37

Jane stond te midden van de chaotische verzameling politiewagens van Boston en Brookline op de oprit van Patrick Dions landgoed naar het ochtendgloren te staren. Ze had al vierentwintig uur niet geslapen en sinds haar lunch van gisteren geen hap gegeten. Toen de eerste zonnestralen verschenen, sloot ze duizelig haar ogen tegen het felle licht en zocht ze wankelend steun tegen een van de auto’s. Het volgende moment zag ze dat Maura en Frost naar buiten waren gekomen en haar kant op kwamen.

‘Als ik jou was, ging ik naar huis,’ zei Maura toen ze bij haar waren.

‘Ja, dat zegt iedereen.’ Jane keek naar de villa. ‘Zijn jullie binnen klaar?’

‘De lijken worden zo dadelijk naar buiten gebracht.’

Frost fronste zijn wenkbrauwen toen Jane zich bukte om schoenbeschermers aan te trekken. ‘Jij kunt beter niet naar binnen gaan,’ zei hij.

‘Ik kom er anders net vandaan.’

‘Dat bedoel ik.’

Hij hoefde verder geen uitleg te geven. Ze begreep wat hij bedoelde. Zij was degene die Mark Mallory had doodgeschoten en het was zo goed als zeker dat de kogel die in Patrick Dions hoofd zat, was afgevuurd met haar pistool. Haar wapen was al meegenomen door de mensen van het forensisch laboratorium en ze miste het vertrouwde gewicht ervan aan haar riem.

De voordeur ging open en de eerste brancard kwam naar buiten. Zwijgend keken ze toe toen hij naar de wachtende lijkwagen van de Forensische Dienst werd geduwd.

‘De oudere man had één kogelwond, in zijn rechterslaap, toegebracht van korte afstand,’ zei Maura.

‘Patrick Dion,’ zei Jane.

‘Ik heb een voorgevoel dat we kruitsporen op zijn rechterhand zullen aantreffen. Doet dat je denken aan een andere plaats delict?’

‘De Red Phoenix,’ zei Jane zachtjes. ‘Wu Weimin.’

‘De conclusie was destijds dat hij zelfmoord had gepleegd.’

‘En tot welke conclusie denk je ditmaal te komen, Maura?’

Maura zuchtte. ‘Er zijn geen getuigen?’

Jane schudde haar hoofd. ‘Bella zegt dat Iris en zij boven waren toen het gebeurde en niets hebben gezien.’

‘Maar er was nog iemand anders in het huis,’ zei Frost. ‘Je zei zelf dat je hem hebt gezien.’

‘Ik weet niet zeker wat ik heb gezien.’ Jane keek naar het grote gazon. Daar had ze vannacht, in het licht van de maan, een donkere schaduw tussen de bomen zien verdwijnen. ‘En ik denk dat ik het ook nooit zal weten.’

Maura draaide zich om toen de brancard met het tweede lijk naar de lijkwagen werd geduwd. ‘Ik kan zeggen dat Patrick Dion de hand aan zichzelf heeft geslagen, maar het lijkt te veel op de situatie in de Red Phoenix, Jane. Het lijkt te veel op een geënsceneerde zelfmoord.’

‘Dat is volgens mij ook de bedoeling. Ik denk dat het een echo moest zijn uit het verleden. Dat de cirkel van de gerechtigheid hiermee is gesloten.’

‘Gerechtigheid telt niet als toedracht.’

Jane keek haar aan. ‘Al zou dat misschien mogelijk moeten zijn.’

‘Frost! Rizzoli!’ Rechercheur Tam zwaaide naar hen onder een groep bomen waar hij samen met een team van de technische recherche stond.

‘Wat is er?’ riep Jane.

‘De speurhond heeft iets geroken!’

De verdwenen meisjes. Er waren er vast nog meer, meisjes die niet op Ingersolls lijst hadden gestaan. Meisjes die als vermist waren opgegeven in de jaren nadat Charlotte Dion was verdwenen. Geen betere plek om lijken te begraven dan op je eigen landgoed, waar niemand je stiekem kon begluren. Toen ze naar de mannen liepen, zag ze dat de hond met wakkere ogen naar haar keek en enthousiast kwispelde. De hond was de enige die verheugd was. De agenten die onder de bomen stonden, keken somber en waren zwijgzaam, omdat ze wisten wat ze naar alle waarschijnlijkheid zouden vinden.

‘De aarde is hier vrij recentelijk omgewoeld,’ zei Tam. Hij wees naar een plek onder de bomen. ‘Er waren wat losse takken overheen gelegd, opdat het niet zou opvallen.’

Een vers graf. Jane keek om zich heen naar het landgoed met de vele bomen en struiken, naar alle plekjes die verborgen lagen in de schaduw van het groen. Het kwaad dat hier had geregeerd was van een niveau dat ze niet kon bevatten. Ze was benieuwd hoeveel lijken er gevonden zouden worden. Hoeveel stille meisjes hier eindelijk zouden spreken. Het vooruitzicht op al dat werk werd haar opeens te veel. Ze was bont en blauw, ze had honger en ze had meer dan genoeg van de dood.

‘Frost, ik laat dit verder aan jou over. Ik ga naar huis,’ zei ze en ze liep dwars over het gazon terug naar de auto’s. Terug naar de zon.

‘Rizzoli.’ Tam kwam achter haar aan. ‘Wat ik je nog wilde vertellen. Ik had zojuist het ziekenhuis aan de lijn. Iris Fang heeft de operatie goed doorstaan en is alweer bijgekomen uit de narcose.’

‘Hoe is het met haar?’

‘Ze was door een kogel in haar dijbeen geraakt en heeft veel bloed verloren, maar de prognose is goed. Ze schijnt een taaie te zijn.’

‘Dat kun je wel zeggen.’

Het licht van de laagstaande zon was erg fel. Tam haalde een zonnebril uit zijn zak en zette hem op. ‘Zal ik naar het ziekenhuis gaan? Om haar verklaring op te nemen?’ vroeg hij.

‘Dat heeft geen haast. En ik heb je hier nodig. Het korps van Brookline heeft gevraagd of we hen kunnen assisteren, dus zijn we hier voorlopig nog wel even bezig.’

‘Je houdt me dus in het team?’

Ze keek door haar wimpers naar hem, want de zon deed pijn aan haar vermoeide ogen. ‘Ja, ik ga aan de commissaris van District A vragen of we je mogen houden tot we hier klaar zijn. Als je tenminste op Moordzaken wilt blijven.’

‘Graag zelfs. Dank je wel,’ zei hij eenvoudig. Toen hij zich omdraaide om naar de anderen terug te keren, zag ze op zijn achterhoofd iets glinsteren in de zon. Tegen zijn gitzwarte haar stak het zilver af als glitter. Een zilvergrijze haar.

‘Tam?’ zei ze.

Hij keek om. ‘Ja?’

Ze keek alleen maar naar hem. Ze had willen zien wat er in zijn ogen te lezen stond, maar in de spiegelende glazen van de zonnebril zag ze alleen zichzelf. Ze herinnerde zich hoe moeiteloos hij door Ingersolls raam naar binnen was geklommen. Ze dacht aan de beveiligingscamera in Knapp Street die wel de onhandige bewegingen had opgenomen waarmee zij en Frost op de brandtrap waren geklommen, maar die Tam niet eens in beeld had gekregen. Misschien ben ik een geest, had hij gegrapt. Geen geest, dacht ze, maar iemand die net zo ongrijpbaar is. Iemand die elke fase van het onderzoek van dichtbij had meegemaakt en precies had geweten wat er was gezegd en wat er was gepland. Ze kon niet zien hoe hij keek, ze kon zijn geheimen niet peilen, maar wist dat hij die had. Ze besloot dat hij ze mocht houden.

Voorlopig.

‘Wilde je me iets vragen, Rizzoli?’

‘Nee, laat maar,’ zei ze. Ze draaide zich om en liep weg.

Het was happy hour in J.P. Doyle’s en de kroeg zat zo vol met politieagenten dat Jane moeite had Korsak te vinden. Pas toen de serveerster haar vertelde dat hij in het restaurantdeel zat, vond ze hem daar, aan een hoektafeltje, met een bord garnalen en een pul bier voor zijn neus.

‘Sorry dat ik zo laat ben,’ zei ze. ‘Hoe is het ermee?’

‘Ik heb alvast iets besteld. Vind je niet erg, hè?’

Ze keek naar de berg gefrituurde garnalen. ‘Doe je niet meer aan de lijn?’

‘Niet zeuren. Na zo’n rotdag heb ik wel iets lekkers verdiend.’ Hij prikte vier garnalen aan zijn vork en stak ze in zijn mond. ‘Wil jij niks eten?’

Ze wenkte de serveerster, bestelde een kleine salade en keek naar Korsak, die weer een portie garnalen opprikte.

‘Is dat alles wat je eet?’ vroeg hij toen haar salade werd geserveerd.

‘Ik eet straks thuis. Ik ben de afgelopen dagen amper thuis geweest.’

‘Ja, ik heb gehoord dat het in Brookline een lekker zootje is. Hoeveel lijken hebben ze inmiddels al opgegraven?’

‘Zes. De skeletten zijn vermoedelijk allemaal van meisjes. Het zal nog maanden duren voordat we het hele terrein hebben afgewerkt. En misschien hadden ze nog meer begraafplaatsen waar we niets van weten. We zijn al begonnen met het huis van Mark Mallory.’

Korsak hief zijn glas op voor een toost. ‘Wat zeggen meiden tegenwoordig? Go, girl!

Ze keek naar zijn met vetvlekken besmeurde overhemd en dacht: Als je zulke mannenborsten hebt, mag je dat zeggen. Ze hief haar glas water op en ze klonken zo hard dat er bier op de nu danig geslonken berg garnalen morste.

‘Het enige wat jammer is,’ zei ze terwijl ze haar vork pakte, ‘is dat ik waarschijnlijk nooit te weten zal komen wie Jane Doe en John Doe heeft vermoord. En dat terwijl deze hele zaak juist is begonnen met de dood van Jane Doe.’

‘Hebben jullie dat zwaard niet gevonden?’

‘Nee, het is spoorloos verdwenen. Vermoedelijk samen met de gedaante die ik tussen de bomen heb zien verdwijnen. En er komt natuurlijk niemand uit zichzelf vertellen dat hij het heeft gedaan, al heb ik wel een idee wie de dader is.’

‘Weet je genoeg om hem achter de tralies te zetten?’

‘Als ik heel eerlijk moet zijn, wil ik hem niet achter de tralies zetten. Weet je, Korsak, om mijn werk goed te kunnen doen moet ik soms doen wat niet juist is.’

Korsak lachte. ‘Laat dokter Isles dat maar niet horen.’

‘Nee, die zou het niet begrijpen.’ Jane knikte instemmend. Maura keek altijd alleen naar feiten, en feiten hadden enkele dagen geleden geleid tot de veroordeling van agent Wayne Graff. Ja of nee, zwart of wit. Voor Maura was de scheidingslijn altijd volkomen duidelijk. Maar hoe langer Jane bij de politie zat, hoe minder zeker ze ervan was waar de grens tussen goed en kwaad precies lag.

Ze prikte in haar sla en stak een vorkvol in haar mond. ‘En hoe is het met jou? Wat wilde je met me bespreken?’

Hij zuchtte en legde zijn vork neer. Er waren niet veel dingen, afgezien van een leeg bord, die Korsak ertoe konden bewegen zijn vork neer te leggen. ‘Je weet dat ik van je moeder houd,’ zei hij.

‘Ja, zover ben ik inmiddels wel.’

‘Ik hou echt van haar. Ze is grappig, intelligent, sexy…’ ‘Genoeg!’ Jane legde nu zelf haar vork neer. ‘Zeg nou maar gewoon wat er is.’

‘Ik wil met haar trouwen.’

‘En ze heeft al ja gezegd. Wat is dus het probleem?’

‘Het probleem is je broer. Hij belt haar wel drie keer per dag om te zeggen dat ze het niet moet doen. Heeft hij zo’n hekel aan mij?’

‘Frankie heeft alleen maar een hekel aan veranderingen, ongeacht op welk gebied.’

‘Maar je moeder is er helemaal door van streek en zit er zelfs over te denken om de bruiloft af te zeggen omdat ze geen ruzie wil met haar zoon.’ Zijn diepe zucht eindigde in een geluid dat verdacht veel op een snik leek. Hij staarde somber naar een peuter die aan een naburig tafeltje in een kinderstoel zat. Het kind begon prompt te huilen. De moeder keek Korsak vuil aan en nam het kind op schoot. Arme Korsak, die kleine kinderen bang maakte omdat die niet wisten dat onder zijn ruwe bolster een hart van goud klopte. Maar Jane’s moeder wist dat wel. En die had zo’n man verdiend.

‘Ik regel het wel met Frankie,’ zei ze. ‘Maak je geen zorgen.’ En als Frankie niet wil horen, dan moet hij maar voelen, dacht ze.

Korsak keek iets minder bedrukt. ‘Echt? Ben jij bereid dat voor mij te doen?’

‘Tuurlijk. Waarom niet?’

‘Ja, weet ik het. Ik had het idee dat jij het zelf ook niet zo leuk vond, van je ma en mij.’

‘Nee, ik vind het best. Ik heb alleen geen behoefte aan intieme details.’ Over de tafel heen gaf ze een vriendelijke stomp tegen zijn arm. ‘Je bent een goeie vent, Korsak. En je maakt mijn moeder gelukkig. Dat is voor mij het enige wat telt.’ Ze stond op. ‘Beter? Mag ik nou naar huis?’

‘Ik hou van haar. Dat weet je.’

‘Ik weet het.’

‘Ik hou ook van jou.’ Hij fronste zijn wenkbrauwen. ‘Maar niet van je broer.’

‘Daar kan ik inkomen.’

Ze liet hem achter met zijn garnalen en liep terug door het drukke café. Toen ze bij de deur was, hoorde ze iemand haar naam roepen.

Het was Buckholz, de gepensioneerde rechercheur die negentien jaar geleden het onderzoek had gedaan naar de verdwijning van Charlotte Dion. Hij zat op zijn vaste plek aan de bar met een glas whisky voor zijn neus. ‘Ik moet je spreken,’ zei hij.

‘Ik wilde net naar huis gaan.’

‘Dan loop ik wel even mee naar je auto.’

‘Kan het niet wachten tot morgen, Hank?’

‘Nee. Ik moet je iets vertellen. Het zit me dwars en ik wil het kwijt.’ Hij dronk zijn glas leeg en zette het met een klap op de tapkast. ‘Laten we naar buiten gaan. Het is me hier veel te rumoerig.’

Buiten liepen ze samen naar het parkeerterrein. Het was een koele lenteavond en het rook naar vochtige aarde. Jane trok de rits van haar jack omhoog en wierp een blik op haar auto. Ze hoopte dat dit gesprek niet al te veel tijd in beslag zou nemen, want ze moest onderweg nog melk kopen.

‘Het gaat over Patrick Dion en Mark Mallory. Jullie hebben het mis,’ zei hij.

‘Hoe bedoel je?’

‘In alle media wordt verteld dat twee rijke kerels vijfentwintig jaar lang meisjes hebben ontvoerd. Het hele land heeft het erover en iedereen vraagt zich af waarom wij het niet hebben gezien. Waarom wij er niks aan hebben gedaan.’

‘Ze hadden het slim aangepakt, Hank. Ze werkten in een laag tempo en zijn niet slordig geworden. Ze wisten wat ze deden.’

‘Patrick Dion had voor een paar van de verdwijningen een alibi.’

‘Omdat ze om beurten meisjes ontvoerden. Sommigen zijn ontvoerd door Mallory, anderen door Dion. We hebben op Dions landgoed al zes lijken gevonden en ik weet zeker dat er nog meer liggen.’

‘Maar niet dat van Charlotte. Ik geef je op een briefje dat jullie haar daar niet zullen vinden.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Omdat ik geen half werk heb geleverd toen ik haar verdwijning onderzocht. Het is inmiddels al negentien jaar geleden, maar ik herinner me alles nog precies. En voor alle zekerheid heb ik gisteravond mijn oude dossier erbij gepakt. Patrick Dion was in Londen op de dag dat Charlotte verdween. Hij is diezelfde avond naar huis gevlogen, meteen nadat hij ervan op de hoogte was gesteld.’

‘Ja, dat klopt. Dat is iets wat makkelijk nagegaan kon worden.’

‘Ja, maar Mark Mallory heeft het ook niet gedaan. Hij kan Charlotte niet ontvoerd hebben, omdat hij net als Patrick een alibi had. Hij was op bezoek bij zijn moeder. Die had het jaar daarvoor een hersenbloeding gehad en lag in een verzorgingstehuis.’

Ze keek hem aan in het verdwijnende daglicht. Buckholz verdedigde zijn eigen onderzoek, dus kon hij onmogelijk objectief zijn. Te oordelen naar zijn grauwe gezicht en zijn sleetse overhemd deed het pensioen hem geen goed. Hij zat dag en nacht in Doyle’s, alsof hij zich alleen daar, met andere agenten om zich heen, prettig voelde. Alsof hij alleen daar nog iets waard was.

Ze besloot dat ze hem het beste een beetje naar de mond kon praten en knikte meelevend. ‘Ik zal het dossier doornemen. Daarna praten we wel verder.’

‘Denk niet dat je me met een kluitje in het riet kunt sturen, Rizzoli. Ik ben altijd een goede rechercheur geweest. Ik heb die jongen heel nauwkeurig onder de loep genomen. Bij een ontvoering zijn de familieleden altijd de eerste verdachten, dus heb ik een nauwgezet onderzoek ingesteld naar haar stiefbroer, in het bijzonder naar wat hij die dag had gedaan. En ik weet heel zeker dat Charlotte niet door Mark Mallory ontvoerd kan zijn.’

‘Omdat hij zei dat hij op bezoek was bij zijn moeder? Hank, je weet dat je hem niet op zijn woord kon geloven. En zijn moeder ook niet. Die zou rustig hebben gelogen om haar kind te beschermen.’

‘Maar een medisch dossier liegt niet.’

‘Wat?’

Hij stak zijn hand in zijn binnenzak en haalde er een opgevouwen vel papier uit, dat hij haar toestak. ‘Dit heb ik uit het ziekenhuisdossier van Barbara Mallory gelicht. Het is een fotokopie van de aantekeningen van de verpleegkundigen. Kijk maar even wat er op 20 april om 13.00 uur staat genoteerd.’

Jane las wat de verpleegkundige indertijd had genoteerd. Bloeddruk 115/80, hartslag 84. Patiënte voelt zich goed. Zoon is hier en heeft ons verzocht zijn moeder naar een rustiger kamer te verhuizen, op grotere afstand van de verpleegstersbalie.

‘Om één uur was Charlotte Dion met haar klas in Faneuil Hall,’ zei Buckholz. ‘De docenten merkten om kwart over een dat ze ontbrak. Nu mag jij me vertellen hoe Mark Mallory, die om één uur ’s middags veertig kilometer bij Boston vandaan in een verzorgingstehuis aan het bed van zijn moeder zat, Charlotte om kwart over een heeft kunnen ontvoeren.’

Jane las nogmaals wat de verpleegkundige had geschreven. De datum en het tijdstip stonden er heel duidelijk bij. Dit kan niet juist zijn, dacht ze.

Maar dat was het wel. Het stond er zwart op wit.

‘Hou dus op met te doen alsof ik indertijd een fout heb gemaakt,’ zei Buckholz. ‘Het is zo klaar als een klontje dat die twee verdachten van jullie Charlotte niet hebben ontvoerd.’

‘Wie dan wel?’ vroeg Jane zachtjes.

‘Daar zullen we waarschijnlijk nooit achterkomen. Ik denk dat het zomaar iemand was, die zijn kans schoon zag en haar heeft gegrepen.’

Zomaar iemand. Een volslagen onbekende dader.

Ze reed naar huis met de fotokopie op de stoel naast haar en vroeg zich af hoe het mogelijk was dat Charlotte, met twee moordenaars in haar familie, door een volslagen vreemde was ontvoerd. Ze zette haar auto op het parkeerterrein voor haar flatgebouw, maar bleef peinzend zitten, nog niet gereed om zich in het lawaai en de chaos van het moederschap te storten. Ze dacht aan wat vaststond: dat Dion en Mallory samen meisjes hadden gestalkt en vermoord. Dat ze minstens zes slachtoffers hadden begraven op Dions landgoed. Had Charlotte haar vaders geheimen ontdekt? Was dat de reden waarom ze zich van haar hadden moeten ontdoen? Hadden ze het laten doen door een derde, opdat Patrick en Mark allebei een waterdicht alibi zouden hebben?

Ze masseerde haar schedel, overweldigd door al deze nieuwe vragen. Weer was Charlotte het middelpunt van het mysterie. Wat had ze geweten en wanneer was ze erachter gekomen? En aan wie had ze het verteld? Ze dacht aan de laatste foto’s van Charlotte, genomen tijdens de begrafenis van haar moeder en stiefvader. Ze herinnerde zich hoe Charlotte tussen haar vader en Mark had gestaan. Omringd door vijanden, zonder aan hen te kunnen ontsnappen.

Jane schoot recht overeind, getroffen door het antwoord dat van het begin af aan duidelijk had moeten zijn.

Misschien was dat haar wél gelukt.