17
Mijn kater is zo erg dat ik er zelfs wakker van word. Mijn hoofd bonkt en ik kan maar niet begrijpen waar die rare geur toch vandaan komt. Met moeite doe ik één oog open en een tijd daarna de andere. Er hangt een half opgegeten broodje met tonijn over mijn gezicht, de verklaring voor die stank en ik lig met al mijn kleren nog aan op de vloer van de hotelkamer.
Op het bed dat ik heb geregeld, geboekt en betaald zie ik drie bergen. Blijkbaar heb ik verdomme nóg de boot gemist. Ik sta op, veeg wat uitgedroogde stukken tonijn van mijn gezicht en probeer niet te kokhalzen. Dan neem ik de waterkoker mee naar de badkamer, vul die en schakel hem in. De bergen in het bed komen in beweging en ik ga kijken wie er liggen. Briggsy ligt in het midden met aan elke kant een blond meisje. Ik ben blij dat ze alle drie hun kleren nog aanhebben.
‘Morgen,’ mompelt Briggsy met zijn ogen stijf dicht.
‘Bedankt dat je verdomme het hele bed hebt ingepikt gisteravond, Briggsy. Ik werd wakker op de vloer,’ zeg ik, terwijl ik niet probeer te voelen hoe vreselijk mijn hoofd eraan toe is.
Briggsy grinnikt.
‘Wat?’ zeg ik terwijl ik een zakje oploskoffie en een kuipje melk openmaak.
‘Je had erbij kunnen komen liggen als je had gewild, maar je was zo dronken dat je gewoon in elkaar stortte nadat de roomservice je broodje had afgeleverd.’
Langzaam beginnen er flarden van de avond daarvoor in mijn geheugen op te doemen.
‘Shit.’
‘Zachtjes, Fran, ik barst van de koppijn.’
Ik loop snel op Briggsy af.
‘Briggsy geen grapjes nu. Anders vermoord ik je. Heb ik gisteravond mijn filmster aan de telefoon gehad, of heb ik dat nou niet?’
‘Haha,’ grinnikt Briggsy opnieuw. ‘Ja.’
‘Ja, je hebt haar aan de telefoon gehad of ja, je hebt haar niet aan de telefoon gehad?’ vraag ik tegen beter weten in, omdat ik me nu wel vagelijk herinner hoe het zit, maar hoop dat het niet waar is.
‘Ja, je hebt haar aan de lijn gehad. Toen we hier in het hotel kwamen zette je je telefoon aan en toen belde ze. Ze bleef maar doorlullen en jij moest zo hard lachen dat je niets kon zeggen, dus gaf je je mobieltje aan mij.’
Ik laat me op de vloer neerzakken en leg mijn hoofd moedeloos in mijn handen.
‘Ze was heel gestrest en hield vol dat ze jou moest spreken omdat je iets wat ze niet kon vinden in had moeten pakken. In ieder geval heb ik een praatje met haar gemaakt en daarna was het goed.’
‘En wat deed ik ondertussen?’ vraag ik angstig.
‘Nou, ze brachten je broodje en daar had je veel meer interesse voor dan voor haar.’
‘O, mijn god,’ kreun ik. ‘En wat heb je tegen haar gezegd?’
‘Ach, ik heb gewoon mijn fameuze Briggsy-charme op haar losgelaten en gezegd dat je niet aan de telefoon kon komen omdat je ergens mee bezig was en dat je haar wel een andere keer terug zou bellen. En toen leek het me een goed idee om nog iets slijmerigs tegen haar te zeggen en heb ik haar verteld dat ik haar geweldig vond in Love Story.’
‘Wie zijn dat naast je in bed?’ mompel ik, met mijn hoofd nog steeds in mijn handen.
‘Ik ben Tricia en dat is mijn zusje Claire. We zijn nichtjes van Harry,’ antwoordt een van de meisjes slaperig, met haar hoofd nog steeds diep weggedoken onder haar kussen. ‘Was dat de échte Caroline Mason die je gisteravond aan de telefoon had?’
‘Ja.’ Ik klink krachteloos.
Op dat moment begint er iemand op de deur te rammen. Ik sta op om open te doen, half en half verwachtend er een furieuze Caroline achter aan te treffen. Gelukkig is het Abbie, wiens kater nog niet heeft toegeslagen, lijkt het. Ze is hartstikke vrolijk en ze heeft duidelijk genoten van een nacht vol seks met een onschuldige ziel. Ze vertelt ons dat iedereen naar de pub iets verderop in de straat gaat om te lunchen en wij besluiten daar ook naartoe te vertrekken. Ik ben meer dan tien minuten op zoek naar mijn weekendtas, voordat ik me weer herinner dat ik die thuis had laten liggen. Mijn god, wat heb ik een vreselijke kater. Ik pel mijn ooit prachtige jurk, die nu helemaal gekreukt is en onder de grasvlekken en stukken tonijn zit, van mijn lijf, neem een snelle douche, en moet die stinkjurk daarna helaas weer aantrekken, wat nogal viezig voelt en ruikt.
Op weg naar de pub vraag ik me af of Tom er ook zal zijn en ondanks mijn bezorgdheid over Caroline voel ik me al helemaal opgewonden bij de gedachte – niet dat ik dat ooit aan Briggsy toe zou geven.
Zodra we het café binnenkomen, zie ik hem. Hij staat aan de bar en heeft nog altijd zijn smoking aan. Ik voel verdomme vlinders in mijn buik. Zelfs in het grauwe daglicht ziet hij er nog steeds heel aantrekkelijk uit, wat echt een opluchting is, en ik werp hem mijn allerleukste glimlach toe. Maar tot mijn afgrijselijke teleurstelling draait hij zich om, na me nauwelijks een blik waardig te hebben gekeurd.
‘Denk je dat hij mij negeert omdat ik er zo smerig uitzie?’ vraag ik Abbie, bij wie ik net heb gezien dat ze een grote schoenafdruk op de achterkant van haar jasje heeft. Ik vraag maar niet hoe ze daaraan komt.
‘Nee, je ziet er prima uit. Zou hij verlegen zijn?’ zegt Abbie niet overtuigd.
We kiezen een tafeltje en Briggsy loopt naar de bar om wat te drinken te halen. Ik kijk weer in Toms richting en als ik zeker weet dat hij me ziet, zwaai ik aarzelend naar hem, maar hij kijkt gewoon dwars door me heen alsof ik niet besta. Het is verdomme ongelofelijk onbeschoft en meer het gedrag dat je zou verwachten van een zeventienjarige of nog jongere puber – en zelfs dan zou ik het als ‘zielig’ hebben betiteld. ‘Ik kan niet geloven dat ik dit moet zeggen, maar volgens mij doet hij net of hij me niet kent,’ zeg ik verbijsterd tegen Abbie, terwijl ik mijn uiterste best moet doen om te verbergen hoe vreselijk teleurgesteld ik me voel.
Abbie geeft geen antwoord, wat waarschijnlijk betekent dat ze het met me eens is, en ze begint Tom heel vuile blikken toe te werpen.
Briggsy arriveert aan onze tafel met de drankjes en ik klok in één keer een cola light naar binnen en zeg dan tegen hem en Abbie dat ik het liefste zou vertrekken, als zij het niet vervelend vinden. Vanwege het feit dat hun katers nu echt los beginnen te barsten, willen ze dat ook wel. Ze drinken hun glazen leeg en we beginnen onze spulletjes bij elkaar te zoeken. Pas als ik de deur uit loop, hoor ik Tom mijn naam roepen.
Ik draai me om.
‘Zal ik je bellen?’ vraagt hij, terwijl hij telefoneergebaren maakt.
Ik werp hem, hoop ik, een ijskoude blik toe en loop vervolgens de deur uit. Misschien kwam het gewoon door de drank dat alles gisteren zo fantastisch leek.
Ik kan het nog niet aan om Caroline te bellen. Ik ben veel te katterig en lamgeslagen, dus hou ik mijn telefoon uitgeschakeld. Ik besluit dat ik de volgende morgen precies op tijd op mijn werk zal verschijnen en dan wel zie hoe het loopt.