28. ‘Je denkt toch niet dat ik ga schieten?’
René van der Gijp mag dan spontaan in de lach schieten bij de aanblik van een opgepompte brigadegeneraal met een borst vol medailles, zelf is hij toch ook onder de wapenen geweest. Als dienstplichtig militair was hij in de beginjaren tachtig gelegerd aan de rand van Scheveningen en Den Haag, op een steenworp van het Kurhaus.
Het werd geen succes.
Veel hoefde dienstplichtig soldaat Van der Gijp niet te doen, want zelfs in het Nederlandse leger bleef hij een zondagskind. Dat dankte hij aan ene overste Janssens, een beroepsmilitair die buiten diensttijd KNVB-lid was. Die regelde niet alleen dat de voeten van de talentvolle Spartaan de knellende soldatenkistjes bespaard bleven, Van der Gijp hoefde zelfs niet eens een uniform te dragen als hij daar geen zin in had. Dat hij als aanvoerder van het Militair Elftal een beetje fit bleef, dat leek de overste een stuk belangrijker.
‘Ik was een soort hulpje van die man’, zegt Van der Gijp op een middag, zittend achter een uitsmijter zo groot als een stoeptegel, ergens in het restaurant van een nogal triest stemmend Van der Valk-hotel langs de A20. ‘Ik deed niet veel. Overste Janssens hield me uit de wind. Een aardige man. Gek van voetbal. Ik kon alles maken. Als hij op pad ging, trok ik weleens een jas van hem aan. Zo’n hele mooie, volgehangen met strepen en insignes, en met een hele borst met medailles. En dan maar wandelen. Eerst over het kazerneterrein. Begon iedereen opeens naar me te salueren. Heerlijk was dat. Ik terugzwaaien. Later ging ik mijn werkterrein verleggen. Liep ik ook een paar rondjes over de boulevard in die jas. Had je de mensjes naar me moeten zien kijken.’
Van der Gijp vertelde destijds over deze gewoonte aan een verslaggever van VI. Dat had hij beter niet kunnen doen. ‘Het stond een week later in dat blad. Vonden ze op de kazerne niet leuk om te lezen. Toen moest ik zowel eerste als tweede kerstdag voor straf wachtlopen. En ook op oudejaarsavond. Kwam Johan Derksen me trouwens gezelschap houden. Hij vond het zielig voor me. Johan is de hele oudejaarsnacht bij me gebleven. Was mooi. Toen om twaalf uur het vuurwerk boven Den Haag verscheen, stonden wij er met z’n tweeën in zo’n houten wachthokje naar te kijken.’
De reportage van die avond is bewaard gebleven. Diep weggestopt in de Goudse archieven van Voetbal International is het verslag van die nacht in de Haagse kazerne terug te vinden op vier ouderwetse zwart-witpagina’s. De kop boven het artikel is er één vol zelfvertrouwen. Daar had de jonge Van der Gijp in die jaren patent op. Dit keer staat er: René van der Gijp: ‘Natuurlijk word ik een topper.’
Op de grote foto zien we het talent van Sparta, het klassieke shirt nog zonder reclame, een zegelring aan zijn rechtermiddelvinger en op zijn bovenlip een streepje dons dat voor snor moet doorgaan. Snorren waren de tatoeages van de jaren tachtig in het Nederlandse voetbal.
De witte touwtjes van zijn zwarte Adidas-broekje hangen er te gestileerd bij om niet te vermoeden dat hier met grote zorg aandacht aan is besteed. Alles moest vroeger goed en lekker zitten bij de snelle rechtsbuiten René van der Gijp, anders lukte het niet. Ook toen al ging in het voetbal wat hem betreft de schoonheid altijd boven het resultaat. De kousen van de rechtsbuiten waren ook nooit zomaar opgetrokken, maar altijd móói opgetrokken. En nog steeds vindt hij dat uitstraling veel waard is. Daarom ergert hij zich ook zo aan de rage van de gekleurde voetbalschoenen. Vooral als ze worden gedragen door de verkeerde spelers. Toen hij Wayne Rooney op het WK in Zuid-Afrika op paarse voetbalschoenen het stadion zag binnenlopen, viel Van der Gijp in zijn Scheveningse suite bijna van de driezitsbank. ‘Rooney!’, schreeuwde hij toen naar het scherm. ‘Met die kooivechterskop! Op páárse schoenen! Paars! Kom op hé! Dat kan toch niet? Een voetballer moet er goed uitzien, man. Dat is belangrijk.’
‘Als voetballer was alles sierlijk aan René’, had zijn voormalig ploeggenootje Hans Kraay jr al eens gezegd, terugdenkend aan de jaren waarin ze samen nog in de B-junioren van Feyenoord speelden. ‘René was echt een mooie jongen op het veld, in al zijn bewegingen. Alles wat hij deed, zag er goed uit. Wanneer hij alleen maar naar de cornervlag liep, deed hij dat al sierlijker dan wij.’
René van der Gijp praat veel over uitstraling. ‘Als ik Ronald Koeman zo zie dan denk ik: je moet ook nog wel 15 kilo afvallen voordat je weer op dat veld gaat staan’, zei hij in 2009 een keer tijdens Voetbal International.’ Hij klonk behoorlijk streng. Zeker voor iemand die als speler zelf naar een afslankkliniek werd doorverwezen. ‘Een trainer moet er fris uitzien. Als je elke dag tussen fitte mensen staat tegen wie je zegt: “Denk om je eten, denk om je drinken, pak je rust”. Dan moet je er zelf niet bijlopen met een buik alsof je twaalf centimeter ontsluiting hebt.’ Het is een opmerking die hem door zijn voormalig ploeggenoot Koeman niet in dank wordt afgenomen. Toch leidt het niet tot een eeuwige breuk. Ook Koeman kan niet lang kwaad op hem blijven.
Op de tweede foto in de VI-reportage zien we het talent als dienstplichtig militair in een wachthokje staan. Hij lacht, zoals hij op vrijwel alle foto’s uit die tijd lacht. Ditmaal draagt hij wel een uniform, inclusief glimmende kistjes. Op zijn hoofd zit een baret. Het ziet er belachelijk uit.
Het is een prachtig verhaal, dat de tand des tijds moeiteloos heeft doorstaan. Dienstplichtig soldaat René van der Gijp, lichting 80-5, vertelt erin onder meer dat hij zijn opleiding heeft genoten in Grave, waar hij de sergeant een mooi Adidas-trainingspak cadeau heeft gedaan en daarna tot zijn tevredenheid direct werd overgeplaatst naar een administratieve functie bij de afdeling functieanalyse in Den Haag, waar hij mocht voetballen en trainen wanneer hij wilde. ‘Ik werk op kantoor’, legt de tiener van Sparta in het interview aan zijn gast Derksen uit. ‘Voor de rest heb ik niets met het leger te maken. Ik kom nooit op een kazerne. Alleen nu ik wacht moet lopen, ben ik er een keer. Overste Janssens begrijpt dat ik niet geschikt ben voor het leger. Hij beschermt me een beetje. Op zo’n kazerne zou ik het nog geen dag uithouden. Dat ik nu op wacht sta, heb ik aan majoor Gerritsen te danken, die man mag mij niet. Ik heb het niet op mensen die Gerritsen heten. Vroeger op school had ik een meester die Gerritsen heette, hij liet me altijd het schoolplein aanvegen. Nu loopt er hier weer een majoor die Gerritsen heet en hij laat me wachtlopen.’
Dan wordt het interview ruw verstoord door een ijverige vaandrig die heeft zitten meeluisteren en erop moet toezien dat Van der Gijp geen staatsgeheimen onthult of anderszins gevoelige militaire informatie aan VI doorspeelt. Dat van majoor Gerritsen mag niet worden gepubliceerd. Derksen vraagt of de man soms niet goed bij zijn hoofd is. Maar de militaire autoriteiten hebben toch liever dat Van der Gijp zich bij het praten tot voetbal beperkt. ‘Ik word dagelijks gebeld door allerlei makelaars, je wordt er gek van’, zegt de eigenzinnige rechtsbuiten over dat onderwerp. ‘Het gaat bijna altijd om buitenlandse clubs, maar wat moet ik nou in het buitenland doen? Dan moet ik in een hotel gaan zitten. Je denkt toch niet dat ik zelf aardappels ga koken? Ik kan niet eens voor mezelf zorgen. Ik zou dan een meisje moeten meenemen, voor de gezelligheid. Zij zou mijn spullen moeten wassen en voor alles moeten zorgen. Alleen lijkt me erg eenzaam.’
Van der Gijp heeft dan net een punt achter een relatie gezet met ene Kristel uit Antwerpen, een jaar eerder nog tweede geëindigd bij de verkiezing van Miss België. ‘Ze was erg aardig, maar wat te serieus’, zegt hij tegen Derksen. ‘Ik miste mijn vrijheid. Ik wil beslist geen verplichtingen, daarom heb ik er een punt achter gezet.’
Als de vaandrig even niet luistert, geeft Van der Gijp toch ook nog even zijn beschouwing op het fenomeen dienstplicht. Dat is wanneer wordt vastgesteld dat soldaat Van der Gijp weliswaar een uzi-mitrailleur om zijn schouder heeft hangen, maar er totaal niet mee om kan gaan. ‘Tijdens de opleiding heb ik één keer geschoten. Ik moest eerst een gasmasker opzetten maar toen zag ik niets meer. De kogels verdwenen in het plafond. Vervolgens mocht ik niet meer meedoen. Daarna heb ik nooit meer geschoten. Alleen wanneer ik op wacht sta, heb ik dat ding bij me. Je denkt toch niet dat ik ga schieten, wanneer er iemand over het hek klimt? Trouwens, al zou ik het willen, ik zou toch niemand raken. Ik kan de dienst echt niet serieus nemen. Het is net de padvinderij. Kinderachtig. Tijdens een bivak mag je je niet wassen. Heb ik me drie dagen niet gewassen. Dat is toch onzin? Dat vind ik smerig. ’s Avonds moest ik in een kuil gaan staan, die ik ’s middags eerst zelf had moeten graven. Vergis je niet, 1.80 meter diep. Ik heb er nog pijn in mijn rug van. Nou, daar sta je dan, midden op de hei, in een kuil, ben je lekker nuttig bezig. Oh ja, ik moest mijn gezicht ook nog zwart maken.’
De nacht die de latere tv-collega’s Derksen en Van der Gijp in die eenzame Haagse kazerne doorbrengen, geeft ook een mooi inzicht in de generatiekloof die er toch ook tussen hen gaapt. Aan de ene kant is er de wereld van een licht calvinistische workaholic die als voetballer met keihard werken de eerste divisie bereikte, aan de andere kant die van een jonge nihilist, die op het veld kon vertrouwen op zijn talent en erbuiten nooit schroomde hier en daar wat olie op het vuur te gooien.
De jonge, nog zeer recalcitrante Van der Gijp in VI: ‘Ik maak me niet druk om kernenergie of problemen in Iran. Polen? Is daar dan ook iets aan de hand? Ik volg het niet. Ik tref onder voetballers nooit iemand die daar over praat. Mijn enige hobby is televisiekijken. Ik kijk graag naar Flip Fluitketel, maar een programma als Brandpunt zet ik uit. Ik kijk wel naar alle sportprogramma’s.’
Na deze provocatie slaat zelfs Derksen een geschokte toon aan.
‘Ik heb langzamerhand het idee dat voetballers nooit nadenken’, schrijft hij, ‘maar enkel en alleen in hun eigen kleine bekrompen wereldje leven. René van der Gijp blijkt geen uitzondering.’