6

Een maand nadat ze me de tatoeage op haar rug had laten zien legde ze een pakketje op mijn schoot. “Lees je wel eens?”

Ik bezat alleen Over de oorlog en dat boek keek ik zelden in. Op Carlys Piek had ik er veel aan gehad, hier, aan de voet van de Carrizo Mountains, kon ik niets met de krijgskundige gedachten van Carl von Clausewitz. “Niet vaak.”

Kaya scheurde het pakpapier van een stel boekjes. “Begin hier maar mee. Ze zijn van Carter Brown, kijk maar.”

Ik keek naar Zelda, The Sad-eyed Seductress en The Exotic. Onder de Carter Browns zat een boekje van Frank Kane: Poisons Unknown. Op alle voorkanten stonden mooie vrouwen, die verleidelijk keken.

Kaya zag dat ik er aandacht voor had. “Lees ze maar. Ze stellen niet veel voor, maar lees ze. Ik vond ze in Tucson. Daar moest ik heen, Tucson, omdat…” Ze maakte een afwerend gebaar. “Dat vertel ik nog wel eens. Ik moet elke keer Len meenemen, want hij kan niet alleen blijven. Misschien…” Weer de handbeweging. “Laat maar. Hoe hou jij het uit zonder vrouwen, Jeff?”

Ze zag me rood worden en lachte. Het was een schrille lach die onecht klonk. Wat volgde leek er meer op. Ze legde een hand in mijn nek en trok mijn hoofd naar beneden. Ik voelde haar lippen nauwelijks. Het was geen kus van iemand met plannen, meer de kus van een moeder die zich zorgen maakt om haar kind.

Het ‘dag, zoon’ van Len kreeg er een betekenis door waar ik bang van werd.

Twee weken later, toen Kaya en Len bij me langskwamen, zag ik alleen een sixpack Coors in de laadbak van de GMC, en een fles wijn.

“De Dr Pepper staat in de Sundowner.” Kaya hield een sleutel omhoog. “Ik heb een verrassing voor je. Je mag de trailer gebruiken, ik heb de lakens verwisseld.” Ze gaf een knipoog. “Ga er maar gauw naartoe. Ik weet wat een gezonde jongen nodig heeft.”

Voor de Sundowner zat een vrouw, of een meisje, gekleed als een Navajo, maar met blond haar. Of een blonde pruik. Ze zuchtte alsof het allemaal veel te lang had geduurd en ze spuugde kauwgum uit voor ze iets zei. “Ik dacht nog, komp er nog wat van, dat dacht ik. Ik hep niet de hele dag de tijd. O, ja, ik moest zeggen dat ik Bambi heet.” Ze giechelde. “Was dat geen hert dat rotzooide met een konijn?”

Voor ik de Sundowner open had, had ze haar jurk uit, toen ze naar binnen stapte zag ik dat ze geen ondergoed droeg.

Ze keek over haar schouder en trok een grimas. “Ik ken het toch niet aanhouwe. Kom je nog, grote vent, of moet ik zo blijve staan voor je?”

Ik dacht aan Kaya, daarna aan Kaya als moeder en ik hoopte dat de band van mijn spijkerbroek een vastgelaste ring zou zijn, dat mijn onderbroek van staal zou zijn geworden en dat de rits van mijn gulp zou bijten naar elke vinger die in de buurt kwam.

“Durruf je niet of ken je niet?”

Ik hoorde wat ze zei, maar mijn gedachten waren mijlenver weg, minstens zes mijl hemelsbreed. Kaya was nog bij mijn caravan, dat wist ik zeker, maar haar geest was over de mesa gezweefd en ik zag haar kijken met ogen die helderder waren dan ooit.

“Hij ken niet, ach got. Word ik die halve klotewoestijn over gesleept voor een vent van drie meter en die ken dan niet.” Ze knielde voor me en pakte mijn broeksband. Die bestond niet uit een gelaste ring, de rits beet niet en mijn onderbroek was niet van staal.

Bambi keek tevreden toen we tien minuten verder waren. “Zie je wel, met Bambi gaat ut nooit mis.” Ze stak kauwgum in haar mond en smakte terwijl ze kauwde. “Hoe zit ut, grote jongen. Gaan we nog een keer of komp moeder om me terug te brengen?”

Ze kwam uit Page, vertelde ze, en daar had Kaya haar opgepikt. “In het hartstikke donker. Ik zou niet wete waar ik nou ben, maar ze betaalt goed.” Ze kneep in mijn bovenarmen. “Doe je work-out?”

Elke dag vijftig sit-ups en vijftig push-ups. Als ik water nodig had om me te wassen liep ik hard naar de kreek met een plastic emmer in de hand. Ik was niet van plan haar dat te vertellen en dat kwam goed uit, want ze wilde het niet horen.

“Train je dat ook?” Ze deed een greep en ze wist waar ze zijn moest. “Ik ben voor twee uur betaald. Twee uur actie, as je wil. Daarna moet ik nog ure terug door dit kloteland. Ken je Page? Bijna net zo erg, maar…” De rest verstond ik niet, want ze sprak met haar mond vol.

Toen de twee uren om waren zette ik Bambi op een stoel voor de caravan en deed de trailer op slot. De lakens zagen er niet uit en waar de hoofdkussens waren gebleven wist ik niet. Ik had geen zin ze te zoeken en Bambi had duidelijk gemaakt dat ze er niet was voor huishoudelijk werk. Ik sleepte me naar de pick-up en was blij dat ik zat. Bambi stak vier vingers op toen ik wegreed. Verdomd, dacht ik, vier.

Len zat tegen zichzelf te praten en Kaya deed iets wat op aanvegen leek. Ze keek me niet aan en vroeg me niet hoe het was. De boekjes van Carter Brown en Frank Kane lagen op een stoel.

“Ik heb nieuwe meegebracht. Van Mickey Spillane. Ook met vrouwen voorop. Kijk maar als je eraan toe bent.” De laatste zin was een verwijzing naar Bambi, ik hoorde het aan de toon. “Over tien dagen moet ik naar Tucson. Ik neem Len mee als het moet, maar ik hoop…”

Ik vroeg me af of Bambi had gediend als ruilmiddel, als lokmiddel, als omkoopmiddel. Aan Kaya’s gezicht was het niet te zien, maar de manier waarop ze knikte nadat ik ‘ja’ had gezegd, maakte duidelijk dat een ‘nee’ haar zou hebben verbaasd.

Tien dagen later stond Kaya me op te wachten. Ze droeg een shirt zoals cowboys die dragen als ze meedoen aan een rodeo (“Uit de Tuff Hedeman Collection, Jeff”), een spijkerbroek waar ze zo slank in leek dat ze bijna breekbaar werd (“Een Miss Sixty, import uit Europa”) en laarzen die ik kende: bruin en van Double-H.

Len droeg zijn overall met eroverheen hetzelfde shirt als altijd. Hij had er maar ��n, of een heel stel dezelfde.

Len keek verbaasd toen Kaya wegreed en riep iets wat ik niet kon verstaan. Hij keek naar me terwijl hij sprak, maar hij zag me niet. Toen de GMC bijna uit het zicht was liep hij er een paar meter achteraan. Dit keer kon ik hem wel verstaan. “Donder maar op. Donder…maar…op.” Hij bleef wijdbeens staan en begon te vloeken, systematisch en zorgvuldig en er was geen dubbele vloek bij. Toen hij naar adem hijgde draaide hij zich om en ging zitten. De eerste vijf blikjes Coors werkte hij binnen een kwartier weg, over nummer zes deed hij bijna twintig minuten. Terwijl hij dronk bleef hij in de richting kijken waarin Kaya was verdwenen.

Kaya had me gewaarschuwd voor een felle reactie, maar ze had niet verteld wat ik moest doen. Toen Len in zijn broek plaste overwoog ik de mogelijkheid een andere overall te gaan zoeken, maar ik hield het op het aanreiken van een nieuw blikje bier, de zon zou zijn kleren drogen.

Len waardeerde mijn keuze. Hij grinnikte terwijl hij dronk en liet zijn blik over mijn gezicht scheren. “Je bent een goede jongen, jongen, maak je niet druk om wat ze zeggen.”

Ik ging naast hem staan en vroeg wie wat zei en tegen wie ze het hadden. Als mijn vragen tot hem doordrongen, dan liet hij het niet blijken. “Goede jongen,” herhaalde hij na elk blik bier. Toen hij onrustig werd legde ik zijn klarinet op zijn schoot, toen ik trek kreeg haalde ik gedroogd vlees uit de vriezer in de trailer, en de salade die Kaya had gemaakt. “Een echte Caesar’s Salad, Jeff, met alles erin wat erin hoort.” Ik gaf Len de helft en verbaasde me over het tempo waarin hij at.

“Lekker?”

“Goede jongen.”

“Maar is het lekker?”

“Geeft niet wat ze zeggen, zoon.”

Ik gaf hem de helft van wat ik nog op mijn bord had. Len wist er raad mee, het was op voor ik het stukje vlees had weggepeuterd dat klem zat tussen mijn kiezen.

Het eerste wat Kaya de volgende dag vroeg was: “Ging het goed, allemaal?”

Ik knikte. “Hij is even gaan liggen.”

“Omdat hij vannacht niet kon slapen?”

“Ikzounietwetenhoehij sliep. Ik ben niet wakker geweest. Alles goed met jou?”

Ze gooide een pakje op mijn schoot en liep de trailer in.

“Hij snurkt zacht, eigenlijk is het ronken. Dat doet hij als hij zich goed voelt. Heb je ze bekeken?”

Een boek van Ross MacDonald, dit keer, eentje van Peter Cheyney en een van Ed McBain.

“Langzaam meer kwaliteit, Jeff. Als je de smaak te pakken hebt, kun je niet meer zonder.”

“Waar heb je ze vandaan?”

“Overal. Page, toen ik Bambi ophaalde voor je weet wel.” Ze keek als een klein meisje dat ondeugend was en ze bewoog veel meer dan ik van haar gewend was. “Deze komen uit Tucson. Ik ben zo blij dat alles goed is gegaan. Zo blij. Alles is mooi vandaag.” Ze keek alsof ze me een geheim ging toevertrouwen. “Onderweg zag ik een Hedgehog-cactus, zo eentje met rozerode bloemen. Ik ben gestopt en heb er wel een kwartier naar zitten kijken, zo mooi.” Ze was bijna uitgelaten en ik vroeg me af wat ze in Tucson had gedaan. Ze had me eerder boekjes gegeven die ze in Tucson had gekocht, maar in een ervan stond een stempel van een bibliotheek in Sacramento, Californi�. Toen ik Don ‘t Get Me Wrong van Peter Cheyney opensloeg zag ik op de titelpagina een woord dat was doorgekrast. Ik hield het boek zo dat de zon op de achterkant van de pagina scheen en zag dat er Kingman had gestaan. Kingman ligt in Arizona, maar het is een heel eind van Tucson.

“Is er iets, Jeff?” Ze was achter me gaan staan en keek mee over mijn schouder. “Staat daar Kingman? Je vraagt je af hoe zo’n boekje dan in Tucson komt. Ik heb honger.”

Ze ging de trailer in en sloot de deur achter zich. Toen ze naar buiten kwam was er geen spoor meer van uitgelatenheid.

Ze ging naast me zitten en keek naar een punt op de mesa dat buiten mijn bereik lag.

“Therapie. Daarvoor ga ik naar Tucson. Ik heb een trauma. Een stoornis noemen ze het.”

Ik gokte. “Jack?”

“Ook. Hij is neergeschoten, Jack. Er waren bendes aan de gang en hij kwam ertussen. Zestien kogels, ze zaten overal.”

“In Los Angeles?”

“De Koreaanse wijk. Ze waren daar naartoe gegaan, die bendes, niemand wist waarom. Zestien kogels. Drie jaar geleden,” ze bewoog haar vingers, “vier bijna.”

“Zijn jullie daarom hiernaartoe gekomen?”

“Len begon weg te lopen. Ik kon hem niet opvangen. Soms zat ik aan tafel en dan vroeg ik me af wat Kaya dacht. Ik had niet in de gaten dat ik Kaya was. Kaya was iemand anders, iemand die ik van vroeger kende. Ik voelde niks, soms. Niet voor Len en niet voor Kaya. Ik zat en ik dacht. Waar denk jij aan, Jeff, als je alleen bent?”

Ze had het eerder gevraagd, maar niet met zoveel wanhoop. Ik wilde iets zeggen waarmee ik haar een plezier zou doen, maar er was niet ��n zin die me te binnen schoot. Ik zat en ik keek en ik voelde me helemaal blanco.

“Ik denk zo min mogelijk, dat heb ik al eens verteld.”

“Ik denk vaak aan wat het nut is.”

“Nut van wat?”

“Van mij, van Len. Straks gaan we dood en wat hebben we dan helemaal gedaan en wat hebben we geleerd, en met welk nut? Iedereen moet altijd weer vanaf nul beginnen, elke generatie opnieuw. Dat doen alle mensen en als ze het weten gaan ze dood.”

“Als ze wat weten?”

“Waar het leven goed voor is, waarom we doen wat we doen en waarom dat anders is dan wat we vroeger deden toen we jong waren. Die dingen. Als we het doorkrijgen gaan we dood. Len is al dood. Hij loopt en hij eet, maar hij weet er een paar seconden later niets meer van.”

“Gisteren heeft hij in zijn overall geplast.”

“Hij plast in zijn broek omdat hij vergeet dat hij op moet staan. Of misschien weet hij het wel, maar heeft hij geen zin. Soms denk ik dat hij meer weet dan wij, dan jij en ik. Dat hij weet dat het geen zin heeft om je druk te maken. Als hij een onrustige dag heeft gehad, schreeuwt hij in zijn slaap en als hij schor is van het schreeuwen, snurkt hij zo hard dat ik niet kan slapen. Soms houdt hij een tijd zijn adem in. Ik heb vaak geteld. Meer dan dertig seconden. Apneu heet dat. Dat je niet doorademt. Hoe vaak ik niet heb gedacht: hou maar in die adem, dan ben je ervan af. Is dat slecht, Jeff?”

Ik had zin om weg te lopen of iets te zeggen in de geest van: “Kom op, meid, laten we naar de film gaan vanavond,” maar het enige wat ik deed was zitten en zwijgen. Kaya had geen greep op haar leven en ik niet op haar woorden. Toen de stilte te lang duurde streelde ik over de rug van de hand die op haar schoot lag. “Denk maar gewoon even niet.”

“Dat zei mijn therapeut ook. Dat ik moest proberen niet altijd te denken. Zet het stil, zei hij. Alsof er raderen in een hoofd zitten die je kunt stilzetten als je rust wilt. Ik denk altijd en aan alles. Aan Jack. Aan vroeger, toen…Ja, Len, ik kom eraan.” Ze stond met een ruk op. “Als je niet snel bent, haalt hij alles overhoop. Hij weet vaak niet waar hij is als hij wakker wordt.” Ze rende naar binnen en bleef daar veel langer dan me nodig leek.