6

De volgende ochtend reed ik naar Tybee Island, wat een vakantie-eiland bleek te zijn aan de monding van de Savannah River, vol restaurantjes, surfplankenverhuurders en botenverkopers. De twee ijzerwinkels verkochten voornamelijk onderdelen voor boten en karretjes waarop surfplanken konden worden vervoerd. Het aantal klanten was minstens twintig keer het aantal bezoekers aan de winkel van Anna-Lee Lurie.

Na een paar uur reed ik naar een groot dorp ten oosten van Savannah dat Wilmington Island heette. Aan de rand was een kleine garage met een haveloos bouwsel ernaast dat was volgeplakt met posters van bokswedstrijden en van pin-ups uit de jaren vijftig. Het grootste deel van het terrein was gevuld met honderden driehoog opgestapelde sloopauto’s. Naast het toegangshek lagen oude banden op stapels die meters hoger waren dan de garage. De man die achter de tafel zat onder het afdak van wat vermoedelijk een kantoor was, bekeek al mijn bewegingen, maar verroerde geen vin.

Toen ik voor hem stond bewoog hij alleen zijn ogen. Ik stond dicht bij hem en hij moest zijn oogballen zo ver naar boven draaien dat ik halvemanen oogwit onder de irissen zag.

Toen ik vroeg of hij een Oldsmobile wilde kopen zag ik een vinger bewegen. Het was een dikke vinger met aan het einde een blauwe nagel met bij de nagelriem een rode streep.

“Die?”

“Eigenlijk ruil ik ‘m liever.”

Waarschijnlijk vond hij dat een goed idee, want hij stond langzaam op. “Borden uit Minnesota?”

“Ik trek door het land.”

“Niet gestolen.”

Het klonk niet als een vraag, maar het was het wel.

“Gekocht in Minnesota.”

Hij knikte en wees met de dikke vinger naar de schroothopen. “Kijk maar of er iets bij is.”

Naast het kantoor stond een Cadillac die eruitzag of hij nog een poosje meekon, maar die bleek niet te koop.

“Is van mij, broer.”

“Broer?” Ik keek net zo lang tot hij begreep dat ik het tegen hem had. Hij was klein, stevig en verweerd en hij keek of het hem geen barst kon schelen wie of wat ik was en wat ik wilde.

“Broer?”

Hij drukte de dikke vinger tegen zijn borst. “Ik ben een halfbloed. Laberta naar mijn vader, Ab naar mijn moeder. Abigail.” Hij keek of hij me uitdaagde om te lachen. “Voor mij is iedereen een brother. Dat is het makkelijkst. Daarginds staan ze.”

Al de auto’s zagen er ouder uit dan mijn Oldsmobile, maar tegen een olievat stond een Suzuki met een kenteken van South Carolina die er bruikbaar uitzag.

“Hoeveel kost die motor?”

“Dat is een vs 700 Intruder.”

“Hoeveel betaal je als ik ‘m ruil voor mijn Olds?”

Toen hij lachte liep bruin spuug over zijn onderlip. Het gleed van zijn kin naar zijn bruine overall en bleef halverwege zijn borst hangen. Toen ik goed keek zag ik op de overall tientallen bruine vlekken. Hij draaide zich om en liep terug naar zijn stoel.

“Hoeveel?” vroeg ik toen hij zat.

“Zeshonderd.”

Hij bedoelde: bijbetalen.

“Heb je een helm?”

Ab knikte.

“Toevallig ook een pistool?”

Tot mijn verbazing grinnikte hij.

“Je bent te groot om bang te zijn.”

Ik wees naar mijn benen. “Gisteravond sloeg een brother me tegen een knie. Van achteren. Met een ijzeren staaf. Hij was niet alleen.”

“Wat deed je toen?”

Ik deed het hem voor bij mezelf en keek of ik pijn had. Hij vond het leuk en liet dat weten. Een kwartier later had ik voor vierhonderdvijftig dollar een Suzuki, een helm en een boksbeugel. Als ik echt een pistool nodig had moest ik maar eens terugkomen, morgen of zo, hij beloofde niets, maar hij zou kijken.