2
Twintig minuten later, nadat ik een dozijn parkjes had gezien, twee winkelcentra en de toegangsweg naar Savannah International Airport zei Johnson dat ik mijn ogen dicht moest doen. Hij bond er een doek voor die naar olie rook en zei dat ik niet stiekem langs mijn neus moest kijken. Hij zei niet dat ik me moest bukken en daarom bleef ik rechtop zitten. Er was veel verkeer op de weg naar het vliegveld en een aantal automobilisten moest me hebben gezien, maar Johnson en Jones leken daar niet mee te zitten. Jones floot een lied dat ik niet kende, Johnson humde met hem mee. Zijn stem had het effect van een luidspreker op een popconcert, er leek iets mee te vibreren in mijn borstkas en ik voelde druk op mijn maag.
De Pontiac stopte in een straat waar het rustig was. Johnson tikte me tegen een schouder en zei dat ik uit moest stappen. Hij greep me onder een oksel en vertelde wat ik doen moest. “Twee treetjes. Recht vooruit. Nog een tree. Bocht naar rechts. Uitkijken voor ongelijke stenen. Stilstaan. Stoepje met drie treden. Drempel. Gang met schilderijen, rechtuit lopen en niet met je arm zwaaien. Linksaf. Gladde vloer. Stilstaan. Stapje naar rechts. Zitten.”
Hij trok de doek weg en wachtte tot ik was uitgeknipperd. “De blinddoek was omdat je niet hoeft te weten waar dit huis is, brother. Als je daaruit opmaakt dat je kans maakt hier levend weg te komen, dan heb je gelijk. Als je denkt dat in de tuin begraven worden geen optie is, dan zit je fout. Blijf rustig zitten tot je iets wordt gevraagd.”
Om zijn woorden kracht bij te zetten kneep hij in mijn nek. Hij grinnikte toen ik verstijfde en kneep nog een keer. “Je bent niet de enige met een stevige greep, denk daar maar aan terwijl je wacht.”
Hij ging achter Jones de kamer uit en draaide zich bij de deur half om terwijl hij een vinger hief. “Met rustig bedoel ik rustig.”
Ik knikte. Ik was niet van plan om met handboeien om flink te gaan doen, bovendien was er niets om flink tegen te doen. Ik zat in een kamer waarvan de muren minstens vijf meter hoog waren. De wanden waren witgekalkt, maar op een hoogte van twee�nhalve meter schemerden lichtblauwe banen door het witsel. Ik kreeg de indruk dat ik me in een huis van meerdere verdiepingen bevond waarvan een plafond was weggebroken. Langs de bovenkant zaten kleine ramen, ongetwijfeld de ramen van de oude bovenverdieping. Voor het glas zaten tralies waaromheen bloemen waren gevlochten, wijnranken, maar dan in bonte kleuren. Op de plavuizen vloer stonden de houten stoel waarop Johnson mij had neergedrukt en een grote houten stoel met rode kussens. De grote stoel stond op een verhoging en zag eruit als een troon. Links en rechts stonden kleurige aardewerken bakken met bloemen. Erachter stond iets wat rook verspreidde. Toen ik snoof wist ik wat het was: wierook.
De afmetingen van het vertrek schatte ik op acht bij tien bij vijf meter en het geheel maakte de indruk van een kerk waaruit de banken waren verwijderd.
Toen ik gezien had wat er te zien viel, deed ik mijn ogen dicht en probeerde ik helemaal nergens aan te denken. Het viel niet mee. Johnson en Jones tijdelijk uit mijn geheugen bannen was niet moeilijk. De mannen met stokken die uit de Savannah River waren gekomen hadden te weinig indruk gemaakt om er in mijn hoofd ruimte voor vrij te houden. Waar ik mee zat was wat Art Mornay had gezegd over Ken Caray en vooral over Cathy Lenz. Elke zin die hij over haar had gesproken ademde hetzelfde woord uit: slecht. Het was een woord dat ik weigerde te accepteren. Misschien was Cathy slecht, of slecht geweest. Misschien. Ik was bereid een kleine mogelijkheid open te laten. Maar Kaya was goed. Ik had dat eerder vastgesteld en deed dat nu weer. Kaya had me bemoederd, had me laten lezen, had me bloemen laten zien die na een regenbui een halve dag bloeiden, had me geleerd welke dieren in de woestijn leefden, had…Alles. Ze had me alles geleerd wat ik wist. Dat gevoel had ik en het werd sterker naarmate ik langer aan haar dacht. Als ik doorging met op deze manier denken zou het zo sterk worden dat ik mijn handboeien stuk kon trekken, dat ik iedereen die een kwaad woord zei over Kaya in de rivier kon gooien, dat ik…
“Wakker worden, bro.”
De hand op mijn schouder was zwaar en toen ik opkeek zag ik het gezicht van Johnson op een paar decimeter afstand. Hij keek met grote ogen waarin verbazing stond te lezen.
“Hij is een kouwe. Kouwer dan ik dacht.”
De bewondering was duidelijk hoorbaar en het duurde lang voor hij een paar stappen achteruitging en ruimte maakte voor iemand die achter hem had gestaan.
De vrouw die roerloos bleef staan terwijl ik haar bekeek was klein, slank en zwart. Ze was gekleed in iets langs waarin ik James Brown wel eens in een film had gezien. Een soort jurkjas vol lovertjes in alle denkbare kleuren. Het woord ‘brokaat’ schoot me te binnen. Ik had geen idee wat brokaat was, maar deze jasjurk moest van brokaat zijn. De kraag stond omhoog, op de manier van de jasjes die Elvis in zijn laatste jaren droeg. Het haar was in strengen gevlochten samen met iets waarin of waaraan lovertjes zaten. Haar handen zaten vol ringen. Boven haar ogen zat mascara, of oogschaduw of hoe het spul ook heet dat vrouwen gebruiken, dat, maar dan in acht kleuren.
Ze deed me aan iemand denken, iemand die ik kende, maar ik kon er niet opkomen en ik kon me moeilijk concentreren. Terwijl ik naar de vrouw keek was het al moeilijk genoeg om mijn mond niet open te laten zakken.
De vrouw bekeek mij zoals ik haar bekeek en we waren ongeveer tegelijk klaar. Ze beet even op haar onderlip voor ze zich omdraaide en op de troon ging zitten. Ze sloeg haar benen niet over elkaar, maar hield ze netjes tegen elkaar met de onderbenen een beetje schuin, precies zoals het schijnt te horen. Onder de jasjurk die een verkoopster in een kledingwinkel waarschijnlijk ‘robe’ zou noemen, zag ik kleine, goudkleurige schoenen vol kleurige bloemetjes.
Toen ze een hand bewoog was Johnson een en al aandacht.
“Dank je,” mompelde ze, fluisterde ze, zei ze. Het was van alle drie een beetje en ik zou niet weten wat ik zou moeten kiezen. Haar stem was laag en een beetje hees. Ik kreeg er een droge keel van.
Johnson liep naar de deur, maar ging niet weg. Hij keek niet naar de vrouw, maar naar mij. Zijn wenkbrauwen waren opgetrokken, zijn vuisten gebald. Alles aan hem drukte een waarschuwing uit: wees heel erg beleefd.
Ik keek naar hem en had de neiging te knikken. Natuurlijk zou ik beleefd doen, dit was geen vrouw om je stem tegen te verheffen.
Daarna gebeurde er niets. Ik zat en luisterde naar mijn adem. Zij zat en bekeek haar nagels. Johnson stond en fixeerde me met zijn ogen.
De vrouw begon en ik schrok ervan.
“Aabelson?”
“Ja…” Bij de ‘a’ liet ik mijn stem wegsterven. Ja, mevrouw was te veel, maar ik liet iets van een suggestie in die richting achter.
“J. Aabelson?”
“Jeff.”
“Heb je je al afgevraagd waar je bent, Jeff?”
Ze zei geen ‘brother’, geen ‘jongen’ en geen ‘zoon’, alleen daarom al vond ik haar aardig.
“Een kerk, lijkt me. Een zaal waarin diensten worden gehouden. Zoiets. Dat dacht ik. Zomaar.”
Ik had er de pest in omdat er geen samenhang in het antwoord zat, maar ik vroeg me nog steeds af waar ik haar van kende. Of aan wie ze me deed denken. De manier van kijken, de wijze waarop ze haar handen bewoog…
“Dit is een ruimte van de Afro-American Baptists Congre-gation, Jeff. Van de aabc. Wel eens van gehoord?”
Ik aarzelde, bedacht dat ik met een ‘ja’ nog steeds alle kanten op kon en knikte. “Wel eens.”
“Waar, Jeff? En van wie?”
“Iemand in de stad. Ik zou niet weten wie.”
“Omdat je een slecht geheugen hebt?”
Er klonk niets triomfantelijks in haar stem, maar de toon gaf me de kriebels. Ze was bezig me in een hoek te drijven en ze genoot ervan.
“Ik heb een keer een krantenstukje gelezen over de AABC, iets met een rechtszaak. Dat is alles.”
“Vertel eens, Jeff. Wat voor stukje precies? Wat stond erin?”
Ik had er met mevrouw en mejuffrouw Pale over gepraat in de kelder van de Savannah Moming News. Ik had er met Art Mornay over gesproken. Het had weinig zin om nu ontwijkend te blijven doen. “Het was een stukje uit de krant van hier. Er stond in dat Catherine Lenz zou getuigen in een rechtszaak tegen of van de aabc.”
“Hoe kwam je aan dat stukje? Jeff.” Er was een pauze voor ze mijn naam noemde en er was gif in haar stem geslopen. Niet dat ze luider sprak, het was nog steeds een combinatie van fluisteren, mompelen en praten, maar het hese had plaatsgemaakt voor een scherp randje.
“Van iemand die ik sprak in Miami. Hij wist dat ik naar Savannah ging en hij vertelde wat hij van deze stad wist. Hij gaf me een knipsel en vroeg of ik na wilde vragen wat er van de rechtszaak was geworden. Hij had het gemist, destijds, en hij was nieuwsgierig.” Ik ging iets rechter zitten. “Niet echt nieuwsgierig, want dan had hij wel navraag gedaan. Het was iets wat opduikt als je zit te praten en wat je na een tijdje laat zitten, omdat je van onderwerp verandert.”
“Je ging naar Congress Street waar de zoon van Cathy Lenz een ijzerhandel heeft en je ging naar Huntington Street waar die zoon woont. Allemaal omdat een kennis nieuwsgierig was. Verveel je je snel, Jeff? Was je snel uitgekeken op Savannah of was die kennis meer dan een kennis en had je een taak te volbrengen?”
Ik wist wat ik gisteren en vandaag had moeten doen. Ik had een verhaal moeten voorbereiden voor het geval ik geboeid meegenomen zou worden naar een kerkruimte. Ik had geen motel moeten nemen in Savannah. Ik had naar Venezuela moeten gaan, of naar Australi�, landen die ik kende en waar niemand vragen stelde waar ik van kleurde.
Ik wist wat ik had moeten doen, maar ik wist niet wat ik nu moest en dus deed ik niks. Ik klemde mijn lippen op elkaar en keek naar de getraliede ramen een paar meter boven de troon.
De vrouw stak een hand uit en bewoog een vinger. Johnson liep naar haar toe. Ze fluisterde iets in zijn oor en hij liep het vertrek uit. Een paar minuten later was hij terug met een stuk papier.
Ik wist al wat het was voor hij het openvouwde en het voor mijn ogen hield. Hij bleef staan tot ik langs de foto van Jack voor zijn ijzerwinkel naar de vrouw keek.
“Dat knipsel was in het bezit van AnnaLee Lurie, Jeff. Ze zei dat ze het van jou had gekregen. Je had een knipsel over een rechtszaak. Je had ook een bijbel. De recovery-versie van het nieuwe testament. Recovery. Herstel. Wij hebben het nieuwe testament hersteld, Jeff. De aabc heeft het gemaakt zoals het moet zijn.” Ze stond op en gleed naar me toe. Schrijden was ook een goed woord. Lopen was fout. Ik liep. Johnson liep. Zij deed niet aan lomp voortbewegen, zij gleed.
Ze duwde Johnson weg en bleef voor me staan. “Ik ben de voorgangster van de AABC, Jeff. De dominee, de pastor, je mag het noemen zoals je wilt. Voor ons bestaat er geen oude testament. Voor ons begint de ware religie met Mattheus. Wij praten elke zondag over de waarheid van ons nieuwe testament. Vroeger deden we het in een ruimte die rijker was dan deze, groter. Niet mooier, maar stemmiger. Dat eindigde meer dan drie jaar geleden, ongeveer in de tijd van het knipsel dat jouw kennis je gaf, de tijd van de rechtszaak. Wij zijn niet meer wat we waren, wij, de aabc. Sommige inwoners beweren dat we niet meer bestaan, maar we zijn er nog en we leven nog steeds volgens onze regels. Een heel belangrijke is: niet liegen. Gij zult niet liegen, Jeff.” Ze deed een stap achteruit. “Ik ga nu weg. Ik laat je alleen. Het is tijd voor contemplatie. Jij gaat nadenken, Jeff Meeks, en als ik terugkom, dan weet je dat in deze ruimte geen plaats is voor leugenaars.”
Ze boog zich naar voren en streek met een beringde hand langs mijn kin, vederlicht. Johnson haalde een hand langs mijn linkerbovenarm en kneep. Dat was minder zacht. Ik kreunde niet, maar dat was niet omdat ik een held was. Ik was verdoofd door de woorden van de vrouw. Jeff Meeks?
∗
Het duurde lang voor ze terugkwam. Ik had honger gekregen en dorst. Ik was ook bang. Het leek op de angst van vroeger, als ik alleen thuis was en moeder had gezegd dat ik op mijn zusje moest passen. Een van de weinige dingen die ik me van haar herinnerde was dat ze vaak bij me kwam als ik in bed lag en zei dat ze wegging en dat ik op mijn zusje moest passen. Dat ik zelf een oppas nodig had was haar altijd ontgaan. Er zaten beesten onder mijn bed en bij de ramen. Mannen konden het huis in zonder dat ik het hoorde. Ik hoorde altijd alles, maar nooit de mannen. Toch wist ik dat ze er waren en dat ik mijn zusje moest redden, ik kon me alleen niet bewegen. Later hoorde ik dat mijn moeder naar feesten wilde en dat mijn vader meeging. Ze dronken allebei, mijn vader meer dan mijn moeder en daarom reed zij meestal. Dat had ze ook gedaan op de dag van het ongeluk. Mijn zusje had meegemogen omdat het om een feest ging bij de ouders van een vriendinnetje. Ze zou bij het vriendinnetje blijven slapen, maar ze werd wakker toen mijn ouders naar huis gingen en werd op de achterbank gelegd. Onderweg kwamen ze een vrachtwagen tegen die bomen vervoerde. Wie op de verkeerde weghelft had gereden is me nooit verteld. Ik had de lichamen van mijn ouders en zusje niet mogen zien. Ze waren een ravijn in gegleden, de boomstammen kwamen er achteraan. Nadat ik bij mijn oudoom was ingetrokken was ik zelden meer echt bang geweest. Ik was op slag oud geworden, te oud voor kinderangsten. Maar soms, in een situatie waar ik geen greep op had, kwam het gevoel van vroeger terug. Beesten onder mijn stoel, schimmen achter de getraliede ramen. Niemand liep over de vloer, maar onder de plavuizen knarste en kraakte het, dus moest er toch iets zijn.
Dit keer zei Johnson niet dat ik een kouwe was. Hij schudde me heen en weer tot ik rechtop zat en drukte met een roze handpalm mijn kin omhoog. “Niet liegen, brother. De waarheid spreken en beleefd blijven. Ik blijf in de buurt.”
Hij greep mijn kin en hield vast tot ik gesmoord ‘ok�’ had gezegd. Daarna liep hij achterwaarts naar de deur terwijl hij me aan bleef kijken. De vrouw die op hem stond te wachten vroeg iets en Johnson zei dat hij dacht dat ik er klaar voor was.
Dat was ook de eerste vraag van de vrouw. “Ben je er klaar voor, Jeff?”
Jeff Meeks. Niet Jeff Aabelson. Ik wist meteen dat ze Meeks bedoelde en dat ik moest weten dat ze mijn naam wist. Ze stond zo dicht bij me dat ik haar had kunnen grijpen. Handboeien of niet, ik had haar kunnen pakken, mijn armen over haar hoofd kunnen slaan en met de boeien haar keel dicht kunnen snoeren. Ik had weg kunnen komen, met de vrouw als gegijzelde. Maar ik deed niets. Ik bleef zitten en vroeg: “Hoe kent u mijn naam?”
Ze moest hebben geweten dat het mijn eerste vraag zou zijn, want ze legde een bijbel op mijn schoot en tikte ertegen met een nagel vol kleuren en dingetjes die fonkelden. “Dit is de bijbel die je bij je had, Jeff Meeks. Kijk eens voorin?”
Ik wist wat ze bedoelde. “Louella?”
Ze liet me een vel papier zien waarop ze enkele woorden uit de inleiding op ‘The Gospel according to Matthew’ had geschreven. “Author Matthew, also called Levi, formerly a tax collector, later an apostle.”
“Vergelijk de woorden eens met de naam voorin?”
Ik deed het en zag dezelfde precieze letters die elkaar net raakten en waarvan alle streepjes krom liepen.
“We waren vriendinnen, Jeff, Cathy en ik. Waar ken je haar van?”
Ik wist aan wie Louella me had doen denken. Aan Kaya. Zelfde lengte, zelfde postuur, zelfde manier van bewegen. Ook haar met vlechtwerk. Ik wist zeker dat Louella precies wist welk merk schoenen ze aanhad en dat ze haar brokaten jurk in een couturewinkel had gekocht. Ik schaamde me bijna dat het zo lang had geduurd. Het moest een kwestie van kleur zijn geweest, de een wit, de ander zwart. Toen ik dat had bedacht schaamde ik me nog meer.
Ik gaf geen antwoord en ze deed wat Johnson een paar minuten eerder had gedaan. Ze pakte mijn kin en keek me aan. “Cathy heeft me nooit verteld waar ze naartoe is gegaan, maar elke maand belden we. Een jaar geleden,” ze streek met een vinger langs mijn onderlip, maar bleef mijn kin vasthouden, “langer dan een jaar, vertelde ze dat ze een buurman had gekregen. Ze beschreef je. Groot, breed, sterk, slordige kleren, onverzorgd haar. Ze zei dat ze je onder handen zou nemen. Dat je niet wist wat lezen was en dat je moest hoesten toen je een keer wijn dronk. Ze zei dat je Jeff Meeks heette en dat je bijna even oud was als haar zoon Jack. Wat is er met haar gebeurd, Jeff?”
“Ik ben weggegaan, dat is er gebeurd.”
Ze schudde haar hoofd. “Niet liegen, Jeff. Ik heb je uitgelegd dat we dat hier niet doen, niet op deze plaats. Ik heb haar deze bijbel gegeven, als een persoonlijk geschenk. Ze zou hem nooit weggeven. Er is iets met haar gebeurd en jij weet wat het is.”
Ik wachtte tot ze haar hand had weggetrokken en maakte een gebaar waardoor de handboeien rinkelden. “Ze is dood. Vermoord. Ken ook. Allebei. Ik vond ze en ik heb ze begraven.”
Ze bewoog geen spier. “Waar?”
“In de Arizona-woestijn. Toen ik ze vond cirkelden de gieren boven haar. Ik kon ze niet meenemen. Niet naar Tucson en niet naar hier. De foto, het knipsel en de bijbel lagen in een ton die in het zand was gegraven. Ken had me de plaats gewezen. Hij noemde me soms Jack.”
“Tucson?”
“Ze ging elke maand naar Tucson, naar een therapeut. Soms vaker dan ��n keer in de maand, de laatste tijd bleef ze soms dagen weg.”
“Een therapeut?”
Voor het eerst drong tot me door hoe ongeloofwaardig het klonk. Ik had nooit aan Kaya getwijfeld. Ze ging naar Tucson omdat ze in therapie was en na verloop van tijd was ze terug. Het had me niet kunnen schelen hoe lang ze weg was, ze kwam terug, daar ging het om.
“Dat zei ze.”
“Je hebt je nooit iets afgevraagd?”
Nooit. Niet ��n keer. Ik vroeg me af of het zin had gehad. Kaya had haar geheimen gehad, ik de mijne. Zij sprak over Tucson, ik over Seattle.
Ik dacht aan de boeken die ze had meegenomen en de stempels en namen die erin hadden gestaan. Ze had ze gekocht in tweedehandsboekwinkels en een keer had ik in een boek Kingman zien staan. Kaya had gemerkt dat ik verbaasd was en iets gezegd van: “Je vraagt je af hoe zo’n boek in Tucson terechtkomt.” Ik vroeg het me nu ook af. Hoe kwam dat boek er terecht?
Louella tikte tegen mijn schouder. “Nu twijfel je wel?”
Dat deed ik, maar ik zou het niet toegeven. “Wie in de woestijn gaat wonen heeft zijn redenen. Je bent er niet nieuwsgierig.”
“Wat waren jouw redenen, Jeff?”
Ik schudde mijn hoofd en keek naar de grond. Mijn redenen gingen haar niet aan.
“Heb je je al afgevraagd waarom je hier zit, Jeff Meeks?” Haar stem klonk niet langer hees en er was geen sprake van gemompel of gefluister. Ik ging rechtop zitten. Ik had het me afgevraagd, maar niet al te serieus. Er zou vanzelf iemand komen die het me uitlegde.
Louella ging terug naar de troon en was een hele tijd bezig met het schikken van haar jasjurk.
Kaftan, dacht ik ineens. Niks jasjurk, het woord is kaftan. Ik had geen idee waarom ik me tevreden voelde, misschien omdat het de eerste keer was dat ik uit mezelf iets wist.
Louella zag me glimlachen en stak een vinger uit waarmee ze wenkte. “Schuif je stoel dichterbij, dat praat makkelijker. Als je lacht zie je er niet slecht uit, weet je dat?”
Op dat soort opmerkingen weet ik nooit wat ik moet zeggen en daarom schoof ik mijn stoel bij zonder haar aan te kijken. Uit een ooghoek zag ik dat Johnson zich klaarmaakte om me te bespringen als ik te dichtbij kwam. Op een paar meter afstand van de troon ging ik zitten. “Goed zo?”
Louella wisselde blikken met Johnson. Ze zei niets en hij ook niet, maar hij ging wel weg. Louella sloeg haar benen dit keer wel over elkaar. Ze had witte kousen aan, of een witte legging. Met lovertjes.
“Ik zal je vertellen waarom je hier bent, Jeff, maar eerst zal ik uitleggen waarom Cathy me over jou heeft verteld. Wat weet je van Savannah?”
“Niets. Het is er warm en een heleboel inwoners schijnen zich met me te willen bemoeien.”
“Wat weet je van de Afro-American Baptists Congrega-tion?”
“Dat-ie niet of nauwelijks meer bestaat. Iemand van de krant verzekerde me dat.”
Louella keek een ogenblik gekweld, daarna machteloos. “Wat weet je van Cathy Lenz?”
Ze gaf me ruim de tijd, maar er was niets wat ik met haar wilde delen.
Ze zuchtte niet voor ze zelf begon te vertellen, maar ik hoorde een trillinkje in haar stem. Het gaf me het gevoel dat ze gewend was om antwoord op haar vragen te krijgen. Na een paar woorden was de bijklank verdwenen en was die bijzondere combinatie van praten, fluisteren en mompelen teruggekeerd. Het werkte betoverend en na een paar zinnen luisterde ik bijna ademloos. Het moest een feest zijn om een dienst bij te wonen waarin ze voorgangster was.
“Savannah was deels zwart, deels wit toen ik jong was en elke kleur had zijn eigen gebied. Nu nog in zekere zin, maar toen zeker. Ik zal je niet vragen hoe oud je denkt dat ik ben. Even oud als Cathy Lenz. We groeiden op in dezelfde buurt, net westelijk van het centrum, daar waar toen de stad van wit overging in zwart. We zaten niet op dezelfde school, Cathy en ik, maar onze scholen waren niet ver van elkaar. Vaak liepen we samen op. Hoe dat begon weet ik niet meer. Ik heb het er vaak met Cathy over gehad, maar zij wist het evenmin. “Omdat we voorbestemd waren om vriendinnen te worden,” zei ze dan maar en zo was het ook. We waren dezelfde types, zelfde lengte, zelfde gewicht, zelfde belangstelling. We hadden hetzelfde speelgoed, zij in het wit, ik in het zwart. Kijk niet zo verbaasd. Je had zwarte poppen en witte, boeken over zwarten, boeken over blanken. We lazen veel toen we jong waren, Cathy meer dan ik, maar veel scheelde het niet. We hadden allebei een voorkeur voor merkkleding. We droegen geen spijkerbroek, maar een Wrangler-spijkerbroek, we dronken geen wijn, maar Harvest Moon Georgia-wijn en we wisten van welk jaar het moest zijn. We hadden hetzelfde soort vriendjes. Zwart en wit, maar het waren dezelfde types. We zouden zelf nooit onderscheid maken tussen zwart en wit, dat vertelden we elkaar als we naar school liepen, of naar de rivier. Sommige ouders hadden moeite met onze vriendschap, sommige jongens ook, zelfs meisjes. Soms kwamen we tegenover groepen te staan. Als ze zwart waren, deed ik het woord, als ze wit waren, zei Cathy wat er te zeggen was. We leerden om te praten, om van ons af te bijten. Daar hebben we later veel aan gehad. We gingen naar verschillende middelbare scholen, maar we bleven vriendinnen. Ook toen we werkten bleven we elkaar bellen en ontmoeten, minder vaak dan toen we klein waren, maar we verloren elkaar niet uit het oog. Cathy ging bij een makelaar werken. Ik werd voorgangster bij de aabc. De congregatie is opgericht door mijn opa en grootgemaakt door mijn vader. Ik had het plan om de congregatie rijk te maken en Cathy hielp me. Ze ging nadat ze was gescheiden van Doyal Dunn voor Ken Caray werken. Het verhaal gaat dat ze Ken al kende toen ze nog met Doyal Dunn was getrouwd, maar dat was niet zo. Ze scheidde omdat…Laat maar. Ze scheidde, ze ging voor Ken Caray werken en ze kwam bij mij met een voorstel. Ken was zijn bedrijf aan het uitbreiden en hij had de naam veranderd in M4U. Cathy en ik hadden leren praten, dat vertelde ik al, maar we waren kinderen in vergelijking met Ken. Hij kon praten, lachen en je aankijken en na een poosje zei je: “Ja, natuurlijk, ik doe mee.” Ken had een manier bedacht om snel geld te verdienen. Cathy geloofde hem. Ze was met hem getrouwd, hij was goed voor haar. Hij was ook goed voor Cathy’s zoon Jack. Hij beloofde zijn klanten hoge rente op geleend geld. Ik vertelde na afloop van de diensten dat M4U er ook voor zwarte mensen was. Ik was de eerste die zaken deed met Ken. Vijftigduizend dollar voor zijn beurssysteem dat niet kon falen. In de eerste twee jaar kreeg ik elk half jaar vijfduizend dollar uitbetaald, twintig procent per jaar, precies wat hij had beloofd. Dat was nog maar het begin, bezwoer hij. Cathy zei het ook. Ik geloofde haar, de leden van de AABC geloofden mij. Toen ging het mis. Cathy kwam het me vertellen, huilend. Er was iets fout gegaan en we zouden langer op ons geld moeten wachten. Drie maanden te laat kwam de helft van het bedrag waarop we hadden gerekend, maar het kwam en, zei Cathy, Ken wist zeker dat hij in het vervolg op tijd zou zijn. Dat was hij niet. Een paar leden van de congregatie begonnen een rechtszaak. Niet tegen M4U, maar tegen de AABC, in feite tegen mij. Ze waren zwart en zagen geen heil in een zaak tegen een blank bedrijf. Als je in het diepe zuiden bent opgegroeid zie je daar de logica van. Ze klaagden mij aan, want, zeiden ze, ik had garant gestaan. Dat was niet waar, maar ik had na de diensten gezegd dat ik via M4U belegde en als een voorgangster dat zegt…Ik kon geen kant op en vertelde mijn advocaat hoe het zat tussen mij en Cathy en tussen Cathy en Ken. Hij besloot het erop te wagen en dagvaardde Ken Caray. Ken kwam nooit in de rechtszaal omdat hij een ongeluk kreeg op Tybee Island. Mijn advocaat riep daarna Cathy op als getuige in een zaak tegen M4U. Wij hadden in die tijd geen contact met elkaar. Niet omdat we dat niet wilden, ik in elk geval wel, maar omdat mijn advocaat dat verbood. De dag voor ze naar de rechtbank moest verdween Cathy. Ken verdween ook en iedereen nam aan dat Cathy hem mee had genomen. Niemand wist waar ze heen gegaan was en geloof me: heel wat mensen hebben naar haar gezocht. Niemand hoorde meer iets van haar. Behalve ik.”
Ze zuchtte en was stil. Het was mijn beurt.
“Ze nam contact op?”
“Ze belde. Omdat ze mijn stem wilde horen. Ze had heimwee naar Savannah, zei ze. Wij waren vriendinnen. Ik moest begrijpen dat ze niet anders had gekund. Ken had haar voor de gek gehouden, maar ze was met hem getrouwd. Ze hield van hem en ze wilde voor hem zorgen. In Savannah had dat niet gekund, zei ze, en daar had ze gelijk in. Misschien was ze niet de gevangenis in gegaan, maar Ken was zeker veroordeeld en opgesloten in een tehuis dat grenst aan de gevangenis. Dat kon ze niet verdragen, Cathy. Ze kon niet naar een stad, want hij was bang voor mensen. Ze kon niet naar het buitenland, want hij was bang voor vliegen. En voor boten. Voor alles.” Louella keek naar het plafond. “Ken vloog van een dak naar een ondiep zwembad, geen wonder dat hij bang werd. Cathy had hem meegenomen en zou hem verzorgen zo lang ze kon. Dat zei ze de eerste keer dat ze belde en ook alle andere keren. Ze woonden ergens waar ze alleen waren en later kregen ze een buurman. Dat was jij.”
Ze viel weer stil. Haar ogen waren groot en ik zag de verwijde pupillen, het was alsof vertellen voor haar een soort drug was die haar in trance bracht.
“Zochten de inwoners van Savannah Cathy omdat ze haar voor de rechtbank wilden of omdat hun geld zoek was?”
“Geld.” Louella spuugde het woord bijna uit. “Natuurlijk ging het om geld. Ik heb de gekste bedragen gehoord. Van een miljoen tot twintig miljoen. Ken zou het geld op een rentedragende rekening in het buitenland hebben gezet. Rente op rente, dat gaat hard. De leden van de AABC hebben in totaal bijna een miljoen dollar ingelegd.”
“Zonder dat er een cent terugkwam.”
“Toen ze begrepen dat ik niet bij de oplichting was betrokken, liep de rechtszaak tegen de AABC dood. De meeste leden gingen weg. De congregatie werd klein en is dat nog steeds. Er zijn zwarte mensen die op de grond spugen als ze mij zien, of die zich omdraaien. Daarom zit jij hier.”
De overgang was te snel en ze zag het.
“Cathy is blank en jij bent het ook. Je kende Cathy en je zegt dat ze is vermoord. Misschien is het gebeurd door zwarte mensen, maar ik denk van niet. Ik heb nog steeds contacten in de zwarte wijken en ik zou de geruchten hebben gehoord. Ik heb je mee laten nemen omdat je de bijbel had die ik aan Cathy heb gegeven.”
“Wat had je gedaan als ik geen bijbel had gehad? Me in de Savannah River laten gooien?”
Ze negeerde het. “Ik wil dat je helpt om de moordenaars op te sporen.”
“En het geld.”
Haar stem werd hard als staal. “En het geld. Cathy heeft me altijd beloofd dat ze het me zou vertellen als Ken een heldere dag had en iets losliet over het geld. Ze zei dat die heldere dagen er waren.”
Ze keek tot ik knikte. “Hij was de ene dag beter dan de andere.”
Louella ging staan en liep naar me toe. “Ik weet niet of ik haar geloofde. Soms wel, soms niet. Vaak zei ik dat ik haar geloofde, omdat ik dat graag wilde. Om vroeger. Om wat we hadden gedeeld. Nu is ze dood, zeg je. Zoek de moordenaars, Jeff, en het geld.”
Ik wilde zeggen dat het heel goed mogelijk was dat de moord niets met M4U te maken had, maar toen ik mijn mond opendeed dacht ik aan de tatoeage. Waarom snijdt iemand een tatoeage van de rug van een dode vrouw? “Mijn verleden achter me,” zo had Kaya het gezegd. “Mijn verleden en ook mijn toekomst.” Welke toekomst. Eentje met geld?
Louella zag me aarzelen. “Zeg het maar, Jeff,” zei ze. “Ik weet dat je me iets wilt vertellen.”
Dat wilde ik ook, maar ik deed het niet. Misschien had Cathy’s duivelsrug iets te maken met de zwendelzaak in Savannah, maar ik zag geen verband en met speculeren schoot ik niets op. “Ken was neergeschoten,” zei ik snel, “de keel van Cathy was doorgesneden. Het leek een roofmoord, er waren geen tekenen van marteling voorzover ik kon zien. De trailer was doorzocht, volgens mij omdat iemand op zoek was naar geld, juwelen, dat soort dingen.”
Ze keek me aan tot ik er onrustig van werd. Toen knikte ze. “Jij hebt Cathy gekend en je bent niet voor niets naar Savannah gekomen. Jij wilt meer van haar weten, en wij ook. Wij zullen je helpen, zoveel als we kunnen. Jij zoekt in het witte Savannah naar de moordenaar, wij in het zwarte.”
Ik dacht aan mevrouw en mejuffrouw Pale, aan Art Mor-nay en aan mannen met lange stokken. Ik betwijfelde of ik veel zou kunnen doen, maar het had geen zin dat te zeggen.
“Me dwarszitten toen ik op bezoek wilde bij Ann Lurie was niet bepaald helpen.”
“We houden haar in de gaten. Jack is al een hele tijd weg. Het schijnt dat hij zijn moeder zoekt, maar zeker is het niet. Zijn winkel is verlopen, officieel zit hij aan de grond, dus waar haalt hij het geld vandaan om te zoeken? Als hij terugkomt gaan we het hem vragen. We wisten gisteren nog niet dat jij Jeff Meeks was die zich dankzij Cathy Jeff Aabelson kan noemen. Zoek haar moordenaars, Jeff. Probeer het in elk geval.”
Ik beloofde het. De handboeien deden pijn en ik had genoeg van de houten stoel. Ik beloofde alles wat Louella wilde horen, kreeg een blinddoek voor en werd meegevoerd naar buiten.
Johnson haalde de doek weg toen de Pontiac op de parkeerplaats achter het Howard Johnson stond. Hij gaf me een stompje tegen mijn pijnlijke bovenarm. “Doen wat je hebt beloofd, Aabelson. Ik heb opdracht je te helpen voorzover het in mijn vermogen ligt. Zo zei ze het: in mijn vermogen. Dat vermogen is niet groot als je me belazert.”
Ik wilde iets zeggen, maar schoot vooruit toen iets hards mijn schouder raakte. Een wolk knoflooklucht woei langs mijn gezicht. “Je moest eens weten hoe het met mijn vermogen zit.”
Ik rilde. Het waren de eerste woorden die ik van Jones hoorde sinds ik in de Pontiac was geduwd en ze kwamen hard aan: ik had niet gemerkt dat hij achter me had gezeten.