20
1
Uiteindelijk was de dreiging van een kernoorlog dus genoeg om ons weer bij elkaar te brengen – is dat romantisch of niet?
Oké, misschien niet.
Deke Simmons, het soort man dat een extra zakdoek meenam naar droevige films, vond het prachtig. Ellie Dockerty niet. Ik ben tot een vreemde ontdekking gekomen: vrouwen kunnen beter geheimen bewaren, maar mannen kunnen er beter mee omgaan. Ongeveer een week nadat de Cubacrisis voorbij was, liet Ellie Sadie naar haar kamer komen en deed ze de deur dicht – geen goed teken. Bot als ze vaak was, vroeg ze Sadie of die meer over mij wist dan tevoren.
‘Nee,’ zei Sadie.
‘Maar jullie zijn weer begonnen.’
‘Ja.’
‘Weet je zelfs waar hij woont?’
‘Nee, maar ik heb een telefoonnummer.’
Ellie rolde met haar ogen... en wie kon haar dat kwalijk nemen? ‘Heeft hij je iets over zijn verleden verteld? Of hij getrouwd is geweest? Want dat laatste is wat ik geloof.’
Sadie, die me haar Christy had horen noemen op de avond dat ik in haar leven terugkwam, deed er het zwijgen toe.
‘Heeft hij je verteld of hij hier en daar een paar vrouwen met een kind heeft laten zitten? Want soms doen mannen dat, en een man die dat eenmaal heeft gedaan zal niet aarzelen om...’
‘Ellie, mag ik nu naar de bibliotheek terug? Die heb ik onder de hoede van een leerlinge achtergelaten, en hoewel Helen erg verantwoordelijk is, vind ik het niet prettig om...’
‘Ga maar.’ Ellie maakte een snel gebaar naar de deur.
‘Ik dacht dat je George graag mocht,’ zei Sadie terwijl ze opstond.
‘Ja,’ antwoordde Ellie – op een toon, vertelde Sadie me later, van vroeger wel. ‘Ik zou hem helemaal graag mogen – en hem ook geschikter voor jou vinden – als ik wist wat zijn echte naam was en wat hij in zijn schild voert.’
‘Niet vragen, niet vertellen,’ zei Sadie, op weg naar de deur.
‘Wat betekent dat nou weer?’
‘Dat ik van hem hou. Dat hij mijn leven heeft gered. Dat ik hem in ruil daarvoor alleen mijn vertrouwen kan schenken en dat ik dat van plan ben.’
Ellie was een van die vrouwen die het gewend waren om in de meeste situaties het laatste woord te hebben, maar deze keer had ze het niet.
2
We ontwikkelden dat najaar en die winter een vast patroon. Ik reed op vrijdagmiddagen naar Jodie. Onderweg kocht ik soms bloemen bij de bloemist in Round Hill. Soms liet ik mijn haar knippen in de kapperszaak van Jodie, waar je altijd de laatste nieuwtjes hoorde. Bovendien was ik eraan gewend geraakt om het kort te hebben. Ik herinnerde me dat ik het ooit zo lang had gedragen dat het over mijn ogen viel, maar niet waarom ik dat ongemak had geaccepteerd. Het was een beetje moeilijker om aan ouderwetse onderbroeken in plaats van boxershorts te wennen, maar na een tijdje riepen mijn ballen niet meer dat ze gewurgd werden.
We aten die avonden meestal in Al’s Eethuis en gingen dan naar de footballwedstrijd. Het team stelde zonder Jim LaDue niet veel voor, maar het deed altijd zijn best. En toen het footballseizoen was afgelopen, was er basketbal. Soms kwam Deke met ons mee en dan had hij zijn schooltrui aan, met een tekening van een leeuw op de voorkant.
Ellie kwam nooit mee.
Haar afkeuring weerhield ons er niet van om na de vrijdagse wedstrijden naar de Candlewood Bungalows te gaan. Meestal bleef ik daar op zaterdagavond in mijn eentje, en op zondag ging ik met Sadie naar de dienst in de eerste methodistenkerk van Jodie. We deelden een gezangboek en zongen veel regels uit ‘Bringing in the Sheaves’. Sowing in the morning, sowing seeds of kindness... ’s Morgens zaaien, zaadjes van goedheid zaaien... Ik heb de melodie en die goedbedoelde sentimenten nog steeds in mijn hoofd zitten.
Na de kerk aten we het middagmaal bij haar thuis, en daarna reed ik naar Dallas terug. Telkens wanneer ik die rit maakte, leek het langer te duren en had ik er een grotere hekel aan. Ten slotte, op een koude dag in het midden van december, begaf een drijfstang van mijn Ford het, alsof hij zelf ook wilde laten weten dat we in de verkeerde richting reden. Ik wilde dat laten repareren – die Sunliner cabriolet was de enige auto waarvan ik ooit echt heb gehouden – maar de man van Autobedrijf Kileen zei dat er een heel nieuwe motor in zou moeten, en hij wist echt niet waar hij er eentje te pakken zou kunnen krijgen.
Ik groef in mijn nog stevige (nou ja... relatief stevige) geldreserve en kocht een Chevrolet model 1959, zo’n auto met staartvinnen als meeuwenvleugels. Het was een goede auto, en Sadie zei dat ze hem geweldig vond, maar voor mij was het nooit hetzelfde.
We brachten de kerstavond samen in de Candlewood Bungalows door. Ik legde een takje hulst op de kaptafel en gaf haar een vest. Ze gaf mij een paar loafers, en die heb ik nu nog aan. Sommige dingen moet je niet wegdoen.
Op tweede kerstdag aten we bij haar thuis, en terwijl ik de tafel dekte, kwam de Plymouth van Deke aanrijden. Dat verbaasde me, want Sadie had niets over gezelschap gezegd. Ik was nog verbaasder toen ik Ellie aan de passagierskant zag zitten. Toen ik haar met haar armen over elkaar naar mijn nieuwe auto zag kijken, wist ik dat ik niet de enige was die in onwetendheid was gelaten over de gastenlijst. Maar – ere wie ere toekomt – ze begroette me met een vrij goede imitatie van hartelijkheid en kuste me op de wang. Ze droeg een gebreide skimuts waardoor ze net een bejaard kind leek, en keek me aan met een strak maar dankbaar glimlachje toen ik hem van haar hoofd pakte.
‘Ik heb de memo ook niet gekregen,’ zei ik.
Deke zwengelde mijn hand op en neer. ‘Vrolijk kerstfeest, George. Blij je te zien. Goh, wat ruikt het hier goed.’
Hij liep naar de keuken. Even later hoorde ik Sadie lachen en zeggen: ‘Blijf daar met je vingers van af, Deke! Heeft je moeder je niet opgevoed?’
Ellie maakte langzaam de dikke knopen van haar jas los, zonder haar blik weg te nemen van mijn gezicht. ‘Is het verstandig, George?’ vroeg ze. ‘Wat Sadie en jij doen – is dat verstandig?’
Voordat ik antwoord kon geven, kwam Sadie binnen met de kalkoen waarmee ze druk in de weer was geweest vanaf het moment dat we uit Kileen waren teruggekomen. We gingen zitten en pakten elkaars hand vast. ‘God, zegen dit voedsel voor onze lichamen,’ zei Sadie, ‘en zegen onze verbondenheid, de een met de ander, in onze geest en onze ziel.’
Ik wilde haar loslaten, maar ze bleef mijn hand met haar linker- en die van Ellie met haar rechterhand vasthouden. ‘En alsjeblieft, zegen George en Ellie met vriendschap. Help George zich haar goedheid te herinneren, en help Ellie zich te herinneren dat zonder George een meisje in deze stad nu met een vreselijk getekend gezicht zou rondlopen. Ik houd van hen beiden, en het is triest om wantrouwen in hun ogen te zien. Om Jezuswil, amen.’
‘Amen!’ zei Deke hartelijk. ‘Een goed gebed!’ Hij knipoogde naar Ellie.
Ik denk dat Ellie eigenlijk wilde opstaan en weggaan. Misschien deed ze dat niet omdat Sadie het over Bobbi Jill had gehad. Of misschien omdat ze haar nieuwe schoolbibliothecaresse zo graag mocht. Misschien had het zelfs iets met mij te maken. Dat wil ik graag denken.
Sadie keek Ellie met al haar oude vrees aan.
‘Die kalkoen ziet er geweldig uit,’ zei Ellie, en ze gaf me haar bord. ‘Wil je me een drumstick aanreiken, George? En doe niet te zuinig met de vulling.’
Sadie kon kwetsbaar zijn, en Sadie kon onhandig zijn, maar Sadie kon ook erg, erg moedig zijn.
Wat hield ik van haar.
3
Oudejaarsdag viel dat jaar op een maandag. Lee, Marina en June gingen naar de DeMohrenschildts om 1963 in te luiden. Lee en George waren dikke vrienden geworden. Ik was op mezelf aangewezen, maar toen Sadie belde om te vragen of ik met haar naar het oudejaarsfeest bij de boerenbond wilde, aarzelde ik.
‘Ik weet wat je denkt,’ zei ze, ‘maar deze keer wordt het beter dan vorig jaar. We máken het beter, George.’
En dus waren we daar weer om acht uur. We dansten weer onder hangende netten met ballonnen. De band van dit jaar heette de Dominoes. Ze hadden een viermans blazerssectie in plaats van de surfgitaren in Dick Dale-stijl op het bal van vorig jaar, maar ook zij wisten er iets van te maken. Er waren dezelfde twee kommen met roze limonade en gingerale, een met en een zonder alcohol. Dezelfde rokers stonden in de kou onder de brandtrap. Maar het was inderdaad beter dan het jaar daarvoor. We voelden ons immens opgelucht en gelukkig. De wereld was in oktober onder een nucleaire schaduw door gegaan... maar daarna was alles weer normaal geworden. Hier en daar hoorde ik goedkeurende opmerkingen over Kennedy, die de lelijke oude Russische beer had weggejaagd.
Om ongeveer negen uur, tijdens een langzame dans, ging Sadie opeens met een kreet bij me vandaan. Ik dacht dat ze John Clayton had gezien, en mijn hart schoot in mijn keel. Maar het was een kreet van puur geluk geweest, want de twee nieuwkomers die ze had gezien waren Mike Coslaw – die er absurd aantrekkelijk uitzag in een tweedjas – en Bobbi Jill Allnut. Sadie rende naar hen toe... en struikelde over iemands voet. Mike ving haar op en draaide haar om. Bobbi Jill wuifde een beetje verlegen naar me.
Ik schudde Mikes hand en kuste Bobbi Jill op haar wang. Het ontsierende litteken was nu een vage roze lijn. ‘De dokter zegt dat het volgende zomer helemaal weg is,’ zei ze. ‘Hij noemde me zijn snelst genezende patiënt. Dankzij u.’
‘Ik heb een rol gekregen in Dood van een handelsreiziger, meneer Amberson,’ zei Mike. ‘Ik speel Biff.’
‘Dus weer hetzelfde type,’ zei ik. ‘Kijk maar uit voor rondvliegende taarten.’
Ik zag hem in een van de pauzes met de leadzanger van de band praten en wist meteen wat er ging komen. Toen ze weer op het podium verschenen, zei de zanger: ‘Ik heb een speciaal verzoek gekregen. Hebben we een George Amberson en een Sadie Dunhill in huis? George en Sadie? Kom op, George en Sadie. Sta op en kom hierheen.’
We liepen onder een daverend applaus naar het podium. Sadie lachte en werd vuurrood. Ze schudde haar vuist naar Mike. Hij grijnsde. De jongen verdween van zijn gezicht; de man verscheen. Een beetje verlegen, maar hij kwam. De zanger telde af en de blazerssectie zette de downbeat in die ik nog steeds in mijn dromen hoor.
Ba-da-da... ba-da-da-die-dum...
Ik hield haar mijn handen voor. Ze schudde haar hoofd, maar zwaaide evengoed een beetje met haar heupen.
‘Vooruit, mevrouw Sadie!’ riep Bobbi Jill. ‘Dansen!’
De menigte viel haar bij: ‘Go! Go! Go!’
Ze gaf toe en pakte mijn handen vast. We dansten.
4
Om middernacht speelde de band ‘Auld Lang Syne’ – een ander arrangement dan het jaar daarvoor, maar hetzelfde mooie nummer – en kwamen de ballonnen omlaag gezweefd. Overal om ons heen kusten en omhelsden stellen elkaar. Wij deden dat ook.
‘Gelukkig Nieuwjaar, G...’ Ze deinsde met gefronste wenkbrauwen van me terug. ‘Wat is er?’
Ik had opeens het Texaans schoolboekenmagazijn voor ogen gezien, een lelijk bakstenen gebouw met ramen als ogen. Dit was het jaar dat het een Amerikaans icoon zou worden.
Dat gebeurt niet. Ik laat je niet zo ver komen, Lee. Je komt nooit achter dat raam op de vijfde verdieping te zitten. Dat verzeker ik je.
‘George?’
‘Er liep iemand over mijn graf, denk ik,’ zei ik. ‘Gelukkig Nieuwjaar.’
Ik ging haar kussen, maar ze hield me even tegen. ‘Het is bijna tijd, hè? Voor wat je hier komt doen.’
‘Ja,’ zei ik. ‘Maar niet vanavond. Vanavond gaat het alleen om ons. Dus kus me, schat. En dans met me.’
5
Aan het eind van 1962 en het begin van 1963 leidde ik twee levens. Het goede was in Jodie en in de Candlewood Bungalows. Het andere leidde ik in Dallas, een stad die me steeds meer aan Derry deed denken.
Lee en Marina kwamen weer bij elkaar. In Dallas woonden ze eerst in een krot in de buurt van West Neely. DeMohrenschildt hielp hen verhuizen. George Bouhe was nergens te bekennen. En de andere Russische immigranten ook niet. Lee had ze weggejaagd. Ze hadden een hekel aan hem, had Al in zijn notities geschreven, en daaronder: dat wilde hij ook.
Het vervallen huis aan 604 Elsbeth Street was verdeeld in vier of vijf woningen vol arme mensen die hard werkten, veel dronken en horden schreeuwende kinderen met snotneuzen voortbrachten. Vergeleken daarmee zag zelfs het huis van de Oswalds in Fort Worth er goed uit.
Ik had geen elektronische hulpmiddelen nodig om de verslechtering van hun huwelijk te volgen. Ook toen het kouder werd, bleef Marina korte broekjes dragen, alsof ze hem met haar blauwe plekken wilde provoceren. En natuurlijk ook met haar sexappeal. June zat meestal in haar wagentje tussen hen in. Ze huilde niet meer als ze tegen elkaar schreeuwden, keek alleen maar toe en zoog daarbij op haar duim of een fopspeen.
Op een dag in november 1962 kwam ik uit de bibliotheek terug en zag ik Lee en Marina op de hoek van West Neely Street en Elsbeth Street tegen elkaar schreeuwen. Nogal wat mensen (op dat uur van de dag vooral vrouwen) waren hun veranda op gekomen om te kijken. June zat in het wagentje, verpakt in een donzige roze deken, stil en vergeten.
Ze maakten ruzie in het Russisch, maar aan Lees priemende vinger was duidelijk te zien wat het twistpunt was. Marina droeg een rechte zwarte rok – ik weet niet of ze dat toen al kokerrokken noemden – en de rits op haar linkerheup was halfopen. Waarschijnlijk was hij alleen maar blijven steken in de stof, maar als je hem tekeer hoorde gaan, zou je denken dat ze op jacht was naar mannen.
Ze streek haar haar weg, wees naar June, maakte toen een gebaar naar het huis waar ze op dat moment woonden – de kapotte goten waar zwart water uit droop, de rommel en bierblikjes op het kale gazon van de voortuin – en schreeuwde hem in het Engels toe: ‘Jij zeg mooie leugens en breng dan vrouw en baby naar deze zwainenstal!’
Hij kreeg een kleur tot aan zijn haarlijn en sloeg zijn handen op zijn magere borst over elkaar, alsof hij ze wilde verankeren om te voorkomen dat ze schade zouden aanrichten. Hij zou daar misschien in zijn geslaagd – tenminste die keer – als ze niet had gelachen en met haar vinger om haar oor had gedraaid, een gebaar dat in alle culturen hetzelfde moet betekenen. Ze begon zich om te draaien. Hij trok haar terug, stootte daarbij tegen het wagentje en gooide het bijna om. Toen sloeg hij haar. Ze viel op het gebarsten trottoir en hield haar handen tegen haar gezicht toen hij zich over haar heen boog. ‘Nee, Lee, nee! Niet meer mij slaan!’
Hij sloeg haar niet. In plaats daarvan trok hij haar overeind en schudde hij haar heen en weer. Haar hoofd bungelde mee.
‘Jij!’ riep een schorre stem links van me. Ik schrok ervan. ‘Jíj, jongen!’
Het was een oude vrouw met een looprekje. Ze stond op haar veranda in een roze flanellen nachthemd met daaroverheen een geruit jasje. Haar grijzende haar stak rechtovereind en deed me denken aan Elsa Lanchesters permanent van twintigduizend volt in The Bride of Frankenstein.
‘Die man slaat die vrouw! Ga daarheen en maak er een eind aan!’
‘Nee, mevrouw,’ zei ik. Mijn stem klonk onvast. Ik dacht erover om te zeggen ik kom niet tussen een man en zijn vrouw, maar dat zou een leugen zijn geweest. In werkelijkheid wilde ik niets doen wat de toekomst kon verstoren.
‘Lafaard,’ zei ze.
Bel de politie, zei ik bijna, maar ik slikte het nog net op tijd in. Als het nog niet in het hoofd van de oude vrouw zat en ik het daarin stopte, zou ook dat de toekomst kunnen veranderen. Is de politie gekomen? Ooit? Daarover stond niets in Als notities. Ik wist alleen dat Oswald nooit zou worden opgepakt voor mishandeling van zijn vrouw. In die tijd en in dat deel van het land overkwam dat maar heel weinig mannen, denk ik.
Hij sleurde haar met zijn ene hand het pad naar hun huis op en trok met zijn andere hand aan het wagentje met het kind. De oude vrouw wierp me een vernietigende blik toe en slofte toen haar huis weer in. De andere toeschouwers deden hetzelfde. De voorstelling was afgelopen.
Ik ging ook naar binnen, maar daar pakte ik mijn verrekijker en richtte hem op het bakstenen wangedrocht schuin tegenover me. Twee uur later, toen ik al op het punt stond het op te geven, kwam Marina naar buiten. Ze had het roze koffertje in haar ene en de in een deken gewikkelde baby in haar andere hand. De aanstootgevende rok had ze vervangen door een broek en zo te zien ook twee truitjes – het was koud geworden. Ze liep vlug door de straat en keek een paar keer over haar schouder om te zien of Lee eraan kwam. Toen ik er zeker van was dat hij haar niet zou volgen, deed ik dat zelf wel.
Ze liep helemaal naar de autowasserij, vier blokken verder aan West Davis Street, en gebruikte daar de munttelefoon. Ik ging met een opengevouwen krant tegenover haar in een bushokje zitten. Twintig minuten later verscheen die goeie ouwe George Bouhe. Ze sprak ernstig met hem. Hij leidde haar naar de passagierskant van zijn auto en maakte het portier voor haar open. Ze glimlachte naar hem en gaf hem een kus op zijn mondhoek. Ik denk dat hij blij was met beide. Toen ging hij achter het stuur zitten en reden ze weg.
6
Die avond was er weer ruzie voor het huis aan Elsbeth Street, en opnieuw kwamen de meeste buren naar buiten om te kijken. Omdat ik in die grote groep kon opgaan, deed ik dat ook.
Iemand – bijna zeker Bouhe – had George en Jeanne DeMohrenschildt gestuurd om de rest van Marina’s spullen te halen. Waarschijnlijk dacht Bouhe dat zij de enigen waren die binnen konden komen zonder dat Lee hen probeerde tegen te houden.
‘Ik verdom het om iets mee te geven!’ schreeuwde Lee, die blijkbaar niet besefte dat de buren elk woord konden horen. De spieren in zijn hals bolden op; zijn gezicht was weer knalrood. Wat moet hij er een hekel aan hebben gehad dat hij bloosde als een klein meisje dat betrapt is op het doorgeven van liefdesbriefjes.
DeMohrenschildt stelde zich redelijk op. ‘Denk na, mijn vriend. Op deze manier is er nog een kans. Als ze de politie stuurt...’ Hij haalde haar schouders op en hief zijn handen ten hemel.
‘Geef me dan een uur de tijd,’ zei Lee. Hij liet zijn tanden zien, maar de uitdrukking op zijn gezicht kwam bij lange na niet in de buurt van een glimlach. ‘Dat geeft me de kans om een mes door al haar jurken te halen en al het speelgoed kapot te maken dat die kerels hebben gestuurd om mijn dochter te kopen.’
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg een jongeman aan mij. Hij was een jaar of twintig en was komen aanfietsen.
‘Een echtelijke ruzie, neem ik aan.’
‘Osmont, of hoe heet hij ook weer? Is die Russische vrouw bij hem weg? Dat zou tijd worden. Die kerel is gek. Het is een communist, weet u dat?’
‘Ik geloof dat ik zoiets heb gehoord.’
Lee stapte de verandatrap op, zijn hoofd geheven en zijn rug kaarsrecht – Napoleon op de terugtocht uit Moskou – maar toen riep Jeanne DeMohrenschildt hem op scherpe toon aan: ‘Hou op, stommeling!’
Lee draaide zich met grote, verbaasde en gekwetste ogen naar haar om. Hij keek DeMohrenschildt aan met een gezicht van jij hebt je vrouw niet onder controle, maar DeMohrenschildt zei niets. Hij keek geamuseerd. Als een geblaseerde theaterbezoeker die een stuk ziet dat niet al te slecht is. Niet geweldig, geen Shakespeare, maar een heel aanvaardbare manier om de tijd door te komen.
Jeanne: ‘Als je van je vrouw houdt, gedraag je dan in godsnaam niet meer als een verwende kwajongen. Beheers je.’
‘Zo kun je niet tegen me praten.’ Als hij onder spanning stond, werd zijn zuidelijke accent sterker.
‘Ik kan het, ik wil het, ik zal het,’ zei ze. ‘Geef ons haar spullen mee, anders bel ik zelf de politie.’
Lee zei: ‘Zeg tegen haar dat ze haar kop moet houden en zich met haar eigen zaken moet bemoeien, George.’
DeMohrenschildt lachte opgewekt. ‘Vandaag ben jíj onze zaak, Lee.’ Toen werd hij ernstig. ‘Ik verlies mijn respect voor jou, kameraad. Laat ons nu binnen. Als je mijn vriendschap op prijs stelt zoals ik de jouwe op prijs stel, moet je ons nu binnenlaten.’
Lees schouders zakten in en hij ging een stap opzij. Jeanne marcheerde het trapje op zonder hem zelfs maar een blik waardig te keuren, maar DeMohrenschildt bleef staan en omhelsde Lee, die nu pijnlijk mager was. Na enkele ogenblikken beantwoordde Oswald zijn omhelzing. Ik besefte (met een mengeling van medelijden en weerzin) dat de jongen – want meer was hij eigenlijk niet – was gaan huilen.
‘Wat zijn dat,’ vroeg de jongeman op de fiets, ‘een stel flikkers?’
‘Nee, flikkers zijn het niet,’ zei ik. ‘Het zijn gewoon rare kerels.’
7
Later die maand kwam ik van een van mijn heerlijke weekends met Sadie terug en constateerde dat Marina en June weer in het krot aan Elsbeth Street zaten. Een tijdlang leek het pais en vree te zijn in het gezin. Lee ging naar zijn werk – hij maakte nu fotografische vergrotingen in plaats van aluminium tochtdeuren – en kwam naar huis, soms met bloemen. Marina begroette hem met kussen. Op een dag liet ze hem de voortuin zien, waar ze alle rommel had opgeruimd, en toen applaudisseerde hij voor haar. Daar moest ze om lachen, en toen ze dat deed, zag ik dat haar gebit was gesaneerd. Ik weet niet hoeveel George Bouhe daaraan had bijgedragen, maar het zal vast wel een groot deel zijn geweest.
Ik keek vanaf de hoek naar dit tafereel, en schrok opnieuw van de schorre stem van de oude vrouw met het looprekje. ‘Dat blijft niet zo.’
‘U zou best eens gelijk kunnen hebben.’
‘Waarschijnlijk gaat hij haar vermoorden. Ik heb dat al eerder gezien.’ Onder haar elektrische haar keken haar ogen me met kille minachting aan. ‘En jij grijpt niet in, hè, slappeling?’
‘Toch wel,’ zei ik tegen haar. ‘Als het erg genoeg wordt, grijp ik in.’
Aan die belofte wilde ik me houden, zij het niet ten behoeve van Marina.
8
Op de dag na het etentje bij Sadie op tweede kerstdag lag er een briefje van Oswald in mijn brievenbus, al was het ondertekend met ‘A. Hidell’. Die schuilnaam stond in Al’s notities. De A was een afkorting van Alek, zoals Marina hem noemde toen ze nog in Minsk waren.
Het briefje verontrustte me niet, want blijkbaar had iedereen in de straat er een gekregen. De pamfletten waren gedrukt op roze papier (waarschijnlijk gepikt op Oswalds huidige werkplek) en ik zag dat er nog een stuk of tien in de goten lagen. De bewoners van de wijk Oak Cliff in Dallas stonden er niet om bekend dat ze hun rommel deponeerden waar het hoorde.
PROTESTEER TEGEN HET FASCISTISCHE CHANNEL 9!
THUISBASIS VAN SEGEGRATIONIST BILLY JAMES HARGIS!
PROTESTEER TEGEN DE FASCISTISCHE EX-GENERAAL EDWIN WALKER!
Tijdens de uitzending van donderdagavond van de zogeheten ‘Christelijke Kruistocht’ van Billy James Hargis zal Channel 9 zenttijd verlenen aan GENERAAL EDWIN WALKER, een rechtse fascist die JFK heeft aangemoedigd het vreedzame volk van Cuba aan te vallen en die in het hele Zuiden ‘HAAT-SPRAAK’ tegen zwarten en tegen integratie heeft verspreidt. (Als u twijfelt aan de juistheid van deze informatie, kijk dan in de ‘TV Guide’. Deze twee mannen staan simbool voor alles waartegen wij in de Tweede Wereldoorloog hebben gevochten, en hun Fassistisch GERAASKAL hoort niet thuis in de eter. EDWIN WALKER was een van de BLANKE RACISTEN die probeerden JAMES MERDITH van de Universiteit van Mississippi weg te houden. Als u van Amerika houdt, protesteer dan tegen de gratis zenttijd voor mannen die HAAT en GEWELD preken. Schrijf een brief! Beter nog: kom op 29 dec. naar Channel 9 voor een ‘sit-in’!
A. Hiddell
Voorzitter Handen Af Van Cuba
Afdeling Dallas-Fort Worth
Ik keek even naar de spelfouten, vouwde het pamflet toen op en stopte het in het kistje waarin ik mijn manuscripten bewaarde.
Als er geprotesteerd werd bij het tv-station, werd daar op de dag na de ‘zenttijd’ met Hargis en Walker niets over geschreven in de Slimes Herald. Ik denk niet dat er iemand is komen opdagen, ook Lee zelf niet. Ikzelf in elk geval niet, maar op donderdagavond stemde ik af op Channel 9, want ik wilde heel graag de man zien op wie Lee binnenkort een moordaanslag zou plegen.
Eerst zag je alleen Hargis. Hij zat in een kantooromgeving achter een bureau en deed alsof hij belangrijke notities maakte, terwijl een ingeblikt koor ‘The Battle-Hymn of the Republic’ zong. Het was een tamelijk dikke man met veel naar achteren gekamd zwart haar. Terwijl het koor wegzakte, legde hij zijn pen neer, keek in de camera en zei: ‘Welkom bij de Christelijke Kruistocht, mensen. Ik kom met goed nieuws – Jezus houdt van jullie. Jazeker, van jullie allemaal. Willen jullie niet met me bidden?’
Hargis richtte zich minstens tien minuten tot de Almachtige. Hij behandelde de gebruikelijke dingen, dankte God voor de kans het evangelie te verspreiden en vroeg Hem degenen te zegenen die liefdesgaven naar hem opzonden. Toen kwam hij ter zake. Hij vroeg God om Zijn Uitverkoren Volk te bewapenen met het zwaard en het schild dat we nodig hadden om een nederlaag toe te brengen aan het communisme, dat slechts honderdvijftig kilometer bij de kust van Florida vandaan zijn lelijke kop had opgestoken. Hij vroeg God president Kennedy de wijsheid te geven (Hargis, die dichter bij de Heer zat, bezat die wijsheid al) om daarheen te gaan en het onkruid van de goddeloosheid uit te roeien. Hij vroeg God ook een eind te maken aan de toenemende communistische bedreiging op Amerikaanse universiteiten – folkmuziek scheen daar ook iets mee te maken te hebben, al raakte Hargis min of meer de draad kwijt toen hij het daarover had. Tot slot dankte hij God voor zijn gast van die avond, de held van Anzio en de slag om het Chosinreservoir, generaal Edwin A. Walker.
Walker verscheen niet in uniform maar in een kaki pak dat er sterk op leek. De vouwen in zijn broek leken scherp genoeg om je mee te scheren. Zijn ijzige gezicht deed me denken aan de cowboy-acteur Randolph Scott. Hij schudde Hargis’ hand en ze praatten over communisme, dat niet alleen welig tierde op universiteiten maar ook in het Congres en de wetenschappelijke wereld. Ze hadden het even over fluoridering. En toen praatten ze over Cuba, dat Walker ‘de kanker van het Caribisch gebied’ noemde.
Ik kon zien waarom Walker het zo slecht had gedaan in de verkiezingen voor het gouverneurschap van Texas in het jaar daarvoor. Als je hem voor een klas op een middelbare school zette, zouden de kinderen al in slaap vallen in het eerste lesuur, wanneer ze nog fris waren. Maar Hargis leidde hem soepel voort en gooide er: ‘Looft Jezus!’ en: ‘God is getuige, broeder!’ tussendoor wanneer het een beetje lastig werd. Ze praatten over een komende kruistocht in het hele zuiden die operatie Midnight Ride werd genoemd, en Hargis nodigde Walker uit om de lucht te zuiveren met betrekking tot ‘bepaalde achterbakse beschuldigingen van segregationisme die in de pers van New York en ook elders de kop hebben opgestoken’.
Op een gegeven moment vergat Walker dat hij op tv was en kwam hij tot leven. ‘Dat is je reinste communistische propaganda, weet je.’
‘Ik weet het!’ riep Hargis uit. ‘En God wil dat je het vertelt, broeder.’
‘Ik heb mijn hele leven in het Amerikaanse leger doorgebracht, en in mijn hart blijf ik soldaat tot de dag dat ik sterf.’ (Als Lee zijn zin had gekregen, zou dat over ongeveer drie maanden het geval zijn geweest.) ‘Als soldaat heb ik altijd mijn plicht gedaan. Toen president Eisenhower me tijdens de onlusten van 1957 naar Little Rock stuurde – dat had te maken met de gedwongen integratie van de Central High School, zoals je weet – deed ik mijn plicht. Maar Billy, ik ben ook een soldaat van God...’
‘Een chrístelijke soldaat! Looft Jezus!’
‘... en als christen weet ik dat gedwongen integratie ronduit verkéérd is. Het is in strijd met de grondwet, in strijd met de staatsrechten en in strijd met de Bijbel.’
‘Zo is het!’ zei Hargis, en hij veegde een traan van zijn wangen. Of misschien was het zweet dat door zijn schmink heen kwam.
‘Of ik het negerras haat? Degenen die dat zeggen – en degenen die eraan hebben meegewerkt mij uit het leger te jagen waar ik zoveel van hield – zijn leugenaars en communisten. Jij weet beter, de mannen met wie ik heb gediend weten beter, en Gód weet beter.’ Hij boog zich op zijn stoel naar voren. ‘Denk je dat de négerleraren in Alabama, Arkansas, Louisiana en de grote staat Texas integratie willen? Dat willen ze niet. Ze zien het als een klap in het gezicht van hun eigen capaciteiten en harde werken. Denk je dat négerleerlingen naar school willen gaan met blanken die van nature beter zijn in lezen, schrijven en rekenen? Denk je dat echte Amerikanen de verbastering van rassen willen die uit zo’n vermenging voortkomt?’
‘Natuurlijk niet! Looft Jezus!’
Ik dacht aan het bordje dat ik in North Carolina had gezien, het bordje dat naar een pad met gifsumak wees. GEKLEURDEN had erop gestaan. Walker verdiende het niet dat hij werd vermoord, maar het zou goed zijn als hij eens flink door elkaar werd geschud. Dan zou ík ‘Looft Jezus!’ roepen.
Mijn aandacht was afgedwaald, maar nu zei Walker iets waardoor ik meteen weer bij de les was.
‘Niet generaal Edwin Walker, maar God heeft de positie van negers in Zijn wereld voorbestemd toen hij hun een andere huidskleur en andere talenten gaf. Meer atlétische talenten. Wat vertelt de Bijbel ons over dat verschil, en waarom is het negerras veroordeeld tot zoveel pijn en beproevingen? We hoeven alleen maar naar het negende hoofdstuk van Genesis te kijken, Billy.’
‘Looft God voor Zijn Heilige Woord.’
Walker sloot zijn ogen en bracht zijn rechterhand omhoog alsof hij een verklaring aflegde voor een rechtbank. ‘‘‘En Noach dronk van de wijn, werd dronken en ging in zijn tent liggen, zonder kleren aan. Toen Cham zag dat zijn vader naakt was, vertelde hij dat aan zijn twee broers, die buiten waren.’’ Maar Sem en Jafet – de een de stamvader van het Arabische ras, de ander de stamvader van het blanke ras, ik weet dat jij dat weet, Billy, maar niet iedereen weet het, niet iedereen bezit de goeie ouwe Bijbelkennis die wij hebben opgedaan op de knieën van onze moeders...’
‘Looft God voor christelijke moeders!’
‘Sem en Jafet keken niet. En toen Noach wakker werd en zag wat er aan de hand was, zei hij: ‘‘Vervloekt zij Kanaän, hij zal de minste van alle knechten zijn, hij zal hout hakken en water putten...’’’
Ik zette de televisie uit.
9
Wat ik in januari en februari van 1963 te zien kreeg van Lee en Marina deed me denken aan een T-shirt dat Christy soms droeg in het laatste jaar van ons huwelijk. Er stond een woest grijnzende piraat op de voorkant, met deze boodschap daaronder: DE BESTRAFFINGEN GAAN DOOR TOT HET MOREEL VERBETERT. Die winter was er op 604 Elsbeth Street aan bestraffingen geen gebrek. Wij in de buurt hoorden Lees geschreeuw en Marina’s kreten – soms van woede, soms van pijn. Niemand deed iets, ik ook niet.
Niet dat ze de enige vrouw was die van tijd tot tijd geslagen werd in Oak Cliff; de echtelijke ruzies op vrijdag- en zaterdagavond leken wel een plaatselijke traditie. In die trieste grauwe maanden wilde ik alleen maar dat er een eind kwam aan die ellendige, eindeloze soapserie, zodat ik altijd bij Sadie kon zijn. Ik zou me ervan vergewissen dat Lee in zijn eentje opereerde als hij zijn moordaanslag op generaal Walker pleegde, en dan zou ik klaar zijn met mijn werk. Als Oswald één keer in zijn eentje opereerde, hoefde dat niet te betekenen dat hij beide keren alleen had gehandeld, maar het was het beste wat ik voor elkaar kon krijgen. Als ik alle puntjes op de i had gezet – of tenminste de meeste – zou ik mijn tijd en plaats uitkiezen om Lee Oswald even koelbloedig dood te schieten als ik met Frank Dunning had gedaan.
De tijd verstreek. Langzaam, maar hij verstreek. En op een dag, niet lang voordat de Oswalds in de woning aan Neely Street boven de mijne trokken, zag ik dat Marina en de oude dame met het looprek en het Elsa Lanchester-haar met elkaar stonden te praten. Ze glimlachten allebei. De oude dame vroeg haar iets. Marina lachte, knikte en hield haar handen voor haar buik.
Ik stond achter de kier in mijn gordijnen, mijn mond openhangend en mijn kijker in mijn hand. In Al’s notities had niets over déze ontwikkeling gestaan, hetzij omdat hij het niet wist, hetzij omdat het hem niet kon schelen. Maar ze kon míj wel wat schelen.
De vrouw van de man op wie ik vier jaar wachtte, de vrouw van de man die ik wilde vermoorden, was weer zwanger.