32

De jager heeft het zelden door als hij degene is op wie wordt gejaagd. Hij loopt door het bos met zijn geweer in zijn hand en speurt met wakkere ogen naar pootafdrukken van zijn prooi op de met lichte sneeuw bedekte grond. Hij zoekt naar een spoor of zit roerloos in zijn schuilhut in een boom te wachten tot de beer sjokkend in zicht komt. Het komt geen ogenblik in hem op dat zijn prooi misschien naar hem zit te kijken en geduldig wacht tot hij een fout maakt.

De jager die nu op mij loert, ziet weinig om bang voor te zijn. Op het oog ben ik een doodgewone vrouw van middelbare leeftijd. Mijn haar is doorweven met grijs. Ik loop langzaam, zowel van vermoeidheid als vanwege het gewicht van de tassen die ik draag, gevuld met mijn wekelijkse boodschappen. Ik loop de route die ik op dinsdagavond altijd loop. Ik doe mijn inkopen in de Chinese supermarkt in Beach Street, sla rechtsaf naar Tyler Street en loop zuidwaarts naar Tai Tung Village, de stille wijk waar ik woon. Ik hou mijn hoofd gebogen en mijn schouders gekromd, zodat ieder die me ziet zal denken: Daar loopt een prooi. Niet een vrouw die zal terugvechten. Niet een vrouw voor wie je bang hoeft te zijn.

Maar mijn tegenstander weet inmiddels dat hij op zijn hoede moet zijn, net zoals ik voor hem op mijn hoede ben. We hebben tot nu toe alleen in de schaduwen gespard en nog nooit contact gehad, behalve via zijn tussenpersonen. We zijn twee jagers die nog steeds om elkaar heen draaien en hij moet nu een zet doen. Dan pas, wanneer hij zich in het licht vertoont, zal ik zijn gezicht zien.

Dus loop ik door Tyler Street zoals ik al talloze malen heb gedaan en vraag me af of het vanavond gaat gebeuren. Ik heb me nog nooit zo kwetsbaar gevoeld en weet dat het doek zo dadelijk opgaat voor het volgende bedrijf. De lichtjes van Beach Street en Kneeland Street blijven steeds verder achter me. Ik loop nu door schaduwen, langs donkere portieken en onverlichte stegen. De plastic boodschappentassen maken zachte, schurende geluiden. Men ziet een vermoeide weduwe die zich met haar eigen zaken bemoeit. Maar ik hoor, zie en voel alles wat zich om me heen bevindt, van de mist rondom mij tot het aroma van de koriander en de uien dat opstijgt uit mijn tassen. Niemand begeleidt me. Geen lijfwacht waakt over mij. Vanavond ben ik helemaal alleen, een schietschijf die wacht op de eerste pijl.

Als ik mijn huis nader, zie ik dat het licht in de portiek niet brandt. Opzettelijke sabotage of alleen maar een doorgebrand peertje? Mijn zenuwen gieren van angst en mijn hartslag versnelt om bloed naar de spieren te voeren die zich al spannen voor het gevecht. Dan zie ik de geparkeerde auto en de man die uitstapt om me te begroeten, en ik adem uit in een lange zucht van opluchting en ergernis.

‘Mevrouw Fang, ik zou u graag even willen spreken,’ zegt rechercheur Frost.

Ik blijf staan bij de traptreden naar mijn portiek, met de zware tassen nog in mijn handen, en kijk hem aan zonder te glimlachen. ‘Ik ben moe en heb u niets te zeggen.’

‘Laat me u in elk geval met die tassen helpen,’ biedt hij aan en voordat ik er iets tegen kan doen, grist hij de tassen uit mijn handen en draagt ze het trapje op naar de portiek. Daar wacht hij tot ik de deur zal ontsluiten. Hij kijkt zo serieus dat ik het niet over mijn hart kan verkrijgen zijn aanbod af te slaan.

Ik maak de deur open en laat hem binnen.

Terwijl ik hier en daar het licht aandoe, draagt hij de tassen naar de keuken en zet ze op het aanrecht. Met zijn handen in zijn zakken kijkt hij toe als ik de geurige kruiden en verse groenten in de koelkast leg, en de bakolie, het keukenpapier en de blikjes kippensoep in de kastjes opberg.

‘Ik wil u mijn verontschuldigingen aanbieden,’ zegt hij. ‘En het uitleggen.’

‘Uitleggen?’ vraag ik op een toon alsof het me niet interesseert.

‘Over het zwaard, en waarom we het hebben meegenomen. Als je een moord probeert op te lossen, moet je alle mogelijkheden onderzoeken. Je moet verschillende wegen bewandelen om je doel te bereiken. Het wapen dat we zoeken is een antiek zwaard en ik wist dat u er zo een bezit.’

Ik doe het laatste kastje dicht en draai me naar hem om. ‘U weet inmiddels ook dat u het mis had.’

Hij knikt. ‘U krijgt uw zwaard terug.’

‘En wanneer wordt Bella vrijgelaten?’

‘Dat is iets ingewikkelder. We zijn nog bezig haar achtergrond uit te pluizen. Ik had gehoopt dat u ons daarbij kon helpen, omdat u haar zo goed kent.’

Ik schud mijn hoofd. ‘Na ons vorige gesprek was ik opeens een verdachte en werd er een erfstuk geconfisqueerd.’

‘Dat was echt niet mijn bedoeling.’

‘Maar u bent vóór alles een politieman.’

‘Wat had u verwacht dat ik zou zijn?’

‘Dat weet ik niet. Een vriend?’

Daar heeft hij niet van terug. In het kille licht van de keuken lijkt hij ouder dan hij is. Niettemin is hij een jonge man, jong genoeg om mijn zoon te kunnen zijn. Ik wil er niet aan denken hoeveel jaren het harde licht aan mijn eigen gezicht toevoegt.

‘Ik zou graag een vriend willen zijn,’ zegt hij. ‘Als…’

‘Als ik geen verdachte was.’

‘In mijn ogen bent u dat niet.’

‘Dan doet u uw werk niet naar behoren. Ik zou die moordenaar kunnen zijn die jullie zoeken. Kunt u het zich voorstellen? Kunt u zich voorstellen hoe ik, een vrouw van midden vijftig, zwaaiend met een zwaard over daken ren en vijanden afmaak?’ Ik lach hem uit en hij krijgt een kleur alsof ik hem een klap in zijn gezicht heb gegeven. ‘Misschien moet u mijn huis doorzoeken. Misschien heb ik ergens nog een zwaard liggen, een wapen waarvan u niet eens wist dat ik het had.’

‘Mevrouw Fang… Iris…’

‘Gaat u nu aan uw collega’s doorgeven dat de verdachte boos en onwillig is geworden? Dat u haar zelfs met uw charmes niet meer kunt overhalen nog meer informatie prijs te geven?’

‘Daar ben ik helemaal niet voor gekomen! En die avond in dat restaurant was het niet mijn bedoeling u uit te horen.’

‘Wat was dan uw bedoeling?’

‘U beter te leren kennen. Wie u bent, wat u denkt.’

‘Waarom?’

‘Omdat u en ik…’ Hij slaakt een diepe zucht. ‘Omdat ik het gevoel had dat we allebei wel een vriend konden gebruiken. Ik in elk geval.’

Ik staar naar hem. Hij kijkt me niet aan. Zijn blik is gericht op een punt achter me, alsof hij het niet aandurft om me in de ogen te kijken. Niet omdat hij onoprecht is, maar omdat hij kwetsbaar is. Hij is dan wel een politieman, maar hij is bang voor hoe ik over hem denk. Ik heb hem nu niets te bieden, geen troost, geen vriendschap, niet eens mijn hand op zijn arm.

‘U hebt behoefte aan vrienden van uw eigen leeftijd,’ zeg ik bedaard. ‘Niet aan iemand als ik.’

‘Ik vind uw leeftijd niet belangrijk.’

‘Ik wel. Ik voel hem ook,’ zeg ik en ik masseer een denkbeeldig pijntje in mijn nek. ‘Evenals mijn ziekte.’

‘Ik zie een vrouw die nooit oud zal worden.’

‘Vertel me dat over twintig jaar nog maar eens.’

Hij glimlacht. ‘Wie weet.’

Een ogenblik trillen onuitgesproken woorden tussen ons, gevoelens waar we allebei verlegen mee zijn. Hij is een goed mens; ik zie het aan zijn ogen. Maar het zou belachelijk zijn om te denken dat wij ooit meer zouden kunnen zijn dan oppervlakkige kennissen. Niet omdat ik bijna twee decennia ouder ben dan hij, hoewel dat op zich een groot struikelblok is, maar vanwege de geheimen die ik nooit met hem kan delen, geheimen waardoor we aan twee verschillende kanten van een kloof staan.

Als ik met hem meeloop naar de deur zegt hij: ‘Morgen kom ik het zwaard terugbrengen.’

‘En Bella?’

‘De kans is groot dat ze morgenochtend wordt vrijgelaten. Zonder bewijsmateriaal kunnen we haar niet eeuwig vasthouden.’

‘Ze heeft niets gedaan.’

Op de drempel van de buitendeur blijft hij staan. Hij kijkt me recht in de ogen en zegt: ‘Het is niet altijd duidelijk of de dingen die men doet goed of fout zijn.’

Ik staar hem aan en denk: Is het mogelijk dat hij het weet? Geeft hij me toestemming voor wat ik ga doen? Hij glimlacht alleen maar en loopt weg.

Ik doe de deur achter hem op slot. Ik ben door het gesprek uit mijn evenwicht geraakt en heb moeite me te concentreren. Wat moet je met zo’n man, vraag ik me af als ik de trap op loop om me om te kleden. Weer herinnerde hij me aan mijn echtgenoot. Zijn goedheid, zijn geduld. Zijn ruimdenkendheid, altijd bereid nieuwe mogelijkheden te bekijken. Ben ik een ijdele dwaas dat ik over zo’n onwaarschijnlijke vriendschap mijmer? Ik ben afgeleid, nog bezig met het gesprek, en let daardoor niet op de aanwijzingen waardoor ik gewaarschuwd had moeten zijn. De trillingen in de lucht. De vage geur van een onbekende huid. Pas als ik op de schakelaar druk om het licht in mijn slaapkamer aan te doen en er niets gebeurt, besef ik dat ik niet alleen ben.

De deur van de slaapkamer slaat achter me dicht. In het donker zie ik de slag niet die op mijn hoofd gericht is, maar mijn instincten komen onmiddellijk tot leven. Er zoeft iets over me heen als ik me vliegensvlug buk en naar het bed duik, waaronder mijn zwaard verstopt zit. Niet de vervalsing die ik als lokaas voor de politie gereed had, maar de echte Zheng Yi. Vijf eeuwen is het overgedragen van moeder op dochter, een erfenis bedoeld om ons te beschermen en te verdedigen.

Nu heb ik het harder nodig dan ooit.

Mijn belager springt op me af, maar ik glijd over de vloer als water. Ik reik onder het bed naar de holte waarin Zheng Yi verborgen zit. Het heft past in mijn hand als een oude vriend. De kling maakt een muzikaal geluid als hij uit de schede glijdt.

Met een vloeiende beweging spring ik overeind en draai me om naar de vijand. Het kraken van de vloer verraadt zijn positie, rechts van mij. Als ik mijn gewicht verleg voor de aanval, hoor ik de voetstap. Achter me.

Ze zijn met z’n tweeën.

Dat is mijn laatste gedachte voordat ik neerval.