4

Het kostte me meer dan een uur om bij de garage aan de rand van Wilmington te komen. Het grootste deel van de tijd besteedde ik aan stoppen en luisteren naar geluiden van quads. Ik zag de jongens niet en hoorde ze evenmin, maar ik had voortdurend het gevoel dat ze in de buurt waren.

Een pistool zou ze afschrikken. Een buks ook, misschien zelfs een stuk touw met knopen, maar ik had geen zin in half werk. De eerste de beste die te dichtbij kwam of die zinnen sprak die me niet bevielen, zou merken dat ik meer kon dan dreigend kijken. Ik was geslagen, geduwd, uit een motel gegooid, gekidnapt en toegesproken door snotneuzen die geloofden in de macht van het getal. Ik had er genoeg van. Elke keer als ik over een hobbel reed voelde ik mijn kont en daardoor werd ik steeds kwader.

Bij de garage liep ik met stijve benen naar het kantoortje zonder toe te geven aan de neiging om over mijn bil te wrijven. Het stond stoer, maar ik had beter om me heen kunnen kijken of, nog beter, rechtsomkeert kunnen maken. Dat deed ik niet. Ik liep als een streep naar het kantoor en zag Ab Laberta binnen op een stoel zitten, precies onder een foto van een vrouw met borsten die per stuk groter waren dan haar hoofd.

Ik keek even naar hem, lang naar de borsten en daarna weer even naar hem.

Hij keek terug en wees met een dikke vinger naar mijn buik. “Wat kom je doen, broer?”

De nagel was nog steeds blauw, maar de rode streep was minder fel. Hij rook of hij dezelfde overall aan had met dezelfde bruine vlekken en waarschijnlijk ook hetzelfde ondergoed en dezelfde sokken. Als hij zich al gewassen had, dan was het gebeurd met zeep die naar motorolie rook. Ik wilde zeggen dat ik een pistool kwam halen, maar slikte de zin in toen ik achter de foto van de vrouw met de borsten geluiden hoorde. Gemompel. Een schoen die schraapt over beton. Gegrom.

Gegrom.

“Heb je een hond?” Ik kon me geen hond herinneren.

“Geen hond.” Hij krabde met de blauwe nagel aan zijn kin en veegde het topje af aan zijn overall. Hij leek even onverstoorbaar als de vorige keer en even weinig beweeglijk. Zijn baard was iets langer, dat was het enige verschil. “Ik heb de pest aan honden. Ze bijten.”

Ik wees naar de vrouw op de foto. “Wat heb je dan achter dat wandje?”

Hij draaide zijn ogen naar boven, maar bewoog zijn hoofd niet. “Wat zei je dat je kwam doen?”

“Hoeveel vraag je voor het pistool dat je klaar hebt liggen?”

“Heb ik iets voor je klaarliggen, broer? Ik dacht dat je een boksbeugel had.”

“Verloren.”

“Verloren. Weet je waarom ik graag rustig zit, broer? Als ik iets laat vallen, dan ligt het altijd vlakbij.” Hij ging rechtop zitten toen iemand tegen de achterkant van de vrouw met de borsten klopte en riep: “Yo.”

In de hoek schoof een stuk van de achterwand opzij en een man kwam het kantoortje binnen. Hij had een dikke jas aan en om zijn armen zaten gevoerde armstukken die over zijn handen vielen. Van een hand waren een paar vingers te zien. De vingers hadden een ketting vast waaraan een hond zat. Het was een grote hond. Een zwarte, grote hond met grote, gele tanden en oren waaraan stukken ontbraken.

Ik keek naar de hond zonder me te verroeren. Ik zou de deur kunnen halen als ik sprong. Ik zou over het bureautje kunnen duiken en de garagehouder kunnen pakken. Ik zou…Ik pakte met mijn linkerhand stevig de voering van de helm beet. Ik zou de hond een opdonder met de helm kunnen geven.

Ab Laberta ging staan en wees over mijn schouder. “Daar staat zijn broer, broer.”

Bij de deur stond een man die was gehuld in de dikke kleding van een pakwerker. Zijn hond was vaalrood, met gele en bruine vlekken. Bloedhonden, zeiden we vroeger. Eet nooit bloedworst, want dat maken ze van bloedhonden. Voor bloedhonden waren we bang, allemaal. Bloedhonden waren de smerigste beesten die er op aarde rondliepen.

“Staan ze daar voor mij?”

Ab schoof langzaam naar de hoek. “Voor wie anders?”

“Hoe wist je dat ik zou komen?”

Hij schoof verder en sprak zonder me aan te kijken. “Na gisteravond? En na vannacht? Maak het nou.”

“Dus ze staan de hele dag al op me te wachten?”

“Ze hebben de tijd.” Ab plaatste een hand tegen de wand. “Die bij de deur heet Jack, de andere heet Jill. Jack en Jill. Niet lachen, ik heb het niet bedacht.” Hij wees naar de man bij de deur. “Zijn kinderen zeggen meestal Jack en Kill.” Achter hem gleed een paneel weg en ik begreep nu waarom de foto van de vrouw precies in het midden hing. Een bezoeker keek naar haar, niet naar de samenstelling van de achterwand.

Ab Laberta stapte naar achteren toen de pakwerkers de ketting losmaakten van de halsband en trok aan het paneel. Hij sloot het paneel niet achter zich, maar liet een decimeter ruimte over, meer dan genoeg om me te kunnen bekijken met een oog waarin ineens leven zat.

“Vijftienduizend dollar, broer. Dat ben ik kwijtgeraakt aan dat verrekte M4U. Mijn broer verloor bijna het dubbele.”

“Ik heb niks met M4U te maken.” Ik was niet stemvast en hij hoorde het.

“Ze zeggen anders van wel.”

“Wie zeggen wat?”

“Ze zeggen dat jij bij die zwarte sekte was. Je vroeg naar Cathy Lenz.”

“De AABC heeft me gevraagd…”

Hij onderbrak me met een lachhinnik, die speeksel over zijn kin deed vloeien. Het was bruin. Hij pruimde of zijn tanden gaven af. “Gevraagd. Vast wel. Daarom heb jij een pistool nodig. Van mij. Omdat die roetmoppensekte er niet eentje voor je had. Ik hoorde dat ze hebben gezegd dat je de stad uit moest gaan.”

“Welke ‘ze’?”

Hij zuchtte. “Ze.”

“Niet dat ik weet.”

“Dan weet je het nou, broer.”

Ik zag aan zijn gezicht dat de honden er klaar voor waren en probeerde me te herinneren wat je moest doen als je werd aangevallen. Klap op de neus geven, zeiden we vroeger. Als het raak is, dan doen ze niks meer. Toen ik in het buitenland werkte vertelde een Australi�r me dat je je hand in zijn bek moest steken en zo ver mogelijk moest doorduwen. Ik rilde toen ik eraan dacht wat er met mijn hand kon gebeuren als-ie in de keel van de bloedhond zat. Snelle vergiftiging was het minste.

Ik gokte op de degelijkheid van de helm en zette me schrap. Ik had het meeste oog voor de bloedhond, maar het was de zwarte die op me afsprong. Hij hing aan mijn linkerarm voor ik er erg in had en toen ik opzij leunde om zijn onderkaak tegen het bureau te drukken zat meteen de helm klem.

De bloedhond kreeg een duw van de pakwerker en kwam op me af met zijn bek open, beheerst en ongehaast. Ik dacht dat hij voor me op zijn hurken zou gaan zitten, maar hij zakte alleen een stukje door zijn achterpoten om zich beter te kunnen afzetten. Ik had nog net de tijd om de zwarte hond met de muis van mijn rechterhand een tik op zijn neus te geven. Ik hoorde hem grommen, maar ik had geen idee of hij het deed met zijn bek open of dat hij me nog vast had. De bloedhond sprong op me af en het enige wat ik wist te doen om hem af te weren was mijn rechterhand in zijn richting steken. Zijn kaken sloten iets achter de pols en de gedachte dat ik een tetanusprik moest hebben schoot door me heen. Wie had dat toch eerder gezegd, van die tetanus. Niet lang geleden. Ik moest naar de dokter. Iemand had dat gezegd.

Dat soort dingen schoot door mijn hoofd, samen met losse invallen over dode garagehouders, pakwerkers die in zee werden gegooid en een Australi�r die zei dat je moest duwen. “Nooit trekken, maar douwen, maat. Die verrekte tanden scheuren anders het vlees van je botten.”

De hond viel op de grond en trok me met zich mee. Ik kwam half boven op hem terecht en verbaasde me erover dat mijn linkerarm achter me aan kwam, compleet met helm. Erachter zag ik de zwarte hond. Hij leek de helm met zijn ogen te volgen, klaar om erlangs te springen. Ik zwaaide rondjes met mijn linkerarm, terwijl ik mijn rechterhand naar achteren perste. De bloedhond maakte geluiden die het midden hielden tussen slikken en grommen. Het slikken hield het eerst op, daarna het gegrom dat eerder klagend had geklonken dan vijandig. Zijn gele ogen werden groot en sloten zich. Hij viel om terwijl hij zijn kaken ontspande.

Ik hoorde Ab zeggen dat ze een pitbull hadden moeten nemen omdat die blijft doorbijten, maar misschien dacht ik het wel. Ik duwde me los van de bloedhond en plofte voor alle zekerheid met mijn kont op zijn kop. Ik raakte hem met mijn linkerbil en kreunde van de pijn. Op het ogenblik dat ik mijn linkerarm stil hield sprong de zwarte hond. Ik zag het en probeerde me weg te draaien. Het zou zijn gelukt als ik niet was tegengehouden door een dikke, bekleedde arm die om mijn borst werd geslagen. Ik zwaaide met de helm en raakte de man achter me op het hoofd. Hij kreunde en liet los. De zwarte hond had dit keer mijn rechter onderarm te pakken en daarom mikte ik met de helm op zijn kop. Zijn schedel leek van beton, maar zijn neus was het niet. Ik sloeg en bleef slaan tot hij naar een hoek wegschoot. Wat daarna gebeurde ging voor een deel langs me heen, maar toen ik was uitgehijgd lag er een dode bloedhond op de grond, lag een zwarte hond in een hoek in elkaar gekrompen te janken, lagen voor het bureau twee pakwerkers op elkaar alsof ze standje negenenzestig deden en bestond het bureau uit losse planken. Uit een ervan staken spijkers en die leken te passen in de gaatjes in het achterhoofd van de bovenste pakwerker.

Ab Laberta was verdwenen. Ik had geen auto horen wegrijden, maar dat betekende niets. Ik moest het bureau aan stukken hebben getrokken en een van de schuifpanelen uit de achterwand hebben gedrukt. De bureaustoel waarop de garagehouder had gezeten was losgetrokken van het onderstel, een metalen kast vertoonde een deuk alsof er hard met een boomstam op was geslagen. Of met een helm. Ik bekeek de helm en stelde tot mijn verbazing vast dat er krasjes op zaten. Een deuk zag ik niet.

De zwarte hond maakte een piepgeluid en ik gaf ‘m een schop. De onderste pakwerker bewoog. Zijn hoofd lag half onder het kruis van de bovenste man, maar hij wist dat ik zijn hond had geschopt.

“Kan niet helpen.” Zijn stem klonk gesmoord en hij draaide zijn hoofd tot zijn mond vrijkwam. “Is een hond. Kan het niet helpen.”

Ik knielde bij hem neer. “Jij kunt het wel helpen.”

Hij keek naar me met een oog waarvan de pupillen zo groot waren dat ik bijna geen iris zag. “Moest. Hij.” De man wurmde een hand vrij en maakte een cirkel met een vinger. “Moest van Ab.”

“Omdat…”

“Om toch.”

Ik keek naar het pak om zijn arm en nu pas drong tot me door dat het vreemd was dat een eigenaar zich dik kleedde voor zijn eigen hond. “Is die hond niet van jou?”

“Broer van Ab.” Weer de vingerbeweging. “Trainers, wij. Helpers.” Hij sloot het oog. “Moesten van hem.”

“Waar denk je dat hij nu is?”

Hij keek me weer aan. De hulpeloze blik maakte duidelijk dat hij geen idee had. Toen ik de bovenste man van hem had afgeduwd vroeg hij om een dokter, daarna om water.

Ik vertelde hem dat hij kon doodvallen met zijn water, maar hij wees naar de zwarte hond. “Is voor hem. Niet voor mij.” Hij keek naar de andere man. “Is-ie…dood?” Het klonk ademloos.

Ik keek naar het achterhoofd met de gaatjes en naar het bloed dat langs het hoofd was gestroomd. “Denk van niet. Heeft Ab een pistool?”

Hij wees naar de garage. “Buks.”

De buks hing achter een paar velgen. Hagelpatronen lagen in een la. Een pistool vond ik niet, maar het was voorlopig voldoende. Ik vond een rol ijzerdraad en bond de handen van de mannen vast aan de poten van de bloedhond. Daarna goot ik water in een bakje en schoof het met een voet naar de zwarte hond. De man met wie ik had gesproken keek dankbaarder dan de hond. De andere pakwerker hield zijn ogen dicht. Toen ik me naar hem toe boog hoorde ik hem mompelen, een eindeloos “gottegottegotte…”

Met de buks schuin voor mijn borst maakte ik een rondje over het terrein. Ab zag ik niet. Mijn Suzuki evenmin. De Oldsmobile stond nog waar ik hem had neergezet en aan een bord in de garage hing de sleutel. Voor alle zekerheid trok ik het snoer van de telefoon uit de wand, daarna reed ik weg, harder dan nodig was. Halverwege Tybee Island begon een onderarm te schrijnen. Toen pas bekeek ik mijn verwondingen. In mijn onderarmen zaten de afdrukken van kaken. Op zes plaatsen vloeide bloed naar mijn ellebogen en op twee plaatsen zag ik stukjes vlees die nog via het vel met mijn arm verbonden waren. De bloedhond had betere tanden gehad dan de zwarte. Ik hoopte dat hij dood was gegaan met een lekkere smaak in zijn bek.

Toen ik de plekken zag leken ze opeens meer pijn te doen. Ik had dat eerder ervaren. Vroeger dacht ik dat een wond pijn deed omdat je ernaar keek, maar later leerde ik dat je eerst een tijdje verdoofd was door spanning, adrenaline en woede. Dit keer was het vooral woede die me onverschillig maakte en voor een flink deel immuun voor pijn.

Ik was een flinke jongen die het niet kon schelen dat zijn bloed op zijn bovenbenen drupte en op de bekleding van de Oldsmobile. Savannah kon de pest krijgen, ik zou alle ratten die eraan wilden meewerken met liefde een maand voeden. De zwarte dood voor ze, allemaal, van Art Mornay tot Johnson en Jones, van Ab de garagehouder tot mevrouw en mejuffrouw Pale, van rivierzwemmers met speren tot quad-rijders, van…Ik wist er heel wat meer te bedenken en zag zelfs tussen de bedrijven door kans me te herinneren waar ik een ziekenhuis had gezien.