31

‘Donohue is een hufter,’ zei Tam. ‘Wat mij betreft, mag dat ding hem te grazen nemen. Hem en de rest van dat tuig.’

Het ding. Ze hadden geen andere benaming voor wat het ook was dat gisteravond op het dak van het pakhuis had gezeten. Niemand had zijn gezicht gezien of zijn stem gehoord. Ze hadden er alleen maar glimpen van opgevangen, altijd in het donker, wanneer het weinig meer was dan een schaduw tussen schaduwen. In de strijd tussen goed en kwaad had het ding duidelijk partij gekozen. Het had al twee huurmoordenaars gedood. En nu had het Donohue in zijn vizier.

En het heeft mij gespaard, dacht Jane. Hoe weet het dat ik een van de ‘good guys’ ben?

‘Wat het ook is,’ zei Frost, ‘het weet uit het zicht van beveiligingscamera’s te blijven.’

De drie rechercheurs hadden de hele ochtend in de vergaderkamer opnamen bekeken van de beveiligingscamera’s van Jeffries Point, waar Donohues pakhuis stond. Nu was de beurt aan de video van een van Donohues camera’s, die gericht was op het parkeerterrein. Jane zag zichzelf het terrein op rijden en in de smalle ruimte naast Donohues Mercedes parkeren.

‘Lachen! Je bent in beeld!’ zei Frost.

Op de video stapte Jane uit haar auto, bleef even staan en keek omhoog, alsof ze de geur van de wind opsnoof. Zit mijn haar altijd zo slordig? dacht ze geschrokken. En sta ik echt zo krom? Ik mag wel eens om mijn houding denken. Rechtop staan en mijn buik intrekken.

Nu verscheen Sean, de lijfwacht van Donohue, in beeld en zag je hen het gesprek voeren over Jane’s wapen, Sean die probeerde haar te intimideren, Jane die uitdagend haar schouders naar achteren trok.

‘Waarom heb je een van ons eigenlijk niet meegenomen?’ vroeg Tam.

‘Ik ging alleen maar dat briefje halen. Het was niks bijzonders.’

‘Maar achteraf gezien had je ons goed kunnen gebruiken.’

Op het scherm gingen Jane en de lijfwacht het pakhuis binnen en toen gebeurde er buiten niets meer. Er bewoog zich niets, er veranderde niets, je zag alleen af en toe de gloed van de koplampen van een voorbijrijdende auto. Frost liet de band vijf minuten versneld doorlopen. Tien minuten. Opeens flikkerde het beeld en toen werd het scherm zwart.

‘En dat was dat,’ zei Frost. ‘Bij de andere drie camera’s is het hetzelfde liedje. De stroom valt uit, weg plaatje.’

‘Er zijn dus geen beelden van het ding,’ zei Tam.

‘Niet op Donohues films.’

‘Het is toch niet onzichtbaar?’

‘Misschien is het gewoon slim.’ Frost zette foto’s van de buitenkant van het pakhuis op het scherm. ‘Ik heb vanochtend deze foto’s van het pakhuis genomen. De camera’s aan de muren zijn voor iedereen zichtbaar. Zoals verwacht zijn ze gericht op de deuren en het laadperron. Maar de achterkant van het gebouw bestaat uit één grote, blinde muur en die heeft dan ook geen camerabeveiliging. En het dak ook niet.’ Hij keek Jane aan. ‘Het is dus mogelijk om buiten het zicht van de camera’s in of op dat gebouw te komen. En dus hoeft het ding geen bovennatuurlijk wezen te zijn.’

‘Daar leek het gisteravond anders veel op,’ zei Jane. Huiverend dacht ze terug aan het griezelige gekraak en gepiep van de heen en weer zwaaiende vleeshaken. ‘Donohue heeft een duur beveiligingssysteem, twee lijfwachten en is tot de tanden gewapend, maar hij heeft geen idee hoe hij zich tegen dit ongrijpbare wezen moet beschermen en doet het in zijn broek van angst.’

‘Maar waarom maken wij ons daar druk om?’ vroeg Tam. ‘Als dat ding ons werk voor ons wil doen, als het zo graag allerlei schorem wil opruimen, dan mag dat van mij.’

Jane zat naar de foto’s van Donohues pakhuis te staren. ‘Eerlijk gezegd heb ik moeite daar iets tegen in te brengen. Dat ding heeft mijn leven gered. Ik wil alleen weten hoe het in het gebouw heeft weten te komen. Ik was daar nota bene zelf en toch heb ik het pas op het allerlaatste moment gezien. Toen het me toestond het te zien. Toen het op het dak bleef zitten tot Donohues lijfwacht het ook had gezien.’

‘Ja, waarom zou het dat gedaan hebben?’ vroeg Frost.

‘Om te bewijzen dat het bestaat? Om Donohue nog meer angst aan te jagen? Hem te laten zien dat het hem te grazen kan nemen wanneer het maar wil?’

‘Waarom heeft het dat dan niet gedaan? Donohue is nog springlevend.’

‘En doodsbang,’ zei Jane. ‘Het gekke is dat ik er niet bang meer voor ben. Ik weet nu dat het een bepaald doel voor ogen heeft. Ik wil alleen graag weten hoe het doet wat het doet.’ Ze keek Tam aan. ‘Wat weet jij over wushu?’

Hij zuchtte. ‘Uiteraard wordt de Aziatische jongen uitgekozen om antwoord te geven op die vraag.’

‘Niet zeuren. Het is logisch dat ik het aan jou vraag. Jij zegt veel te weten over Chinese volksverhalen.’

‘Nou ja,’ zei hij, ‘alleen die mijn oma me heeft verteld.’

‘Donohue denkt dat ninja’s het op hem voorzien hebben. Ik heb gisteravond het een en ander over ninja’s zitten lezen en weet nu dat hun technieken van oorsprong Chinees zijn. Donohue zegt dat ze van jongs af aan worden opgeleid tot moordenaars en dat geen enkele vorm van bewaking tegen hen bestand is.’

‘Ieder weldenkend mens weet dat de helft daarvan verzonnen is.’

‘Ja, maar welke helft?’

‘De helft die je in Crouching Tiger, Hidden Dragon ziet.’

‘Dat vond ik een mooie film,’ zei Frost.

‘Maar geloofde je echt dat krijgers door de lucht kunnen vliegen en in boomtoppen vechten? Natuurlijk niet. Want dat zijn sprookjes. Net als de verhalen van mijn oma over monniken die op water kunnen lopen. En over onsterfelijke wezens die uit de hemel neerdalen en zich onder de mensen begeven.’

‘Maar legenden bevatten vaak een kern van waarheid,’ zei Jane. ‘Zo zijn er in China echt strijdende monniken geweest.’

‘Ja, oké, dat deel is vermoedelijk waar,’ zei Tam. ‘Er zijn vechtende monniken geweest, uit het Shaolinklooster in de bergen. Ze werden geroemd om hun vechttechnieken nadat ze de keizer hadden verdedigd tegen opstandelingen. Maar wushu bestond al lang voor hun tijd. Die krijgskunst is duizenden jaren oud, zo oud dat niemand de oorsprong en ontwikkeling ervan precies kent. Door de eeuwen heen zijn de verhalen echter hoe langer hoe buitenissiger geworden. Daardoor komt het dat men uiteindelijk is gaan denken dat wushukrijgers een soort geesten zijn. Dat ze niet gedood kunnen worden.’

‘Na wat er gisteravond is gebeurd, durf ik dat bijna te geloven,’ zei Jane.

‘Doe niet zo raar.’

‘Jij was er niet bij. Je hebt het niet gezien.’

‘Ik zou ook bijna geloven dat het om een spook gaat,’ zei Frost, die inmiddels een andere opname zat te bekijken. ‘Ik heb de video’s van alle camera’s rond het pakhuis bekeken en tot nu toe zelfs geen glimp van het ding opgevangen. Het weet steeds de blinde hoek te benutten.’ Hij wees naar het scherm. ‘De camera waarmee dit is gefilmd zit pal tegenover Donohues pakhuis, aan de overkant van de straat. Hij stond al die tijd aan, maar heeft niets geregistreerd.’

‘Als het ding van vlees en bloed is, zal het uiteindelijk ergens te zien moeten zijn,’ zei Jane.

Frost klikte naar een andere film. ‘Deze camera zit aan het eind van de straat, bijna op de hoek van Summer Street.’ Hij klikte op PLAY. Ze zagen een steeg die aan het einde was afgesloten met een rasterhek. Minuten verstreken zonder dat zich iets bewoog of dat er iets veranderde. ‘Ook hier is niets te zien.’

Jane gaf Frost een meelevend schouderklopje en stond op. ‘Sterkte ermee. Bel maar als je iets ontdekt.’

Ze was bijna de deur uit toen ze Frost een onderdrukte kreet hoorde slaken. Ze draaide zich om. ‘Wat is er?’

‘Ik weet het niet. Het ging zo snel.’

‘Ik heb niks gezien,’ zei Tam.

Jane liep terug naar de tafel en keek naar het scherm toen Frost de film een stukje terugdraaide en weer op PLAY klikte. Hetzelfde saaie beeld verscheen. Dezelfde slecht verlichte steeg met aan het eind het rasterhek.

‘Daar heb je het!’ zei Frost.

De gedaante leek uit de duisternis te ontstaan. Met zijn rug naar de camera snelde hij als een schim door de steeg. Met één sprong zat hij boven op het hek en landde gehurkt aan de andere kant. Heel even bleef hij zitten, toen richtte hij zich op tot zijn volle lengte.

Frost zette de film stil.

De gedaante was van top tot teen in het zwart gekleed. Ze konden geen gezicht onderscheiden, maar zagen een silhouet met een slanke taille en de onmiskenbare ronding van heupen.

‘Het is een vrouw,’ zei Frost.

Gekleed in een laagvallende spijkerbroek, hoge laarzen en een zwart leren jack liep Bella Li het hoofdbureau van het Boston PD op Schroeder Plaza binnen. Bij de metaaldetector trok ze met trage bewegingen haar jack uit, een striptease voor alle agenten die naar haar staarden. Haar nauwsluitende T-shirt kleefde aan haar bh-loze borsten. Ze glimlachte fijntjes om hun starende blikken en liep heupwiegend het poortje door naar Jane, die op haar stond te wachten.

‘Ik wist niet dat ik door zo’n poortje moest,’ zei Bella.

‘Dat moet iedereen. Zelfs de burgemeester.’ Jane wees naar de lift. ‘We gaan naar boven.’

In de lift stond Bella er nonchalant bij, met haar leren jack aan één vinger over haar schouder geslagen. Haar korte haar piekte recht overeind, als de pels van een nijdige kat die op het punt stond toe te slaan. Dit is een van de weinige vrouwen die mij waarschijnlijk kan vloeren, dacht Jane. Bella was niet groot maar één en al spier en zo lenig als een panter. Terwijl Jane haar stond te bekijken dacht ze: Ben jij het wezen dat ik op het dak heb gezien? Ben jij het wezen dat mij in die steeg van de dood heeft gered?

Op de tweede etage bracht ze Bella naar de verhoorkamer. ‘Ga zitten. Ik ga even tegen rechercheur Frost zeggen dat je er bent.’ Ze liet de jonge vrouw in haar eentje achter.

Ze liep naar de kamer ernaast waar Frost voor de ruit van de confrontatiespiegel naar Bella stond te kijken. Hun gast zag er allesbehalve nerveus uit. Ze zat onderuitgezakt op haar stoel met haar voeten op de tafel en staarde met haar hoofd achterover naar het plafond. Ze keek verveeld.

‘Heeft ze in de lift nog iets interessants gezegd?’ vroeg Frost.

Jane schudde haar hoofd. ‘Ze heeft niet eens gevraagd waarom we haar hebben laten komen.’

‘Dat is op zich interessant. Denk je dat ze weet dat wij het weten?’

‘Ik denk dat ze ons wil laten zien dat het haar koud laat.’

In de aangrenzende kamer keek Bella naar de spiegel en trok één wenkbrauw op, waarmee ze duidelijk zei: Komt er nog wat van?

Jane slaakte een zucht. ‘Zullen we haar de duimschroeven gaan aanleggen?’

Toen Jane en Frost binnenkwamen zwaaide Bella haar voeten van de tafel, maar bleef onderuitgezakt zitten met haar armen over elkaar geslagen. Jane’s vragen beantwoordde ze op een monotone toon. Het verhoor begon met bedrieglijk eenvoudige vragen: Naam? Bella Li. Geboortedatum? 18 mei. Beroep? Lerares martial arts. Bella slaakte een zucht, een toonbeeld van onverschilligheid. Maar bij de volgende vraag bespeurde Jane een lichte zenuwtrekking in de spieren van haar onderarm.

‘Waar was je gisteravond tussen zes en negen uur?’

Bella haalde haar schouders op. ‘Thuis.’

‘Was er iemand bij je?’

‘Waarom wilt u dat weten?’

‘Daarom.’

‘Mijn liefdesleven is míjn zaak. Ik zie niet in waarom ik namen zou moeten noemen.’

‘Er was dus iemand bij je?’ vroeg Frost. ‘Hoe heet hij?’

‘Waarom denkt u automatisch dat ik in mannen geïnteresseerd ben? Denkt u echt dat een vrouw niet iets beters kan vinden?’ Ze glimlachte uitdagend naar Jane.

Jane zuchtte. ‘Oké, wat is haar naam?’

Bella keek naar haar handen, bestudeerde haar kort geknipte nagels. ‘Er was niemand bij me. Ik was in mijn eentje thuis.’

‘Dat had je dan ook wel meteen kunnen zeggen.’

‘En u had me ook wel meteen kunnen vertellen waarom ik hierheen moest komen.’

‘Je was dus thuis. In je eentje. Heb je je woning gedurende de genoemde tijd verlaten?’

‘Dat zou ik niet meer weten.’

‘Misschien schiet het je te binnen als we je een foto laten zien.’

‘Wat voor foto?’

‘Een foto uit opnamen van een beveiligingscamera op Jeffries Point,’ zei Frost. ‘Je weet beveiligingscamera’s slim te ontwijken, Bella, maar je hebt er eentje over het hoofd gezien.’

Ditmaal had Bella geen antwoord klaar, hoewel de uitdrukking op haar gezicht niet veranderde en haar ogen zo onverstoorbaar bleven als bosvijvers.

‘We weten dat jij het bent, Bella,’ loog Jane. Ze leunde naar voren en zag de pupillen van het meisje krimpen, een veelzeggende reflex. Bella bleef uiterlijk kalm, maar haar vecht-of-vluchtinstinct stond op scherp. ‘We weten dat je in het pakhuis was. De vraag is waarom.’

Het meisje lachte, een indrukwekkend vertoon van stalen zenuwen voor iemand die zich danig in het nauw gebracht moest voelen. ‘Misschien wilt u mij dat vertellen. U weet alles toch al?’

‘Je bent erheen gegaan om Kevin Donohue bang te maken.’

‘O ja?’

‘Eerst heb je een dreigbrief onder zijn ruitenwisser gelegd. Toen heb je in zijn pakhuis ingebroken. Je hebt zijn alarmsysteem onklaar gemaakt en zijn telefoonkabel doorgesneden.’

‘En dat heb ik allemaal in mijn dooie eentje gedaan?’

‘Je bent jarenlang getraind in martial arts. Je hebt les gehad op een van de beste scholen ter wereld, in Taiwan.’ Jane gooide een map op de tafel. ‘Het dossier van je reizen van de afgelopen vijf jaar.’

Bella hield haar hoofd schuin. ‘Heb ik een dossier?’

‘Nu wel.’

Bella deed de map open en bladerde erin met voorgewende onverschilligheid. ‘Ik heb wat gereisd, ja. Nou en? Ben ik als Amerikaans staatsburger niet vrij om te gaan en staan waar ik wil?’

‘Niet veel Amerikaanse staatsburgers brengen vijf jaar door in een Taiwanees klooster om een oeroude krijgskunst te leren.’

‘Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is.’

‘Wat we ook erg interessant vinden, is dat alle kosten zijn betaald door mevrouw Fang, terwijl die het zelf helemaal niet breed heeft. Ze heeft alles betaald, het lesgeld, zelfs de vliegtickets. Waarom heeft ze dat gedaan?’

‘Ze zag dat ik talent had.’

‘Wanneer heeft ze dat gezien?’

‘Ik was zeventien en leefde op straat toen ze me heeft gevonden. Ze heeft me opgekalefaterd en onder haar vleugels genomen. Misschien omdat ik haar aan haar dochter herinnerde.’

‘Ben je daarom in Boston? Om voor haar dochter te spelen?’

‘Ik geef les op haar school. We doen aan dezelfde vorm van martial arts. En we delen dezelfde filosofie.’

‘Welke filosofie?’

Bella keek haar recht in de ogen. ‘Dat gerechtigheid een verantwoordelijkheid is die door iedereen gedeeld moet worden.’

‘Gerechtigheid? Of wraak?’

‘Er zijn mensen die zeggen dat wraak een ander woord is voor gerechtigheid.’

Jane bekeek Bella onderzoekend. Ze probeerde haar te doorgronden. Erachter te komen of dit het wezen was dat in de steeg haar leven had gered, het wezen dat op het dak van het pakhuis had gezeten. Bella was een jonge vrouw van vlees en bloed, precies zoals iedere andere vierentwintigjarige, maar ze was geen gewone jonge vrouw. Jane zag in haar ogen iets uitzonderlijks, iets wilds. Een dierlijke geest waar Jane een beetje van schrok en waar ze kippenvel van kreeg. Het was alsof ze in die ogen iets had gezien wat niet helemaal menselijk was.

Frost verbrak de stilte. ‘En nu de waarheid graag, Bella.’

Bella wierp een achteloze blik op hem. ‘Welk deel is volgens u niet waar?’

‘Om te beginnen het deel over waarom Iris Fang jou heeft gekozen.’

‘Ze had ook een ander kunnen kiezen.’

‘Maar dat heeft ze niet gedaan. Ze is speciaal naar San Francisco gevlogen om een zeventienjarig meisje te zoeken wier moeder was gestorven. Een meisje dat bij haar pleegouders was weggelopen en op straat leefde. Wat was er zo bijzonder aan jou?’

Toen Bella geen antwoord gaf, zei Jane: ‘We hebben je schooldossier uit Californië. Daar staat niets in over het staatsburgerschap van je moeder.’

‘Mijn moeder is dood. Wat maakt dat nu nog uit?’

‘Ze was een illegale immigrant.’

‘Dat zult u moeten bewijzen.’

‘En jij, Bella?’

‘Ik heb een Amerikaans paspoort.’

‘En volgens dat paspoort ben je in Massachusetts geboren. Maar zes jaar later ben je ingeschreven op een school in San Francisco. Je moeder had een vervalst social-securitynummer en werkte als kamermeisje in een hotel. Waarom zijn jullie naar San Francisco gegaan? Waarom zijn jullie halsoverkop naar Californië vertrokken?’ Jane leunde zo ver naar voren dat ze zichzelf weerspiegeld zag in de bodemloze ogen. ‘Ik denk dat ik weet wie je bent. Ik kan het alleen nog niet bewijzen. Maar dat komt nog wel.’ Ze keek naar Frost. ‘Laat haar het huiszoekingsbevel zien.’

Bella fronste haar wenkbrauwen. ‘Welk huiszoekingsbevel?’

‘Dat ons toestemming geeft je flat te doorzoeken,’ zei Frost. ‘Rechercheur Tam is daar al met een team van de technische recherche.’

‘Wat denkt u te zullen vinden?’

‘Bewijsmateriaal dat jij iets te maken hebt met de dood van een nog ongeïdentificeerde vrouw in de nacht van 15 april en van een ongeïdentificeerde man in de nacht van 21 april.’

Bella schudde haar hoofd. ‘Dan moet ik u teleurstellen. Ik heb een waterdicht alibi voor 15 april. Ik deed mee aan een wushu-voorstelling in Chinatown. Er zijn minstens tweehonderd getuigen.’

‘Dat zullen we nagaan. Maar als je een advocaat wilt, is het verstandig om die nu te bellen.’

‘Neemt u me in hechtenis?’ Bella schoot naar voren, zo plotseling dat Jane ervan schrok en zich er nog meer van bewust werd hoe snel en dodelijk dit meisje zich wist te bewegen. ‘Hiermee,’ zei Bella op een zachte toon, ‘maakt u een grote fout.’ In haar ogen leek iets te bewegen, alsof er in die duistere diepten een ander wezen ontwaakte.

‘Vertel ons waarom het een fout is, dan zullen we er misschien van afzien,’ zei Jane.

Bella haalde diep adem en weer was het alsof iemand anders bezit van haar nam. Iemand die Jane aankeek met ogen zo kil als gepolijste stenen. ‘Ik heb verder niets te zeggen.’

Bella’s flat was schoon. Veel te schoon. Jane stond midden in de woonkamer te kijken naar de vloerbedekking waarop de strepen van een stofzuiger nog zichtbaar waren.

‘Zo zag het eruit toen wij aankwamen,’ zei Tam. ‘De keuken en de badkamer zijn smetteloos schoon. Er ligt nog geen snippertje papier in de prullenbakken. Het is net alsof hier niemand woont. Ze heeft ofwel een dwangneurose of is bezig geweest mogelijk bewijsmateriaal weg te poetsen.’

‘Hoe wist ze dat we zouden komen?’

‘Als je een telefoontje van het Boston PD krijgt dat je naar het bureau moet komen, is de logische conclusie dat je ergens van verdacht wordt. Ze zal beseft hebben dat we dit gingen doen.’

Jane liep naar het raam en keek door de brandschone ruit naar buiten. Beneden op straat liepen twee oudere vrouwen gearmd over de stoep. Het was rustig in dit deel van Tai Tung Village, aan de zuidelijke grens van Chinatown. Iris Fang woonde hier ook, niet ver bij Bella vandaan. De wijk was een wereld apart en Jane voelde zich een buitenstaander. Dat gevoel was versterkt door de starende blikken en het nerveuze gemompel van de mensen op straat. Met haar penning en haar gezag was Jane eigenlijk overal een buitenstaander, de outsider die je beste vriend of je grootste vijand kon zijn.

Ze draaide zich om en liep naar de badkamer, waar Frost op zijn knieën zat om het kastje onder de wastafel te bekijken. ‘Niets te vinden,’ zei hij, terwijl hij met een rood gezicht van het bukken weer overeind kwam. ‘Nog niet één haar in de douche of de wastafel. Het enige wat ik in het medicijnkastje heb gevonden, is aspirine en een rolletje rekverband. Het is net alsof hier niemand woont.’

‘Misschien woont ze hier ook niet.’

‘Tam heeft met de buurman van hiernaast gesproken. Een oude man van in de tachtig. Hij zegt dat hij haar bijna nooit ziet, maar dat hij soms wel stemmen hoort.’ Frost tikte op de muur. ‘De muren zijn vrij dun.’

‘Hij hoort stemmen?’

‘Maar dat kan net zo goed de televisie zijn. Ze woont alleen.’

Jane keek om zich heen naar de smetteloze badkamer. ‘Aangenomen dat ze hier woont.’

‘Iemand betaalt de huur.’

‘En iemand is hier heel druk in de weer geweest met een stofzuiger en bleekmiddel.’

‘Tussen haakjes, die stofzuiger hebben we niet gevonden, dus hebben we ook geen stofzak met mogelijke sporen van bewijsmateriaal.’

Jane liep naar de slaapkamer. Daar stond Tam mobiel te bellen. Hij knikte toen Jane binnenkwam. De houten vloer was brandschoon. De lakens en dekens waren van het bed gehaald. Ze ging op haar knieën zitten, keek onder het bed en zag dat de vloer eronder ook volkomen stofvrij was. Een paar schoenen verscheen in zicht. Jane richtte zich op en zag een technicus van het forensisch laboratorium over het matras heen naar haar kijken.

‘We hebben geen wapens gevonden,’ meldde hij. ‘Als je de keukenmessen niet meetelt.’

‘Ook geen zwaard?’

‘Nee. We hebben alle kasten en laden doorzocht en alle meubels verschoven om erachter te kunnen kijken. Hij zweeg en keek om zich heen naar de kale muren. ‘Volgens mij woont ze hier nog niet erg lang. Ze is nog helemaal niet gesetteld.’

‘Aangenomen dat ze van plan was te blijven.’

‘Ze heeft ook niet veel kleren.’

Jane deed de kast open en zag inderdaad erg weinig kledingstukken. Drie zwarte broeken, een paar donkere truien en bloezen en een mouwloos zomerjurkje van lichtroze zijde, alles in maat 36. Het was de garderobe van iemand die op doorreis was, van iemand die van plan was snel weer te vertrekken. Van een jonge vrouw die voor hen een groot vraagteken bleef. Jane keek naar het jurkje en probeerde zich Bella Li voor te stellen in zoiets vrouwelijks, zoiets frivools, maar het lukte haar niet. Het jurkje strookte gewoon niet met de felle ogen en het rechtopstaande haar van het meisje.

‘Het spijt me dat ik het moet zeggen,’ zei Tam, ‘maar haar alibi voor 15 april klopt.’ Hij hield zijn mobieltje omhoog. ‘Ik had zojuist de programmaleider van het culturele centrum aan de lijn. Er is die avond inderdaad een martial-artsvoorstelling gegeven. Bella Li trad op met acht leerlingen van de Dragon and Stars Academy.’

‘Om hoe laat?’

‘De groep is om zes uur ’s avonds aangekomen, heeft er gegeten en is om negen uur aan het optreden begonnen. Ze zijn er de hele avond geweest.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Dood spoor, Rizzoli.’

‘Maar voor 21 april heeft ze geen alibi.’

‘Dat is geen reden om haar in hechtenis te houden.’

‘Dan moeten we zorgen dat we een reden vinden!’

‘Waarom?’ Tam keek haar zo indringend aan dat ze zich onbehaaglijk begon te voelen.

Ze draaide zich weer om naar de kast om aan zijn blik te ontsnappen. ‘Omdat ik gewoon weet dat er iets met haar is. Ze is erbij betrokken. Ik weet alleen niet hoe.’

‘Het enige wat we hebben, is een video uit een beveiligingscamera waarop een vrouwengedaante te zien is. Het is mogelijk dat zij dat is, maar het kan net zo goed iemand anders zijn. We hebben geen wapen gevonden, noch bewijsmateriaal, in welke vorm dan ook.’

‘Omdat ze snel haar flat heeft geschrobd toen ze begreep dat we zouden komen.’

‘Maar wat hebben we dan, afgezien van jouw intuïtie?’

‘Mijn intuïtie heeft me nog nooit bedrogen.’ Ze begon de zakken van de kledingstukken te doorzoeken. Niet dat ze wist waar ze naar zocht. Ze vond alleen wat kleingeld, een knoop en een opgevouwen papieren zakdoekje.

‘Weet je, Tam heeft gelijk,’ zei Frost in de deuropening. ‘We moeten haar laten gaan.’

‘Niet tot ik meer over haar te weten ben gekomen. Ik wil weten wie ze in werkelijkheid is,’ zei Jane.

‘We gaan af op gissingen.’

‘Dan moeten we zorgen dat we iets vinden om het te bewijzen. Er moet ergens iets te vinden zijn.’ Ze liep naar het raam van de slaapkamer en keek naar buiten. Het was een schuifraam en het stond een klein stukje open, net genoeg om wat frisse lucht binnen te laten. Buiten zat pal onder het raam een tussenvloer van de brandtrap, en het raam had geen hor. Vrouwelijke huurders werden over het algemeen erg nerveus van een dergelijk gebrek aan veiligheidsmaatregelen, maar Bella Li kende geen angst. Bella Li daagde de hele wereld uit haar te na te komen. Schrok ze ’s nachts ooit wakker van een verdacht geluid op die brandtrap? Van het kraken van de vloer? Of sliep ze zoals ze leefde, als een krijger, zelfs in haar dromen onbevreesd?

Jane keerde zich van het raam af, maar stopte abrupt, met haar blik gericht op het gordijn. Het was een kreukvrije, synthetische stof met een patroon van beige bamboestokken in een groen bos. Vanwege het drukke patroon was de zilveren haar bijna onzichtbaar. Het was dat het licht in de kamer er toevallig onder een bepaalde hoek op viel, anders zou Jane hem niet gezien hebben.

Ze haalde een zakje voor bewijsmateriaal uit haar zak. Met ingehouden adem plukte ze de haar van het gordijn en deed hem in het zakje. Ze hief het zakje op naar het licht en bekeek de haar. Toen keek ze naar het raam en de brandtrap.

Het is hier geweest. Het ding is in deze kamer geweest.