10. ‘Ik geloofde Rinus Michels nooit’
Een zonnige maandagochtend. Op het terras van Het Wapen van Reeuwijk, een rustig eetcafé langs kabbelend water, legt René van der Gijp zijn mes en vork neer.
‘Gisteren was mijn ome Cor jarig.’
Hij pakt een servet en veegt wat eigeel uit zijn mondhoek.
‘Tachtig.’
Het is lunchtijd, zijn favoriete dagdeel. Al gaat er natuurlijk niets boven de stilte van de nacht.
‘Goed hè, van ome Cor? Is toch hartstikke goed? Dat-ie tachtig is geworden?’
Een grote slok melk. Weer veegt hij zijn mond af.
‘Mooi man, mijn ome Cor. Ja… Mooi mannetje. Ha!’
Ome Cor is Cor van der Gijp, de broer van zijn vader Wim. Hij is de beroemdste speler uit het vermaarde Dordtse voetbalgeslacht Van der Gijp. Hoewel de gloriedagen van Cor van der Gijp zich afspeelden in de jaren vijftig en zestig, is hij ook nu nog, bijna een halve eeuw na zijn laatste doelpunt in De Kuip, Feyenoords topscorer aller tijden.
In zijn huis in Dordrecht heeft René van der Gijp zijn beroemde voorgangers bijna levensgroot en zelfs enigszins plechtig ingelijst aan de muur gehangen. Hoewel hij er nooit over zal opscheppen, is hij trots op zijn afkomst. Hij heeft er niet voor niets een speciaal kamertje voor ingericht. Daar is zijn vader Wim, eenmalig international, postuum weer herenigd met diens broers Janus, met Cor en met Freek, net als vroeger, toen ze grotendeels met z’n vieren de beruchte voorhoede van de Dordtse volksclub Emma vormden. Janus rechtsbuiten, Wim rechtsbinnen, Freek linksbuiten en Cor in de spits. Achter hen, op het middenveld, stond dan ook nog Jur van der Gijp. Dat was een volle neef.
Wim van der Gijp was een uitgekookte en hardwerkende rechtsbinnen, technisch vaardig maar verder in alles de tegenpool van zijn zoon René. Waar Van der Gijp junior er desnoods hele wedstrijden lang als een standbeeld bij kon staan, op middagen dat het niet wilde of de omstandigheden hem niet aanstonden, was zijn vader Wim juist altijd in beweging, bloedserieus en plichtsgetrouw hard werkend voor het elftal. Hij speelde één keer in Oranje.
‘Het was bij ons thuis niet zo bijzonder om voor het Nederlands elftal te worden opgeroepen’, zegt René van der Gijp, als hij terugdenkt aan de dag dat hij zelf voor het eerst een officiële KNVB-uitnodiging op de deurmat vond. ‘Ik zal niet zeggen dat er schouderophalend op werd gereageerd door mijn ooms…Maar het scheelde niet veel.’
Met zijn vijftien wedstrijden voor het Nederlands elftal zou hij uiteindelijk zowel die ene van zijn vader, als die dertien van zijn ome Cor overtreffen. Toch moet je in zijn huis goed zoeken naar de herinneringen aan zijn sportieve hoogtepunten. René van der Gijp is geen verzamelaar. Zijn oude shirts heeft hij geruild, weggegeven of is hij in de loop der jaren kwijtgeraakt. Aan de muren van zijn huis hangen schilderijen van anderen, geen ingelijste foto’s van zichzelf, op een tamelijk anoniem gedeelte aan het einde van de gang na. ‘Ik moet altijd een beetje lachen wanneer ik bij oud-voetballers thuis kom die hun woning na hun carrière in een soort privémuseum hebben veranderd. Ingelijst shirtje hier, bekertje daar, een vitrine vol medailles… Dat heb ik nooit gehad. Mijn ooms en mijn vader ook niet trouwens. Bij geen van tweeën heb ik ook één foto van henzelf kunnen ontdekken. Kwam niet in ze op.’
Hij mag zich dan, geheel in de familietraditie, niet op de borst kloppen over zijn interlandloopbaan, hij kan er wel smakelijk over vertellen. Bij voorkeur over zijn jaren onder Rinus Michels. Als het moet verzorgt René van der Gijp een avondvullend programma over De Generaal, want die heeft al die tijd voornamelijk op zijn lachspieren gewerkt.
Ook hier, op het terras aan het water, inspireert alleen al het uitspreken van de naam Michels hem tot allerlei bespiegelingen, want René van der Gijp filosofeert over niets liever dan over voetbal. Dat is hij ook zo gewend. Bij de familie Van der Gijp thuis was praten over voetbal vroeger tot kunst verheven.
‘Weet je wat het is met Rinus Michels? Ik heb bij hem altijd het vermoeden gehad dat het allemaal één groot toneelspel was. Ik geloofde hem niet.’ Hij zwijgt, neemt een hap en kauwt. Intussen wacht hij op een volgende inval. Van der Gijp associeert en formuleert zoals hij vroeger voetbalde: intuïtief, avontuurlijk. ‘Echt, ik zweer het je: Rinus Michels was de Pierre Bokma van het Nederlandse voetbal. Ik heb altijd het idee gehad dat hij gewoon op een goede dag besloot de bullebak te gaan uithangen. En dat hij toen heeft gedacht: hé, dit werkt, hier ga ik mee door. Dat, als-ie dan thuiskwam, dat hij dan zijn schoenen uitdeed, zijn pantoffeltjes aantrok en een heel andere Rinus Michels werd.’
Hij begint te lachen. Opeens ziet hij het allemaal zó voor zich. ‘Dat-ie dan opeens ging staan koken of zo! Met zo’n schort voor! En dat zijn vrouw dan vanuit de huiskamer allemaal dingen naar hem riep. “Rinus, zet jij de cake vast even in de oven?” Of: “Vergeet je niet de poedersuiker op te bergen?” Dat soort dingen, weet je wel?’
Zo gaat het nog een tijdje door. ‘Ik vond Michels een fascinerende man. Een keer stond ik naast hem te plassen. Liet ik expres een keiharde wind. Hij vertrok geen spier. ‘Mag ik dat geluid nog één keer horen?’, zei hij toen, met die stem van Kees Schilperoort.’ En dan, de waarschijnlijk grotendeels apocriefe maar daarom niet minder klassieke anekdote: ‘In de dug-out van het Nederlands elftal kroop ik steeds dichter tegen hem aan. Werd-ie niet vrolijk van, die Rinus. Na een tijdje was hij zo ongemakkelijk, dat ik naast me hoorde: “Gijp, d’r in.” Zo ben ik aan die vijftien interlands gekomen.’
De causeur Van der Gijp raakt op stoom. Helaas komt over het fietspad net een nijdig brommertje aangeknetterd, dat alles overstemt. Het brengt René van der Gijp op slag terug in het heden, waar hij zich alweer over belangrijkere actualiteiten buigt. Zoals de tatoeage van Wesley Sneijder. ‘Ja, die kleine heeft Yolanthe op zijn buik laten zetten, hè? Mooi, man! En ook wel verstandig, hoor. Ik bedoel: een portret van dat meisje is natuurlijk beter dan haar naam in letters.’
Een slok melk. Niet tegen de dorst, maar voor het extra komische effect. René van der Gijp heeft tijdens zijn tweede leven als gastspreker duizenden lezingen gegeven, soms voor zalen zo groot als parkeergarages. Hij weet inmiddels wel hoe je een punchline vakkundig inleidt.
‘Nee, echt’, zegt hij, ‘heel verstandig van kleine Sneijdertje. Want mocht het dan tóch een keertje uitgaan met Yolanthe, dan is het alleen nog een kwestie van een bril erbij tatoeëren, misschien nog wat stoppels hier en daar, maar dan heeft Wesley in elk geval nog wel Herman Brusselmans op zijn buikje staan.’
Het is twaalf minuten over één in de middag. Daar waait de aanstekelijkste lach van Nederland alweer over het vlakke water. De vogels die een verlaten terrastafel verder de broodmand aan het plunderen waren, schrikken ervan.