50. ‘Doe maar eerst het alvleeskliertje’
PSV speelt tegen het Oostenrijkse SV Ried. Het staat 0-0. Halverwege de eerste helft gaat de telefoon. ‘Hé’, zegt René van der Gijp, ‘ik heb goed nieuws!’
Er is iets vreemds aan de hand. Hij klinkt opgewekter dan normaal, om niet te zeggen euforisch. Nog vreemder: op de achtergrond is het geluid van voorbijrazend verkeer te horen, in plaats van de commentaarstem van Eredivisie Live. Hoe kan dat? Waarom ligt René van der Gijp niet gewoon met de afstandsbediening in zijn hand voor de tv, zich te ergeren aan Stanislav Manolev?
‘Ik ben net gebeld door Caspertje.’
In de spaarzame uren dat prof. dr. C.H.J. van Eijk, eminent oncoloog aan het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam, niet tussen de zware kankerpatiënten en zijn operatiezaal doorbrengt, zit hij graag in een dug-out en wacht hij als clubarts op een gescheurde wenkbrauw of een ander sportongemak waarbij zijn hulp gewenst is. Vroeger op Het Kasteel van Sparta, waar hij dik dertig jaar geleden een hechte vriendschap met René van der Gijp sloot, en tegenwoordig in De Kuip als dokter van Feyenoord.
‘Weet je wat het is?’, zegt René van der Gijp vanuit de auto, ‘Ik ben de laatste tijd te veel met de dood van Fritz Korbach bezig geweest. Véél te veel.’
Zijn toon is plotseling ernstig.
‘Ik kon het de afgelopen dagen heel moeilijk van me af zetten. En net toen dat een beetje lukte, begonnen andere mensen me er steeds aan te herinneren. Elke dag belde er wel iemand. “Erg hè, van Fritz?” Ja, heel erg, ja. Maar weet je: die mensen hingen dan op en gingen weer gewoon door met hun dagelijkse dingetjes. Maar ik zat alleen thuis. En dan bleef ik daar elke keer heel lang over nadenken. Véél te lang. Ik werd er gek van. Het liet me niet meer los. Nou, en dat was het begin.’
Toen René van der Gijp merkte dat het overlijden van Fritz Korbach zijn gedachten begon te beheersen, wist hij onbewust al wat hem te wachten stond. Hij is vaker in zo’n situatie geweest. ‘Eens in de vijf, zes jaar heb ik daar last van. Een soort angstaanvallen. Vervelend hoor. Je hebt constant een soort opgejaagd gevoel. Ik krijg er na verloop van tijd ook altijd lichamelijk last van. Zweetaanvallen, hoge bloeddruk, een verhoogde, onregelmatige hartslag. Op het einde zelfs hyperventilatie.’
Het beklemmende gevoel dat René van der Gijp in die periodes langzaam maar zeker in zijn greep krijgt, laat zich het best omschrijven als een constant gevoel van naderend onheil. Het vertaalt zich vroeg of laat ook in bepaalde dwangmatige gedachten en handelingen. ‘Ja man. Dan dacht ik ’s ochtend, bij het opstaan: oké, ik ga vanavond om tien uur lekker in het saunaatje zitten. Maar het gekke is: dat werd gaandeweg de dag een soort obsessie. Het beheerste mijn doen en laten. Ik werd er nerveus van. Als ik dan bijvoorbeeld bezoek had, dan dacht ik alleen maar: om kwart voor tien moeten jullie de deur uit, want om tien uur precies moet ik in de sauna zitten.’
Hij begon steeds vaker te hyperventileren de afgelopen dagen. Hij had last van een drukkend gevoel op zijn borst, een droge mond en begon allerlei dingen te vermoeden die er helemaal niet waren. Eerst nog kwaaltjes, maar al snel levensbedreigende ziektes. Het nerveuze gevoel dat constant op de achtergrond zeurde en de dwangmatige gedachten die dat scheen op te roepen, begonnen steeds merkwaardiger vormen aan te nemen. ‘Maandag, nadat ik een uitsmijtertje had gegeten in Reeuwijk, reed ik terug naar Dordrecht. Toen dacht ik bij het wegrijden bij mezelf: ik hoop maar niet dat de Van Brienenoordbrug open staat. Gek hè? Je zou denken: laat lekker gaan, die Van Brienenoord. Ja toch? Bruggetje open, bruggetje dicht: wat maakt het allemaal uit? Maar nu werd ik er erg onrustig van. Nerveus. Ik kon bijna niets anders meer denken dan: als de Van Brienenoordbrug maar niet open staat.’
En intussen belde elke dag Bobby Korbach, de zoon van de betreurde trainer en spraken ze urenlang over Fritz. Zo ging het van kwaad tot erger. Tot gisteren dus. Toen was hij het opeens helemaal zat. Hij had zijn spullen bij elkaar gepakt, Caspertje gebeld met de mededeling dat hij onderweg was en ingecheckt in het Erasmus Ziekenhuis. Ook de dokter wist toen hoe laat het was: zijn vriend was toe aan zijn vijfjaarlijkse, zelfopgelegde apk-keuring.
‘Als René te veel hooi op zijn vork neemt, krijgt hij psychosociale klachten’, had Van Eijck maanden eerder al eens tegen Fons de Poel gezegd. ‘Soms krijgt hij er ook lichamelijke klachten bij. Het zijn eigenlijk klachten die nauwelijks klachten zijn en daardoor gemakkelijk te ontzenuwen door een paar bloedonderzoekjes te doen en wat foto’s te maken. Allemaal poliklinisch. Daarmee stel ik hem vaak al gerust. En voor de zekerheid laat ik hem dan ook een paar afdelingen met kankerpatiënten zien. Dan ziet-ie wat echte klachten zijn en is-ie ook eigenlijk weer heel snel onder de mensen.’
Vandaar dat René van der Gijp die bewuste ochtend zó veel buisjes bloed afstond dat hij niet alleen het gevoel kreeg dat hij elk moment tegen de vlakte zou slaan, maar waarmee ook de mate van zijn gezondheid tot ver achter de komma zou kunnen worden vastgesteld. En dat gebeurde dan ook. ‘Ja man. Ik geloof dat de hele cast van ER met mijn bloed is bezig geweest. Maar een uurtje geleden belde Caspertje. Alles was gecheckt en gedubbelcheckt. Mijn bloed, mijn urine, mijn organen, alles. “Waar wil je mee beginnen?”, vroeg Casper. “Je hart? Je nieren? Je alvleesklier? Je zegt het maar.” Ik zei: Doe maar eerst het alvleeskliertje. Nou, die was prima in orde. En de rest – hart, lever, nieren, longen en al die andere dingen – óók allemaal goed. Caspertje somde het allemaal voor me op. Hij sloot af met mijn cholesterol. “Een normaal mens mag maximaal 1,8 hebben”, zei hij, “En jij hebt 0,4. Dat is de waarde van een kind van twaalf! Wat mij betreft eet je vanaf nu drie uitsmijters per dag, want je bent zo gezond als een vis. Er is helemaal niets aan de hand.’”