1

In een tweedehands boekwinkel in het centrum van Tucson vond ik Vengeance is Mine van Mickey Spillane, een stapeltje detectives van Edward S. Aarons over geheim agent Sam Durell en een Rand McNally-atlas uit 1993. De boeken waren een eerbetoon aan Kaya die haar best had gedaan me liefde voor lezen bij te brengen, de McNally was omdat ik op mijn slingertocht door Nevada en Californi� een keer verkeerd was gereden.

Ik had mijn Ford F-150 ten westen van Blanding, Utah van een helling laten glijden en was naar Monticello gelopen. Een autosloper had me een bruine Malibu aangeraden, zo goed als nieuw, alleen enige schade aan de ophanging van het linkervoorwiel na een aanrijding met een bus. Het chassis was goedgekeurd, maar hij adviseerde niet al te hard een scherpe bocht te nemen. Zijn prijs was elfhonderd dollar. Mijn prijs was zeshonderdvijftig en ik won. Hij keek naar zijn bouvier toen hij zei dat ik voor die prijs geen garantie moest verwachten. Toen ik vroeg wie de auto had gekeurd wees hij naar zijn borst en keek hij naar het jachtgeweer in de hoek.

In Provo liet ik de Malibu aan een garagehouder zien die zei dat hij drie dagen nodig had om van mijn rijdende bom een auto te maken. Hij vroeg waar ik het ding vandaan had en schudde zijn hoofd toen ik vertelde dat de man in Salt Lake City heel betrouwbaar had geleken. Hij mompelde iets over Mormonen dat onprettig klonk en zei dat reparatie rond de achthonderd dollar zou kosten maar dat hij er begrip voor had als ik de Malibu liever naar een autokerkhof bracht.

In Kimberly, Idaho ruilde ik de auto in voor een twintig jaar oude zwarte Oldsmobile met een kenteken uit Minnesota. Ik moest vijfhonderd dollar bijbetalen en dat was omdat de garagehouder medelijden met me had en hij liever geen mensen weg zag rijden in een auto die benzine lekte, en remolie.

De Oldsmobile wiegde als ik rechtuit reed en zuchtte als ik een bocht omging, maar hij was ruim en hij rook naar sigaren, precies zoals de Oldsmobile van mijn oudoom Rick had geroken bij wie ik was ingetrokken na de dood van mijn ouders.

Vlak achter Twin Falls reed ik in een fuik van de staats-politie. Alles en iedereen werd gecontroleerd en ze namen hun werk serieus. Ze bestudeerden mijn rijbewijs, keken tussen voor- en achterbank en lieten me de klep openmaken. Terwijl twee agenten met hun vingertoppen de rommel verschoven die achterin lag (vet poetskatoen, rafelig touw, een tas met kleren, scheerspullen, een tandenborstel, Clausewitz en de bijbel met de naam Louella) keek ik naar de lucht en prees ik het moment waarop ik had besloten dat ik de Winchester achter zou laten. De .22-patronen had ik in mijn broekzak, maar ze fouilleerden me niet. Ze vroegen waar de reis naartoe ging en waren tevreden met: “San Diego.” Het duurde meer dan vijf minuten voor ik verder mocht, maar dat was niet langer dan ze nodig hadden gehad voor de auto’s die voor me in de rij stonden.

De controle leerde me dat de Oldsmobile geen gebreken vertoonde die voor verkeersagenten zichtbaar waren en dat mijn identiteitspapieren in orde waren. Het leek me niet waarschijnlijk dat iemand de lijken van Len en Kaya had gevonden, maar als dat wel het geval was, dan bracht de politie Jeff Aabelson, geboren in Rolla, Missouri, niet met de dubbele moord in verband.

Die avond leerde ik nog iets, namelijk dat ik, net als vroeger in Denver, nog steeds in een Oldsmobile kon slapen, maar dat ik vaker wakker werd. Na drie nachten begonnen mijn spieren te wennen en tegen de tijd dat ik Tucson naderde hadden ze zich aan mijn slaapgewoontes aangepast. Om ze niet te lang op de proef te stellen nam ik een kamer in het Desert Motel even ten zuiden van de stad en dicht bij de Interstate 10. Het bed had een matras dat zo zacht was dat ik het op de grond legde. Het kon net, al moest ik het tafeltje in de badkamer zetten. Mijn spieren kreunden van plezier toen ik tegen de ochtend nog een uurtje in de Oldsmobile ging liggen.

Rond het middaguur kocht ik de McNally, Vengeance is Mine van Spillane en de Durells van Aarons. De stoel in de motelkamer was goed en ik bracht de dag door met tv-kijken en lezen in Aarons Assignment…Golden Girl. Al zijn boeken hadden titels die begonnen met ‘Assignment’, gevolgd door puntjes. Al zijn boeken waren ook hetzelfde, dat wist ik tegen middernacht toen ik Assignment…Golden Girl, Assignment…Peking en Assignment…the Cairo Dancers uit had. Sam Durell was goed. Hij was ook genadeloos, kon uitstekend tegen pijn en wist alles te vinden wat hij zocht. Hij zou de therapeut van Kaya kunnen vinden door op een plein in het centrum te gaan staan en te roepen: “Breng me als de donder de therapeut van Kaya.”

Ik was minder slim, daar kwam ik de volgende ochtend achter. In de Rand McNally zag ik dat Tucson in 1993

405.39� inwoners telde, maar de eigenaar van het motel haalde voor dat getal zijn neus op. Volgens hem waren er minstens 100.000 bij gekomen, onder wie 99.000 hele en halve idioten.

Ik reed naar het centrum en zag in de Yellow Pages dat de eigenaar van het Desert Motel waarschijnlijk gelijk had. De lijst psychiaters, psychotherapeuten, therapeuten zonder psycho en raadgevers op het gebied van geestelijk welzijn was indrukwekkend. Van het lijstje tarotkaartenleggers, cha-kradrukkers, sterrenwichelaars en piskijkers werd ik moedeloos. Wie zocht ik eigenlijk? Iemand die zich Kaya noemde, maar die waarschijnlijk anders heette. Len had een keer gesproken over Cathy met wie hij wilde trouwen en toen ik doorvroeg had hij ‘Catherine’ gezegd. In het knipsel over de rechtszaak werd een getuige genoemd die Catherine Lenz heette. Ik had het gevoel dat Kaya’s echte naam Catherine Lenz was, maar wat had ik aan een gevoel. En waarom zou ze zich tegenover een therapeut Catherine noemen als ze in de woestijn Kaya wilde heten? Ik had nauwelijks een naam en helemaal geen plaats. Waar woonde haar therapeut? In het centrum? In een buitenwijk? In een van de plaatsen rond Tucson?

Toen ik was uitgepiekerd reed ik naar het vliegveld en begon aan een serie telefoongesprekken die met elkaar gemeen hadden dat ik grondig werd uitgelachen. Iedereen die ik sprak leek zich te vermaken met de malloot die dacht dat hij via de telefoon inlichtingen kon krijgen.

Dat had ik kunnen weten, bedacht ik toen ik de lijst had afgewerkt. Ik had het moeten weten. Ik had Clausewitz gelezen en herlezen, op Carlys Piek had de oude Tom McClaren me tientallen keren overhoord en stukken die ik van belang vond, had ik uit mijn hoofd geleerd. “Er is een oorzaak die de oorlogshandeling tot staan kan brengen, namelijk een gebrekkig inzicht in de zaak.” Mijn inzicht was uiterst gebrekkig. Ik was nooit bij een therapeut geweest, had er nooit een gesproken, had nooit over een therapie nagedacht. Maar ik had wel films gezien en het eerste wat artsen, specialisten en therapeuten daarin zeiden was: “Ik heb een ambtsgeheim.” Dat zeiden de secretaresses van de therapeuten in Tucson ook. De tarotkaartenleggers en piskijkers lieten weten dat ze zouden kijken wat ze konden doen als ik langskwam met biljetten van honderd dollar.

Tegen niemand kon ik zeggen dat het ging om iemand die was vermoord. Ik had in elke grote plaats kranten gekocht, maar nergens had ik iets gelezen over een dubbele moord in de heuvels bij de Carrizo Mountains en ik was net slim genoeg om er tegen niemand over te beginnen.

De volgende dag probeerde ik het nog een keer en ditmaal gaf ik me uit voor een rechercheur die bezig was met een onderzoek naar mevrouw Catherine Lenz. Er was geen secretaresse die lachte, allemaal legden ze op zonder antwoord te geven.

De dag die volgde besteedde ik aan nadenken. Het maakte me niets wijzer over therapeuten, maar wel over Tucson. Ik had in deze stad niets te zoeken. Ik moest naar Savannah. Daar was een man die Jack Doyal Dunn heette en die een ijzerwinkel bezat. Volgens de Rand McNally woonden er in 1993 in Savannah 137.560 mensen, en hoeveel ijzerwinkels konden die nodig hebben? Met een beetje geluk zou ik er ook een Afro-American Baptists Congregation vinden. Ik was nooit in de staat Georgia geweest, maar van de televisie wist ik dat ze er niet krenterig waren op het gebied van religieuze groeperingen.