16. ‘Ik zweer het je: Louis bestaat uit twee persoonlijkheden’
René van der Gijp stopt bij een tankstation en gaat naar binnen. Hij heeft nog geen twee stappen over de drempel gezet, of hij wordt al door een verbaasde automobilist aangesproken. Door het raam is nog net te zien hoe de man met heftige gebaren aan een ogenschijnlijk enthousiast verhaal begint. Hij moet ongetwijfeld steeds nodiger plassen, maar toch blijft René van der Gijp geduldig staan en knikt met enige regelmaat vriendelijk met zijn hoofd.
Samen met Pim Doesburg en Ruud Geels was Van der Gijp aan het begin van zijn voetballoopbaan de enige fullprof van Sparta. ‘De rest van de groep werkte er nog bij. Veel jongens zaten bij de gemeente. Dat had Sparta voor ze geregeld. Maar ik had de hele dag verder niks te doen, dus ging ik er ’s middags vaak met Hughes op uit. Een bloemetje brengen naar zieke supporters, iets doen voor het goede doel, dat soort dingen. Was gezellig, man. Alleen kon Hughes niet zo goed autorijden. Hij had wel altijd grote wagens, maar als hij bijvoorbeeld een cassettebandje moest verwisselen, dan stopte hij daarvoor gewoon midden op de weg. In die jaren maakte hij veel reclame. Op zijn achterruit stond in grote plakletters: Barry Hughes – Mercedes Benz Promotion. Toen bij het verwisselen van het cassettebandje die mensen achter hem begonnen te toeteren, tikte hij mij op mijn knie. “Hé Gijp”, zei Hughes, “zijn wij fuckin’ populair in Rotterdam, of niet?” Ha! Welnee man, zei ik dan, ze toeteren omdat je in de weg staat!’
‘Echt een fenomeen, Barry Hughes. Als we om half vier moesten trainen, kwam hij ook al om twee uur in de kleedkamer. En dan maar verhalen vertellen. Ik zweer het je: hij was beter dan Jan Jaap van der Wal. Wat Hughes trouwens ook heel goed kon: Louis van Gaal nadoen. Big Louis, noemde hij hem. Dan ging-ie staan en liep dan met dezelfde motoriek als Van Gaal bij ons door de kleedkamer. Hield-ie gerust een kwartier vol.’
We zijn amper onderweg of zijn naam is al gevallen: Louis van Gaal. Een paar seizoenen speelden ze samen op Het Kasteel, de wat houterige regisseur op het middenveld en het ongrijpbare talent op de rechtervleugel. ‘Louis werd bij Sparta altijd in de maling genomen’, zegt Van der Gijp. ‘Ik heb één keer meegemaakt dat we thuis achter stonden en Van Gaal in de rust tegen Hughes zei: “En nu grijp je in!” Waarop Hughes zei: “Is goed, ga jij er maar uit.” Hij heeft natuurlijk ook geen plaat voor zijn hoofd, onze Louis, maar een heel appartementencomplex. Terwijl Louis tegelijkertijd ook een heel warme, vriendelijke jongen is. Toen we samen bij Sparta speelden, ging ik vaak met hem mee naar huis. Zaten we gerust tot drie uur ’s nachts over voetbal te praten. Meestal bleef ik dan bij hem slapen. Was gezellig, dat meen ik echt. De volgende ochtend ging ik ook vaak mee naar de speciale school waar Louis les gaf. Dat deed hij indrukwekkend goed. De meeste leraren hadden moeite om die kinderen in bedwang te houden, maar met hem liepen ze allemaal weg. Hij was eerlijk en duidelijk, daar hielden die kinderen van.’
De relatie bekoelde op een middag in Amsterdam, jaren later, toen Van der Gijp inmiddels allang in zijn onderhoud voorzag met het geven van lezingen en Van Gaal trainer was van Ajax. ‘Ze waren net klaar met trainen, dat Ajax. Sommige spelers waren al op weg naar de kleedkamer, anderen lagen op de grond nog even wat oefeningen te doen, of gewoon te kletsen. Ik wilde Danny Blind, met wie ik samen met Louis bij Sparta heb gespeeld, en Peter van Vossen even gedag zeggen. Gewoon: handje geven, hoe is het? Dus ik liep een paar meter het veld in. Van Gaal stond in het midden van het veld, met z’n rug naar me toe. Ik had ‘m niet eens gezien. Maar precies toen ik Danny een hand gaf, draaide Lowietje zich om. “Hé!”, schreeuwde hij. Hard. Heel hard. Hij werd er ook een beetje rood van. Ik draaide me nog om. Even kijken of er soms nog iemand achter me stond. Maar nee, niemand. Hij had het echt tegen mij. Ha! Lowietje was boos.’
René van der Gijp kan het niet helpen, maar hij schiet wéér in de lach. ‘Kwam-ie met van die hele grote stappen op me aflopen. “Van der Gijp!”, schreeuwde-ie, “zie je dat daar?” Hij wees met zijn vinger naar het achterste hek van het achterste veld. Ik zei: Ja Louis, dat zie ik. “Zelfs dáár ben ik de baas!”, riep-ie toen. “Er is hier in de hele omtrek niet één veld te zien, waar ik niet de baas ben!” Heb ik mijn schouders maar opgehaald. Is goed hoor, Louis. Toen ben ik weer van zijn veldje gegaan. Heb ik buiten nog even gezellig met Danny en Peter staan praten. Maar toen ik weer naar mijn auto ging, kwam Louis net van het veld af. Hij liep recht op me af. Ging ie opeens heel amicaal doen. “Hé Gijp”, zei-ie, met zo’n grote glimlach. Heel raar. Echt. Ik vond dat zó vreemd. Het leek wel of hij helemaal vergeten was, wat er een paar minuten daarvoor was gebeurd. Echt hoor, ik zweer het je: Louis bestaat uit twee persoonlijkheden. Op het veld was hij de bulderende trainer geweest en nu, op het parkeerterrein, was hij opeens weer die oude, vriendelijke Louis van Sparta. Maar dat vond ik zó vreemd, dat ik maar ben weggegaan.’