Pierbotsing
Het heeft iets heerlijk gedurfds en bevrijdends om ja te zeggen tegen ons hele onvolmaakte en rommelige leven.
– Tara Brach
Er gebeurde iets grappigs onderweg naar San Francisco Bay. We waren ter ere van de vijftigste verjaardag van een vriend uitgenodigd voor een champagnebrunch op een groot jacht. De dag zag er veelbelovend uit: de lucht was blauw, de wind blies het water in kleine golfjes op en we hadden helder zicht op Alcatraz en de Golden Gate.
We dronken sinaasappelsap en champagne, toostten op onze vriend terwijl de boot de haven uitvoer. Maar twee minuten later werd ons feestje onderbroken door een stem door de luidspreker.
‘Vanwege de harde wind keren we terug naar de haven. Het ziet er niet naar uit dat we vandaag nog kunnen zeilen. We komen zo snel mogelijk met meer informatie.’
We keken elkaar ongelovig aan en besloten zelf aan dek een kijkje te nemen. De wind was weliswaar stevig, maar leek niet ongewoon. De baai was vol zeilboten die snel over het water gleden, en er voer een aantal cruiseschepen. Toen keken we over de reling en zagen wat de echte reden was geweest voor onze abrupte terugkeer. De kapitein had het jacht per ongeluk tegen de pier op gestuurd. Er staken drie grote houten palen onder de voorsteven uit; zo’n beetje de halve pier reisde nu met ons mee.
Toen de boot arriveerde bij wat er van de havensteiger restte, klonk de stem opnieuw: ‘Vanwege de sterke wind in de baai kunnen we om veiligheidsredenen niet uitvaren. Geniet evengoed verder van uw brunch.’
Onder de passagiers klonk geschater omdat de realiteit zo overduidelijk werd ontkend. Het was een komisch gezicht hoe mensen foto’s namen van een kapotte pier, terwijl de bemanning volhield dat de sterke wind het probleem was.
Maar het zit zo. We botsen allemaal tegen pieren aan en eindigen vaak met iets vergelijkbaars als meterslange palen onder de voorsteven: onze angsten, woede, schaamte of jaloezie, ons schuldgevoel, onvermogen om een dieet vol te houden – al die dingen die we liever niet toegeven of waarvan we niet willen dat anderen ze zien, al die dingen waarin we volgens onszelf tekortschieten. We zeggen onszelf dat er iets mis met ons is als we ons boos, machteloos, verward of bang voelen. We blijven onszelf maar beoordelen, in de veronderstelling dat we alleen acceptabel zijn als we aan een of andere onmogelijke norm voldoen. Moeders zijn daar experts in.
Feit is dat niemand van ons volmaakt is, als persoon, als werknemer, als echtgenote, als moeder. We zijn mensen. Punt. We zijn een hele mikmak aan positieve en negatieve eigenschappen. Zoals de psycholoog Albert Ellis schrijft: ‘We zijn feilbare wezens.’ Dat is nog eens nieuws! We ontlenen onze waarde niet aan wat we doen, maar eenvoudig aan het feit dat we leven.
Dit is de uitdaging waar we voor staan: we moeten onvoorwaardelijke vriendschap sluiten met onszelf. Als ik me ergens druk over maak (waarom heb ik dat gezegd? Ik had toch beter moeten weten!), als ik mezelf daarop kan betrappen en anders tegen mezelf ga praten, als een echte vriendin (schat, je hebt het prima gedaan. Maak je niet druk, je kunt het best), voel ik me zoveel beter. Ik ontspan, ik word zachter.
Wanneer we onze tien meter lange palen zien – woede, ongeduld, jaloezie, luiheid – hoeven we ons er niet voor te schamen of ze te ontkennen of met iets anders te bedekken. We kunnen gewoon zeggen ‘daar zijn ze weer’. We hoeven er niets aan te doen of ze te laten verdwijnen, we worden er alleen maar nieuwsgierig naar. Waar ging die angst over? Heb ik die wel eens eerder gevoeld? Hoe zit het met die woede? We blijven onze patronen en gewoonten op een vriendelijke manier opmerken, zonder te oordelen. Dat betekent niet dat we alles leuk moeten vinden aan onszelf; we leren alleen met humor en tederheid tegen onszelf te praten. Liefje, je weet waar dit over gaat. Haal even diep adem.
Als we onvoorwaardelijke vriendschap oefenen, beoordelen we onszelf ook niet meer voortdurend. Ik ben een slechte mama. Ik ben te dik. Ik ben saai. Ik ben een waardeloze echtgenote. Dat had ik beter kunnen doen. We worden heus niet beter door zo’n strenge rechter voor onszelf te zijn. Het maakt ons alleen maar bang en beschaamd. Als we beseffen hoe een kind op dergelijke kritiek zou reageren, houden we misschien meer rekening met het beroemde ‘kind in ons’ en zijn aardiger voor onszelf. Een bijkomend voordeel van deze oefening is dat als we alles van onszelf verwelkomen en ons daar milder in opstellen, we ook onze dierbaren met meer compassie kunnen accepteren.