4

Ik liep om het gebouw van de Savannah Morning News naar het weggetje met de hobbelkeien. Het helde sterker dan ik had verwacht en ik moest voorzichtig lopen. Halverwege draaide ik me om. Art Mornay stond voor het raam. Een verdieping lager stonden mevrouw en mejuffrouw Pale. Ze waren uit de kelder gekomen om me gade te slaan. Achter hen stonden twee mannen. Niemand bewoog toen ik zwaaide. Niemand bewoog toen ik een stap deed, uitgleed over een gladde, halfronde kei en drie sprongen maakte terwijl ik met mijn armen maaide. Een paar toeristen schoten in de lach, maar in het krantengebouw leek niemand mee te doen.

Ik had het warm toen ik verderliep. Ik was op zoek geweest naar informatie en ik had informatie gekregen. Dat ik het was gaan halen op de verkeerde plaats besefte ik nu pas. Dat ik meer informatie had gekregen dan ik aankon, wist ik toen ik mijn maag voelde en ik drie keer moest slikken voor ik een beetje speeksel weg kon werken. Achter mijn ogen brandde iets en mijn richtinggevoel liet te wensen over. Ik slingerde toen ik over de weg langs de Savannah River liep en een paar keer struikelde ik over mijn eigen voeten. Ik vervloekte de moordenaars van Kaya en Len en toen ik daarmee klaar was vervloekte ik mezelf, niet om een duidelijke reden, maar gewoon omdat ik ik was en ik een hekel had aan die ik. Na een tijdje kreeg ik medelijden met die sukkel van twee meter lang voor wie de toeristen een omweg maakten, daarna werd ik boos, op mezelf en op iedereen die ik kende. Op iedereen behalve Kaya. Misschien had Ken Caray niet gedeugd, maar Kaya was goed. Ze was mijn Kaya en met mijn Kaya was niets mis.

Ik liep langs de rivier tot ik bij het Marriott-hotel was. Daar draaide ik om en liep ik terug naar de brug. Naar het Marriott. Naar de brug. Ik had geen idee hoe vaak ik heen en weer liep, maar iets in mijn hoofd, een onderdeel dat los van mijn gedachten werkte, registreerde dat het donker werd en een ander deel dat ik werd gevolgd.

Daar werd ik een ander mens van, bijna de oude. Volgen was iets concreets en dat was beter dan piekeren over dode mensen en mensen die ik nooit had gesproken. Aan een volger had ik houvast en als ik ergens aan toe was, dan was het aan houvast.

Ik at in een klein restaurantje vlak bij Emmet Park en ging terug naar de rivier. Er waren nog steeds toeristen, maar het waren er niet veel. De meeste waren naar het hotel gegaan, of naar het centrumdeel waar de meeste restaurants waren. Enkele honderden waren aan boord gestapt van een raderboot die langzaam de rivier afzakte, flarden bluesmuziek achterlatend. Ik had onder het eten naar buiten gekeken. Niemand had naar me staan staren, maar het gevoel was gebleven: je weet dat er iets is, maar je hebt er geen greep op.

Na een kort rondje over Factors Walk, het weggetje langs de oude pakhuizen waarin nu voornamelijk toeristenwinkeltjes waren gevestigd, en over River Street vlak langs het water, was ik er bijna zeker van dat meer dan ��n persoon me in de gaten hield. Een kleine man met een honkbalpetje van de Atlanta Braves bleef in mijn buurt als ik aan de oostkant van Factors Walk was, een jonge vrouw met een boodschappentas waarop ‘big bag’ stond, hield me aan de westkant in het oog. Ik liep een bar in, dronk bier en maakte een nieuw rondje. De man had dit keer geen petje op en de vrouw droeg geen tas, maar het waren dezelfde personen. Toen ik doorliep in de richting van de Talmadge-brug liep er een jongen achter me. Hij maakte tot drie keer toe zijn schoenveters vast nadat ik me had omgedraaid en dat was twee keer te veel. Alle drie waren ze blank. De jongen was een amateur die zijn tactiek uit de verkeerde films had. Wat hij deed was meelijwekkend en ik besloot geen aandacht aan hem te besteden. De vrouw leek te zijn verdwenen en ik richtte me op de man. Ik liep terug tot voorbij het oude havenlicht en keek rond tot ik hem zag. Hij moest vrienden hebben die in een toeristenwinkeltje werkten, want hij had nu een blauw T-shirt aan met daarop in rode letters ‘Savannah’ en hij had zijn haar in een staartje. Onder een arm had hij een langwerpig pak. Er had een parasol in kunnen zitten, of een wandelstok, maar ik hield rekening met een honkbalknuppel of een ijzeren staaf. Ik liep naar de rivieroever en zocht een plekje tussen de struiken. Aan de andere kant van de rivier lag een industrieterrein en op verschillende plaatsen waren aanlegplaatsen gegraven voor vrachtschepen. In de containerhaven werd gewerkt en het gepiep en het gekraak van de kranen die containers verplaatsten, overstemden het geroezemoes van de stad. Ik moest plassen en dat deed ik terwijl ik over een struik naar River Street keek. Mijn achtervolger stond in de schaduw van een bestelauto, maar af en toe deed hij een stap naar voren en dan zag ik de bleke vlek van zijn gezicht. Ik dook in elkaar en schuifelde langs de struiken naar een stuk waar alleen keien lagen. De meeste waren rond en een paar ervan lagen los. Ik pakte er een en woog hem in de hand. Iets meer dan een kilo, misschien anderhalf. Als ik gooide zou ik hem kunnen raken, al was de kans dat ik een deuk in de bestelauto gooide groter. Ik legde de kei naast me neer en ging zitten. Na een paar minuten kwam hij tevoorschijn. Hij was langs de gevels naar het oosten gelopen en voorbij de afslag naar Fort Wayne River Street overgestoken. Als hij de moeite had genomen om honderd meter verder te lopen, zou ik hem hebben gemist, maar nu zag ik hem voor hij tussen de struiken verdween.

Ik schoof een eindje op tot ik op een stuk zat zonder keien die konden wegrollen en probeerde me voor te stellen dat ik terug was op Carlys Piek. Maanden had ik rondgezworven tussen de bomen op de berghelling. Ik had er dieren beslopen en toeristen; ik had een grote vaardigheid opgebouwd in het onhoorbaar naderen van een tegenstander en, veel belangrijker nu, het opvangen van geluiden van een tegenstander. Het viel niet mee om een bos om me heen te denken met het gepiep van de kranen aan de overkant van de rivier, maar voor het eerst die avond was elke gedachte aan Kaya uit mijn hoofd verdwenen. Iemand was bezig me te benaderen en daar hield ik me mee bezig. Ik concentreerde me op de oostkant van de oever en probeerde geluiden op te vangen die niet pasten in het patroon van een rustige, warme avond: geschraap van een schoen langs een steen, het wegspringen van een kei, een brekende tak.

Ik hoorde de geluiden wel, maar ze waren links van me en niet rechts. Ze kwamen ook niet een voor een, maar zo’n beetje allemaal tegelijk en het was onmogelijk ze te negeren. Ik had me al omgedraaid toen ik begreep wat er aan de hand was. De man was een afleidingsmanoeuvre geweest, net als de vrouw en de jongen. Het zware materiaal was ingezet toen ik zo stom was om de toeristenweg met de winkeltjes en eetgelegenheden te verlaten en naar de oever te lopen. De schim die door de struiken brak was die van de vrouw of de jongen, maar het werkelijke gevaar kwam van de andere kant, dat voelde ik. Ik draaide me om en zag twee gestalten opduiken uit het water. Ze waren groot en ze hadden allebei iets in hun handen wat er lang en stevig uitzag. Ze hadden de meest geruisloze route gekozen die er was: via de rivier, de enige kant waar ik niet op had gelet. Terwijl ik naar ze keek zag ik uit een ooghoek de man met het blauwe Savannah T-shirt. Hij zwaaide met een honkbalknuppel en riep iets wat ik niet verstond. Ik maakte een beweging in de richting van River Street en voelde iets tegen mijn borst. Het was zwaar en het deed pijn. Toen het op de grond viel wist ik wat het was: een kei. Precies het wapen dat ik in mijn hand had gehad en terug had gelegd. Want ik was Jeff Meeks, ik was twee meter lang en meer dan honderd kilo zwaar, ik kon een kleine man met een paardenstaart wel met blote handen aan en daar konden een vrouw en een jongen bij. Maar die vormden het gevaar niet. De echte aanvallers waren tussen de rivier en mij en ze maakten haast. Terwijl ik wegdook voor een steen liepen ze op me af alsof ze deelnamen aan een riddertoer-nooi. De lange voorwerpen die ik had gezien waren houten stokken van meer dan twee meter lang en allebei hielden ze het wapen vast of ze wilden ringsteken: uiteinde tussen bovenarm en lichaam, onderarm langs het hout. De voorste raakte me vlak onder het borstbeen, ongeveer op het moment waarop een steen langs mijn achterhoofd schampte. Ik deed een stap opzij en deed een greep naar de stok. Ik kreeg het uiteinde te pakken en trok. De man aan de andere kant trok ook en hij gromde terwijl hij kracht zette. Waarom de tweede man zijn stok gebruikte om te slaan in plaats van om te steken werd me niet duidelijk, maar hij deed het. Hij raakte me net boven de heup en ik greep het hout. Enkele seconden stonden we alle drie vrijwel stil. Toen lieten de mannen hun stok los en draaiden ze zich om. De voorste riep iets voor hij de rivier in sprong en achter me hoorde ik mensen weglopen. Het vechtpartijtje was voorbij voor het serieus was geworden en vijf seconden later stond ik in mijn eentje tussen de struiken. Aan de overkant werd een container opgetild, de rivier kabbelde tegen de oever, vanuit het centrum kwamen de geluiden van auto’s, in de verte hoorde ik een sirene. Het was allemaal vertrouwd en toch bijna surrealistisch. Als ik geen pijnlijke plek onder het borstbeen had gehad en een plek net boven de heup, dan had ik mezelf wijs kunnen maken dat er niets was gebeurd.

Een waarschuwing, dat maakte ik er maar van. Iemand had me een teken willen geven: niet te veel vragen, wegwezen.

Aan dat soort dingen dacht ik en ik werd er heel chagrijnig van. Gisteren was ik tegen mijn knie, schouder en arm getikt door twee zwarte mannen, vandaag hadden blanke mannen me gepord en geslagen. Ik zou er niet aan bezwijken, maar als het zo doorging, zou ik over een paar dagen weinig lichaamsdelen hebben zonder blauwe plekken. Johnson en Jones hadden een reden gehad om me aan te spreken. Ze waren er om bezoek aan AnnaLee Lurie te voorkomen. Het nut ervan begreep ik niet, maar ze hadden een taak gehad en die uitgevoerd. De actie van de mannen met de stokken was er een geweest waar ik de logica niet van kon inzien. Blank en zwart opereerden apart, dat had Art Mornay me een paar uur geleden uitvoerig uitgelegd. Ik geloofde hem en besteedde geen aandacht aan een verband tussen de mannen uit de rivier en het Johnson-en-Jones-duo. Ik besteedde wel aandacht aan Art Mornay. Hij was de enige met wie ik uitvoerig had gesproken. Hij had me bij herhaling duidelijk gemaakt dat hij een verband vermoedde tussen mij en de verdwenen Cathy Lenz. Na meer dan vijftig jaar journalistiek in Savannah zou hij zijn contacten hebben. Hij wist bovendien waar ik naartoe was gegaan nadat ik het gebouw van de Savannah Morning News had verlaten. Hij had me staan nakijken. Maar dat hadden mevrouw en mejuffrouw Pale ook, evenals een paar anderen.

Ik bewoog mijn spieren tot ik wist dat ze allemaal deden wat ik wilde en liep met een omweg naar Bay Street. Bij een lantaarn streek ik met een hand over mijn achterhoofd. Ik voelde een bultje, maar had geen bloed aan mijn vingers, de steen had me niet zo geraakt dat ik me niet tussen mensen kon vertonen. Ik probeerde me kleiner te maken dan ik was toen ik de brede straat overstak en via Bryan Street in de richting van de brug liep, maar hield daarmee op toen ik een vrouw iets hoorde sissen tegen een meisje dat een giechel smoorde door haar hand tegen haar mond te drukken. Lang en breed is een voordeel als ze op je afstormen met stokken, verder heb je er weinig aan.

Ik liep door tot Broad Street, sloeg af en wandelde naar Williamson Street. Via een steeg, een stukje Bay Street en de lobby van het Hyatt-hotel kwam ik bij het gebouw van de Savannah Morning News. Op elke verdieping brandde licht en dat leek me logisch bij een krant die in de ochtend verschijnt. Af en toe zag ik iemand bij een raam, maar het was niemand die ik kende. Geen Art Mornay, geen mevrouw of mejuffrouw Pale. Wel een GMC Rally. De auto kwam van de parkeerplaats naast het krantengebouw en hobbelde over een keienstrook naar Bay Street. Achter het stuur zat een kleine man met een paardestaart, naast hem zat een vrouw. Ze lachten. De vrouw draaide haar bovenlichaam en zei iets tegen iemand die achter haar zat. Daarna lachten er drie. Toen waren ze weg.

Ik dacht na over het hoe en waarom van hun actie. Ik dacht na over M4U, het bedrijf van Ken Caray. Ik dacht na over Cathy die verdwenen was voor ze kon getuigen. Cathy was Kaya, daar twijfelde ik niet aan. Maar ze was niet schuldig, zoals Art Mornay had beweerd. Dat was ze niet omdat ik dat had vastgesteld en opnieuw vaststelde, hier en nu, lopend over Bay Street van het gebouw van de Savannah Morning News naar het Howard Johnson in Boundary Street, vlak bij de Talmadge-brug. Kaya was mijn tweede moeder. Ze was onschuldig tot ik van het tegendeel was overtuigd, en het zou niet makkelijk zijn om me zover te krijgen. Daar dacht ik aan terwijl ik liep, terwijl ik mijn sleutel pakte, terwijl ik de deur opendeed, terwijl ik mijn kamer binnenstapte. Het licht ging aan zonder dat ik het knopje had aangeraakt.

Louella