26. ‘Speldt u ze dan op uw zwembroek?’
Er is weinig dat zo prikkelend op René van der Gijp werkt als een te nadrukkelijke uiting van gezag. Dat was als voetballer al zo en dat is eigenlijk nooit veranderd. Dus als hij deze middag na een lezing in de provincie een hoge officier van de marechaussee tegen het geüniformeerde lijf loopt, een wat opgeblazen man, pronkend met een borst vol medailles, dan moét hij er gewoon even iets van zeggen. Daar is geen houden aan. Hij kan nu eenmaal niet tegen mensen die zichzelf te serieus nemen. Die wil hij ontmaskeren, het liefst met een grap.
‘Ik heb een Bruna’, pochte op een avond de eigenaar van een klein sigarenwinkeltje waar ook een paar tijdschriften werden verkocht.
‘Goh, een Bruna’, zei Van der Gijp, ‘en blaffen die nu veel thuis?’
Zelf zegt hij over zijn neiging om de draak te steken met elke vorm van gezag: ‘Het valt wel mee hoor. Echt. Kijk maar naar de scheidsrechters. Daar heb ik als speler ook nooit veel problemen mee gehad. Eén keer rood gekregen, omdat ik bij Lokeren weigerde mijn rugnummer te laten zien. Meer niet. Ik heb scheidsrechters ook nooit als vijanden beschouwd. Nee. Ze interesseerden me eigenlijk niet. Vaak wist ik vooraf ook helemaal niet wie er floot. Kon mij het schelen. Ik zag bij de warming-up wel wie ze die dag weer zo gek hadden gekregen. Soms was het Kees Bakker. Dat was wel leuk. Die kwam ook uit Dordrecht. Daarom deed Kees altijd extra afstandelijk tegen me. Hij wilde nooit de indruk wekken dat hij zijn plaatsgenoot voortrok. Maar dan ging ik hem juist bij de warming-up opwachten en voor het oog van de volle tribunes heel amicaal op zijn schouders slaan. Soms liep hij dan snel weg, maar dan ging ik gewoon achter hem aan. Kees!, riep ik dan, Kees, kom nou! Kees, ik wil wat zeggen! En Kees maar wegrennen.’
‘John Blankenstein, dat
vond ik nou een wereldvent. En een goede scheidsrechter ook.
Maarten Spanjer en ik hebben hem nog in het ziekenhuis opgezocht.
Toen was hij al heel erg ziek. We mochten maar even blijven, maar
we kwamen om halfacht ’s avonds aan en gingen pas om half twee
’s nachts weer weg. Al die uren zaten we aan de rand van zijn bed.
Het merendeel van de tijd was John aan het woord. Die avond
vertelde hij nog één keer alle verhalen uit zijn carrière. Uren
achter elkaar. En wij maar luisteren. Dat was echt onvergetelijk.
De volgende morgen werd ik uit m’n bed gebeld. Z’n zus. John bleek
twee uur na ons vertrek te zijn overleden. Hij had een wereldavond
gehad, zei ze. Dat vond ik mooi. Daar denk ik met een heel goed
gevoel aan terug, aan die nacht.’ Maar wel of niet gezagsgetrouw:
nu, ergens diep in de provincie en oog in oog met een trotse
militair, volgehangen met blinkende medailles, kan René van de Gijp
zich toch niet meer beheersen. ‘Goh’, zegt hij, terwijl zijn
vingers met het trosje eremetaal van de man spelen, ‘en hoe lost u
dat nou op met vakanties? Speldt u ze dan gewoon op uw
zwembroek?’