22. ‘Een paar whisky’s en wat televisie. Dat helpt’
Halverwege de lezing in Arnhem. Van der Gijp is zijn publiek langzaam maar zeker volledig voor zich aan het winnen. Zijn boodschap – maak je niet zo druk – mag dan wat basaal klinken en is misschien grotendeels onbereikbaar voor een gezinshoofd van 25 jaar die aan het begin van zijn verzekeringsloopbaan staat en thuis net een hypotheek is aangegaan, maar één voor één vallen de toeschouwers nu voor zijn charisma. Ongemerkt krijgt hij het zaaltje in zijn greep. Hij windt nu zelfs de aanwezige voetbalhaters om zijn vingers. Dit zijn de momenten dat zijn ervaring van pas komt. Van der Gijp heeft duizenden van dit soort lezingen verzorgd, vaak voor zalen nog veel stugger dan hier. Hij weet inmiddels hoe hij de boel kan loswrikken, wat hij moet doen om van die rollende salvo’s over de rijen te laten gaan. Al is het soms hard werken. ‘Amsterdam, dat is altijd lastig. Moeilijk publiek, man. Ze komen wel naar je luisteren, die Amsterdammers, maar ze zijn niet bij voorbaat bereid om ook om je te lachen. Het lijkt wel of ze het hun eer te na vinden. Rotterdam is heel anders. Dat is veel gemakkelijker publiek. Die hebben zich juist thuis al voorgenomen om lekker te gaan lachen. En dat doen ze dan ook.’
Na een uur is Van der Gijp klaar. Hij heeft zich de blaren op zijn tong gepraat. Het ging over van alles. Over Michels en diens eigenaardigheden. Over hoe raar mensen soms kunnen doen, en dat het maar het beste is daar hard om te lachen. ‘Mijn doel is eigenlijk om binnen een uurtje zo veel mogelijk te ontregelen. Als ik de gedachten van die mensen maar even door de war kan brengen, dan is de lezing voor mij geslaagd.’ In Arnhem vertelt hij over die keer bij PSV, toen hij een vriendin had uitgenodigd om de training te bezoeken. ‘Ik kende dat meisje uit de kroeg. Je kon wel met haar lachen. Had ik gevraagd of ze bij de ochtendtraining in een lange leren jas wilde verschijnen, met daaronder alleen jarretels. Was geen enkel probleem. Toen we het veld opkwamen, stond ze al langs het lijntje. We waren tien minuten aan de gang, iedereen had haar al scherp in het vizier gehad. Toen gaf ik het teken. Ging opeens die jas open. Mooi man! Héérlijk! Die gasten werden helemaal gek. De helft had nog nooit zoiets gezien. De boel even ontregelen, dat kan soms heel bevrijdend werken.’
Na afloop, in de geïmproviseerde foyer. Zijn ogen schieten heen en weer. René van der Gijp zoekt de uitgang. Dat doet hij altijd. Automatisch. Hij voelt zich niet prettig wanneer hij niet in controle is. Dat is ook een reden dat hij liever niet vliegt. Al overweegt hij de laatste tijd voorzichtig om speciaal voor FC Barcelona een uitzondering te maken. ‘Dat is wel zo bijzonder, die jongetjes van Barcelona. Xavi, Iniesta en al die andere mannetjes. Dat moet ik gewoon een keer met eigen ogen hebben gezien. Dan maar even doorbijten op dat Schiphol.’
Volgens hemzelf lijdt hij aan een lichte fobie. ‘Vermijdingsgedrag. Liever niet vliegen, mensenmassa’s vermijden, dat soort dingetjes. Ik vind het zelf niet zo vreemd. Ik ben gewend dat ik zo ben. Ik verbaas me eerder over anderen. Ik zie weleens op televisie van die mensen die dan bij een wedstrijd van Feyenoord in een vrijwel leeg tribunevak aankomen en dan helemaal in het midden gaan zitten. Dat vind ik echt meesterlijk. Zelf zou dat niet in me opkomen. Ik zou nóóit in het midden gaan zitten. Altijd aan het randje. Dat je wel weg kunt. Daarom heb ik ook zo’n hekel aan stilstaande files. Hetzelfde gevoel.’
De organisatie heeft dan ook nog niet gevraagd of hij misschien even wil blijven hangen om gezellig na te praten over verzekeringen en andere spannende zaken, of hij heeft zijn jas al aan en is met cadeau en al op weg naar het parkeerterrein. Hij is moe. Hoewel dit werk er bedrieglijk ontspannen uitziet, kost het in werkelijkheid veel kracht. ‘Er gaat niet veel aan mij voorbij’, zegt hij daar zelf over. ‘Als ik een lezing geef, kan ik bijna de emoties van die mensen voelen. Ik zie aan die mensen hoe mijn verhaal binnenkomt en hoe ze het verwerken. Dat is vermoeiend.’
Op de terugweg wordt er in de auto een stuk minder gelachen dan op de heenweg. Dit zijn de momenten waarop de zwaarmoedigheid soms op de loer ligt. Alleen in de auto, rijdend langs de verlaten tankstations aan de rand van het asfalt, kan René van der Gijp zich soms heel veel levensvragen tegelijk gaan stellen. Centrale thema: waar gaat het eigenlijk allemaal over?
Het lijkt het eeuwenoude dilemma van de clown die het ene moment nog de gevierde man in de circustent is en die even later, afgeschminkt en alleen, weer anoniem in zijn stille kleedkamer zit. Het contrast is soms te groot, de overgang te snel. ‘Soms geef ik eraan toe, aan dat gevoel’, zegt hij achter het stuur. ‘Dan blijf ik tot laat op. Nadenken. Gelijk slapen kan ik toch niet. Maar meestal neem ik als ik thuiskom een paar whisky’s en kijk wat televisie. Dat helpt.’