5
1
Net als de vorige keer liep ik langs de droogschuur. En ook net als de vorige keer dook ik onder de ketting door waaraan het bord met GEEN TOEGANG VOORBIJ DIT PUNT hing. Ik liep weer om de hoek van het grote, groengeverfde blokvormige gebouw, en toen dreunde er iets tegen me aan. Ik ben niet zo zwaar voor mijn lengte, maar ik heb wel wat vlees op mijn botten – ‘Jij waait niet om als het hard waait,’ zei mijn vader altijd – en toch gooide de Gelekaartman me bijna om. Het was of ik werd aangevallen door een zwarte overjas vol flapperende vogels. Hij schreeuwde iets, maar ik was te erg geschrokken (niet echt bang, daarvoor ging het te vlug) om te horen wat het was.
Ik duwde hem weg en hij viel met zijn jas om zijn benen tegen de droogschuur aan. Er was een dof geluid te horen toen hij met zijn achterhoofd tegen het metaal sloeg, en zijn vuile gleufhoed tuimelde op de grond. Hij ging er zelf achteraan, niet tuimelend maar zoals een accordeon wordt ingedrukt. Ik had al spijt van wat ik had gedaan voordat mijn hart de kans kreeg weer in een normaal ritme te komen, en nog meer spijt toen hij zijn hoed opraapte en hem met zijn vuile hand begon af te vegen. Die hoed zou nooit meer schoon worden, en naar alle waarschijnlijkheid hijzelf evenmin.
‘Gaat het?’ vroeg ik, maar toen ik me bukte om zijn schouder aan te raken, ging hij vlug bij me vandaan langs de kant van de droogschuur, duwend met zijn handen en glijdend op zijn achterste. Ik zou willen zeggen dat hij net een manke spin was, maar dat was hij niet. Hij zag eruit als wat hij was: een dronkenlap met hersenen die nat of in elk geval heel erg vochtig waren. Een man die misschien net zo dicht bij de dood was als Al Templeton, want in het Amerika van de jaren vijftig waren er waarschijnlijk geen opvanghuizen of afkickcentra voor mannen als hij. De veteranenbond wilde hem misschien wel opvangen als hij ooit het uniform had gedragen, maar wie zou hem naar de veteranenbond brengen? Waarschijnlijk niemand, al zou misschien wel iemand – een voorman van de fabriek of zo – de politie op hem af sturen. Ze zouden hem vierentwintig of achtenveertig uur in de arrestantencel voor dronken kerels zetten. Als hij daar niet doodging aan ontwenningsverschijnselen, lieten ze hem vrij en dan kon hij aan zijn volgende cyclus beginnen. Onwillekeurig wenste ik dat ik mijn ex-vrouw bij me had – die zou een AA-bijeenkomst kunnen vinden en hem daarheen kunnen brengen. Alleen zou Christy pas over eenentwintig jaar worden geboren.
Ik zette de tas tussen mijn voeten en hield mijn handen naar voren om te laten zien dat ze leeg waren, maar hij trok zich nog verder langs de zijkant van de droogschuur terug. Het speeksel glansde op zijn stoppelkin. Ik keek om me heen om er zeker van te zijn dat we geen aandacht trokken, zag dat we dit deel van het fabrieksterrein voor ons alleen hadden en probeerde het opnieuw. ‘Ik gaf je alleen een duw omdat je me aan het schrikken maakte.’
‘Wie bén jij, verdomme?’ vroeg hij. Zijn stem sloeg minstens vier registers over. Als ik die vraag de vorige keer niet had gehoord, zou ik niet hebben geweten wat hij vroeg... en hoewel hij met dezelfde lallende stem sprak, zat er deze keer een iets andere intonatie in. Ik wist het niet zeker, maar ik dacht van wel. Hij doet geen kwaad, maar hij is niet als anderen, had Al gezegd. Het lijkt wel of hij iets wéét. Dat kwam, dacht Al, waarschijnlijk doordat hij om twee minuten voor twaalf in de ochtend van 9 september 1958 dicht bij het konijnenhol in de zon zat en onder de invloed van dat hol stond. Zoals je ruis op een tv-scherm kunt veroorzaken door dichtbij een mixer te laten draaien. Misschien was dat het. Of, ach, misschien was het alleen maar de drank.
‘Niemand van belang,’ zei ik met mijn meest geruststellende stem. ‘Niemand om wie jij je druk hoeft te maken. Ik heet George. Hoe heet jij?’
‘Klootzak!’ snauwde hij, en hij schoof nog verder bij me vandaan. Als hij zo heette, was het een heel ongewone naam. ‘Je mag hier niet zijn!’
‘Maak je geen zorgen. Ik ben al weg,’ zei ik. Ik pakte de tas op om te laten zien dat ik het echt meende, en hij trok zijn magere schouders zo ver op dat ze bijna tegen zijn oren kwamen, alsof hij verwachtte dat ik de tas naar zijn hoofd zou gooien. Hij was net een hond die al zo vaak geslagen was dat hij geen andere behandeling meer verwachtte. ‘Ik doe geen kwaad. Oké?’
‘Rot op, schobbejak! Ga terug naar waar je vandaan komt en laat mij met rust!’
‘Afgesproken.’ Ik was nog niet helemaal bekomen van de schrik, en het laatste restje adrenaline ging niet goed samen met het medelijden dat ik voelde – om van mijn ergernis nog maar te zwijgen. Zo had ik me ook aan Christy geërgerd als ik bij thuiskomst ontdekte dat ze weer straalbezopen was, ondanks haar beloften om droog te staan, nuchter te blijven, voorgoed met de drank te kappen. De combinatie van al die emoties en de warmte van de nazomerdag maakten me een beetje misselijk. Dat was waarschijnlijk niet de beste manier om een reddingsmissie te beginnen.
Ik dacht aan Fruitonderneming Kennebec en de gazeuse die me zo goed had gesmaakt. Ik zag de damp weer opstijgen uit de ijskast toen Frank Ancietti senior daar het grote glas uit haalde. Bovendien was het daar heerlijk koel geweest. Ik liep die kant op, want ik had verder toch niets te doen. Mijn nieuwe (maar zorgvuldig langs de randen oud gemaakte) aktetas tikte tegen de zijkant van mijn knie.
‘Hé! Hé, jij daar!’
Ik draaide me om. De zwerver krabbelde overeind door tegen de zijkant van de schuur te steunen. Hij hield zijn hoed tegen zijn middenrif gedrukt en begon er nu aan te frommelen. ‘Ik heb een gele kaart van de groene zaak, dus geef me een dollar, kloothommel. Het is vandaag dubbelgelddag.’
We zaten weer in het script. Dat was geruststellend. Evengoed kwam ik niet te dicht bij hem. Ik wilde hem niet opnieuw afschrikken en zeker niet nog een aanval uitlokken. Ik bleef twee meter bij hem vandaan en stak mijn hand uit. Het muntje dat Al me had gegeven, glansde in mijn handpalm. ‘Ik kan geen dollar missen, maar hier heb je vijftig cent.’
Hij aarzelde, de hoed nu in zijn linkerhand. ‘Dan hoop ik dat je geen pijpbeurt wilt.’
‘Ik kom in de verleiding, maar ik kan er weerstand aan bieden.’
‘Huh?’ Hij keek van het muntje naar mijn gezicht en toen weer naar het geld. Hij bracht zijn rechterhand omhoog om het kwijl van zijn kin te vegen, en ik zag nog een verschil ten opzichte van de vorige keer. Niets wereldschokkends, maar genoeg om me te laten twijfelen aan Al’s bewering dat elke keer een volledige reset was.
‘Het kan me niet schelen of je het wilt hebben of niet, maar neem wel een besluit,’ zei ik. ‘Ik heb nog meer te doen.’
Hij griste het muntje uit mijn hand en drukte zich toen weer tegen de droogschuur. Zijn ogen waren groot en nat. Op zijn kin was weer een stroompje kwijl verschenen. Niets ter wereld heeft zoveel glans als een alcoholist in het laatste stadium. Het is me een raadsel waarom Jim Beam, Seagram’s en Mike’s Hard Lemonade ze niet in hun advertenties gebruiken. Drink Beam en je ziet een beter soort beestjes.
‘Wie ben jij? Wat kom je hier doen?’
‘Ik kom hier werk doen, hoop ik. Zeg, heb je AA al geprobeerd voor het kleine probleempje dat je met je dra...’
‘Rot op, Jimla!’
Ik had geen idee wie Jimla was, maar dat ‘rot op’ kwam luid en duidelijk over. Ik liep naar de poort en verwachtte dat hij nog meer vragen achter me aan zou slingeren. Dat had hij de vorige keer niet gedaan, maar deze ontmoeting was duidelijk anders verlopen.
Want hij was niet de Gelekaartman, niet deze keer. Toen hij zijn hand omhoogbracht om zijn kin af te vegen, was de kaart die hij daarin had gehad niet meer geel geweest.
Deze keer was het een vuile, maar toch knaloranje kaart.
2
Ik liep over het parkeerterrein van de fabriek en tikte weer op de kofferbak van de wit met rode Plymouth Fury; misschien bracht dat geluk. In elk geval kon ik al het geluk gebruiken dat ik kon krijgen. Ik stak het spoor over en hoorde weer het wuf-tsjuf van een trein, alleen klonk het ditmaal een beetje verder weg, omdat mijn ontmoeting met de Gelekaartman – die nu de Oranjekaartman was – een beetje langer had geduurd. De lucht stonk ook deze keer naar uitwasemingen van de fabriek, en dezelfde streekbus ronkte voorbij. Omdat ik nu een beetje later was, kon ik niet lezen wat er op het bord van de bus stond, maar ik herinnerde het me van de vorige keer: LEWISTON EXPRESS. Onwillekeurig vroeg ik me af hoe vaak Al diezelfde bus had gezien, met dezelfde passagiers die uit de ramen keken.
Ik stak vlug de straat over en wuifde de blauwe wolk uitlaatgas van de bus zo goed mogelijk bij me vandaan. De rockabilly-tiener stond bij de deur op zijn post, en ik vroeg me even af wat hij zou zeggen als ik zijn tekst stal. Maar in zekere zin zou dat net zo gemeen zijn als wanneer ik de zwerver bij de droogschuur met opzet had geterroriseerd. Als je de geheime taal van dat soort jongeren stal, hielden ze niet veel over. Deze kon niet eens naar huis gaan om achter zijn Xbox te gaan zitten. En dus knikte ik alleen maar.
Hij knikte terug. ‘Hi-ho, Daddy-O.’
Ik ging naar binnen. Het belletje rinkelde. Ik liep langs de stripboekjes die in de uitverkoop waren, recht op de fristap af, waarachter Frank Ancietti senior stond. ‘Wat kan ik vandaag voor u doen, meneer?’
Een ogenblik was ik stomverbaasd, want de vorige keer had hij iets anders gezegd. Toen besefte ik dat het niet vreemd was. De vorige keer had ik een krant uit het rek gepakt. Deze keer niet. Misschien zette elke trip naar 1958 de meter weer op nul (met uitzondering van de Gelekaartman), maar zodra je zelf iets anders deed, kon er van alles gebeuren. Dat idee was tegelijk angstaanjagend en bevrijdend.
‘Ik kan wel een gazeuse gebruiken,’ zei ik.
‘En ik kan wel wat klandizie gebruiken, dus we zijn het eens. Vijf of tien cent?’
‘Tien, zou ik zeggen.’
‘Ja, dat kunt u zeggen.’
Het beslagen glas kwam uit de ijskast. Hij gebruikte de steel van de pollepel om het schuim weg te strijken. Hij vulde het glas tot de rand en zette het voor me neer. Allemaal net als de vorige keer.
‘Dat is dan een dubbeltje, plus een cent voor de gouverneur.’
Ik gaf hem een van Al’s oude dollars, en terwijl Frank 1.0 het wisselgeld bij elkaar zocht, keek ik over mijn schouder en zag ik de voormalige Gelekaartman wankelend voor de slijterij staan – de groene zaak. Hij deed me denken aan een hindoefakir die ik in een oude film had gezien; die fakir had op een fluit geblazen om een cobra uit een rieten mand te laten komen. En precies volgens schema kwam op dat moment Ancietti junior over het trottoir aangelopen.
Ik draaide me om, nam een slokje van mijn gazeuse en zuchtte. ‘Dat gaat er wel in.’
‘Ja, op zo’n warme dag gaat er niets boven koude gazeuse. U bent niet van hier, hè?’
‘Nee, ik kom uit Wisconsin.’ Ik stak mijn hand uit. ‘George Amberson.’
Hij schudde mijn hand, en op dat moment rinkelde het belletje boven de deur. ‘Frank Ancietti. En daar hebben we mijn zoon Frank junior. Zeg meneer Amberson uit Wisconsin eens gedag, Frankie.’
‘Dag, meneer.’ Hij keek me aan met een glimlach en een knikje en wendde zich toen tot zijn vader. ‘Titus heeft de pick-up op de lift. Hij zegt dat-ie om vijf uur klaar is.’
‘Nou, dat is goed.’ Ik wachtte tot Ancietti 1.0 een sigaret opstak en werd niet teleurgesteld. Hij inhaleerde en keek toen mij weer aan. ‘Bent u voor zaken op reis of voor uw plezier?’
Eerst gaf ik geen antwoord, maar niet omdat de vraag me voor problemen stelde. Ik was er alleen van geschrokken dat deze scène steeds weer van het oorspronkelijke script afweek en er dan naar terugkeerde. Hoe het ook zij, Ancietti merkte het niet.
‘In elk geval kiest u een goed moment om hier te komen. De meeste zomermensen zijn weg, en zodra dat gebeurt, krijgen wij rust. Wilt u een schep vanille-ijs in uw gazeuse? Meestal is het vijf cent extra, maar op dinsdagen verlaag ik de prijs tot een stuiver.’
‘Die grap gebruikte je tien jaar geleden ook al, pa,’ zei Frank junior vriendelijk.
‘Dank u, maar het is goed zo,’ zei ik. ‘Ik ben hier voor zaken. Een onroerendgoedzaak in... Sabattus? Ja, ik geloof dat het zo heet. Kent u die plaats?’
‘Alleen maar vanaf mijn geboorte,’ zei Frank. Hij blies rook door zijn neusgaten en keek me toen scherp aan. ‘Een lange reis voor een onroerendgoedzaak.’
Ik keek hem aan met een glimlach in de trant van ‘je moest eens weten’. Blijkbaar drong dat tot hem door, want hij knipoogde naar me. Het belletje boven de deur rinkelde en de dames die fruit wilden kopen kwamen binnen. De wandklok met DRINK CHEER-UP KOFFIE gaf aan dat het twee minuten voor halfeen was. Blijkbaar was het deel van het script waarin Frank junior en ik over het verhaal van Shirley Jackson praatten uit deze versie geknipt. Ik dronk mijn gazeuse in drie lange teugen op en kreeg meteen kramp in mijn darmen. In romans hoeven personages bijna nooit naar de wc, maar in het echte leven wekken mentale spanningen vaak fysieke reacties op.
‘Zeg, u hebt niet toevallig een toilet, hè?’
‘Sorry, nee,’ zei Frank senior. ‘Ik ben steeds van plan er een te laten installeren, maar ’s zomers hebben we het te druk en ’s winters is er nooit genoeg geld voor vernieuwingen.’
‘U kunt de hoek omgaan naar Titus,’ zei Frank junior. Hij schepte roomijs in een metalen bus om een milkshake voor zichzelf te maken. Dat had hij de vorige keer niet gedaan, en ik dacht enigszins onbehaaglijk aan het zogeheten vlindereffect. Ik zag al voor me hoe die vlinder zijn vleugels uitvouwde. We veranderden de wereld. Alleen in kleine opzichten – oneindig kleine opzichten – maar ja, we veranderden hem.
‘Meneer?’
‘Sorry,’ zei ik. ‘Ik was even in hoger sferen.’
Hij keek verbaasd en lachte toen. ‘Die kende ik nog niet, maar hij is goed.’ Want dat was hij, en Frank zou hem ook gebruiken als hij zelf ook even in gedachten was geweest. En een frase die anders pas in de jaren zeventig of tachtig in het dagelijkse taalgebruik zou terechtkomen, zou een eerder debuut maken. Je kon niet zeggen een voortijdig debuut, want in deze tijdstroom zou het precies op het juiste moment gebeuren.
‘De Titus Chevron, een benzinestation, is om de hoek aan uw rechterhand,’ zei Ancietti senior. ‘Als het... eh... dringend is, mag u ons toilet hierboven gebruiken.’
‘Nee, ik red me wel,’ zei ik, en hoewel ik al op de wandklok had gekeken, keek ik nadrukkelijk op mijn Bulova aan zijn fraaie Speidel-band. Het was maar goed dat ze de wijzerplaat niet konden zien, want ik was vergeten hem op tijd te zetten en hij gaf nog de tijd van 2011 aan. ‘Maar ik moet gaan. Ik heb nog van alles te doen. Ik moet al veel geluk hebben, anders heb ik aan één dag niet genoeg. Kunt u me een goed motel hier in de buurt aanbevelen?’
‘Bedoelt u een motor court?’ vroeg Ancietti senior. Hij drukte zijn sigaret uit in een van de WINSTON SMAAKT GOED-asbakken op de toonbank.
‘Ja.’ Ditmaal had ik het gevoel dat mijn glimlach stompzinnig overkwam, dus zonder blik van verstandhouding... en mijn darmen trokken zich weer samen. Als ik daar niet gauw iets aan deed, werd het een groot probleem. ‘In Wisconsin noemen we ze motels.’
‘Nou, ik zou het Tamarack Motor Court aanbevelen, ongeveer acht kilometer hiervandaan aan de 196, richting Lewiston,’ zei Ancietti senior. ‘Het is dicht bij een drive-inbioscoop.’
‘Bedankt voor de tip.’ Ik stond op.
‘Graag gedaan. En als u zich wilt laten opknappen voordat u naar uw besprekingen gaat, kunt u Baumers Kapsalon proberen. Hij knipt erg goed.’
‘Dank u. Ook een goede tip.’
‘Tips zijn gratis. Ik hoop dat u een prettige tijd in Maine hebt, meneer Amberson. En Frankie? Drink die milkshake op en ga dan weer naar school.’
‘Reken maar, pa.’ Ditmaal was het junior die naar me knipoogde.
‘Frank?’ riep een van de dames met een joehoestem. ‘Zijn deze sinaasappels vers?’
‘Zo vers en stralend als je glimlach, Leola,’ antwoordde hij, en de dames deden van tie-hie. Ik probeer niet grappig te zijn; ze deden echt van tie-hie.
Ik liep naar de deur en mompelde in het voorbijgaan ‘dames’. Het belletje rinkelde en ik stapte de wereld in die voor mijn geboorte had bestaan. Ditmaal stak ik niet de straat over naar het fabrieksterrein waar het konijnenhol was, maar liep ik dieper die wereld in. Aan de overkant van de straat maakte de zwerver in de lange zwarte jas grote gebaren naar de verkoper in zijn korte witte jasje. Het kaartje waarmee hij zwaaide mocht dan oranje in plaats van geel zijn, verder hield hij zich aan hetzelfde script als de vorige keer.
Ik beschouwde dat als een goed teken.
3
De Titus Chevron bevond zich achter de Red & White-supermarkt, waar Al keer op keer dezelfde ingrediënten voor zijn hamburgertent had gekocht. Volgens het bord in de etalage kostte kreeft negenenzestig cent per pond. Tegenover de supermarkt stond op een stuk grond dat in 2001 braak lag een grote roodbruine schuur waarvan de deuren openstonden en waar allerlei soorten tweedehandsmeubelen te koop waren: wiegen, schommelstoelen van bamboe en gecapitonneerde luie stoelen, type ‘pa rust uit’, waren in overvloed aanwezig. Op het bord boven de deur stond DE VROLIJKE WITTE OLIFANT. Een tweede bord, op een standaard gezet om de aandacht van mensen op de weg naar Lewiston te trekken, deed de nogal gewaagde bewering: ALS WIJ HET NIET HEBBEN, HEBT U HET NIET NODIG. Een man van wie ik aannam dat hij de eigenaar was, zat in een van de schommelstoelen. Hij rookte een pijp en keek naar mij. Hij droeg een strak T-shirt en een wijde bruine broek. Hij had ook een sikje, wat ik nogal gewaagd vond voor dit specifieke eilandje in de tijdstroom. Zijn haar was naar achteren gekamd en werd op zijn plaats gehouden met een soort vet, maar het viel in krullen over zijn nek en deed me denken aan een oude rock-’n-roll-video die ik had gezien: Jerry Lee Lewis die op zijn piano sprong terwijl hij ‘Great Balls of Fire’ zong. Waarschijnlijk werd de eigenaar van De Vrolijke Witte Olifant als de beatnik van het stadje beschouwd.
Ik groette hem door mijn wijsvinger op te steken. Hij knikte me vaag toe en nam weer een trekje van zijn pijp.
Bij de Chevron (waar gewone benzine vijf cent per liter kostte en ‘super’ een cent meer), werkte een man in een blauwe overall en met strak gemillimeterd haar aan een pick-uptruck – die van de Ancietti’s, nam ik aan – die op de smeerbrug stond.
‘Meneer Titus?’
Hij keek over zijn schouder. ‘Ja?’
‘Meneer Ancietti zei dat ik uw toilet mocht gebruiken.’
‘De sleutel zit aan de binnenkant van de voordeur.’
‘Dank u.’
De sleutel zat aan een houten spaan met HEREN. Op de spaan van de andere sleutel stond MEISJES. Mijn ex-vrouw zou zijn ontploft als ze dat zag, dacht ik met enige blijdschap.
Het toilet was schoon, al hing er een rooklucht. Er stond een grote asbak naast de toiletpot. Gezien de vele peuken daarin nam ik aan dat veel bezoekers van dit keurige kleine kamertje er zowel paften als poepten.
Toen ik weer buiten kwam, zag ik een stuk of twintig gebruikte auto’s op een terreintje naast het benzinestation staan. Een lijn met kleurrijke vaantjes fladderde erboven in de lichte bries. Auto’s die in 2011 duizenden dollars zouden hebben opgebracht – als oldtimers – werden aangeboden voor vijfenzeventig of honderd dollar. Een Cadillac die er zo goed als nieuw uitzag, was voor achthonderd dollar te koop. Het bord boven het verkoophokje (waarin een kauwgom kauwend leuk meisje met paardenstaart zat, verdiept in Photoplay) liet weten: AL DEZE AUTO’S LOPEN GOED EN HEBBEN DE BILL TITUS GERANTIE KOOP BIJ DE MAN DIE OOK REPAREREN KAN!
Ik hing de sleutel op, bedankte Titus (die iets terugbromde zonder zich af te wenden van de pick-uptruck op de brug) en liep naar Main Street terug. Het leek me een goed idee om mijn haar te laten knippen voordat ik naar de bank ging. Dat deed me denken aan de beatnik met het sikje, en in een impuls stak ik de straat over naar de uitdragerij.
‘Goeiemorgen,’ zei ik.
‘Nou, het is eigenlijk al middag, maar het is mij best.’ Hij nam een trekje van zijn pijp, en de lichte nazomerbries voerde een vleugje Cherry Blend naar me toe. Het deed me ook denken aan mijn opa, die dezelfde tabak rookte toen ik nog een kind was. Hij blies de rook soms in mijn oor om pijn te verlichten, een behandeling die waarschijnlijk niet door de orde van geneeskundigen werd erkend.
‘Verkoopt u ook koffers?’
‘O, daar heb ik er wel een paar van. Maar niet meer dan tweehonderd. Loopt u maar helemaal naar achteren en kijkt u dan naar rechts.’
‘Als ik er een koop, kan ik hem hier dan een paar uur achterlaten terwijl ik wat boodschappen doe?’
‘Ik ben open tot vijf uur,’ zei hij, en hij hield zijn gezicht weer in de zon. ‘Daarna bent u op uzelf aangewezen.’
4
Ik gaf twee van Al’s oude dollars voor een leren koffer, liet hem achter de toonbank van de beatnik staan en liep naar Main Street terwijl mijn aktetas tegen mijn been bungelde. Ik wierp een blik in de slijterij en zag dat de verkoper naast de kassa een krant zat te lezen. Mijn vriend in de zwarte overjas was nergens te bekennen.
Je kon niet gemakkelijk in de winkelwijk verdwalen, want die strekte zich uit over maar één huizenblok. Drie of vier etalages bij Fruitmaatschappij Kennebec vandaan vond ik Baumers Kapsalon. Een rood met wit gestreepte paal draaide rond in de etalage. Daarnaast hing een poster met de politicus Edmund Muskie. Ik herinnerde me hem als een vermoeide oude man met afhellende schouders, maar deze versie van hem leek bijna te jong om te stemmen, laat staan om gekozen te worden. Op de poster stond: STUUR ED MUSKIE NAAR DE SENAAT, STEM DEMOCRAAT! Iemand had een witte strook op de onderkant aangebracht. Daarop was met de hand geschreven: ZE ZEIDEN DAT HET IN MAINE NIET ZOU LUKKEN MAAR WE HEBBEN HET KLAARGESPEELD! DE VOLGENDE: HUMPHREY IN 1960!
Binnen zaten twee oude mannen tegen de muur, terwijl een even oude man zijn tonsuur liet bijknippen. Beide wachtende mannen rookten als schoorstenen. De kapper (Baumer, nam ik aan) rookte ook; onder het knippen kneep hij een van zijn ogen dicht tegen de opkringelende rook. Alle vier keken ze naar me met een blik die ik wel kende; de net-niet-wantrouwige, onderzoekende blik die Christy eens yankee-staren noemde. Het was prettig om te weten dat sommige dingen niet veranderd waren.
‘Ik kom van buiten de stad, maar ik ben een vriend,’ zei ik tegen hen. ‘Ik heb mijn hele leven netjes Democratisch gestemd.’ Ik stak mijn hand op voor een gebaar van zo-waarlijk-helpe-mij-God.
Baumer bromde geamuseerd. Er viel as van zijn sigaret. Hij streek die as van zijn jasje weg en op de vloer, waar geplette peuken tussen het afgeknipte haar lagen. ‘Harold daar is Republikein. Kijk maar uit dat hij je niet bijt.’
‘Daar heeft hij de tanden niet meer voor,’ zei een van de anderen, en ze kakelden allemaal van het lachen.
‘Waar komt u vandaan, meneer?’ vroeg Harold de Republikein.
‘Wisconsin.’ Om geen gesprek te hoeven beginnen pakte ik een exemplaar van Man’s Adventure op. Op het omslag liep een onmenselijk Aziatisch heerschap dat handschoenen droeg met een zweep naar een mooie blonde vrouw die aan een paal was gebonden. Het bijbehorende verhaal heette SEKSSLAVINNEN VAN DE JAPANNERS IN DE STILLE OCEAAN. In de kapperszaak hing een zoete, heerlijke geur van talkpoeder, pommade en sigarettenrook. Toen Baumer me een teken gaf dat ik in de stoel kon gaan zitten, was ik in het verhaal over de seksslavinnen verdiept. Het was niet zo opwindend als het omslag beloofde.
‘Een lange reis gemaakt, meneer Wisconsin?’ vroeg hij terwijl hij een doek van wit rayon over mijn voorkant hing en een papieren kraag om mijn hals vastmaakte.
‘Inderdaad,’ zei ik naar waarheid.
‘Nou, u bent nu in Gods eigen land. Hoe kort wilt u het?’
‘Zo kort dat ik niet op een...’ Op een hippie lijk, zei ik bijna, maar Baumer zou niet weten wat dat was. ‘... dat ik niet op een beatnik lijk.’
‘U hebt het een beetje laten woekeren.’ Hij begon te knippen. ‘Als u het nog veel langer liet worden, zou u eruitzien als dat mietje van De Vrolijke Witte Olifant.’
‘Dat zou ik niet willen,’ zei ik.
‘Nee, hij ziet er verschrikkelijk uit.’
Toen Baumer klaar was, poederde hij mijn nek, vroeg me of ik Vitalis, Brylcreem of Wildroot Cream Oil wilde, en bracht me veertig cent in rekening.
Dat noem ik pas een koopje.
5
Mijn storting van duizend dollar bij de Hometown Trust Bank stuitte niet op opgetrokken wenkbrauwen. Waarschijnlijk hielp mijn pas geknipte haar, maar ik denk dat ze het niet vreemd vonden omdat in die tijd nog veel met baar geld werd gewerkt. Creditcards stonden nog in de kinderschoenen... en de zuinige yankees stonden waarschijnlijk argwanend tegenover die dingen. Een lokettiste, aantrekkelijk op een strenge manier, haar haar opgestoken in strakke rollen, een camee op haar keel, telde mijn geld, schreef het bedrag in, riep de assistent-bedrijfsleider, die het ook telde, de inschrijving controleerde en toen een ontvangstbewijs uitschreef waaruit bleek hoeveel ik had gestort en hoeveel er op mijn nieuwe rekening stond.
‘Als ik het mag zeggen: dat is nogal een groot bedrag voor een rekening-courant, meneer Amberson. Wilt u misschien een spaarrekening openen? We bieden momenteel een jaarlijkse rente van drie procent, die per kwartaal wordt uitbetaald.’ Hij zette grote ogen op om te laten zien hoe geweldig dat was. Hij leek net Xavier Cugat, die Cubaanse bandleider van vroeger.
‘Dank u, maar ik heb nogal veel zaken te doen.’ Ik dempte mijn stem. ‘Een onroerendgoedtransactie. Tenminste, dat hoop ik.’
‘Veel succes,’ zei hij. Ook hij dempte zijn stem en sprak op vertrouwelijke toon. ‘Lorraine zal u cheques geven. Is vijftig voorlopig genoeg?’
‘Vijftig is prima.’
‘Later kunnen we ook cheques met uw naam en adres laten drukken.’ Hij trok vragend zijn wenkbrauwen op.
‘Ik denk dat ik dan in Derry zit. Ik neem nog contact op.’
‘Goed. Ik ben te bereiken op Drexel acht vier-zeven-zeven-zeven.’
Ik wist niet waar hij het over had, tot hij een kaartje door het loket schoof. Daarop stond: Gregory Dusen, assistent-bedrijfsleider, Drexel 8‑4777. Een telefoonnummer uit de jaren vijftig.
Lorraine gaf me mijn cheques en een chequeboek van imitatie-alligatorleer om ze in te stoppen. Ik bedankte haar en liet ze in mijn aktetas vallen. Bij de deur bleef ik staan en keek ik achterom. Een paar lokettistes werkten met rekenmachines, maar verder werden alle transacties met de pen bijgehouden. Ik bedacht dat op een paar kleinigheden na Charles Dickens zich hier volkomen thuis zou hebben gevoeld. Het schoot me ook te binnen dat als je in het verleden leefde het was alsof je onder water was en door een slangetje ademhaalde.
6
Ik kocht de kleren die Al had aanbevolen bij Mason Herenkleding, en de verkoper zei dat ze met alle genoegen een cheque zouden accepteren, mits die afkomstig was van een plaatselijke bank. Dankzij Lorraine kon ik daaraan voldoen.
Toen ik bij De Vrolijke Witte Olifant terugkwam, keek de beatnik zwijgend toe terwijl ik de inhoud van drie draagtassen naar mijn nieuwe koffer overbracht. Toen ik hem dichtklapte, gaf hij eindelijk zijn mening. ‘Een vreemde manier om te winkelen, man.’
‘Misschien wel,’ zei ik, ‘maar het is een vreemde wereld, nietwaar?’
Daar moest hij om glimlachen. ‘Volgens mij heeft God de aarde daarom scheef gezet voordat Hij hem losliet. ‘Je hand, man.’ Hij stak me zijn hand toe, met de palm omhoog.
Een ogenblik was het net als toen ik me afvroeg wat het woord Drexel in combinatie met die cijfers betekende. Toen herinnerde ik me Dragstrip Girl en begreep ik dat de beatnik me de jarenvijftig-versie van een fist-bump aanbood. Ik bewoog mijn handpalm over de zijne, voelde de warmte en het zweet en dacht weer: Dit is echt. Dit gebeurt.
‘Mijn hand, man,’ zei ik.
7
Met mijn pas gevulde koffer aan mijn ene hand en de aktetas aan mijn andere hand bungelend, liep ik terug naar de Titus Chevron. In de 2011-wereld waaruit ik kwam, was het nog maar halverwege de ochtend, maar ik was doodmoe. Je zou kunnen zeggen dat ik een Twilight Zone-versie van een jetlag had. Er stond een telefooncel tussen het benzinestation en het parkeerterrein dat daarnaast lag. Ik ging naar binnen, sloot de deur en las het met de hand beschreven bordje boven de ouderwetse munttelefoon: VERGEET NIET GESPREKKEN KOSTEN NU EEN DUBBELTJE MET DE COMPLIMENTEN VAN ‘MA’ BELL.
Ik bladerde in de bedrijvenafdeling van het telefoonboek en vond Lisbon Taxi. In hun advertentie zag je een cartoontaxi met koplampen als ogen en een grote glimlach op de radiateur. Het bedrijf beloofde SNELLE, HOFFELIJKE SERVICE. Dat klonk goed. Ik zocht naar mijn kleingeld, maar het eerste wat ik te pakken kreeg, was iets wat ik had moeten achterlaten: mijn Nokia-mobieltje. In het jaar waar ik vandaan was gekomen was het een antiek geval – ik had het willen inruilen voor een iPhone – maar hier had het niets te zoeken. Als mensen het zagen, zouden ze me honderd vragen stellen die ik niet kon beantwoorden. Ik stopte hem in de aktetas. Daar kon hij wel even in blijven zitten, maar uiteindelijk zou ik me ervan moeten ontdoen. Als ik hem hield, liep ik rond met een tijdbom.
Ik vond een dubbeltje, liet het in de gleuf vallen en kreeg het meteen terug. Ik viste het uit het teruggaveluikje en zag meteen wat het probleem was. Net als mijn Nokia was het dubbeltje uit de toekomst gekomen; het was een koperen munt, eigenlijk niet meer dan een cent met pretenties. Ik haalde al mijn munten tevoorschijn, zocht ertussen en vond een dubbeltje uit 1953 dat ik waarschijnlijk bij mijn wisselgeld had gekregen toen ik gazeuse bij Kennebec had gekocht. Ik wilde het in de gleuf stoppen, maar toen kwam er een gedachte bij me op waardoor ik het meteen ijskoud had. Als mijn dubbeltje uit 2002 nu eens in de telefoon was blijven steken in plaats van naar het luikje te vallen? En als de telefoonman die de munttelefoons in Lisbon Falls onderhield het nu eens had gevonden?
Hij zou hebben gedacht dat het een grap was. Dat is alles. Een ingewikkelde grap.
Op de een of andere manier betwijfelde ik dat – het dubbeltje was te goed. Hij zou het aan anderen hebben laten zien; misschien had er uiteindelijk iets over in de krant gestaan. Deze keer had ik geluk gehad, maar de volgende keer had ik dat misschien niet. Ik moest voorzichtig zijn. Ik dacht weer aan mijn mobiele telefoon en maakte me nog meer zorgen. Toen stak ik het dubbeltje uit 1953 in de gleuf en kreeg de kiestoon. Langzaam en zorgvuldig draaide ik het nummer; ik vroeg me af of ik ooit eerder een telefoon met een draaischijf had gebruikt. Ik dacht van niet. Telkens wanneer ik de schijf losliet en hij terugdraaide, maakte de telefoon een vreemd klikkend geluid.
‘Lisbon Taxi,’ zei een vrouw, ‘met een glimlach bij elke kilometer. Wat kunnen we voor u doen?’
8
Terwijl ik op mijn taxi wachtte, keek ik wat rond op Titus’ terrein met tweedehandsauto’s. Ik voelde vooral veel voor een rode Ford cabriolet, model 1954 – een Sunliner, zoals onder de chromen koplamp aan de bestuurderskant te lezen stond. Hij had banden met witte zijkanten en een echt canvas-dak dat de cool cats uit Dragstrip Girl een ‘ragtop’ zouden hebben genoemd.
‘Dat is geen slechte, meneer,’ zei Bill Titus achter me. ‘Hij rijdt alsof hij in brand staat. Dat kan ik persoonlijk bevestigen.’
Ik draaide me om. Hij veegde zijn handen af aan een rode lap die bijna even vettig leek als zijn handen.
‘Een beetje roest op de dorpels,’ zei ik.
‘Ja, nou, in dit klimaat...’ Hij haalde zijn schouders op: wat deed je eraan? ‘Waar het om gaat, is dat de motor in puike conditie verkeert en dat die banden bijna nieuw zijn.’
‘V-8?’
‘Y-blok,’ zei hij, en ik knikte alsof ik dat volkomen begreep. ‘Ik heb hem van Arlene Hadley in Durham gekocht toen haar man was gestorven. Als Bill Hadley één ding kon, dan was het een auto onderhouden... Maar u zult hen niet kennen, want u bent niet van hier, hè?’
‘Nee, ik kom uit Wisconsin. George Amberson.’ Ik stak mijn hand uit.
Hij schudde zijn hoofd en glimlachte een beetje. ‘Aangenaam kennis te maken, meneer Amberson, maar ik wil niet dat u onder de smeer komt te zitten. Gaat u er maar van uit dat ik u de hand heb geschud. Wilt u kopen of kijken?’
‘Dat weet ik nog niet,’ zei ik, maar dat was een smoesje. Ik vond de Sunliner de mooiste auto die ik in mijn hele leven had gezien. Ik deed mijn mond open om naar het verbruik te vragen, maar besefte toen dat die vraag nauwelijks betekenis had in een wereld waar je voor twee dollar je tank kon laten volgooien. In plaats daarvan vroeg ik hem of het een handgeschakelde auto was.
‘Ja. En als u in zijn twee komt, moet u oppassen voor de politie. Ze spuit over de weg. Wilt u een ritje maken?’
‘Kan niet,’ zei ik. ‘Ik heb net een taxi gebeld.’
‘Dat is geen manier om te reizen,’ zei Titus. ‘Als u deze wagen kocht, kon u in stijl naar Wisconsin terugrijden. Dan hoefde u niet met de trein.’
‘Hoeveel vraagt u ervoor? Ik zie geen prijs op de voorruit.’
‘Nee, ik heb hem pas eergisteren als inruiler gekregen. Ik ben er nog niet aan toegekomen.’ Hij haalde zijn sigaretten tevoorschijn. ‘Ik vraag er driehonderdvijftig voor, maar weet u wat? Er valt over te praten.’
Ik zette mijn tanden op elkaar om te voorkomen dat mijn mond openviel en zei tegen hem dat ik erover zou nadenken. Als ik er iets voor voelde, zei ik, kwam ik de volgende dag terug.
‘Dan zou ik maar vroeg komen, meneer Amberson, want deze wagen blijft vast niet lang staan.’
Ik voelde me weer gerustgesteld. Ik had kleingeld dat niet in munttelefoons werkte, bankieren werd nog grotendeels met de hand gedaan, en de telefoons maakten een vreemd tikkend geluid in je oor als je een nummer draaide, maar sommige dingen veranderden niet.
9
De taxichauffeur was een dikke man met een gedeukte pet waarop een insigne met VERGUNNINGHOUDER stond. Hij rookte de ene Lucky Strike na de andere en had de radio afgestemd op WJAB. We luisterden naar ‘Sugartime’ van de McGuire Sisters, ‘Bird Dog’ van de Everly Brothers en ‘Purple People Eater’ van een zekere Sheb Wooley. Dat laatste nummer had ik niet hoeven te horen. Na twee nummers zongen drie jonge vrouwen telkens met valse stem: ‘Véértien Véértig, WJA-beee... een stoot muziek!’ Ik vernam dat ze bij Romanow de jaarlijkse knaluitverkoop aan het eind van de zomer hadden, en dat F.W. Woolworth een nieuwe lading hoelahoepen had binnengekregen – een koopje voor één dollar negenendertig.
‘Die rotdingen leren kinderen alleen maar met hun heupen te zwaaien,’ zei de taxichauffeur, en hij liet de askegel van zijn sigaret uit het tochtraampje vliegen. Dat was zijn enige poging tot conversatie tussen de Titus Chevron en de Tamarack Motor Court.
Ik draaide mijn raampje open om een beetje van de sigarettendamp verlost te zijn en naar de andere wereld te kijken die aan me voorbij gleed. De stadsuitbreiding tussen Lisbon Falls en Lewiston bestond nog niet. Afgezien van een paar benzinestations, het Hi-Hat Drive-In-restaurant en de openluchtbioscoop (ze hadden een dubbele voorstelling: Vertigo en The Long Hot Summer – allebei in CinemaScope en Technicolor) reden we door een zuiver Maine-landschap. Ik zag meer koeien dan mensen.
Het motel stond een eindje bij de weg vandaan, in de schaduw van niet alleen lariksen, zoals je op grond van de naam ‘Tamarack Motor Court’ zou verwachten, maar ook gigantische, statige iepen. Het was niet alsof ik een kudde dinosaurussen zag lopen, maar het scheelde niet veel. Ik vergaapte me eraan terwijl Vergunninghouder weer een sigaret opstak. ‘Zal ik u helpen met de bagage, meneer?’
‘Nee, ik red me wel.’ Het bedrag op zijn meter was niet zo statig als de iepen, maar toch keek ik ervan op. Ik gaf de man twee dollar en vroeg vijftig cent terug. Blijkbaar was hij daar tevreden over. Per slot van rekening was de fooi genoeg om er een pakje Lucky Strikes voor te kopen.
10
Ik schreef me in (geen probleem; geld op de balie en geen identiteitsbewijs nodig) en sliep een tijdje in een kamer waar de airconditioning een ventilator op de vensterbank was. Ik werd verkwikt wakker (goed) en kon die nacht niet meer in slaap komen (niet goed). Er was na zonsondergang bijna geen verkeer meer op de weg, en de stilte was zo diep dat ze op mijn zenuwen ging werken. De televisie was een Zenith-tafelmodel dat wel vijftig kilo moest wegen. Er stonden twee sprietantennes op. Daar stond een bordje tegenaan met ANTENNE MET DE HAND BIJSTELLEN GEBRUIK GEEN ‘ALUFOLIE!’ DANK U, DE BEDRIJFSLEIDING.
Er waren drie stations. Het station dat bij NBC was aangesloten had zoveel sneeuw dat er niet naar te kijken viel, hoe ik ook aan de antenne draaide, en bij CBS ging het beeld op de loop; daar was wel een knop voor, maar die loste het probleem niet op. ABC, dat kristalhelder doorkwam, vertoonde The Life and Legend of Wyatt Earp met Hugh O’Brian. Hij schoot een paar boeven dood en daarna kwam er een reclamespotje voor Viceroy-sigaretten. Steve McQueen legde uit dat Viceroy-sigaretten het filter van de denker en de smaak van de roker hadden. Terwijl hij er een opstak, kwam ik van het bed en zette de tv uit.
Toen was er alleen nog het geluid van de krekels.
Ik trok al mijn kleren behalve mijn onderbroek uit, ging liggen en probeerde te slapen. Mijn gedachten gingen naar mijn moeder en vader. Pa was zes jaar oud en woonde in Eau Claire. Mijn moeder, nog maar vijf, woonde in een boerderij in Iowa die over drie of vier jaar tot de grond zou afbranden. Haar familie zou naar Wisconsin verhuizen, dichter naar het snijpunt van levens toe waaruit ten slotte... ik zou voortkomen.
Ik ben gek, dacht ik. Gek, en ik heb een vreselijke hallucinatie in een psychiatrische inrichting. Misschien schrijft er een dokter over me in een psychiatrisch vakblad. In plaats van ‘De man die zijn vrouw voor een hoed hield’ word ik ‘De man die dacht dat hij in 1958 was’.
Maar ik streek met mijn hand over de bobbelige sprei, die ik nog niet had opgeslagen, en wist dat ik daar echt was. Ik dacht aan Lee Harvey Oswald, maar Oswald behoorde nog tot de toekomst, en daar in dat museumstuk van een motelkamer maakte ik me druk om heel iets anders.
Ik ging op de rand van het bed zitten, maakte de aktetas open en haalde mijn mobiele telefoon tevoorschijn, een tijdreisapparaatje dat hier van geen enkele waarde was. Evengoed kon ik het niet laten het open te klappen en aan te zetten. In het venstertje verscheen natuurlijk GEEN NETWERK – wat had ik anders verwacht? Vijf streepjes? Een klaaglijke stem die zei: Kom naar huis, Jake, voordat je dingen doet die niet ongedaan gemaakt kunnen worden? Wat een dom, bijgelovig idee. Als ik schade aanrichtte, kon ik het wel degelijk ongedaan maken, want elke trip was een reset. Je zou kunnen zeggen dat tijdreizen een ingebouwde veiligheidsknop had.
Dat was een prettig idee, al was het bepaald niet geruststellend om zo’n telefoon te hebben in een wereld waar kleurentelevisie de grootste technologische doorbraak op het gebied van consumentenelektronica was. Ik zou niet als heks worden opgehangen als ze me ermee betrapten, maar misschien werd ik wel door de politie opgepakt en in een cel vastgehouden totdat een paar kerels van de FBI uit Washington waren overgekomen om me te ondervragen.
Ik legde hem op het bed en haalde toen al mijn kleingeld uit mijn rechterzak. Ik maakte twee stapeltjes van de munten. Die uit 1958 en eerder gingen in mijn zak terug. Die uit de toekomst gingen in een van de enveloppen die ik in de bureaula vond (samen met een Gideonbijbel en een afhaalmenu van de Hi-Hat). Toen kleedde ik me aan, nam mijn sleutel en verliet de kamer.
Buiten maakten de krekels veel meer geluid. Er hing een schijfje maan in de hemel. In het zwakke schijnsel daarvan leken de sterren feller en dichterbij dan ooit. Op de 196 denderde een vrachtwagen voorbij, en toen was het stil op de weg. Dit was het platteland, en het platteland sliep. In de verte floot een goederentrein een gat door de nacht.
Er stonden maar twee auto’s op de binnenplaats, en de kamers waar ze bij hoorden waren donker. Het kantoor was dat ook. Terwijl ik me een misdadiger voelde, liep ik het veld achter het motel in. Het hoge gras ritselde tegen de pijpen van mijn spijkerbroek, die ik de volgende dag zou verwisselen voor mijn nieuwe Ban-Lon-broek.
Langs de rand van het Tamarack-terrein liep een omheining van gewoon draad, dus geen prikkeldraad. Daarachter lag een kleine vijver. Dichtbij sliepen zes koeien in de warme nacht. Een van die koeien keek naar me op toen ik me onder de omheining door werkte en naar de vijver liep. Daarna verloor ze haar belangstelling en liet ze haar kop weer zakken. Ze keek niet op toen mijn Nokia-mobieltje in de vijver plonsde. Ik plakte de envelop met mijn munten dicht en gooide hem achter de telefoon aan. Toen liep ik terug naar het motel. Ik bleef even aan de achterkant staan om zeker te weten dat er nog steeds niemand op de binnenplaats was. Er was niemand.
Ik ging mijn kamer in, kleedde me uit en viel bijna meteen in slaap.