1

“Kwam je langs om me iets te vertellen, Jeff Meeks?” Louella zat op haar troon in de hoge kerkkamer en ze keek of ik het schaap was dat net op tijd naar de kudde was teruggekeerd. Ze was net als de vorige keer gekleed in een kaftan waarvan de lovertjes kleurden bij de lovertjes in haar gevlochten haren. De ringen aan haar handen fonkelden in het licht van de kaarsen, en de lucht van haar parfum, gemengd met de wierook, was overweldigend. Haar stem was nog steeds een combinatie van praten, mompelen en fluisteren, en mijn nekharen gingen ervan overeind staan. Als ik haar aankeek voelde ik dat ze me de baas was, net zoals Kaya me de baas was geweest. Daarom keek ik naar Johnson die achter haar stond in zijn bedrijfskleding, zwart T-shirt strak over de buik, verschoten spijkerbroek, sportschoenen met losse veters. Hij keek kwaad terug en dat deed me goed. Boosheid kon ik hebben, van de uitstraling van Louella raakte ik in de war.

Ik bewoog me ongemakkelijk op de houten stoel die op enkele meters afstand van de troon was neergezet. “Ik kwam iets vragen.”

Louella pakte met twee vingers haar onderlip en trok er aan. Het was een beweging van niks, maar in combinatie met de manier waarop ze haar wenkbrauwen bewoog voelde ik een rilling over mijn rug lopen. Onderweg had ik getwijfeld of het een goed idee was om haar op te zoeken, maar nu wist ik het zeker: het was verkeerd.

“Vragen.” Louella sprak het woord uit of ze het proefde. “Vra-gen.” Ze keek of de smaak tegenviel. “Vertel eerst maar waarom je hier bent.”

Dat had ik voorbereid. “Ik heb Jones begraven.”

“Dat wilde je me persoonlijk komen meedelen.”

Ik knikte. Johnson gromde en daarom keek ik maar weer naar hem. Hij was een stap naar voren gekomen, maar bleef stilstaan toen Louella een hand opstak.

“Straks. Johnson.” Ze glimlachte toen ze de naam uitsprak, maar het was er een die niet telde. “Je hebt hem niet begraven. Je hebt hem op een stapel gelegd.”

“Onderop. Bijna. Met golfplaten eromheen.”

“Toen Johnson kwam was van Damon Szuszki weinig over.” Louella keek half over haar schouder. “Hoeveel gieren heb je geteld?”

“Zes.” Johnsons stem was lager dan een bas. Het woord kwam uit het graf dat hij voor mij in gedachten had.

“Zes gieren, Jeff.”

“Ik heb er een paar van gezien. Ik had geen eten en nauwelijks drinken. Ik heb gedaan wat ik kon.”

“Waarna je bent verdwenen.”

“Ik had honger en dorst. Ik had handboeien om. Ik had geen schone kleren, niks.”

“Misschien had je kunnen bellen? Johnson vond je mobiel. Hij was aan stukken. Iemand was erop gaan staan.”

“Dat was ik. Ik heb mijn eigen mobiel aan stukken getrapt omdat ik ‘m niet uit elkaar kreeg. Jij, u, had er een zendertje in gestopt.”

Dit keer duurde de glimlach langer. “Laten stoppen. Toen je eindelijk belde, waar was je toen? In Atlanta?”

In Macon, en ik had er al de tijd voor nodig gehad die de chauffeur van de Greyhound-bus me toestond. Ik dacht dat ik het nummer dat in mijn mobiel was voorgeprogrammeerd had onthouden, maar ik had twee cijfers verwisseld en het heeft me elf telefoongesprekken gekost voor ik daar achter was. “Ik heb gebeld omdat ik denk dat Johnson in de schuur mijn papieren heeft gevonden, en meegenomen.”

“Dat denk je.”

“Ik hoopte…” Ik haalde mijn schouders op en probeerde de grijns van Johnson te negeren.

“Jij hoopte.” Louella deed weer iets met haar onderlip en ik voelde opnieuw een rilling. “We doen het allemaal, Jeff, hopen. Ik hoop dat jij me vertelt wat je de afgelopen dagen hebt gedaan. Begin maar bij de golfplatenschuur waarin je lag vastgebonden.”

Het eerste deel leek haar nauwelijks te interesseren. Ze keek naar haar beschilderde nagels, schikte de kaftan rond haar benen, deed een paar keer iets met haar onderlip en gaapte achter haar hand. Ze ging rechtop zitten toen ik toe was aan mijn vlucht door de regen nadat Jones was neergeschoten en glimlachte toen ik over mijn polsen wreef en daarna de schouder aanraakte die nog steeds pijnlijk was. De verwondingen die Dann Bloomer me had toegebracht waren vrijwel geheeld en de blauwe plekken op mijn benen en romp waren aan het wegtrekken, maar de schouder en de polsen bleven gevoelig.

Toen ik toe was aan mijn ontmoeting met de dikke man in de caravan niet ver van de Big Chino Wash boog ze zich naar me toe. “Gabri�l?”

“Naar de aartsengel. De eerste keer verstond ik zijn naam niet, maar de volgende ochtend liet hij me een plaatje zien. Hij wist zeker dat Gabri�l in hem was neergedaald. De dag nadat hij het zijn vrouw had verteld, was ze weggelopen en dat vond hij het bewijs. Hij had een foto van haar en ik leefde met hem mee. Dat hij haar wilde zoeken kwam omdat ze haar f�hn had meegenomen, de toaster en het geld. Hij wilde het geld terug en de toaster. Ik moest rijden, want dat kon hij niet meer. Ik redde het tot Prescott. Daar ben ik uit de Dodge gestapt. Het kostte me drie dagen om naar Savannah te komen.”

“Liftend?”

“Greyhound. In Prescott heb ik in een tweedehandswinkel kleren gekocht en een sporttas. Ik viel er niet mee op te midden van de rugzaktoeristen, de landarbeiders en de vrouwen met kinderen die zaten te hopen dat op het eindpunt iemand stond te wachten.”

“Onderweg heb je bedacht dat je mij wilde spreken?”

Mijn besluit was met een omweg gekomen. Eerst wist ik zeker dat ik naar Frederick Doyal Dunn wilde. Shelly kende hem. Ze had het niet direct gezegd, maar ik had het gezien aan haar gezicht: zij had, samen met Jack Doyal Dunn, Ken Caray op Tybee Island in een zwembad laten vallen. In opdracht van Frederick. Shelly had gezegd dat ze bij de mannen had gehoord die me bij de Savannah River hadden aangevallen. Dat was gebeurd na mijn bezoek aan journalist Art Mornay die, net als Doyal Dunn senior, lid was van de Soci�teit. Shelly had de rug van Kaya laten prepareren. In het huis van Doyal Dunn had ik opgezette dieren gezien. Als ik aan de combinatie Shelly, Doyal Dunn en dieren dacht, zag ik de oude man voor me die een stuk vel vol tatoeages aan het prepareren was.

Het duurde tot voorbij Amarillo voor ik steeds meer de oude man met de appelwangen en de grijze paardestaart zag en steeds minder de preparateur die bezig was met de rug van de vrouw van wie hij had gehouden. Hij had verteld dat hij altijd was bezweken onder de kracht van Kaya en dat had hij niet gelogen. Frederick Doyal Dunn zou misschien naar foto’s van de rug kijken, het vel zelf zou hij niet in handen nemen. Ik was al in Georgia toen ik besloot om contact te zoeken met Louella. Ze was de vriendin van Kaya geweest, ze had met haar samengewerkt, ze had na Kaya’s vlucht contact gehad. Ze had ook geld verloren en bijna de macht over de Afro-American Baptists Church. Ze was de vrouw die de restanten van de AABC bij elkaar hield. Die Jones achter me aan had gestuurd. Die mensen kende die een zendertje in een mobiel konden stoppen en die me konden traceren als ik belde. Shelly was degene die wist waar de rug van Kaya was. En waar de foto’s waren die ze me had laten zien. Shelly en foto’s, om die redenen had ik Louella gebeld. Er waren er nog een paar, maar die hield ik voor me. Eerst de foto’s.

“Shelly liet me twee foto’s zien die van Cathy’s vel…” Ik aarzelde. “Van haar rug waren gemaakt. Johnson heeft ze gezien. Ik wil weten wie ze nu heeft. Toen ik de schuur doorzocht ben ik ze niet tegengekomen.” Ik keek van Louella naar Johnson. “Zijn ze hier?”

Louella schudde van nee, Johnson bromde iets.

“Dan heeft Shelly ze meegenomen. Ze is weggereden in mijn pick-up. Ik denk met het lichaam van Dann Bloomer en de foto’s.”

“Nu wil je de foto’s terug?”

“Ik wil alles terug. Mijn pick-up. Mijn rijbewijs. Mijn kleren.” Ik probeerde Louella zover te krijgen dat ze me recht in de ogen zou kijken. “Ze zijn hier, of ze zijn bij Shelly.”

Louella zat roerloos terwijl ze terugkeek. Het was een spelletje en ik wendde het eerst mijn blik af.

“Johnson.” Het klonk als een bevel en dat bleek het ook te zijn. Johnson ging weg en kwam terug met mijn sporttas die hij zwijgend naast me neerzette.

“Je papieren zitten erin, Jeff Meeks. Ook kleren. Ik heb het nieuwe testament erbij laten doen. Clausewitz had je al. En je boksbeugel. Johnson nam de bijbel mee, jij de boksbeugel. Zie je het verschil?”

Ik zag het niet direct, maar misschien kwam dat omdat ik aan andere dingen dacht. “Mijn pick-up is een Chevrolet. Misschien is Shelly ermee naar Savannah gereden.”

Ik geloofde het zelf niet en Louella evenmin. “Het gaat niet om de pick-up, Jeff. Je bent hier voor iets anders.”

Ze had gelijk, maar ik was niet van plan alles te vertellen waar ik over had nagedacht. Dus probeerde ik het verhaal dat ik in elkaar had gezet terwijl de Greyhound van west naar oost reed.

“Ik wil de rug van Cathy. Ik wil haar compleet. Ik weet waar haar graf is en ik wil…” Ik maakte een gebaar dat als machteloos was bedoeld. “Alles van haar. Bij elkaar. Omdat…om wat ze voor me heeft gedaan.”

“En verder?”

“Geld.”

Louella keek opgelucht, Johnson maakte een geluid alsof samengeperste lucht ontsnapte. Geld. Die drijfveer kenden ze. Ze hadden op het woord zitten wachten.

“Geld?”

“Vorige keer vroeg jij, u, om de moordenaars van Cathy en Ken te zoeken. Ik heb ze gevonden. Het geld heb ik bijna. Het is waarschijnlijk in het buitenland en de rekeningnummers staan getatoe�erd op de rug van Cathy.”

Haar stem klonk kouder dan ijs toen ze me onderbrak.

“Dat weet je zeker. Van die nummers.”

“Vrijwel zeker.”

“Cathy heeft mij verteld dat alleen Ken wist waar het geld was.” Louella’s stem stond strak van de zelfbeheersing, maar ik hoorde het begin van een onbeschaafd randje. “Dat was dus niet zo.”

“Ik denk van niet.”

“Ze loog. Tegen haar beste vriendin. Zoals ze altijd alles loog.”

Ik ging met een ruk rechtop zitten. Niet alles. Niet altijd. Niet tegen mij. Misschien soms. Een beetje. Dat zou ik toegeven als het moest. Maar ze had mij meer geleerd dan mijn moeder en mijn vader samen en als ik terugdacht aan de uren die Kaya en ik samen met Len hadden doorgebracht aan de voet van de Carrizo Mountains, voelde ik me gelukkig. “Ze loog niet tegen mij. Ik wil haar rug en ik wil de foto’s. Ze mogen niet blijven rondslingeren.”

“Wat wil je nog meer, Jeff?”

Ik haalde diep adem. “Tien procent.”

“Niet vijftig?” Het klonk spottend, maar zo keek ze niet.

“Niet vijftig. Tien. Ik wil dat Cathy begraven wordt zoals het hoort. Met een steen. En een rouwdienst. Met alles.”

“Omdat ze belangrijk voor je was.”

Omdat ze me had leren lezen, echt lezen, naar dieren had laten kijken en naar planten, me een nieuwe identiteit had gegeven, me had bemoederd. “Ja.”

Louella strekte haar armen op een manier waardoor ik dacht dat ik de zegen zou krijgen. Het bleek te zijn omdat ze zich wilde uitrekken, maar het maakte toch indruk. Alles wat ze deed maakte indruk. Zelfs de manier waarop ze naar de deur liep.

Toen ze naast Johnson stond draaide ze zich om. “Wat wil je dat we doen, Jeff Meeks?”

Door het ‘we’ kreeg ik het gevoel dat ze me geloofde. Misschien niet vertrouwde, maar voldoende geloofde om me te helpen.

“Uitkijken naar Shelly. Zij heeft Jones neergeschoten. Ik denk dat ze contact heeft gehad met Doyal Dunn, maar ik weet het niet zeker.”

“Johnson kan je helpen als je hem opzoekt.”

Ik wist hoe Frederick Doyal Dunn over de zwarte inwoners van Savannah dacht en probeerde dat tactisch te zeggen. Louella had maar een half woord nodig. Ze legde me het zwijgen op, liet haar ringen fonkelen en wendde zich van me af.

“Tien procent voor de moordenaar van Jones, Jeff Meeks. Tien procent van al het geld dat we terugkrijgen. Johnson zal klaarstaan om je te helpen. Als je Shelly vindt en ons niet waarschuwt…” Haar stem klonk zwakker naarmate ze verder de gang in was, maar op een of andere manier bleef ze sterk genoeg om me vast te nagelen aan de stoel.

Ik kwam pas in beweging toen Johnson me een zetje gaf. “Je hebt geluk, brother. Ze gelooft je. Jones zou nog leven als jij nooit naar Savannah was gekomen.” Hij liet een grote hand langs mijn pijnlijke schouder glijden. “Je moest eens weten welke plannen ik had. Je hebt geluk, bro. Je weet niet half hoeveel.”

Hij pakte mijn tas en liep voor me uit naar buiten.