73. Blind
-Jij hebt toch nog de bekerfinale van Zwitserland gespeeld?
‘Zeker. Met FC Aarau tegen Grasshoppers. We verloren met 2-1. Dat was in Bern, als ik me niet vergis. Volgens mij heb ik in die wedstrijd nog gescoord ook.’
-Weet je dat niet meer?
‘Nee, niet helemaal zeker. Maar ik dacht het wel.’
-Je doet net alsof je tientallen keren in een bekerfinale hebt gescoord.
‘Helemaal niet. Ik weet het gewoon niet meer.’
-Wel van genoten?
‘Natuurlijk. Het halve dorp was uitgelopen voor ons. Toen we op het grote plein kwamen, stonden er tienduizend mensen op ons te wachten. Terwijl we hadden verloren. Dat is toch lief?’
-Ik hoor je anders nooit over je tijd bij Aarau.
‘Ja, maar ik heb er ook maar kort gespeeld.’
-Laat me raden: je kreeg weer eens ruzie met het management of de trainer.
‘Ja. Allebei. Maar ik heb het daar wel naar mijn zin gehad hoor. Ik ging af en toe naar Milaan. Dat was een uur of drie rijden. Even naar mijn vriend Ruud kijken.’
-Kwam Ruud ook weleens bij jou kijken?
‘Ja hoor. Dat was altijd mooi, als hij dan Aarau kwam binnenrijden. Dat was een dorp, een soort Heerenveen in het klein, waar ze volgens mij nog nooit een neger in het echt hadden gezien. En dan kwam opeens de grote Gullit de hoek om, op dat moment net uitgeroepen tot de aller- allerbeste voetballer ter wereld. Had je die gezichten moeten zien!’
-Alsof er een spook kwam aanlopen?
‘Zoiets. Ruud is in Aarau ook getuige geweest op mijn huwelijk met Jacqueline. Er zijn nog nooit zo veel fotografen in dat dorp geweest als die dag.’
-Was het eigenlijk een goed team, Aarau?
‘Er zaten wel een paar aardige spelers bij. Sforza bijvoorbeeld, die later naar Bayern München en Inter is gegaan. En we hadden de grote Wilfried Hannes in de ploeg, die Duitser. Hij had in het beroemde Borussia Mönchengladbach altijd naast Berti Vogts gespeeld. Goede voetballer hoor, maar dat kan natuurlijk ook niet anders wanneer je in één team met Günter Netzer en Allan Simonsen hebt gespeeld. Een beer van een vent ook, zo’n Hans-Peter Briegel-type. Hij had trouwens maar zicht in één oog, wist je dat? Met zijn rechteroog zag hij niks.’
-Helemaal blind?
‘Volledig. En ik wist dat. Daarom passeerde ik hem op de training ook altijd alleen maar aan zijn rechterkant. Dan zag-ie ’t niet aankomen, onze Wilfried. Tik, balletje erlangs en dan maar hollen. Lekker man. En Hannes maar vloeken. Scheisse Gijp! Heerlijk.’