29

Jane wachtte tot ze de straat uit waren gelopen naar de plek waar hun auto’s stonden voordat ze doctor Cherry begon te ondervragen. ‘Bent u er absoluut zeker van dat dit niet het moordwapen is?’

‘Breng het gerust naar het forensisch laboratorium om het te laten onderzoeken, als u me niet gelooft,’ antwoordde hij.

‘We zijn op zoek naar een antiek Chinees zwaard en zij heeft er heel toevallig een.’

‘Het zwaard dat u in beslag hebt genomen is niet het zwaard dat u zoekt. Het is waar dat het snijvlak van de kling kleine oneffenheden en littekens heeft die erop wijzen dat het daadwerkelijk is gebruikt, maar de etsen en bloedgroeven zijn te diep. Bovendien lijkt het handvat het originele exemplaar. Een houten handvat uit de Ming-dynastie kan na honderden jaren onmogelijk in zo’n goede conditie verkeren.’

‘Is dit zwaard dan niet oud?’

‘Het is ontegenzeglijk vakkundig vervaardigd en het heeft de zwaarte en balans van een zwaard uit de Ming-dynastie, maar het is niet meer dan een goede replica. Het is op zijn hoogst vijftig tot vijfenzeventig jaar oud.’

‘Waarom hebt u daar niets over gezegd toen we binnen waren?’

‘Omdat het duidelijk is dat zij gelooft dat het echt is. Zij gelooft dat het een erfstuk is dat al generaties lang in haar familie van moeder op dochter is vererfd. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen haar die illusie te ontnemen, juist omdat die voor haar zoveel betekent.’ Hij keek naar de paifangpoort. Het was laat op de middag. De eerste restaurantbezoekers drentelden Chinatown binnen, slenterden door de smalle straten, bekeken de menu’s in de vitrines. Doctor Cherry keek met een trieste blik naar hen. ‘In het museum waar ik werk, krijg ik vaak van particulieren het verzoek een erfstuk te taxeren,’ zei hij. ‘De mensen komen met allerlei spullen die ze op zolder hadden liggen. Vazen, schilderijen, muziekinstrumenten. Voorwerpen waaraan mysterieuze verhalen zijn verbonden. Bijna altijd is mijn beoordeling voor hen een teleurstelling, omdat ze me geen kostbaarheden brengen, maar waardeloze replica’s. Daardoor worden die mensen gedwongen vraagtekens te zetten bij alles wat hun is verteld. Hun persoonlijke mythes worden erdoor vernietigd. Ik vind het altijd vreselijk als ik dat moet doen. Ieder mens wil graag geloven dat hij bijzonder is. Hij wil geloven dat zijn familie een uniek verhaal te vertellen heeft en dat het bewijs daarvan oma’s antieke ring of opa’s oude viool is. Waarom moet hij gedwongen worden de naakte waarheid te horen, namelijk dat de meesten van ons maar heel gewone mensen zijn? Dat de erfstukken waar we zo op gesteld zijn, bijna altijd namaak zijn?’

‘Mevrouw Fang denkt dat ze een afstammeling is van krijgsvrouwen,’ zei Frost. ‘Is ook dat volgens u een mythe?’

‘Ik denk dat haar ouders haar dat hebben wijsgemaakt. En dat ze haar het zwaard hebben gegeven als bewijs.’

‘Dus het is niet waar. Van generaal Washi.’

‘Alles is mogelijk, rechercheur Frost. U kunt een afstammeling zijn van Koning Arthur of Willem de Veroveraar. Als u dat belangrijk vindt, als u daarmee het dagelijks leven beter aankunt, moet u het vooral blijven geloven. Want familiemythes hebben voor ons veel meer betekenis dan de waarheid. Familiemythes helpen ons om te gaan met het feit dat ons leven volkomen onbeduidend is.’

Jane snoof. ‘De enige mythe in mijn familie gaat over hoeveel glazen bier oom Lou in één avond kon drinken.’

‘Ik waag te betwijfelen dat dit de enige mythe is die u hebt gehoord,’ zei doctor Cherry.

‘U hebt gelijk. Ik heb ook gehoord dat mijn overgrootmoeder alle gasten op een bruiloft voedselvergiftiging heeft bezorgd.’

Doctor Cherry glimlachte. ‘Ik heb het over helden. Er moet er minstens één in uw familie zijn. Denk er eens over na, rechercheur Rizzoli. Ga bij uzelf na hoe belangrijk die helden zijn voor de manier waarop u uzelf ziet.’

Jane dacht daarover na toen ze naar huis reed, maar de opvallende personen in haar familie die als eerste in haar hoofd opkwamen, waren degenen die domme streken hadden uitgehaald. Een neef die had geprobeerd te bewijzen dat de kerstman echt op de traditionele manier een huis kon binnenkomen, met het gevolg dat de hele schoorsteen van zijn moeder afgebroken had moeten worden. De oom die op een oudejaarsfeestje zelfgemaakt vuurwerk had afgestoken en later met nog maar zeven vingers uit het ziekenhuis was ontslagen.

Maar ze herinnerde zich ook verhalen over stille waardigheid, over een oudtante die een non was in Afrika. En een andere oudtante die in Italië tijdens de Tweede Wereldoorlog maar had moeten zien hoe ze de monden van haar acht kinderen gevuld hield. Ook zij waren heldinnen, maar van een minder spectaculaire soort. Doodgewone vrouwen die volharding hadden getoond, al leek hun verhaal in geen enkel opzicht op dat van Iris Fangs legendarische voorouder die met twee zwaarden had gevochten en het commando had gevoerd over duizenden soldaten. Dat leek trouwens meer op een fabel, net zo onwaarschijnlijk als het verhaal over Soen Woekong, de Apenkoning, die onschuldigen beschermde en de strijd aanbond tegen demonen en riviermonsters. Iris leefde in net zo’n sprookjeswereld, waar een eenzame weduwe kon geloven dat ze een master in de zwaardkunst was en dat het bloed van beroemde krijgsvrouwen door haar aderen stroomde. En wie kon het haar kwalijk nemen dat ze zich vastklampte aan dergelijke fantasieën? Ze was ongeneeslijk ziek. Ze had haar man en haar dochter verloren. Droomde ze, in haar eentje in haar trieste huis met de trieste meubels, over slagvelden en glorie? Zou ik niet hetzelfde doen?

Toen ze remde voor een verkeerslicht ging haar mobieltje. Ze nam op zonder te kijken wie het was. Een woedende stem knalde in haar oor.

‘Had je me niet even kunnen bellen?’ Het was haar broer Frankie. ‘Dit gaat dus mooi niet door, hè.’

Ze zuchtte. ‘Ik neem aan dat je mams verloving bedoelt?’

‘Waarom moest ik dat van Mike horen?’

‘Ik was van plan je te bellen, maar ik had het nogal druk.’

‘Ze gaat niet met die vent trouwen! Doe er iets aan.’

‘Wat zou ik eraan moeten doen?’

‘Jezus, Jane. Ze is nog getrouwd!’

‘Ja, met een man die haar in de steek heeft gelaten voor een dom blondje.’

‘Zo mag je niet over je vader praten.’

‘Het is toch zo?’

‘Ja, maar dat gaat wel over. Pa komt heus wel weer thuis. Zodra hij over deze bevlieging heen is.’

‘Dat moet je tegen ma zeggen. Dan krijg je vanzelf wel te horen wat zij daarvan vindt.’

‘Ik snap jou niet, Jane. Hoe kun jij dit goedvinden? We zijn Rizzoli’s. De familie gaat vóór alles. En wat weten we eigenlijk over die Korsak?’

‘Schei uit, zeg. Je weet best dat het een goeie vent is.’

‘Een goeie vent? Wat bedoel je daarmee?’

‘Hij is een fatsoenlijk mens. En een prima politieman.’ Ze zweeg toen ze besefte dat ze de man zat te verdedigen die ze zelf ook niet echt als stiefvader had gewild. Maar alles wat ze over Korsak had gezegd, was waar. Hij was een fatsoenlijk mens. En hij was een man op wie je altijd kon rekenen. Hij was in feite geen slechte partij.

‘En jij vindt het helemaal niet erg dat hij met ma het bed in duikt?’ vroeg Frankie.

‘Vind jij het erg dat pa met het domme blondje het bed in duikt?’

‘Dat is wat anders. Pa is een man.’

Nu werd ze kwaad. ‘Dus pa mag wel en ma niet?’ vroeg ze fel.

‘Jane! We hebben het over onze moeder.’

Het licht sprong op groen. Toen ze optrok, zei ze: ‘Ma is nog springlevend, Frankie. Ze ziet er goed uit, ze houdt van plezier maken en ze verdient een tweede kans op liefde. In plaats van je over haar op te winden, zou je met pa moeten gaan praten. Hij is er de oorzaak van waarom ze het überhaupt met Korsak heeft aangelegd.’

‘Ik ga ook met pa praten. Het is hoog tijd dat hij hier iets aan doet.’ Frankie hing op.

Dat hij hier iets aan doet? Hij was juist de oorzaak van de hele situatie.

Ze gooide het telefoontje op de passagiersstoel en begon zich af te vragen hoe haar vader op het nieuws zou reageren en zich kwaad te maken dat dit alweer iets was waar ze zich zorgen over kon gaan zitten maken, nóg een bal die ze in de lucht moest zien te houden, terwijl ze al met zoveel ballen jongleerde.

Het mobieltje begon weer te rinkelen.

Ze stopte abrupt langs de kant van de weg om op te nemen. ‘Ik heb hier geen tijd voor, Frankie,’ snauwde ze.

‘Wie de fuck is Frankie?’ blafte iemand terug. ‘Luister goed, Rizzoli. Ik ben die hele Red Phoenix goed zat en ik wil dat je zorgt dat het ophoudt.’ Ze herkende Kevin Donohues zware, raspende stem onmiddellijk. Evenals zijn aangename vocabulaire.

‘Ik heb geen idee waar u het over hebt, meneer Donohue,’ zei ze.

‘Ik heb er vanmiddag alweer een gekregen. Ditmaal zat hij onder mijn ruitenwisser. Het gore lef van die lui om mijn auto aan te raken!’

‘Waar hebt u er weer een van gekregen?’

‘Van Joey’s overlijdensbericht. “Hield van basketbal en kleiduiven schieten, laat een liefhebbende moeder en zuster achter, blabla.” En op de achterkant staat weer iets geschreven.’

‘Wat dan?’

‘“Het komt je halen.”’

‘En vindt u dat we dat serieus moeten opvatten?’

‘Vind jij dan van niet? Er zijn al twee mensen aan stukken gehakt door een of andere aap.’

‘Een aap? Wat bedoelt u?’ vroeg ze effen.

‘O, is dat iets wat ik niet zou mogen weten?’

‘Die informatie is niet openbaar gemaakt.’

‘Voor mij hoeft er ook niets openbaar gemaakt te worden. Niet als het leven van deze belastingbetaler wordt bedreigd.’

Hij heeft dus inderdaad iemand die informatie over ons onderzoek naar hem doorsluist, dacht ze. Hij heeft een verklikker binnen het politiekorps. Ze zou niet zo verbaasd moeten zijn. Een man die zoveel macht had als Donohue kon overal ogen en oren kopen, ook op het gemeentehuis en het hoofdbureau van politie.

‘Doe je werk, Rizzoli,’ zei Donohue. ‘Het is jouw taak het publiek te dienen en te beschermen, weet je nog wel?’

Ja, al is het jammer dat ik ook uitschot zoals jij moet beschermen. Ze haalde diep adem en slaagde erin beleefd te klinken: ‘Ik zal dat briefje moeten laten onderzoeken. Waar bent u?’

‘In mijn pakhuis op Jeffries Point. Maar ik heb niet de hele avond de tijd, dus schiet een beetje op.’