48. ‘Het is niet leuk meer zo’

  

Hé’, zegt René van der Gijp bij binnenkomst in de Hilversumse VI-studio, ‘het is niet meer te doen, hè?’ Hij ploft neer op de bank. Hoofdschuddend bolt hij zijn wangen. Hij ziet er moe uit. ‘Pfff… Wat een gedoe, zeg. Echt.’

Eerder die week heeft er in een plaatselijke krant in Friesland een pissig stukje gestaan. René van der Gijp had kort voor aanvang van een lezing afgezegd. Een paar honderd man publiek werd teleurgesteld. Het moet in die regio een vermogen aan oppas hebben gekost.

‘Al die videocamera’s. Al die halfdronken mensen die honderd foto’s van je willen nemen. Bah. Het is niet leuk meer zo. De mensen willen de hele avond grappen en grollen horen. Ze denken geloof ik dat ik een soort stand-upcomedian ben. Laatst sta ik een lezing te geven. Beginnen die mensen plotseling uit het niets te lachen. Ik begreep er geen bal van. Wat bleek? Achter mij hadden ze een scherm opgehangen. Mensen konden tijdens mijn praatje een tweet sturen en die verscheen dan achter mijn rug op het scherm. Was ik midden in een verhaal, stond er opeens in koeienletters achter me: Wanneer kunnen we lunchen? Kom op, hé! Daar word ik niet vrolijk van.’ Hij blaast nog maar eens wat lucht uit en schudt zijn hoofd. Het lijkt er sterk op dat René van der Gijp de laatste tijd iets te druk is geweest met René van der Gijp zijn. Dat begint zich nu te wreken. Hij heeft tijd en stilte nodig om te wennen aan zijn nieuwe status.

Maar die tijd en die stilte zijn er nauwelijks meer.

‘Ik gaf laatst een presentatie, ergens in Noord-Holland. Wil ik aan het einde van de avond eindelijk in mijn auto stappen, word ik opeens op mijn rug getikt door een wildvreemde man. Die man staat helemaal te glunderen en heeft een schoteltje met een bal gehakt in zijn handen. “Meneer Van der Gijp”, zegt-ie, “ik maak de beste bal gehakt van Purmerend en omgeving. Zou u daarmee even op de foto willen?” Ik zweer het je. Sta ik dus midden in de nacht op een donker parkeerterrein met een bal gehakt op een schoteltje te poseren. Ik zeg tegen die man: Mag ik ‘m opeten? Zegt die vent: “Ik zou het maar niet doen, want hij is al zes maanden oud en komt rechtstreeks uit de vriezer.” Daarna gaf-ie me een hand en verdween weer, met bal gehakt en al. Ik bedoel: waar gáát dit allemaal over? Waar zijn al die mensjes mee bezig?’

Een paar maanden eerder, ergens in het voorjaar van 2011.

Als er op een doordeweekse ochtend een stationwagen vol tv-apparatuur voor de bungalow in Dordrecht stopt, ziet de wereld er nog heel anders uit. De hype rond René van der Gijp is dan op zijn hoogtepunt en de man zelf lijkt het allemaal onbewogen te ondergaan.

Het programma Profiel wijdt die week een complete uitzending aan het fenomeen. Vandaar dat nu interviewer Fons de Poel aanbelt, gevolgd door een geluidsman en een cameravrouw. Ze worden door Van der Gijp al snel aangesproken als ‘cameravrouwtje’ en ‘geluidsmannetje.’, zoals Fons de Poel zelf gedurende de vijf uur dat hij in de wereld van René van der Gijp verblijft, ook constant ‘Fonsie’ zal worden genoemd.

Van der Gijp zet alle deuren open. Hij is die ochtend als was in de handen van de interviewer. Cameravrouwtje en geluidsmannetje dolen door het huis, langs het bed met het rode overtrek, langs de televisiekamer waar de heer des huizes zo graag in horizontale positie zijn voetbalwedstrijden bekijkt, naar de eerste verdieping waar de Van der Gijp-dynastie in plechtige zwart-witfoto’s aan de muren is verbeeld en zelfs naar de tuin, waar het smetteloze zwembad wordt gefilmd. Ze neemt close-ups van de Boeddhabeelden in de slaapkamer en de oosterse kunstwerken in de andere delen van het huis, waar alles recht staat, geordend is, afgepast, rustig en relaxed.

De enige die niet zo rustig en relaxed is, is René van der Gijp zelf. De entree van drie mensen in zijn huis, noemt hij ‘gedoe’ en ‘een hele expeditie’. Het is ook een forse inbreuk op de rust die hier normaal heerst, want er zijn dagen dat René van der Gijp nauwelijks praat. ‘Maar is dat zo gek dan?’, zegt hij daarover. ‘Als ik naar de supermarkt rij, zie ik al die mensen met elkaar kletsen. Maar de helft hoort elkaar helemaal niet. Het is negen van de tien keer eenrichtingsverkeer, een zoektocht naar erkenning. Nou, dat heb ik niet nodig, erkenning. Daarom praat ik soms dagen nauwelijks. Ik zou ook niet weten wat ik moet zeggen in zo’n supermarkt.’

René van der Gijp heeft het imago van iemand die een open boek is. In werkelijkheid valt het niet mee om hem zijn diepere zielenroerselen te ontfutselen. Zelfs de ervaren interviewer Fons de Poel lukt het zelden zijn gesprekspartner langere tijd serieus van toon te houden. Niet dat hij het niet probeert, maar zodra het onderwerp al te persoonlijk wordt, is René van der Gijp plotseling weer net zo ongrijpbaar als hij vroeger als voetballer was. Dan wordt hij kortaf of algemeen (‘er zit weinig kwaad in mij Fonsie, ik zweer het je’) of kapt hij de zaak voortijdig af met een grap.

‘Wat is geluk voor jou?’, vraagt De Poel halverwege de middag op een zo plechtig mogelijke toon.

Van der Gijp: ‘Dat mijn omgeving, mijn kindjes, mijn vriendjes, gezond blijven en het naar hun zin hebben. En volgens mij is dat nu wel het geval. Alhoewel, Rob heeft nu griep. Hopelijk niet de Mexicaanse. Toch? Fonsie?’

Pas aan het einde van de middag, als cameravrouwtje en geluidsmannetje elke hoek van het huis hebben vastgelegd, komt er een einde aan het gesprek en stelt Fons de Poel de hamvraag nog maar een keer:

‘Ben jij gelukkig?’

Van der Gijp: ‘Ja, Fonsie, weet je wat het is? Ik heb geen enkele reden om het niet te zijn. Als ik het niet zou zijn, zou ik walgen van mezelf. Dan zou ik over mijn nek gaan, als ik niet gelukkig was. Als ík al somber ben! Dat kan toch niet? Ik heb per dag 34 aanvragen voor lezingen, zit aan zo’n tafeltje een beetje over voetbal te kletsen en als ik dan buiten kom zeggen mensen: goh, wat doe je dat leuk. Je kunt wel denken: waar heb ik het allemaal aan te danken? Maar je kunt er ook van genieten. En dat doe ik. Het gaat nu lekker met mij. Voor hetzelfde geld komt in juni de wind van de andere kant.’

Op de zes banden aan ruw materiaal die er die dag is opgenomen, staat ook een interview met Casper van Eijck. Fons de Poel bezoekt hem in het ziekenhuis. De oncoloog spreekt bijna met vertedering over zijn beste vriend. Hij noemt hem ‘een bijzonder aparte man.’ Van Eijk: ‘Hij is totaal anders dan veel andere mensen. René heeft een gave tot relativeren die ongeëvenaard is. Dat verklaart ook deels onze band. We komen allebei uit totaal verschillende richtingen, maar voor allebei geldt dat we af en toe behoefte hebben om te relativeren. Het vermogen om aan te voelen wat wel en niet belangrijk is in het leven, daar heeft René een bepaalde gave in. Hij wordt soms gezien als de clown in de voetbalwereld. Dat is jammer, want als je iets beter luistert, merk je dat hij waarheden als een koe vertelt. Ik heb tegen veel bestuursleden gezegd: neem hem als technisch adviseur. Hij is zo gek niet. Hij praat niet alleen maar onzin. Hij kan een wezenlijke bijdrage leveren aan het beleid van een club, daar ben ik van overtuigd.’

Als De Poel van de professor wil weten of René van der Gijp intelligent is, zegt deze: ‘René heeft sociale vaardigheden die hem voor mij bestempelen als een intelligent iemand. Die kun je gerust een witte jas aantrekken en de mensen laten verzorgen. Weet ik zeker. Hij zal niks geks doen. René is goed voor de mensen. Ik vind zijn betrokkenheid bij zijn omgeving ontroerend. René heeft een groot inlevingsvermogen. Hij probeert zich altijd helemaal in je te verplaatsen. Door bij problemen met je mee te voelen, weet hij je snel weer de moed te geven om verder te gaan. Ik vind dat er veel wijsheid in René zit.’

Het is duidelijk: Casper van Eijck en René van der Gijp zijn dikke vrienden. Ze bellen elkaar elke dag, maar over echte privézaken wordt zelden gesproken. ‘Ik heb het met René weleens heel globaal gehad over dat samenwonen. Ik heb daar verder geen oordeel over. Hij leidt het leven zoals hij leidt. Je kunt zeggen dat hij in een cocon leeft, maar ik denk dat hij daar ook zijn redenen voor heeft. René heeft heel veel behoefte aan rust om tot zichzelf te komen. Hij moet zich telkens opladen.’

Het vaderschap komt tussen de twee vrienden weleens ter sprake, maar ook niet vaak. ‘We praten er wel over, maar het is niet altijd gemakkelijk. Hij voelt natuurlijk wel dat hij dat vaderschap niet kan invullen zoals zijn vrouw of zijn kinderen dat van hem verwachten. Maar René vult dat in vanuit zijn hart, op zijn manier. Volgens mij moet je daar geen waardeoordeel over geven. Ik merk wel dat hij het misschien liever af en toe anders zou doen, maar dat is niet altijd mogelijk.’

Zo gesloten als ze over sommige privézaken tegenover elkaar zijn, zo open communiceren ze over de momenten waarop de somberheid René van der Gijp in zijn greep kreeg en hij zelfs een tijdje de straat niet op durfde. ‘Daar kunnen we goed over praten. Ik herken de momenten waarop het hem allemaal een beetje te veel is geworden. Dan lopen de radertjes vast. Maar uiteindelijk krijgen we hem daar altijd weer uit.’

Daarna roemt hij nog maar eens alle goede eigenschappen van zijn vriend. Casper van Eijck is een loyaal mens. ‘Op Hemelvaartsdag speelden we met het ziekenhuis altijd een voetbalwedstrijd in het NAC-stadion. We namen altijd een of twee ex-profvoetballers mee. Dan konden we René altijd bellen. Hij is vaak geweest. Kwam-ie tien minuten voor tijd binnen, meestal met een mooie vrouw aan zijn arm. Dat was dan altijd zijn nichtje.’

En wat is nu de moraal van het verhaal?, wil Fons de Poel tot slot graag van de dokter weten.

Die lacht en zegt: ‘De moraal van het verhaal is dat René ongelooflijk veel van vrouwen houdt, maar er liever niet te veel door gestoord wil worden.’

Gijp
binnenwerk.Gijp.html
Section0001.xhtml
Section0002.xhtml
Section0003.xhtml
binnenwerk-1.Gijp.html
binnenwerk-2.Gijp.html
binnenwerk-3.Gijp.html
binnenwerk-4.Gijp.html
binnenwerk-5.Gijp.html
binnenwerk-6.Gijp.html
binnenwerk-7.Gijp.html
binnenwerk-8.Gijp.html
binnenwerk-9.Gijp.html
binnenwerk-10.Gijp.html
binnenwerk-11.Gijp.html
binnenwerk-12.Gijp.html
binnenwerk-13.Gijp.html
binnenwerk-14.Gijp.html
binnenwerk-15.Gijp.html
binnenwerk-16.Gijp.html
binnenwerk-17.Gijp.html
binnenwerk-18.Gijp.html
binnenwerk-19.Gijp.html
binnenwerk-20.Gijp.html
binnenwerk-21.Gijp.html
binnenwerk-22.Gijp.html
binnenwerk-23.Gijp.html
binnenwerk-24.Gijp.html
binnenwerk-25.Gijp.html
binnenwerk-26.Gijp.html
binnenwerk-27.Gijp.html
binnenwerk-28.Gijp.html
binnenwerk-29.Gijp.html
binnenwerk-30.Gijp.html
binnenwerk-31.Gijp.html
binnenwerk-32.Gijp.html
binnenwerk-33.Gijp.html
binnenwerk-34.Gijp.html
binnenwerk-35.Gijp.html
binnenwerk-36.Gijp.html
binnenwerk-37.Gijp.html
binnenwerk-38.Gijp.html
binnenwerk-39.Gijp.html
binnenwerk-40.Gijp.html
binnenwerk-41.Gijp.html
binnenwerk-42.Gijp.html
binnenwerk-43.Gijp.html
binnenwerk-44.Gijp.html
binnenwerk-45.Gijp.html
binnenwerk-46.Gijp.html
binnenwerk-47.Gijp.html
binnenwerk-48.Gijp.html
binnenwerk-49.Gijp.html
binnenwerk-50.Gijp.html
binnenwerk-51.Gijp.html
binnenwerk-52.Gijp.html
binnenwerk-53.Gijp.html
binnenwerk-54.Gijp.html
binnenwerk-55.Gijp.html
binnenwerk-56.Gijp.html
binnenwerk-57.Gijp.html
binnenwerk-58.Gijp.html
binnenwerk-59.Gijp.html
binnenwerk-60.Gijp.html
binnenwerk-61.Gijp.html
binnenwerk-62.Gijp.html
binnenwerk-63.Gijp.html
binnenwerk-64.Gijp.html
binnenwerk-65.Gijp.html
binnenwerk-66.Gijp.html
binnenwerk-67.Gijp.html
binnenwerk-68.Gijp.html
binnenwerk-69.Gijp.html
binnenwerk-70.Gijp.html
binnenwerk-71.Gijp.html
binnenwerk-72.Gijp.html
binnenwerk-73.Gijp.html
binnenwerk-74.Gijp.html
binnenwerk-75.Gijp.html
binnenwerk-76.Gijp.html
binnenwerk-77.Gijp.html
binnenwerk-78.Gijp.html
binnenwerk-79.Gijp.html
binnenwerk-80.Gijp.html