4
Terwijl we onder de luifel van de Sundowner Pemmican Beef aten, wisten Kaya en ik dat we elkaar vaker zouden zien. We brachten het niet onder woorden, sommige dingen weet je, daar is de last van woorden niet voor nodig.
De zon was nog net zichtbaar toen Kaya me terugbracht naar de kloof waar ik mijn Ford had achtergelaten. “Dit is een GMC Sierra 15004WD van achtendertigduizend dollar met een trekkracht van vierduizendzesentachtig kilo,” zei ze toen we over een weggetje hobbelden dat was bezaaid met stukken rots. “Met deze auto kan ik bijna overal komen. Ik wilde alleen niet met je in dezelfde auto zitten zolang ik niet wist wat ik aan je had.”
“Weet je dat nu wel?” vroeg ik plagerig.
Ze remde en keek ernstig. “Denk jij veel?”
Voor denken heb je tijd in de heuvels, maar je schiet er niet veel mee op. Het eten wordt er niet verser van, de bergen leveren Walker Creek er niet meer water om, de dagen worden er niet langer door, of korter, of koeler. “Niet als ik het kan voorkomen.”
Ze bleef een hele tijd stil zitten, de armen over het stuur gevouwen, een zonnebril met geslepen glazen op het puntje van de neus, rimpels in het voorhoofd. “Ik doe niet anders, Jeff.” Ze sprak zacht, meer tegen zichzelf dan tegen mij. “Zonder denken zou ik gek worden. Alleen met Len in de woestijn. Len en de coyotes, op minder dan tweehonderd meter van de trailer zitten ratelslangen. Zonder denken.” Ze zuchtte en ik kreeg het gevoel dat ze langzaam verdween uit mijn wereld en naar een wereld zweefde waar ik geen greep op had. Zij zelf evenmin dacht ik toen ik haar ogen over de rand van de bril zag. Doffe ogen. Niet leeg, zoals die van Len, maar dof, of het gevoel eruit was. “Zonder denken red ik het niet.”
“Waar denk je aan?” Ik vroeg het voor de vorm, maar ze reageerde of ze op de vraag zat te wachten.
“Aan wie ik ben. Ik weet het niet. Soms is het of ik naast mezelf sta. Begrijp je dat?”
Ik wilde ‘nee’ zeggen, maar het was of ze voelde dat ik iets wilde antwoorden wat ze niet wilde horen. Ze liet de motor grommen en bewoog een paar vingers. “Dag, buurman, ik zie je nog wel.”
Ze kwamen een week later. Ik herkende het geluid van de pick-up, maar had toch de Winchester paraat toen Kaya haar GMC naast mijn Ford reed, achtendertigduizend dollar naast zevenhonderddertig dollar, metallic hoogglans naast roest.
Ik zat op de beste van de twee plastic stoelen die ik voor anderhalve dollar per stuk had gekocht en liet de loop naar de GMC wijzen terwijl ze uitstapten.
Kaya raadde de bedoeling. “Je wilt iets terugdoen? Ik schoot over je hoofd. Schiet ook maar als het je oplucht. Denk een beetje om Len, hij kan schrikken van de knal.” Ze glimlachte toen ik de Winchester op de grond legde. “Goed zo, help even mee. Len is hier niet gewend. In de bak staat een sixpack Coors, en nog wat.”
‘Nog wat’ was een fles wijn, een stel flesjes Minute Maid en Dr Pepper en een papieren zak met donuts. De donuts voelden zacht aan, waarschijnlijk had ze ze ingevroren en op tijd laten ontdooien. Bij mij was het vanaf zonsondergang donker. Kaya had een aggregaat en een brandstoftank die met een dieplader aangevoerd moest zijn.
Len zat al op mijn stoel voor ik de donuts had bekeken. Hij had alleen oog voor het sixpack bier, greep een blikje en nam een paar slokken voor hij me aankeek. “Dank je wel, zoon.”
Hij glimlachte verlegen toen ik ‘ok�’ zei.
Kaya zuchtte. “Hij was heel goed, vanmorgen. Daarom zijn we ook gekomen. Maar nu…Fijn dat je niet protesteerde toen hij je zoon noemde. Hij is nu eenmaal wie hij is. Ik bedoel…” Ze had de tweede stoel gezien en sleepte die naar een plek in de schaduw. Ik ging op het losse trapje voor de Bambi zitten. Het metaal was heet en brandde door mijn broek. “Als ik koffie had…”
Kaya wees naar de wijn. “Die is voor mij. De limonade is voor jou.” Ze zag dat mijn mond openviel van verbazing. “Als Len ziet dat je alcohol drinkt.”
“Omdat hij denkt dat ik zijn zoon ben?”
“Jack. Onze zoon. Hij is,” ze wees naar de hemel, “daar. Len heeft het niet kunnen verwerken.”
“Jij wel?”
“Ik. Soms. Ik weet niet. Schenk nou maar in.”
Dat deed ik en in het uur dat volgde spraken we nauwelijks. Len dronk achter elkaar vijf blikjes Coors, maar deed kalm aan met blik nummer zes. Kaya dronk rode wijn. “Niebaum-Coppola 2004, uit de Napa Valley, gekocht in L.A. voor acht dollar.” Er zat niets opschepperigs in de opsomming, eerder iets dwangmatigs en krampachtigs. Len vergat alles, zij niets, ze bewees het bij elke gelegenheid. Ik deed grepen in de voorraad limonade: drie Minute Maid, twee Dr Pepper. Na elk blik moest ik plassen, ik had geen idee hoe dat kwam.
Toen ze weggingen omhelsde Len me en noemde me ‘zoon’. Kaya keek of ze een bijzondere dag achter de rug had. “Gezellig, Jeff. Nu weten we waar onze buurman woont. Kom langs als je wilt.” Ze aarzelde en slikte woorden in. “Kom gewoon langs. Ok�?”
Ik knikte. “Ok�.”
Ik wachtte drie weken en ging op bezoek. Met een fles wijn, een sixpack Coors en een gezinsfles cola. Na een half jaar stelden we vast dat we zonder dat we ernaar hadden gestreefd een vaste bezoekpatroon hadden ontwikkeld. Kaya en Len kwamen kort na volle maan bij mij, ik ging op bezoek rond nieuwe maan en ik wist zeker dat ze naar elk bezoek evenzeer uitzagen als ik.