kerstgeschenk aan de wereld. Na nieuwjaar was het in de bajesbieb van Vacaville. Alle gekken en simulanten van de CMF hebben eroverheen gekwijld. Charlie was in april aan de beurt. Alle bladzijden aan elkaar gelijmd. Als ik ze lostrok, herkende ik nog wat van de etalagepoppen, Li’ll Remo, die jij ooit tot leven hebt gewekt. Kay Foldaway... Catherine Du Nuevo... hoe ze ook mogen heten. Je hebt de jongens in Vacaville er een groot plezier mee gedaan.’

 

  De bewakers van de EBA (of hun echtgenotes) hadden geklaagd over de rouwranden waar ze in Choreo voortdurend mee liepen. Na grondige handwassing met borstel en zandzeep kroop op hun rondes het taaie, zwartgroene vuil al binnen een uur weer diep onder de nagels. Het lag aan de balustrades en trapleuningen, die al in geen decennium meer waren afgeboend. De Griek had Maddox en Remo opdracht gegeven alle relingen die met handen in aanraking kwamen grondig te reinigen.

 

  ‘De foto’s van je beroemdste slachtoffer, Scott, heb je die in Mondial niet wat aandachtiger bekeken?’

 

  ‘Ze zaten tegen elkaar aan geplakt met bajeslijm,’ zei Maddox. ‘Ik zag op sommige plaatjes wel dat blonde dotje van jou. Ramanassja, heette ze niet zo? Dat ding van veertien... met die dikke lippen. Niet mijn type. Charlie houdt niet van zoeloes. Ook niet als ze blond zijn, en Calabassja heten.’

 

  Als Remo zijn onberekenbare poetsmaat te veel had verteld, dan kon hij nu niet meer terug, tenzij hij afzag van de ontbrekende puzzelstukken die Maddox nog in zijn mouw verborg. Ze hadden precies de vorm van zijn wonden vol koudvuur, die maar niet dicht wilden gaan.

 

  ‘Er is niets mis mee, Li’ll Remo, om af en toe de tegenstander te bewonderen... als hij het verdient. Jouw rechercheurs wonnen op punten. De kleine Talahassja had nog nooit in een film van jou gespeeld. Toch stond ze in de kerstglossy tussen jouw actrices. Kom maar, Nakatassja, er is nog een plekje vrij tussen de Hollywoodtantetjes. Goed voor je loopbaan. Jouw misdadige manier, Li’ll Remo, om zo’n onbedorven kind in te palmen... voor je te winnen... aan je te binden. Met moeder en al.’

 

  Aan zijn woordspelig gerijmel, aan de lichtvoetige rondedans die erbij hoorde, merkte Remo dat Maddox zich in een roes aan het praten was. Hij had de kleine duivel een druppel bloed willen laten proeven, om hem uit de tent te lokken, maar Maddox leek nu al beneveld van een overvloedige dronk. Remo moest de bloeddronken gek eraan blijven herinneren dat hun gezamenlijke biechtstoel uit twee compartimenten bestond.

 

  ‘Haar verschijning in Mondial,’ zei Remo, ‘was het begin van alle ellende. In zoverre heb je gelijk, Scott.’

 

  Het plastic tempermes was niet hard en scherp genoeg om het aangekoekte vuil van de gaanderijreling te steken. Remo wierp het in een emmer.

 

  ‘Precies, Li’ll Remo.’ Maddox’ ene oog vlamde op onder de buislampen. ‘Het hele verschil tussen jouw soort en de mijne. Charlies ellende begint in een achterafsteeg... met een snel circusnummer tussen de vullisbakken. Die van Little Remo in een dure glossy. Een veertienjarig filmgodinnetje staat licht uit te stralen. Hunkerend naar nog meer licht. Jouw ellende heet Barabassja... Malahassja... Rackatassja. Een verzameling diamanten.’

 

  ‘De ellende, Scott, leidt in beide gevallen tot het uitwringen van dweilen in California State Penitentiary Choreo.’

 

  ‘Voor jouw soort,’ zei Maddox, ‘is dekzwabberen hier een luxe. Een verhaal voor op de club.’ Onder het te driftig insteken op het vuil, dat ook nog eens met de roestlaag vermengd was geraakt, brak Maddox’ paletmes. Hij gooide de stukken met een vloek over de balustrade. ‘Mijn bewondering voor die Fransozen, Li’ll Remo, groeit met het moment. De kleine klootzak, zullen ze tegen elkaar gezegd hebben, heeft daar in Los Angeles een levende vlinderverzameling... allemaal starlets op een vingerknip beschikbaar. Het kereltje is een liefhebber, dus hij brengt wel iets heel gevaarlijks mee naar Parijs. Calabassja’s, Talahassja’s, Ramanassja’s... alles piekfijn met net uitgekomen pubishaar. Eindelijk iets terug voor het Vrijheidsbeeld.’

 

  ‘Als het een Gallische valstrik was,’ zei Remo, ‘had ik niets in de gaten. De juiste modellen vinden, dat nam me in beslag.’

 

  ‘O, hoe zoet, die wereld van jou, Li’ll Remo. Met je korte beentjes door een bloemenveld... als een kind. Je hoeft de modellen maar aan te wijzen. De butler plukt ze voor je.’

 

  Maddox hield een spuitflacon geconcentreerd schoonmaakmiddel omgekeerd boven de balustrade, kneep erin, en liep zo tientallen meters de gaanderij af, ervoor zorgend dat de druipstraal heel precies op de reling terechtkwam.

 

  ‘Een tijdje in de week maar,’ zei hij bij terugkomst. ‘Zo, en dan wil Charlie zijn oude bajeskloten nu verder warmen aan Wendy.’

 

  ‘Vergeet niet, Scott, dat onze biecht een ruilhandeltje is.’

 

  ‘Ze viel je tegen,’ zei Maddox. ‘Als prooi... als paspop?’

 

  ‘Was ze zo mooi en fotogeniek geweest als me was voorgespiegeld, dan... had ik haar met geen vinger aangeraakt. Ze had een lichte verdorvenheid over zich, die alleen... hoe zeg je dat... alleen de onschuld vermag te schenken.’

 

 Dat noem ik nog eens een professionele blik.’

 

  ‘Een visie, Scott. Het ging me om een visie. Hoe doortrapt die tienermeiden konden zijn in hun ontwaken. Hoe...’

 

  ‘In onschuld verdorven,’ zei Maddox, ‘dan zat je met die Wendy toch juist goed?’

 

  ‘Dat is gebleken, ja.’

 

 

 

  3

 

 

Het kwam ongetwijfeld door de gevangenismuren: nooit eerder in zijn leven had Remo zo direct ervaren dat de stemmen binnenin het hoofd aanweziger en krachtiger konden zijn dan die van de akoestiek in de werkelijkheid gebruik maakten – vooral wanneer ze een beschuldigende lading hadden. In die eerste Choreaanse weken had hij zich nog beziggehouden met wat er allemaal gezegd was door rechter Ritterbach en de openbare aanklagers Poindexter en Longenecker. Dunning & Hendrix hadden een goede tegenstem geboden. En Remo... Remo had het allemaal goeddeels zwijgend aangehoord, zowel in de rechtszaal als later, via de opdringerige herinnering, achter tralies. De Grand Jury, de inleidende zittingen, dat had allemaal met het Grote Compromis te maken. Als jullie dit, d dat. Beschuldigingen op het tweede plan sneuvelden ten gunste van de hoofdaanklacht, die weer werd toegegeven ten koste van een proces.

 

  De oudere stemmen van Flanzbaum en Trutanic waren een en al beschuldiging. Remo kon ze niet kwijtraken, en dan had zich, in de maar al te reële akoestiek van Choreo, nu ook de scherpend aanklagende stem van Scott Maddox bij de andere twee gevoegd. Om er een uurtje van verlost te zijn, had Remo De Griek gevraagd zijn lunch op cel te mogen gebruiken. Gelukkig: de door bloedsmaak gevoede hysterie van Maddox werd door de dichtschuivende deur buitengesloten. Tegenover de twee rechercheurs zat Remo zich binnen vijf minuten, zonder eetlust, alweer te verdedigen.

 

  ‘Hoe jullie het ook wenden of keren, de boel wensen te verdraaien of niet,’ zei Remo, ‘overeind blijft dat ik Wendy een eerlijke kans heb gegeven.’

 

  ‘Om bij een stoplicht de auto uit te springen,’ snoof inspecteur Flanzbaum, ‘en een huis met een telefoon binnen te vluchten.’

 

  ‘Ik bedoel, om als fotomodel door te breken.’

 

  ‘In de negentiende eeuw,’ doceerde rechercheur Trutanic, haar bril afnemend, ‘lieten verkrachters geld bij hun slachtoffer achter. Om het op prostitutie te laten lijken.’

 

  De erudiete Shannyn keek Remo met weerloos onbedekte ogen aan, blind knipperend, en beademde op goed geluk haar brillenglazen aan beide kanten.

 

  ‘Het was geen verkrachting,’ riep Remo uit, nu echt wanhopig. ‘Hoe vaak moet ik dat nog... Leg het meisje aan de leugendetector. Dan zal niet alleen blijken dat ze het wilde... ook dat ze het fijn vond.’

 

  Met de weinige speling die de boord van haar trui toestond, wist Trutanic op de tast haar bril schoon te poetsen. ‘Dat is weer typisch twintigste eeuw,’ zei ze. ‘Sinds de feministes genot en klaarkomen en al die dingen voor de vrouwen hebben opgeëist, wil zelfs de verkrachter dat zijn slachtoffer het naar haar zin heeft gehad.’

 

  Shannyns ogen, die zich in het overvloedige buislicht tot vlezige spleten vernauwden, begonnen plakkerig te tranen. Ze hield de bril omhoog om de helderheid ervan te testen, maar zag pas weer iets toen ze hem opzette.

 

 

 

  4

 

 

Na de lunch werden de twee schoonmakers geacht het schoonkrabben van leuningen, spijlen en relingen te hervatten.

 

  ‘Het is net als met die zwaarden bij archeologische vondsten,’ zei Remo, die met een staalborstel over een stuk reling roste. ‘Je weet niet waar het harde vuil ophoudt, en de roestlaag begint... en of die nog iets van het oorspronkelijke metaal bewaart.’

 

  ‘Li’ll Remo, Charlie geeft geen ruk om de archeologie van Choreo,’ zei Maddox. ‘Oudheidkundig, zus en zo, bodemonderzoek, hoe heet het, naar alle lagen van Little Remo’s morele rottingsproces... dat is wat Charlie wil. De vertrapte bloemen, de dode kraaien in jouw teelaarde. Ja, sorry, ik ben opgegroeid in West-Virginia, niet in de woestijn. De afdruk, Li’ll Remo, van jouw verkreukelde ziel in kalksteen. Als we zover zijn, dan krijg jij elk antwoord van Charlie.’

 

  Aan de ijzeren stekels van de borstel bleven bolletjes viezigheid van de bovenste vuillaag hangen, meer viel er aan de balustrade niet te reinigen. ‘Goed, Scott, ram je vragen maar in me. Ik kan niet meer terug.’

 

  ‘Als je al wist,’ vroeg Maddox, ‘dat die Wendy een aanfluiting was voor je reportage... waarom het wicht dan nog verder op sleeptouw genomen?’

 

  ‘De angst om moeder en dochter teleur te stellen,’ zei Remo. ‘Ik kan mensen niet zomaar afdanken.’

 

  ‘Liever hou je ze aan het lijntje,’ grauwde Maddox, ‘tot het echt niet langer kan... tot je je vuile zin krijgt, of niet krijgt... en dan laat je ze des te harder val

 

  ‘Ze hebben mij laten vallen.’

 

  ‘Zal ik jou eens wat vertellen, Li’ll Remo?’ Maddox maakte een hoekig dansje rond Remo, en voerde daarbij een soort schijnkarate uit. ‘Je had de kleine slet ’s morgens vroeg al kunnen ophalen. Niet? Een fotograaf, is mij verteld, heeft licht nodig. Maar jij... jij had geen haast. Welnee. En weet je waarom niet? Jouw herdersuurtje valt pas zo tussen vier en vijf ’s middags. Net als bij de meeste mannen. Net als bij Charlie...’

 

  ‘Ja, ik merk dat je het voor vanmiddag aardig aan het voorbereiden bent,’ zei Remo, ‘door al die details over mijn herderinnetje uit me te zuigen. Het is pas half drie.’

 

  ‘De moraal, Li’ll Remo, daar ging het om. De jouwe tegenover die van mij. Ons lidmaatschap van het Kwaad.’

 

  ‘Het meisje,’ zei Remo, ‘probeerde aan Jacky’s vijver heel geraffineerd te poseren. Doortrapt zelfs... Het bleef allemaal houterig, tot in het opheffen van haar billen. Erosie van onschuld... ongereptheid met een mysterieus patroon van haarscheurtjes... dat had ik willen laten zien. Ik was er ver van verwijderd. O ja, voor Jacky en haar gasten, aan het tuinraam, zal het er gewichtig genoeg hebben uitgezien.’

 

  ‘Hoe laf doorzichtig, dit alles,’ gromde Maddox. ‘De grote kleine man gaat zijn prinses fotograferen, en weet niets anders dan... het blad van een waterlelie. Om haar op te laten hurken. Allemaal zelfopgeilerij.’

 

  ‘Dit gesprek, Scott, begint al aardig op het rechercheverhoor van toen te lijken. Op de woordkeus na dan.’

 

  ‘Aan zo’n gesprek, Li’ll Remo, kan Charlie niets anders dan een beroepsdeformatie bijdragen. Ik ben zo vaak ondervraagd... zo uitputtend... ik kan niet anders meer praten en denken. Een goede ondervrager, zei Jacuzzi een keer tegen me, is een leugendetector zonder stekker.’

 

  ‘Laat maar horen, Scott, de gedetecteerde jokkebrokkerij.’

 

  ‘Ik erken graag mijn meerdere in doortraptheid,’ snauwde Maddox. ‘Er zijn zoveel jonge vrouwen door mijn handen gegaan... ik ken alle trucs om ouders te misleiden en af te schudden. Heel knap, die mensen aan het raam van hun vergulde zwijnenstal. Ach, kijk Li’ll Remo toch eens toegewijd bezig zijn. En zo gedreven. Helemaal de vakman. Ah, de telefoon. Oh, de moeder van het meisje. Alles in orde, mevrouw. We hebben net haar vieze neus afgeveegd.’

 

 

 

  5

 

 

Het huis van Jack zag uit op de Franklin Canyon. Het terrein, dat hij deelde met een bevriende acteur, was te betreden via een elektronisch te openen poort, die Remo altijd aan het schuldige hek waarop de Cielo Drive doodliep deed denken. De krijgers van Hurly Burly waren er die nacht omheen geklommen, maar eerder op de avond had het hun slachtoffers toegang verschaft tot het executieterrein.

 

  Remo stapte uit de Chrysler, en drukte op de bel naast de poort. In afwachting van een reactie draaide hij zich om naar Wendy, die stralend naar hem leek te glimlachen (eindelijk had de fotograaf haar diepste wens geraden), maar dat lag waarschijnlijk aan de vertekening die de voorruit vol gespiegeld boomblad gaf.

 

  ‘Hallo?’ Door de intercom de stem van Helena, de tijdelijke huisbewaarster. Remo maakte zich bekend. Hij kende haar uit de tijd dat hij min of meer bij Jack woonde. ‘Er is niemand thuis,’ zei Helena met haar Griekse tongval. ‘Grote mot. Jack is skiën, en Anjelica... geen idee of ze nog leeft.’

 

  Zijdelings knipogend naar Wendy legde Remo uit dat hij een model bij zich had, en in Jacks tuin wat foto’s voor een tijdschrift wilde maken.

 

  ‘Ik kan voor je opendoen,’ zei Helena. ‘Ik kan je geen licht geven om te fotograferen. Nou, ik ga drukken. Hek goed achter je in het slot duwen. Er loopt hier een of andere maniak rond... diest nog geprobeerd de tuinman met een hark de hersens in te slaan.’

 

  ‘Geen nood, Helena. Maniakken zijn mijn specialiteit.’

 

  De huisbewaarster stond bij Jacks garage op ze te wachten. Ze had nog altijd het vlijmscherpe, donkere profiel dat haar zo ongenaakbaar maakte in Two Minutes Waltz, waar ze als liftster van Jack vanaf de achterbank het einde van de wereld, of liever de zelfmoord van de aarde, mocht aankondigen. Remo stelde de dames aan elkaar voor. Helena deed de deur tussen de garage en de keuken van het slot, waarmee het hele huis ontsloten werd, inclusief zwembad.

 

  ‘Ik sterf van de dorst,’ zei Wendy.

 

  Remo deed of hij thuis was, trok de koelkast open, en vond een fles champagne tussen de kegelflessen Colt Beer. ‘Een Heidsieck,’ zei hij. ‘Jack vindt het vast wel goed, Helena, dat we ons hieraan vergrijpen. Volgende keer stel ik hem schadeloos met een bejaarde Dom Pérignon.’

 

  ‘Glazen,’ zei Helena, ‘staan in dat kastje daar.’

 

  Zij dronk staand een half glas mee, en verontschuldigde zich toen dat ze nog werk had aan een filmscenario. (In Beverly Hills moest je nooit geloven dat een huisbewaarster zomaar genoegen nam met de bijrol van doemdenkster: haar volgende film schreef ze zelf.) Door het keukenraam zagen ze Helena naar het gastenverblijf lopen dat haar tot conciërgewoning diende. Remo probeerde zich de huisbewaarder van de Cielo Drive voor de geest te halen. Billy. De enige overlevende van het eerste rondje Hurly Burly. Remo had hem te kort gekend: er hoorde geen gezicht meer bij. Een legendarische conciërge, evengoed. Het bloedigste slagveld uit de geschiedenis van Los Angeles, en het enige dat hij er in zijn tuinhuis van gemerkt had, was een deurklink die aan de buitenkant werd neergedrukt en weer losgelaten. Voor een filmmaker een jaloersmakend suggestief beeld, dat het hele bloedbad had kunnen vervangen. Goh, Billy, wat is er toch van je geworden? Ook een kapot leven, voor de rest van je dagen? Hij was achttien toen, en net van school. Zesentwintig, zevenentwintig nu. Nee, een officiële conciërge zou hij wel niet geworden zijn. Een goede slotenmaker misschien.

 

  ‘Kijk, een jacuzzi.’ Wendy stond voor het andere raam, dat uitzicht bood op het zwembad. ‘Mag ik erin?’

 

  Remo ging naast haar staan, en legde onnadrukkelijk (hij moest toch ergens op leunen) een hand in haar nek. Uit het bubbelbad in z’n houten huisje aan de rand van het bassin wapperde een langgerekte stoomwolk.

 

  ‘Eerst werken,’ zei Remo. ‘Het licht wordt hier ook al zwakker. Bloes maar eens uit.’ Wendy deed wat haar verlangd werd. ‘Nee, glas in de hand.’

 

  Hij verwisselde van lens. ‘Die beige jurk van je moeder. Met de steekzakken.’

 

  Bij het omkleden trok Wendy met de spijkerbroek ook haar slipje naar beneden. Per ongeluk of expres, dat viel niet uit te maken. ‘O, sorry.’

 

  ‘Nee, uitlaten,’ zei Remo toen ze het broekje weer op wilde trekken. ‘Door de jurk heen wil ik een mooie vlek zien schemeren. Donker en mysterieus.’ Bij die laatste woorden liet hij zijn stem dalen, als een sprookjesverteller die aan het diepst van het woud toe is.

 

  ‘Best.’ Wendy stroopte alles af, en liet de lange japon over haar naakte lijfje glijden. Met vlakke hand streek ze er op buik en billen de kreukels uit. ‘Niet te ouwetutterig?’

 

  ‘Handen op de keukentafel,’ gebood Remo, ‘en achteroverleunen.’

 

  Zo werd de volgroeide driehoek van schaamhaar pas goed zichtbaar door het beige katoen. Hij drukte vier, vijf keer af, en wierp haar toen uit een open doos op het aanrecht een suikerklontje toe. ‘Dit tussen je tanden.’

 

  Wendy beet het doormidden. De ene helft hield ze tussen haar hoektanden geklemd, terwijl het andere deel op haar tong tot een glinsterende pap smolt.

 

  ‘Niet doorslikken. Mond verder open.’ Remo nam haar gezicht in close-up. ‘Tong iets meer rekken... zo, ja. Werk nu maar weg.’

 

  Wendy liep naar het aanrecht, en liet haar van suiker verzadigde speeksel in de gootsteen druipen. Ze spoelde rijkelijk met water na.

 

  ‘Te zoet?’

 

  ‘Ik ben geen circuspaard.’

 

  ‘Een raspaardje, dat wel.’

 

  ‘Nu heb ik de jacuzzi verdiend.’

 

  Ze gingen naar buiten. Ook aan deze kant van de Mulholland Drive was de zon nu weg. Er hing zelfs al iets schemerigs in de lucht. ‘Met een 1.4,’ mompelde Remo, ‘valt Apollo misschien nog te vermurwen.’ Hij schroefde een andere lens in zijn camera.

 

  ‘Weet mijn moeder dat ik hier ben?’

 

  Remo liep naar de tuindeuren naast de keuken, en trok ze open. Hij schoof witte gordijnen opzij, tastend naar een lichtschakelaar. Het was Jacks boudoir, met een televisiescherm groot als een bioscoopdoek. Op de bedbank werden filmrollen tot in hun haarwortels uitgebroed. Remo wees Wendy de telefoon. Zij draaide het nummer van haar huis. ‘Mam? Met Wen...’

 

  Remo slenterde ongeduldig het betegelde terras rond het zwembad op. Hij stak zijn hand in het bubbelbad, waarvan het water de juiste temperatuur en turbulentie had, en vroeg zich af waarom de jacuzzi gebruiksklaar werd gehouden als Jack in Aspen aan het skiën was en Anjelica op de Strip haar minnenijd verwinkelde.

 

  ‘...in het huis van jouw favoriete acteur. Ooit gedacht, mam? Ja, ik zal hem roepen.’

 

  Remo liep uit zichzelf al naar de tuinkamer, en nam de hoorn van Wendy over. ‘Tammy? Het loopt ietsje uit. Erg? Nog een paar plaatjes voor donker.’

 

  ‘Hou er rekening mee,’ zei Mrs Zillgitt, ‘dat de San Diego en de Ventura aan het eind van de zondagmiddag akelig dicht kunnen slibben.’

 

  ‘Tammy, ik draag je kostbare schat desnoods langs karrensporen naar huis.’

 

 

 

  6

 

 

Wendy trok de jurk met de steekzakken over haar hoofd, en wierp hem over een leuning van de zwembadtrap. Met haar dunne benen, die bij hun plotselinge groei geen gram vet hadden vergaard, stapte ze in het bubbelende water. Remo fotografeerde haar naakte lichaam, eerder mager dan slank, door de stoom heen, en nadat ze zich langzaam in de ronde kuip had laten glijden nog eens, maar dan vervormd door de elkaar verdringende luchtbellen.

 

  Het was geen onverklaarbaar déjà vu. Zo had hij meer dan tien jaar geleden Sharon in bad gefotografeerd op de set van The Vampire Destroyers. Alleen gekleed in voddige flarden schuim zat ze in een ouderwetse kuip van geblakerde duigen, waar de man van de speciale effecten telkens een keteltje heet water in moest gieten om voldoende verhullende damp op te wekken. De foto’s waren in WorldWide afgedrukt, en hadden haar carrière, zoals dat zo mooi nautisch heette, in een stroomversnelling gebracht. De wastobbesessie had plaats de dag nadat Sharon zich aan zijn hotelkamerdeur was komen beklagen over zijn schandalige omgang met acteurs, en ze voor ’t eerst met elkaar geslapen hadden (de nacht met het kaarsbeschenen Draculamasker niet meegerekend). Na haar een dag lang afwisselend door een filmcameraoog en het oog van een fototoestel begluurd te hebben, leek zijn bloed stroperig van vadsige lust. Voordat ze naar de kleedkamer verdween, vroeg hij haar alles zo te laten en, compleet met de rode pruik die bij haar rol hoorde, naar zijn kamer te komen. En weer zei ze heel lief, met een pruilerig tuitmondje als van een klein meisje, zijn accent imiterend: ‘Ja, dat wil Shurrun wel.’

 

  Remo zette de flûtes champagne op de rand van de jacuzzi, en kiekte Wendy er precies tussendoor. Toen het rolletje op was, donker bleek om er nog een vol te schieten, reikte Remo Wendy haar glas aan. Ze klonken. ‘Dat de fotoserie,’ zei Remo, ‘jouw schoonheid recht moge doen.’

 

  Met een ernstig gezichtje bracht ze de flûte naar haar lippen – zo dicht beslagen dat hij van matglas leek. ‘Kom erbij.’ Ze bewoog zich traag zijwaarts, tegen het kolkende water in zwemmend, naar de badwand. Haar spinnenpoten golfden. Er hing een woelende egel tussen.

 

  ‘Mij te heet. Ik zwem liever.’

 

  Remo kleedde zich uit, liet de koude buitendouche even over zich heen stromen, en nam een scrotumschrompelende duik. Al na twee, drie baantjes werd hij door Wendy geroepen. Ze stond rechtop in het bubbelbad. Haar natte, gladde huid, op twee banen na nog mokkabruin van de vorige zomer, leek in z’n strakheid overal vandaan naar die ene plek toe getrokken te worden, alsof daar elk moment de knoop los kon springen: haar navel. Damp als een mantel rond haar schouders.

 

  ‘Ik voel me niet goed.’ Ze wiekte met haar armen, en wankelde. ‘Mijn astma. Ik heb niets bij me.’

 

  Die hoekige kinderheupen, daar had hij graag eens met zijn vingerknokkel op geklopt. ‘Als de weerlicht uit die stoom dan.’ Remo zwom naar het trapje, en hees zich de kant op, daarbij met zijn naakte lijf langs Tammy’s steekzakkenjurk strijkend, die over de leuning zacht hing te bewegen op de wind. Zijn hart pompte heftig, terwijl hij nog maar zo kort gezwommen had.

 

  Bij het jacuzzihuisje lag een stapel badlakens. Remo vouwde er een uit, en sloeg het om Wendy heen, die moeizaam uit het bubbelwater klauterde. Hij begon haar zo’n beetje droog te kloppen. Ze ademde snel in en uit door haar mond en neus tegelijk, als een barende vrouw die puffend de weeën opvangt. ‘Heb je dat vaker?’

 

  ‘Even liggen.’ Ze liep slingerend, met naar binnen gekeerde voeten, op de open tuindeuren af, alsof de natte handdoek nog een te groot gewicht voor haar vormde. ‘Anders... anders raak ik buiten... buiten westen.’

 

  ‘Wat doe ik in dat geval?’

 

  Ze keek hem door een gordijn van nat haar gekweld aan. ‘Probeer het ’s met... mond op mond.’

 

  Remo, zelf nog druipend, leidde haar voorzichtig de tuinkamer binnen. Hij rende terug naar de jacuzzi, waar hij zich haastig afdroogde. Met het badlaken rond zijn middel tussen de witte gordijnen door. Na het telefoneren had hij de lamp weer uitgedaan. In het weinige licht dat nog van buiten kwam, glom het enorme televisiescherm als een zwarte spiegel, en zelfs nu kwamen de verkeerde stemmen hem plagen. (Inspecteur Helgoe: ‘Deed uw vrouw aan zwarte magie?’)

 

  Remo knielde bij het rillende meisje neer, en wreef haar met de grote handdoek verder droog. Hij merkte hoe ze onder zijn handen haar rug hol maakte, zodat de buik, zo plat als hij was, steeds verder naar voren kwam te steken. Door het kippenvel trok haar huid nog strakker. Ze bleef snel ademen, maar niet zo dat je per se aan een aanval van astma dacht.

 

  ‘Gaat het?’

 

  ‘Het gaat.’

 

  Wendy zakte op haar knieën. Hun gezichten waren nu zo dicht bij elkaar dat hij de hitte van haar adem in korte stootjes op zijn koude oogleden kon voelen. Ze huiverde, misschien alleen maar om het badlaken van zich af te laten glijden. Zijn duimen masseerden het uitstekende bot van haar jongensheupen, waarbij zijn vingers door de kuiltjes in haar kleine billen streken, daar ontstaan uit de kracht waarmee ze haar dijen tegen elkaar perste.

 

  Remo draaide zijn gezicht zo dat Wendy’s hete pufjes over zijn lippen sprongen – en opeens kroop haar tongetje, merkwaardig koud, sidderend zijn mond binnen. Haar kus had de mierzoete smaak van snoep, en toen Remo hem beantwoordde, trof hij scherpe suikerkorrels tussen haar kiezen aan. Zijn handen kneedden de deuken uit haar billen, waarna haar vlees zich overal ontspande en door eigen zwaarte, hoe gering die ook was, enkele centimeters langs haar gebeente naar beneden leek te glijden. Haar lichaam veranderde, misschien wel voorgoed, van vorm. Remo’s vingers konden niet meer bewerkstelligen wat ze alleen nog hoefden te constateren: dat Wendy nat en glad en warm was waar ze nat en glad en warm diende te zijn.

 

  ‘Verder?’

 

  ‘Best.’

 

  Remo merkte dat hij de handdoek te strak om zijn middel had gewonden, en maakte de knelling ongedaan. Zonder elkaar los te laten verplaatsten ze zich op hun knieën naar de bedbank. Als ze tegen ging stribbelen, kon hij het altijd nog bij wat kussen en strelingen laten. Onder het kantelen van haar lijf sliertten de verrukkelijke kikkerpoten uit elkaar. Remo klom er van het voeteneind af tussen, en ging in het verlengde van die manoeuvre als vanzelf tot haar in, zonder dat er een behulpzame hand aan te pas kwam.

 

  ‘Fijn.’

 

  ‘Ja, hoor.’

 

  Hij bewoog zacht. Het meisje liet wat dunne piepgeluidjes horen. Meer aanmoediging had hij niet nodig. Waarom, in Godsnaam en in naam van Eros, kostte het een half mensenleven aan barre en boze visioenen voordat er eindelijk eens een van uitkwam (en hoe)? Misschien juichte zijn bloed te vroeg, want vlakbij het huis ruisten autobanden door het grind. Het dunne lijfje onder hem verstrakte, en begon bijna onmiddellijk weer te beven. De manier waarop Wendy hem dusdoende in zich vastsnoerde, was hem niet onaangenaam.

 

  ‘Het is niets,’ fluisterde hij. ‘Jack is terug.’

 

  ‘Zometeen komt hij binnen.’

 

  ‘Hij ziet de auto. Ik slaap altijd in deze kamer. Hij zal ons niet storen.’

 

  ‘Straks met hem op de foto,’ murmelde Wendy. Ze ontspande zich, en verloste zo Remo van haar wurggreep. Hij liet zich uit haar glijden, en vroeg Wendy zich op haar buik te keren. Met zijn vingertop wreef hij over het geribbelde plekje tussen haar billen. ‘Mag het ook hier?’

 

  ‘Niet zonder.’

 

  Er sloeg een autoportier. Remo opende de deur naar de badkamer, en zocht de kastjes af tot hij de juiste flacon gevonden had. Even bleef hij staan luisteren naar de voetstappen in het grind. Jack zou nog wel even bezig zijn met het van de imperiaal schroeven van zijn skiuitrusting, en het opbergen ervan in de garage. Remo ging terug de televisiekamer in. Hij oliede Wendy, zalfde zichzelf, en maakte toen het visioen waar dat hij zelfs niet tot verwerkelijking in staat had geacht. Wendy kreunde lief klaaglijk, maar doorstond de beproeving. ‘Alsof je een engel naait,’ had iemand ooit van deze liefdesvariant gezegd. De engel moest dan wel eerst de aardse gedaante van Wendy aannemen, met vernauwde luchtwegen en al.

 

  Remo voelde een van suiker doordrenkt orgasme uit zijn lendenen omhoog kruipen toen Wendy hem opnieuw in zich vastschroefde, genadelozer nog dan de eerste keer.

 

  ‘Dat lampje,’ fluisterde ze gejaagd.

 

  Op het telefoontoestel, naast de bedbank, was een oranje lichtje aangegaan. Het betekende dat er elders in huis gebeld werd. Wendy’s tot het uiterste verkrampte lichaam dwong Remo tot het langgerektste hoogtepunt dat hij ooit gekend had. Nog voor het goed en wel ten einde was, veranderde het televisiescherm in een eenrichtingsspiegel, waarachter een uitgelezen gezelschap van gerechtsdienaren, moraaltheologen en militante ouders grimmig toezag hoe hij de laatste hand legde aan het vermoorden van de onschuld.

 

  ‘Ik moet naar huis,’ zei Wendy. Ze ontdeed zich van hem als van een hardlijvige drol: tot andere beeldspraak was zijn walging niet bereid. Met een sprong verdween ze van de bank en uit de kamer. Tussen de nawapperende gordijnen door zag Remo haar bij de zwembadtrap Tammy’s jurk aanschieten. Met een hand zijn geslacht deed hij de deur naar de gang open. ‘Jack, ouwe slalomheld. Hoe was Becky op de latten?’

 

  ‘Ik ben aan de telefoon.’ De stem van Anjelica. ‘Ik kom zo.’

 

  Bij de jacuzzi, die onaangedaan borrelde, kleedde Remo zich aan. Geen spoor van Wendy. In de keuken, waar gemorste suiker onder zijn zolen kraakte, raapte hij haar spijkerbroek en slipje op. Hij vond haar uiteindelijk in de auto, die voor de garage geparkeerd stond, inmiddels in het gezelschap van Anjelica’s Mustang, waarvan de achterbank tot aan het dak volgestapeld lag met modetassen en onduidelijke voorwerpen in paars vloeipapier. Remo legde de jeans in zijn kofferbak, en wierp door het open portierraam Wendy haar broekje in de schoot. ‘Hier, aantrekken. Ik wilde je nog even aan de gastvrouw voorstellen.’

 

  ‘En dan met haar op de foto zeker?’ zei ze, van hem wegkijkend. ‘Ik ga niet terug.’

 

  ‘Goed, dan zeg ik haar nog even gedag.’

 

  ‘Ja, de groeten.’

 

 

‘Je hoeft niets uit te leggen,’ zei Anjelica met de harde blik die ze kon zetten. ‘Ik heb het al van Helena gehoord.’

 

  ‘Nou, dan ga ik maar eens.’

 

  ‘Waarom nu opeens zo’n haast?’

 

  ‘Mijn model heeft een aanval van astma. Ze wil naar huis... naar haar medicijnen. Zeg tegen Jack dat ik binnenkort zijn champagnevoorraad kom aanvullen. Ik leg er een Dom Pérignon bovenop.’

 

  ‘Jack en ik zijn uit elkaar. Ik bevind me op verboden terrein. Als jij...’

 

  ‘Maak je geen zorgen, Anjelica. Reken op mij. Ook tegenover mijn beste vriend kan ik zwijgen als het graf.’

 

 

 

  7

 

 

‘U heeft het meisje op z’n minst misleid,’ zei inspecteur Flanzbaum, ‘door te verzwijgen dat uw vriend Jack in Aspen, Colorado was.’

 

  ‘Miss Zillgitt heeft verklaard,’ zei rechercheur Trutanic, ‘dat u haar onophoudelijk bij bleef schenken uit de magnum champagne. Ze had later geen idee hoeveel u haar had laten drinken.’

 

  ‘Het was geen magnum,’ zei Remo, niet voor ’t eerst. ‘Uit een magnum gaan twaalf flûtes. Uit een gewone fles zes. Ik heb eerst drie glazen volgeschonken, inclusief dat van de huisbewaarster. Later zag ik Anjelica met een glas. In de fles zat nog een bodempje. Waarschijnlijk heb ik de flûtes van Miss Zillgitt en mij tussendoor bijgevuld, maar daarmee was de koek toch echt op.’

 

  ‘Blijft staan,’ zei Flanzbaum, ‘dat u het meisje verdovende middelen heeft toegediend.’

 

  ‘Een halve tranquillizer,’ zei Remo. ‘Tegen haar astma.’

 

  ‘De bijwerkingen,’ zei Trutanic, ‘kwamen u goed van pas.’

 

  ‘Er is ons gebleken,’ zei de inspecteur, ‘dat Miss Zillgitt helemaal niet aan astma leed. U heeft haar aanval verzonnen om...’

 

 Zij heeft de kwaal voorgewend,’ riep Remo uit, ‘niet ik.’

 

  ‘O, u bent verleid,’ krijste Trutanic.

 

  ‘Als de genegenheid van twee kanten komt,’ zei Remo, zacht nu, ‘spreek je niet van verleiden. Ik ben misleid.’

 

  ‘Door het meisje,’ probeerde Flanzbaum.

 

  ‘Ook,’ zei Remo. ‘In de eerste plaats door dat berekenende kreng van een moeder. Ze had mij niet gezegd dat haar dochter pas dertien was. En Miss Zillgitt zelf, die spiegelde mij een grote sexuele ervarenheid voor... die trouwens door haar gedrag in de televisiekamer niet weersproken werd.’

 

 

 

  8

 

 

Vanuit de glazen cipiersloge op de tweede verdieping was ik er getuige van hoe daar beneden, op de kale toneelvloer, een tweepersoons rechtszaak z’n apotheose naderde. Ontdaan van alle rituelen, vlaggen, toga’s, houten hamers en in plastic verzegelde Buckmessen speelde het proces alleen nog tussen de hoofddader en zijn enige in leven gebleven slachtoffer, dat op zijn beurt de doden vertegenwoordigde. Mijn collega’s hadden er, meer nog dan anders, allerlei gezever over dat ik zo vaak het hok uit liep, en telkens iets op de Ring te doen had, al was zelden duidelijk wat precies.

 

  ‘Laat die twee keffende bastaardjes toch, Spiros,’ zei Burdette. ‘Als ze mekaar een oor afbijten, zijn we gauw genoeg beneden.’

 

  Gevangene Woodehouse mocht wel een beetje oppassen, met zijn innerlijke zelfverbanning. Zelf de kruik willen zijn die in zesduizend scherven uiteenvalt, met op elke scherf jouw naam: allemaal ijdele nieuwlichterij en gevaarlijke hoogmoed.

 

  Goed, zijn eenzame hoogte was geen luchtspiegeling. Nooit eerder had een film de heilige tragedie zo dicht benaderd als de zijne uit 1974. Afwezigheid van wind werd hier afwezigheid van water, en er moest hoe dan ook een dochter geofferd worden, terwijl de sinaasappel verschrompelde aan z’n boom. De critici reageerden, zoals het hoorde, met trekkende neuzen, alsof ze net een haal snuif hadden genomen. De silhouetten in het bioscoopduister gaven zich gewonnen, en opeens leek zijn talent boven alle kritiek verheven. Gevaarlijker dan een plotseling te hoge bloeddruk steeg de roem hem naar het hoofd. Nog eens, Woodehouse, les 1 voor de ambitieuze sterveling: nooit de naijver van de goden over jezelf afroepen. Te zeggen dat zijn meesterwerk de heren daarboven tartte, was misschien te veel eer voor hem, maar dat hij met hun lichtgevende kloten speelde, stond buiten kijf.

 

  Eenzame hoogte: ik heb een Griekse generaal gekend die alles en iedereen voorbij was gestreefd. Hij dacht zich alles te kunnen permitteren, zelfs het planten van zijn onwaardige mensenvoet op gewijde grond. Hij klom over de ommuring van een heiligdom, durfde opeens niet meer verder, de held, en klauterde weer terug. De beroemde strateeg kwam aan de andere kant lelijk terecht – en dat lag niet alleen aan de hoogte van de muur.

 

  De generaal had zich met zijn roem naar het niveau van de goden opgewerkt. Maar zo’n groepsportret past ze niet. Wie de goden aan zijn zijde denkt te hebben, vindt ze vierkant tegenover zich. En dan wil ik ook nog wel verklappen dat de hoogmoedige daad van onze topmilitair een knap staaltje verleidingskunst door de verlichte heren was. Hij liet zich inpalmen – en moest op de scherven zitten.

 

  Geen bed van lauweren. De wedijver terstond hervatten, anders gebeuren er ongelukken. Een geniaal regisseur die zich een fotoklus aanmat, om zich tot slot te trakteren op een willig jacuzzinimfje, dat was zo’n prooi voor de afgunst van de goden. Binnen een etmaal hadden ze hem waar ze hem hebben wilden.

 

  In Choreo was zijn neergang eigenlijk nog maar net begonnen. Als hij in z’n eentje schervengerichtje kon spelen, dan ik ook.

 

 

 

  9

 

 

‘Het christelijke mededogen in jouw wereld, Li’ll Remo,’ zei Maddox met iets gemeen lievigs, ‘hoe staat het daarmee?’

 

  Naar een reinigingsplan van hoofdbewaker Carhartt waren ze bezig de ijzeren relingen vol aangekoekt vuil met in sop gedrenkt toiletpapier te omwikkelen. De verwachting was dat de smerigheid zo zacht zou worden, en los zou weken, en dan alleen nog maar met een ijscostokje weggeschraapt hoefde te worden. (‘Ernie wil hier alles pico bello hebben,’ had De Griek in een terzijde de twee poetsers toegevoegd, ‘voor als de grote moederadelaar komt neergedaald om onze gelederen te versterken.’) Het was een hopeloos karwei, typisch Carhartt, want het doordrenkte papier brak niet alleen in stukken, de flarden losten op tot grijze snot in je handen. De verbandzwachtels rond Maddox’ polsen hadden nu extra windselen van pleepapier.

 

  ‘Hoe bedoel je?’ Remo was Maddox’ vragen spuugzat. Hij wilde antwoord

 

  ‘Nou, je rechters hadden kunnen zeggen: die man is nog steeds gek van verdriet... die weet niet wat hij doet. Hij kan het allemaal nog niet geloven... zit te wachten tot zijn vrouw komt binnen zweven, en dan... dan zet iemand hem een San Quentin jail bait voor. Treurenden proeven niets. Ze verstouwen. Het gaat buiten ze om.’

 

  ‘Bij een paar vrienden, de overgeblevene,’ zei Remo, ‘zag ik die compassie op het gezicht. Maar zelfs zij durfden hun verontwaardiging niet de wereld in te schreeuwen. Bij de Grand Jury hoefde je met de grote tovertruc niet aan te komen...’

 

  ‘Tovenarij... vertel.’

 

  ‘Nou, de wonderbare verandering van verhardende omstandigheden in verzachtende omstandigheden, die ging niet op. Ik moest hangen. Alsnog. Voor de misdaden die ik acht jaar tevoren over mijn huis en erf had afgeroepen.’

 

  Maddox tuurde met zijn ene oog langs de hoopjes en slierten papierpap op de balustrade. ‘Als je ’t mij vraagt, Li’ll Remo, dan was het allemaal aandachttrekkerij, dat met die Wendy. Je moest iets kapotmaken... om de ogen jouw kant op te krijgen. Iets stuktrekken, om niet te hoeven uitroepen: “Kijk mij! Ik lijd, zien jullie wel? Alles van mij is kapot! En geen mens bekommert zich om mij!” Wat jij stukmaakte, Li’ll Remo, had nooit een kind van dertien mogen zijn.’

 

  ‘Ga tegenover de duvel z’n moer de moralist uithangen,’ riep Remo uit, ‘en laat mij met rust.’

 

  Hij schraapte met zijn nagels de restjes grijs van zijn handen. Nat toiletpapier had van zichzelf een ingewandsgeur.

 

  ‘Mijn weglopertjes,’ zei Maddox, ‘waren tenminste niet meer nat achter hun oren. Ze kwamen vrijwillig tot Charlie.’

 

  ‘Hun vaderloze baby’s iets minder vrijwillig.’

 

  ‘Mr Remo praat mij van innerlijk exil,’ schreeuwde Maddox plotseling. ‘Een talent te groot om mee in competitie te gaan. En de bla, en de bla, en de bla. En zie, het zelfverbannen genie produceert derderangs kiekjes... en waarom? Om een kindmeisje te krijgen waar hij het hebben wilde. O, laten we voorzichtig gaan kijken, Li’ll Remo, of het waakvlammetje bij de Unknown Tragic Magic nog brandt. Hou je adem in, dat het niet uitwaait. Het eeuwige mag niet voor het tijdelijke verwisseld worden.’

 

  ‘Scott, ik gun jou je zielige hoon,’ zei Remo, ‘maar laat ik het nog een laatste keer rustig samenvatten. Ik ben erin geluisd door de ambities van Mrs Zillgitt. Geen woord over de ware leeftijd van haar dochter.’

 

  Als Maddox zich opmaakte voor bergrede of donderpreek was dat eerder nog aan zijn houding dan aan zijn toon te merken. ‘Een vrouw die haar dochter prostitueert,’ probeerde hij bezwerend te galmen, maar zijn stem bleef hees, ‘is in haar eentje de Heilige Drie-eenheid. Moeder, Hoer en Pooier in Een Persoon. Ze verhuurt de kut die door haar eigen kut is voortgebracht. Het bedrijf verjongt zich naar beneden toe, zegt Charlie altijd. Gebruikt Mrs Zillgitt haar bloedeigen kind ook nog als chantagemiddel, dan... Charlie kan er alleen maar respect voor hebben... dan is ze de ideale vrouwelijke souteneur. Vertel mij wat, Li’ll Remo. Ik ben zelf de dochter van een hoer.’

 

  Het was of bij de herinnering een glimlach door de verbandkap zichtbaar werd, maar meteen daarna bracht Maddox zijn omzwachtelde hoofd vlakbij dat van Remo. ‘Maar jij,’ schreeuwde hij, ‘jij had nooit de klant van die moederpooier mogen worden. Hoge artistieke motieven aandragen om het dochtertje in de stemming te brengen. Wat had je nou eigenlijk te mekkeren over mijn talent?’

 

  ‘Niets. Behalve dat als het bestaan had, er een heleboel mensen nog in leven zouden zijn geweest. Verder niets, hoor, Scott.’

 

  ‘Als in Charlies moraal de worm zit,’ snauwde Maddox, ‘dan is Li’ll Remo’s moraal een kluwen wormen. Er is een groot verschil tussen ons. Ik heb jonge vrouwen gemanipuleerd. Zeggen ze. Ik ben ervoor ter dood veroordeeld. Jij hebt een minderjarig meisje gemanipuleerd, en moet daarvoor in Choreo de rorschachtest ondergaan. Allemaal een kwestie van milieu. Van de juiste heuvels.’

 

  Met een krachtig veeggebaar van zijn hand over de reling sloeg Remo een deel van de papierpap in Maddox’ richting. De vuiligheid overdekte zijn verband en overall met spetters als van een grijze diarree. ‘Godverdomme, stuk stront! Hadden ze niet meteen, in dat groene kamertje, de beul afdoende anesthesie op je kunnen laten toepassen? Ik sta hier tegenover de architect van Hurly Burly, en die komt mij ’s even vertellen dat ik van ons tweeën de misdadiger ben.’

 

  ‘Aan mij iets toegeven, Li’ll Remo, is nog iets anders dan voor het openbaar ministerie iets bekennen. Van de rechter krijg je straf in ruil. Van Charlie... antwoord op alles.’

 

  ‘Ik ga geen verkrachting bevestigen. Ook niet tegenover iemand die zelf een verkrachter is, en mij erom zou bewonderen. Ik ben misleid. Ik ben erin geluisd. Door de moeder, maar later ook door de koehandel van de rechtbank.’

 

  Terwijl Remo het zei, wist hij het opeens niet zo zeker meer. Dezelfde woorden had hij ook steeds tegenover zijn advocaat gebruikt, maar dan met grote stelligheid, die nu verdwenen leek. Als deze Charlie hem, met zijn reputatie van hypnotisch overwicht op anderen, zover gekregen had, dan was dat reden het mannetje alsnog te wurgen – of zelfmoord te plegen.

 

  ‘Licht gestraften als jij,’ gromde Maddox, ‘doen de argumenten van de rechtbank altijd af als... als juridische manipulaties. Rechter Ritterbach? O, die straft Li’ll Remo alleen om zijn medeleden van de Palisades Cliffhanger Fish & Gulf & Deer Hunter Club een goede nachtrust te bezorgen. En ook de leden van de Dames & Daughters of the American Revolution & of the Guild of St. Margaret of Scotland... want daar is zijn vrouw penningmeester of secretaris van. Zo alles tot machinaties terug te brengen maakt jouw nacht weer goed, Li’ll Remo. Wat ik zie, is de winterslaap van een geweten. Als jij ’s een keer dat stomme schildpadden ding zou afzetten, en bij jezelf naar binnen zou kijken... nou, reken maar dat je de wormen zou zien krioelen. Jij bent net zo slecht als ik.’

 

  ‘Als dat laatste waar is, Scott, zitten we hier allebei ten onrechte vast. Ik heb jou nooit anders dan je eigen schuld horen afschuiven.’

 

  ‘O, nee, mijn krijgers waren vrijwilligers,’ zei Maddox, rustig nu. ‘Ik complimenteerde ze alleen met hun zelfstandige optreden.’

 

  ‘Als opdrachtgever, Scott, was jij de hoofddader. Je bent ervoor veroordeeld.’

 

  ‘Ik zeg het je voor de laatste keer, Li’ll Remo. Het waren politieke acties... religieus-politiek... In historische noodsituaties is geweld gerechtvaardigd.’

 

  ‘Waar heb ik die slogan eerder gehoord? Nietzsche, Sartre... Rote Armee, Brigate Rosse. Verzin eens een nieuwe reclamekreet voor je slagerij.’

 

  ‘En jij,’ zei Maddox, ‘jij zit hier als misbruiker van kleine meisjes. Dat dient geen enkel politiek doel... geen enkel algemeen belang. Persoonlijke lustbevrediging, en dat ten koste van... van een kinderziel.’

 

  ‘O, we gaan het over kinderzieltjes hebben,’ zei Remo, ‘en hoe jouw strijders daar politieke actie mee bedrijven. In historische noodsituaties, wel te verstaan.’

 

  ‘Bedrijfsongevalletjes,’ bromde Maddox, die met een verbandklauw de grijze moppen van zijn overall probeerde te vegen, en daarmee de troep alleen maar dikker uitsmeerde. ‘Zulke dingen gebeuren, Li’ll Remo, als het voortbestaan van de wereld in het geding is.’

 

  ‘Ik vat het even samen,’ zei Remo. ‘Om de wereld te laten vobestaan, moet... het voortbestaan van de mensheid worden tegengehouden.’

 

  ‘Om de mensheid te laten voortbestaan, is voor jouw soort alles toegestaan. Gerotzooi met net geslachtsrijpe meisjes, dat beschouwen jullie nog als een prima vorm van voortplanting.’

 

  ‘Zo’n beest ben ik niet.’

 

  ‘De mens tegenover het dier, Li’ll Remo, dat is jouw opvatting van beschaving. Hier de cultuur, daar de natuur. Charlie heeft in Death Valley als coyote onder de coyotes geleefd. Neem van mij aan... er is geen verschil tussen het dierlijke en menselijke in de mens. Eerst laten zien tot wat voor dierlijkheid hij in staat is. Dan praten over beschaving.’

 

  Omdat beneden, met de blik omhoog, bewaker Scruggs voorbij waggelde, begonnen Remo en Maddox de pap van het ijzer te vegen: het werd er alleen maar roestiger van, niet schoner. Een tijdlang werkten ze zwijgend voort, tot al het papier vlokkig in de emmers was opgelost.

 

  ‘Scott, als jij het Kwaad hebt gezocht,’ vroeg Remo na een kwartier, ‘waarom dan... ik zoek de woorden... waarom de manifestatie van dat Kwaad dan... gecamoufleerd? Met duistere theorieën? Met Hurly Burly?’

 

  ‘Net als alcohol,’ gromde Maddox, ‘kan het Kwaad in z’n puurste vorm niet bestaan. Het moet aangelengd. Anders is het niet te harden zo... zo vluchtig, zo ongrijpbaar. Wat voor systemen, wat voor hiërarchieën had Hitler wel niet nodig om zijn Rijk van het Kwaad te stichten?’

 

  ‘Gesnapt, Scott. Jouw Kwaad is des temeer het Kwaad naarmate het met de mantel van de ideologie wordt bedekt.’

 

  ‘Nee, naarmate het besmettelijk is,’ kraakte Maddox’ stem venijnig. ‘Charlie heeft een heleboel gaas voor zijn mond. Toch heeft hij Little Remo met het Kwaad geïnfecteerd.’

 

  ‘Zeg maar gerust gebrandmerkt.’

 

  ‘Het is een keurmerk.’

 

 

 

  10

 

 

‘Die eerste officier van justitie,’ zei Remo, ‘dat was me een zak. Jouw Vincent Jacuzzi was heel wat menselijker.’

 

  ‘Menselijk genoeg,’ mompelde Maddox in zijn verband, ‘om mij op het gas aan te sluiten.’

 

  Bij een later verhoor door Flanzbaum en Trutanic was, behalve Remo’s advocaat, ook een officier van justitie van het district Los Angeles aanwezig. ‘Deze Poindexter,’ had Dunning gewaarschuwd, ‘geniet de reputatie een hekel te hebben aan Italianen, Mexicanen, Portoricanen, Cubanen, communisten, Polen en joden. Waarschijnlijk omdat hijzelf een protestantse Ier is.’

 

  ‘Zwarten geen probleem?’

 

  ‘Uit hoofde van zijn functie wil hij zo onpartijdig en onbevooroordeeld mogelijk voor de dag komen. Dat leidt dan weer tot de gruwelijkste freudiaanse versprekingen. Aan de telefoon had hij het al over Mr Polecat.’

 

  ‘Meneer Bunzing... en dat noem jij een verspreking, Doug?’

 

  Tijdens het verhoor begon Poindexter heel sluw en omslachtig over de verschillende typen en merken bubbelbad, wat het gesprek iets huishoudelijks gaf, met een reiziger in modern sanitair aan de keukentafel. En toen ineens: ‘Kunt u mij, Mr Pole, eh, Poleaxe... kunt u als ingewijde mij, de leek die ik ben, uitleggen hoe zo’n jacuzzi werkt?’

 

  ‘Begrijp ik goed, Mr Poindexter,’ sprong Dunning ertussen, ‘dat u mijn cliënt tot getuige-deskundige probeert op te leiden?’

 

  ‘Hij is niet verplicht mijn vraag te beantwoorden.’

 

  ‘O, mijn medewerking heeft u,’ zei Remo. ‘Het is allemaal met een oude oom van de familie Jacuzzi begonnen. In de Eerste Wereldoorlog leverden de Jacuzzi’s propellers aan de Amerikaanse luchtmacht. Ze geloofden in perfectie. Op een dag brak zo’n ding af... het toestel stortte neer... de familie staakte de productie. Overladen met schuldgevoelens trokken de Jacuzzi’s zich terug op hun ranch. Wat nu? Omdat ze het uitvinden niet konden laten, bouwden ze op het erf een nieuw soort waterpomp. Alles mechanisch. Toen kwam oom Gianni in beeld, die krom van de reuma in een karretje hing. Voor hem...’

 

  ‘Mr Poleaxe, mijn vraag was...’ onderbrak de officier van justitie.

 

  ‘Ik verzoek u,’ zei Dunning, ‘mijn cliënt te laten uitspreken.’

 

  ‘De Jacuzzi’s hadden nog een hele propeller uit de Eerste Wereldoorlog liggen. Die lieten ze ronddraaien in de vergaarbak van de nieuwe pomp. En zie, het water begon te kolken, en de jacuzzi zonder hoofdletter was een feit. Oom Gianni hebben ze toen in de kuip gezet en een massagebad gegeven. ’t Verlichtte zijn pijn.’

 

  ‘Hiermee, Mr Polecat,’ zei Poindexter, ‘heeft u nog niets over de moderne uitvoering van het bubbelbad verteld. De zinnenprikkelende turbulentie van het hete water... daar had ik u graag over gehoord.’

 

  ‘Ik vraag u met klem,’ zei de advocaat, ‘om mijn cliënt bij zijn correcte naam aan te spreken.’

 

  ‘Van deze hoogstaande familie,’ ging Remo verder, ‘is nog een hoogbejaard lid in leven. Tante Rosie. Als u haar laat weten, Mr Poindexter, dat de Amerikaanse moraal is gecrasht door het gebruik van een jacuzzi... nou, ik weet zeker dat zij de productie onmiddellijk laat stopzetten.’

 

  ‘U weigert ons hete stoom te geven,’ zei Poindexter. ‘Laat maar.’

 

 

 

  11

 

 

‘Een collega van mij,’ zei de officier van justitie, ‘heeft drie jaar geleden een boek gepubliceerd. Hurdy Gurdy. U wordt daarin afgeschilderd als een ijskouwe, die niet eens commentaar wenst te geven op het doodvonnis dat...’

 

  ‘Als u nu ook al boektitels gaat verhaspelen,’ baste Dunning, ‘dan raad ik mijn cliënt u niet langer te antwoorden.’

 

  Inspecteur Flanzbaum krabbelde iets op een stuk papier, en schoof het Poindexter toe, die na een blik op de twee woorden hernam: ‘Uit het boek Hurly Burly komt u naar voren als iemand die ten tijde van de dood van zijn vrouw... om zo te zeggen... wel iets anders aan z’n hoofd had. Uw echtgenote, zo liet u tijdens een test met de leugendetector weten, was trouw aan u. Zelf hield u er, zogezegd, een heel castingbureau van aankomende sterretjes op na. Is dat correct?’

 

  ‘De leugendetector liegt niet,’ zei Remo. Hij verlangde naar het einde van het onderhoud. Er waren te veel mensen bij elkaar in de kleine verhoorruimte. De toegenomen warmte was het ergste niet: de steeds kruidiger damp van lichaamsgeuren, die werd ondraaglijk.

 

  ‘Kan het zijn dat uw vrouw, achterin de twintig inmiddels, gelet op uw voorkeur voor jonge meisjes, haar aantrekkingskracht voor u...’

 

  ‘Sir,’ riep Dunning, ‘eerbied voor de doden graag.’

 

  ‘...aan het verliezen was?’

 

  ‘Geen antwoord geven,’ zei de advocaat met zijn holste stem.

 

  ‘De laatste maanden van haar zwangerschap misschien,’ zei Remo, met een susgebaar naar Dunning, ‘en dan nog alleen fysiek. Zoals meer mannen dat hebben. Mijn liefde voor haar werd in die Londense dagen alleen maar groter. Ik leefde naar het moment toe dat ze uit het kraambed zou herrijzen... als het meisje dat ze nog steeds was. Het is nooit aangebroken.’

 

 

 

  12

 

 

Opnieuw slingerde zich een snelweg om de Sepulveda Dam heen, maar nu was het de San Diego Freeway, en ze reden in noordelijke richting terug naar de San Fernando Valley. Sinds ze van Jacks huis waren weggereden, hadden ze geen woord meer gewisseld. Wendy zat met haar hoofd van hem afgekeerd, en draaide met een wijsvinger steeds dezelfde krul in haar natte haar.

 

  ‘Nog last van je astma?’ vroeg. Een dalend vliegtuig gaf aan waar Van Nuys Airport lag.

 

  ‘Gaat wel.’

 

  ‘Benauwd?’

 

  ‘Minder.’ Ze hield een haarstreng zo strak om haar vinger gewonden dat er een waterdruppel uitgewrongen werd, die over de handrug in haar jurkmouw liep.

 

  ‘Spijt?’

 

  ‘Nee, hoor.’

 

  ‘Beetje fijn?’

 

  ‘Ja, hoor.’

 

  ‘Zeg je thuis?’

 

  ‘Gewoon, niets.’

 

  Remo keek schuins naar haar. Ze bevrijdde voorzichtig haar vinger uit de opgerolde haarlok, en bestudeerde wat voor krul dat had opgeleverd. Door de manier waarop ze erbij loenste, voelde hij dat zijn walging geweken was, en dat hij haar na vandaag terug wilde zien. Toch duurde het nog tot na de afslag Devonshire Street eer hij durfde vragen: ‘Nog zo’n sessie?’

 

  ‘Nou, nee.’

 

  Aan het einde van de lange, rechte Devonshire Street lag Chatsworth, en daar weer achter Chatsworth Park. Langs een wegkant daar was de plek waar ooit, in een gammel houten namaakstadje, westerns waren opgenomen – en nagespeeld. Bij zijn laatste bezoek had Remo er pas echt een spookstadje aangetroffen, uit niet meer bestaand dan de oude brandlucht van verkoold hout die, na een regenbui ’s nachts, uit de vochtige grond opsteeg. Achter het terrein van onkruid en stug struikgewas rezen in al hun rotsachtige onaangedaanheid de Simi Hills op, waar hij jaren geleden met Sharon hoog te paard de laatste gouden dag van de herfst had botgevierd.

 

  Remo wilde nog iets verzoenends tegen Wendy zeggen. Hij kreeg de woorden er niet uit.

 

 

 

  13

 

 

Flanzbaum en Trutanic bleven hem strak aankijken. Zo lang achtereen hadden ze hun mond nog niet gehouden.

 

  ‘Wat had ik dan moeten doen?’ riep Remo uit. ‘Steeds maar blijven omkijken naar mijn gestorven geliefde? Andere vrouwen uit de weg gaan, net zolang tot... tot ze me in stukken zouden scheuren? Nog moeten meemaken hoe mijn hoofd aanspoelt op, godbetert, Lesbos?’

 

  ‘U bedoelt,’ vroeg rechercheur Trutanic, ‘dat u het eenmalige samenzijn met een dertienjarige als een liefdesgeschiedenis wenst te beschouwen?’

 

  ‘Dat was het ook voor haar.’

 

  ‘Zij heeft het na die ene keer... uitgemaakt, zullen we maar zeggen.’

 

  ‘De mensen om haar heen hebben van haar woorden een verraad gebroddeld.’

 

  Het was weer stil. Inspecteur Flanzbaum schoof papieren over elkaar. ‘Volgens onze informatie,’ zei hij tenslotte, ‘bestudeerde u ten tijde van uw arrestatie, samen met uw advocaat, de mogelijkheid om u definitief in de Verenigde Staten te vestigen.’

 

  ‘Ja, verdacht, niet?’

 

  ‘Integendeel, een loffelijk streven. Alleen... wij begrijpen al die moeite niet. Door de hele papierwinkel heen, en dan een permanente verblijfsvergunning bij voorbaat verspelen door met minderjarige grietjes te gaan rotzooien.’

 

  ‘U zult het pas snappen, Mr Flanzbaum, als u het idee van verleiding met voorbedachten rade loslaat.’

 

 

 

  14

 

 

Nog voor Remo naar de handrem had kunnen grijpen, was het meisje de auto al uit gevlucht. De voordeur, die aanstond, liet ze achter zich wijdopen. In de hal trof hij Mrs Zillgitt, die onderaan de trap vragend naar boven stond te kijken, waar niemand meer te zien was.

 

  ‘Sorry, Tammy, ik wist niet dat Wendy astma had.’

 

  Haar gezicht keerde zich nu, in nog groter verwarring, naar Remo. ‘Astma...’

 

  ‘Een aanval, onder het poseren. Had het me verteld, dat had een hoop schrik gescheeld. Ze was haar inhalator kwijt.’

 

  ‘Zo’n ding heeft ze niet... nog ni,’ stamelde Mrs Zillgitt. ‘Die... astma van haar, die stelde tot nu toe niet veel voor.’

 

  ‘Nou, hou het in de gaten, zou ik zeggen. Ik ben me doodgeschrokken.’

 

  Ze ging aarzelend de trap op. ‘Kipp is in de huiskamer.’

 

  Er hing dit keer geen rooknevel, wel de bestorven geur van verbrande hasj. Pritzlaff had in zijn fauteuil de visioenen liggen verwerken, en wreef zich als een pas ontwaakt kind in de ogen. ‘Je was bij de grote Jack, begreep ik. Verzoek overgebracht?’

 

  Nee, de grote Jack wilde niet door The Marijuana Brass geïnterviewd worden. Te druk, veronderstelde Kipp. Nee, het zou hem in opspraak kunnen brengen; hij had al genoeg gedonder gehad. Nou, vond Kipp, als de acteur met zijn reputatie zou bijdragen aan een pleidooi voor vrij gebruik van cannabis, was het zo gedaan met het gedonder. Misschien, meende Remo, tastte de zekerheid van een vrij gebruik de smaak aan, en de roes. Nou, zei Kipp misprijzend, dat strookte dan niet met de ideologie van The Brass.

 

  Mrs Zillgitt kwam binnen met een donker gezicht. ‘Wendy zit boven ontzettend te huilen. Ze schaamt zich voor haar astma. Jennifer is bij haar.’

 

  ‘Astma,’ herhaalde Pritzlaff met minachting. Hij sloeg een sigarendoos met voorgerolde joints open.

 

  ‘Ja, dat heeft ze wel eens, de laatste tijd.’

 

  ‘Niemand vertelt mij ooit iets.’ Hij bleef naar de stickies zitten staren alsof hij wachtte tot ze sigarenbandjes kregen. Remo stond op, en mompelde dat het nog een hele rit was naar Beverly Hills. Tammy vroeg of er niet eerst zaken gedaan moesten worden. Bijna had Remo gezegd dat er geen onkosten aan het uitstapje verbonden waren – tot hij begreep dat ze de agent bedoelde.

 

  ‘Hij wil je niet vertegenwoordigen.’

 

  Het bloed dat uit haar gezicht wegtrok, keerde tot vlekken vervlokt in haar hals terug. ‘En de reden?’

 

  ‘Tammy, vat dit alsjeblieft niet persoonlijk op.’

 

  ‘Dat hangt ervan af.’

 

  ‘Hij vond je te oud.’

 

  ‘Ik ben vierendertig.’

 

  ‘Zesendertig,’ corrigeerde Pritzlaff slaperig. Tussen zijn lippen bungelde eindelijk een hasjsigaret, met de voorhuid in een mooi gedraaide punt.

 

  ‘Op die foto vierendertig.’ Het bloed werd terug haar gezicht in gestuwd.

 

  ‘Leer mij die agenten kennen,’ zei Remo. ‘Ze tellen altijd een vast gemiddelde aan gesmokkelde jaren bij de opgegeven leeftijd op.’

 

  ‘Ja, zeg, dan kan hij wel op veertig uitkomen.’

 

  ‘Eh... dat is wat hij in gedachten had.’

 

  ‘Ik loop met je mee naar de deur. Vergeet dat koffertje niet.’

 

  Remo groette Pritzlaff, die net een diepe haal eeuwigheid genomen had, en ten afscheid met zijn joint een snelle, gloeiende Z door de kamerschemering trok.

 

  ‘Zal ik Wendy nog even gedag zeggen?’ vroeg hij in de hal, dralend onderaan de trap.

 

  ‘Lijkt me geen goed idee,’ zei Tammy, die de buitendeur voor hem openhield. ‘En die fotosessies zijn een ramp voor haar astma. Liever niet meer dus.’

 

  Mrs Zillgitt liep mee naar de auto, waar Remo haar de kleren aanreikte, die ze over haar arm legde – op die ene jurk na, die ze keurend omhoog hield tegen het licht van de dichtstbijzijnde straatlantaarn. Nog onder het wegrijden zag hij haar het kledingstuk om en om keren, kippig de stof afspeurend.

 

 

 

  15

 

 

Mensen die bij de geringste steek migraine uitriepen dat het net was of hun kop uit elkaar barstte, had Remo altijd aanstellers gevonden. Nu, voor ’t eerst, ervoer hij het zelf zo – letterlijk. Het gebaar waarmee hij naar zijn hoofd greep om het voor uiteenspten te behoeden, was puur lijfsbehoud. Zijn handen, die zich tot een bankschroef vormden, herkenden de baard niet: ze omklemden het gezicht van een vreemde. De harde muizen drukten en drukten tegen de slapen... tot zijn schedel pas echt dreigde te barsten.

 

  ‘O, mijn God, laat iemand me zeggen waarom ik uitgerekend hier terecht ben gekomen...!’

 

  Maddox sprong met klepperende slippers om hem heen. Misschien was het een triomfdans, waarmee hij Remo het laatste zetje richting afgrond wilde geven.

 

  ‘De lui uit jouw wereld, Li’ll Remo, moesten me toch zonodig satanische krachten aanwrijven? Nou, dan kun je ze krijgen ook. Volgens jullie heeft Charlie die moorden op afstand geregisseerd. Goed, dan was het later een kleinigheid om vanuit Vacaville een potje kinderverkrachting in scène te zetten. Ik heb wel meer lui vanachter de tralies in het ongeluk gestort. Als iemand bereid is met open ogen in een valstrik te trappen, hoef je er alleen maar voor te zorgen dat de ogen open blijven... en de strop dichtgaat natuurlijk.’

 

  Remo kon niets anders meer dan zo, onbeweeglijk, met de handen aan zijn hoofd blijven staan, en het hese geschreeuw van Maddox over zich heen laten komen, samen met het geflapper van zijn voeten.

 

  ‘Als ik op mijn berg sta, en ik roep: “Kom hier, Li’ll Remo, Charlie heeft iets met je te bespreken”, dan wordt Li’ll Remo hier vroeg of laat binnengebracht. Al moet Li’ll Remo daarvoor de vreemdste wegen bewandelen... misdaden begaan in mijn opdracht. Nou, heb je gehoorzaamd of niet? Brave hond! Eerst behekst Charlie de moeder van het meisje. Ze gooit haar dochter op de markt... voor de beroemde regisseur. Het ging nog bijna mis. De kinderjager dreigde de dans te ontspringen. Toen heeft Charlie bij rechter Ritterbach de geest van het oude Amerika ingeblazen. Het lukte. Het werkte. Rechter Ritterbach stuurde de kleine rotzak naar Choreo. En... nou, daar ben je dan. Brave hond!’

 

 

 

  16

 

 

Had dat stuk schorem nou echt zoveel overwicht op anderen? Terug in zijn cel begon Remo aan alles te twijfelen, het meest nog aan zijn eigen morele gezondheid. Te slap om op zijn benen te staan leunde hij tegen de wasbak, in de spiegel tussen de vettige vegen door zichzelf aankijkend – en twijfel werd walging. Remo voelde zich precies zo verrot als Maddox blijkbaar wilde. Maddox hield zelfs, door dikke muren en een stalen deur heen, Remo’s geloof in een innerlijk exil wankelende. Het ergst was dat Remo geen verweer had tegen de rauwe stem die hem voorhield dat het Kwaad net zo goed in hem school als in Maddox. In gelijke mate zelfs. Een metalen spiegel was doffer dan een van glas: misschien kon hij daarom in zijn gezicht niet meteen het keurmerk van het Kwaad ontdekken dat hij met Maddox deelde. Hij zette zijn bril af. Rode ovale moeten aan weerskanten van zijn hoge neusbrug. Misschien zag Maddox iets in zijn ogen waar hijzelf alleen maar manifeste droefheid en een kwijnende vonk levenslust gewaarwerd. Als dat Remo’s keurmerk (of brandmerk) van het Kwaad was, dan had Maddox zelf het in zijn blik gestempeld.

 

  Om Maddox zijn rechtmatige copyright op het Kwaad terug te kunnen geven, bladerde Remo door de twee fotokaternen van Jacuzzi’s Hurly Burly. Het eerste, op eenderde van het boek, toonde portretten van de moordenaars en overige leden van The Circle, plus foto’s van hun wapens, buggy’s, ranches. Remo had de afbeeldingen talloze malen in zich opgezogen, tot zijn keel begon te steken van droogte.

 

  In het andere katern, op tweederde, stonden portretten en politiefoto’s van de slachtoffers, waar hij onder het lezen en herlezen zo vaak angstvallig aan voorbij gebladerd was. Nu niet. Van de man die Remo vanmiddag tot zijn gelijke in het Kwaad had gepromoveerd, wilde hij de daden wel eens haarscherp gefotografeerd zien.

 

  Eerst de luchtfoto’s en plattegronden van zijn huis en tuin, met de ligging van de slachtoffers duidelijk aangegeven. Het middendeel van het katern leek op een familiealbum, met gelegenheidskiekjes van Sharon, Gibby, Tek, Jay, Steve, de LaBianca’s (Leno die een contract tekent) en Sharons Yorkshire-teefje Proxy. Na hun stralende portretten was het de beurt aan de stemmiger foto’s genomen door de forensische dienst van de LAPD en het personeel van de Los Angeles County Morgue.

 

  De laffe esthetiek van moord.

 

  Jay droeg wit en zwart gestreepte jeans, die destijds in de kledingboetiek van Rosemary LaBianca als ‘zebrabroek’ verkocht werden. Aldus gekleed lag hij dood naast de zebrahuid die de woonkamer tot haardmat diende.

 

  Gibby rustte in een doordrenkte nachtjapon op haar rug vlakbij een in het gazon verzonken afvoerrooster (van messing, opvallend glanzend gepoetst), alsof ze in haar laatste ogenblikken de geschiktste plaats had gezocht om haar bloed te laten wegvloeien.

 

  Een foto uit het mortuarium toonde het naakte lichaam van Voytek. De donkere sporen die de vele messteken op zijn huid hadden achtergelaten, leken in hun vorm en regelmatige gespreidheid op de vachtvlekken van een luipaard. Hij lag ruggelings uitgestrekt op een geëmailleerde brits, waar door intensief gebruik schilfers emaille afgestoten waren. De bloot gekomen ovaal zwarte plekken leken op de een of andere manier het luipaardpatroon van Voyteks doorstoken lijf te weerspiegelen.

 

  Dit keer was Remo erop bedacht: de volgende fotopagina bracht hem Sharon in haar negligé van bloed. Het was maar zwartwit. Een nogal overbelicht geheel van grijstinten. De grote kleurenafdrukken die patholoog-anatoom Dr Kahanamoku hem destijds had laten zien, daarvan had elk detail hem diep – nee, niet in de ziel gesneden, maar direct in de huid, als glas. Zijn lijf had gesidderd, eerder dan zijn ziel.

 

  Bij het behoedzaam omslaan van de bladzij schoof Remo zijn hand over de foto, zodat hij tussen zijn gespreide vingers eerst de banale details kon bestuderen (schommelstoelspijlen), om ze vervolgens net zo lang te verleggen tot hij een deel van Sharon te zien kreeg. De foto in Hurly Burly was onscherp afgedrukt. De aardappelachtige klonten achter haar opgetrokken benen kon hij nog altijd niet thuisbrengen. (Misschien stond Carhartt hem toe een loep bij zijn secretaresse te bestellen. Ach nee, daar zat een lens in die, aan gruzelementen geslagen, dodelijke pijlpunten opleverde, en als geheel een werktuig vormde om, in clandestiene samenwerking met een straal zonlicht van buiten, California State Penitentiary Choreo in de as te leggen. Sharon onder een loep, waarvan het glas zou beslaan door de adem van een meeglurende bewaker Scruggs of Tremellen: nee.)

 

  De vierkante voorwerpen rond haar hoofd herkende hij ook zonder vergrootglas als pakjes scheurlucifers. Op de foto was er minstens een dozijn van te zien, de meeste dicht, sommige opengeklapt. Sharon had de gewoonte uit elke bar, uit ieder restaurant van die kartonnen envelopjes met het huismerk lucifers mee te nemen, en ze thuis in een mandje bij de haard te bewaren.

 

  Zijn hand weigerde haar verder te ontbloten. Remo sloeg het boek dicht. De lucifers bij haar dode lichaam hadden een geur van sandelolie in zijn neus en keel gebracht.

 

 

Het Schervengericht
titlepage.xhtml
Het_schervengericht_split_000.html
Het_schervengericht_split_001.html
Het_schervengericht_split_002.html
Het_schervengericht_split_003.html
Het_schervengericht_split_004.html
Het_schervengericht_split_005.html
Het_schervengericht_split_006.html
Het_schervengericht_split_007.html
Het_schervengericht_split_008.html
Het_schervengericht_split_009.html
Het_schervengericht_split_010.html
Het_schervengericht_split_011.html
Het_schervengericht_split_012.html
Het_schervengericht_split_013.html
Het_schervengericht_split_014.html
Het_schervengericht_split_015.html
Het_schervengericht_split_016.html
Het_schervengericht_split_017.html
Het_schervengericht_split_018.html
Het_schervengericht_split_019.html
Het_schervengericht_split_020.html
Het_schervengericht_split_021.html
Het_schervengericht_split_022.html
Het_schervengericht_split_023.html
Het_schervengericht_split_024.html
Het_schervengericht_split_025.html
Het_schervengericht_split_026.html
Het_schervengericht_split_027.html
Het_schervengericht_split_028.html
Het_schervengericht_split_029.html
Het_schervengericht_split_030.html
Het_schervengericht_split_031.html
Het_schervengericht_split_032.html
Het_schervengericht_split_033.html
Het_schervengericht_split_034.html
Het_schervengericht_split_035.html
Het_schervengericht_split_036.html
Het_schervengericht_split_037.html
Het_schervengericht_split_038.html
Het_schervengericht_split_039.html
Het_schervengericht_split_040.html
Het_schervengericht_split_041.html
Het_schervengericht_split_042.html
Het_schervengericht_split_043.html
Het_schervengericht_split_044.html
Het_schervengericht_split_045.html
Het_schervengericht_split_046.html
Het_schervengericht_split_047.html
Het_schervengericht_split_048.html
Het_schervengericht_split_049.html
Het_schervengericht_split_050.html
Het_schervengericht_split_051.html
Het_schervengericht_split_052.html
Het_schervengericht_split_053.html
Het_schervengericht_split_054.html
Het_schervengericht_split_055.html
Het_schervengericht_split_056.html
Het_schervengericht_split_057.html
Het_schervengericht_split_058.html
Het_schervengericht_split_059.html