3

Heet, dat was de eerste indruk die ik van Savannah kreeg. Een kleine stad waar mensen langzaam liepen en langzaam spraken met een accent dat iets sleperigs had en iets looms. In Arizona was het ook heet geweest, maar daar was de warmte droog, waardoor je zweet verdampte. In Savannah heerste de vochtige warmte van het zuidoosten en als je te snel bewoog, spatte het zweet uit je pori�n om daarna als een filter van klamme plakkerigheid op je huid te blijven liggen.

Na twee dagen had ik me aangepast aan de bewoners en bewoog ik me voort als in een vertraagde film, en van boom naar boom. Bomen waren er bij duizenden. Ze stonden in en rond de parken waarmee het centrum was bezaaid en langs de brede straten die parallel liepen aan de Savannah River die de grens vormde van Georgia en South Carolina.

Het centrum bekeek ik wandelend, de rest van de stad vanuit de Oldsmobile en dat bleek een verstandige keus, want ten zuiden van het centrum was Savannah een doorsneestad met de gebruikelijke ordeloze wijken en industrieterreinen die per ongeluk leken te zijn ontstaan en tegen beter weten in waren uitgebouwd.

Tegen de avond at ik in een van de restaurantjes langs de rivier en ‘s-avonds lag ik op het bed in mijn kamer in het Days Inn Riverfront Motel aan Bay Street en luisterde ik naar het gerochel van de airco die de hitte niet de baas was en nooit het punt bereikte waarop hij kon afslaan.

Na drie dagen was ik zover dat ik een soort plan had. Ik zou me voorlopig concentreren op de foto van Jack Doyal Dunn die een ijzerwinkel had geopend. De rechtszaak tegen de Afro-American Baptists Congregation liet ik voorlopig liggen.

Ik wandelde naar het postkantoor en leende van een man die me bekeek of ik de zoveelste zwerver van die dag was een telefoonboek. Er waren acht ijzerwinkels in Savannah en er waren er twee in een gebied dat Tybee Island heette. De naam Doyal Dunn stond nergens. Ik zou alle ijzerwinkels moeten bellen. Omdat de man die me het telefoonboek had geleend me in de gaten hield, scheurde ik de pagina’s niet uit, maar schreef ik de nummers over op de achterkant van een folder waarin de schoenen van een Payless ShoeSource werden aangeprezen. Ik had het telefoonboek al op de balie teruggelegd toen me iets te binnen schoot. De man gromde toen ik het onder zijn handen vandaan trok en hij ging breeduit staan met de handen in de zij. Hij zei geen woord, maar ik zag zijn kaken malen.

Onder ‘kerkgenootschappen’ stond de Afro-American Bap-tists Congregation vermeld, maar een naam van een dominee of een voorganger stond er niet bij. Ik schreef het nummer over, knipoogde naar de man die me was blijven aanstaren, liep naar buiten en ging meteen weer terug. De man duwde het telefoonboek naar me toe voor ik erom kon vragen. Ik keek bij de L, zag dat er niemand met de naam Lenz was geregistreerd en sloeg het boek dicht. Ik knipoogde opnieuw en keek de man aan: “Ik ben teruggekomen omdat het hier zo gezellig is.”

De man knikte.

“Omdat ik hou van gezelligheid.”

De man knikte opnieuw. Hij trok zijn bovenlip omhoog en ik zag tanden die bij elkaar werden gehouden met ijzerdraad en iets wat op ijzergaren leek.

“Ongeluk gehad?” vroeg ik.

De man maakte een geluid dat nog het meeste leek op ‘Auw’. Na mijn ‘sorry’ veegde hij speeksel weg dat uit een mondhoek liep.

In een boekwinkel kocht ik een mobieltje en op een bank in het Chippawa Park toetste ik de nummers die ik had overgeschreven. Ik begon met dat van de AABC en hoorde de jankende toon van een nummer dat is afgesloten. Ik kreeg er een tevreden gevoel door: het was een goed idee geweest om voorlopig niet veel aandacht aan de Afro-American Bap-tists Congregation te besteden.

Bij het bellen naar de ijzerwinkels hield ik het eenvoudig. “Is Jack aanwezig?”

Vijf keer was het antwoord: “Hier werkt geen Jack,” twee keer: “U hebt het verkeerde nummer,” en ��n keer: “Met wie spreek ik?” gevolgd door: “Nee, niet hier.”

Een ijzerwinkel op Tybee Island had wel een Jack, maar die klonk of hij tegen de tachtig liep. Toen ik vroeg of hij Doyal Dunn heette legde hij op.

De vrouw die opnam toen ik de winkel aan Congress Street belde zuchtte voor ze antwoordde. Haar ‘hij is er niet’ klonk even toonloos als droevig en op mijn vraag wanneer hij terug zou zijn antwoordde ze met een nieuwe zucht, gevolgd door: “Ik wou dat ik het wist, meneer.”

Op de plattegrond die ik tegelijk met de mobiele telefoon had gekocht zag ik dat Congress Street maar een paar honderd meter van het Chippawa Park lag en toen ik genoeg had van het eindeloze spel dat eekhoorns aan het spelen waren, liep ik ernaartoe.

De winkel was klein en naamloos. Voor het woord ‘Hardware’, dat nog net in vaalblauwe letters boven de deur zichtbaar was, had iets gestaan, een naam, of een woord. Ik zag delen van een paar letters, maar ik kon er niets van maken. Gezien de lengte van de kale plek had het ‘Congress’ kunnen zijn. Zo stond de winkel in het telefoonboek: Congress Hardware. De kozijnen waren hard aan een verfbeurt toe en de heggenscharen, messen en accuboren in de etalage lagen op zwart doek waar zich een laagje stof op had gevormd. Het geheel wekte de indruk van verval, maar dat deden meer winkels in het centrum, misschien was het het grootste deel van het jaar te warm om te verven of af te stoffen.

Ik liep naar de overkant en vergeleek de gevel met de foto waarop Jack Doyal Dunn zijn winkel opende. Het grootste deel van de gevel lag verborgen achter een doek waarop Jack’s Hardware Store was geschilderd, maar een deel van de deur was zichtbaar gebleven. Het leek me de deur van de winkel waar ik voor stond, zelfde ramen, zelfde pleisterwerk erboven, alleen beter in de verf. Misschien had op de kale plek ‘Jack’s’ gestaan. Het woord ‘Store’ was er nooit geweest, er was geen plaats voor.

Ik overwoog naar binnen te gaan, maar iets weerhield me. De vrouw die ik had gesproken had zo droevig geklonken dat ik vreesde dat ze in huilen zou uitbarsten als ik opnieuw naar Jack zou vragen. Ook wist ik nog niet precies wat ik moest zeggen op de vraag: “Wat moet u van hem?” Wat moest ik eigenlijk van hem? Zeggen dat de mensen die zijn foto hadden bewaard waren afgeslacht? Misschien waren Kaya en Len familie. Of goede kennissen.

Ik aarzelde, liep naar een plek waar schaduw was en wreef mijn nek droog met mijn mouw. Misschien zou Jack straks komen, dan kon ik altijd nog naar binnen gaan.

Een uur later was Jack er niet, twee uur later ook niet. Na drie uur had ik zo’n dorst dat ik een voorbijganger vroeg of er een supermarkt in de buurt was. Na bijna vier uur zat ik in de Oldsmobile waarvan ik de raampjes had opengedraaid. Ik keek naar de gevel van de winkel en had het nog steeds warm. Maar nu kon ik er tenminste bij zitten.

Er ging niemand naar binnen die leek op de Jack Doyal Dunn van de foto. Er ging vrijwel niemand naar binnen. Een oude man die twee plastic tassen meezeulde. Een vrouw met een kinderwagen. Twee vrouwen die moeder en dochter konden zijn, allebei dik, zoals de meeste vrouwen die door Congress Street sjokten. Een kleine man die voor de deur parkeerde, zijn auto uit sprong, niet meer dan vijf seconden binnen bleef en haastig wegreed. Een pizzabezorger die een platte doos afleverde. Pizza, concludeerde ik meteen. In die stemming was ik onderhand: deduceren, combineren en vaststellen dat ik nergens iets mee opschoot.

Kort na acht uur kwam er een vrouw naar buiten. Ze was klein van stuk en mollig. Ze droeg een jurk waarin ik mijn oma wel eens had zien lopen, iets te lang en met een motief dat aan een wei vol bloemen deed denken. Ze keek om zich heen terwijl ze in haar handtas grabbelde. Ze had een rond gezicht met wangen waarin haar neus wegzonk. Een pop-pengezicht, met krullen en met blosjes op de wangen die met een stift leken te zijn aangebracht. De krullen zagen eruit of ze drie keer per dag in de lak werden gezet, maar zelfs van een afstand kon ik zien dat de roodbruine haren bij de wortels bleek waren. Mijn eerste indruk was die van een ouderwetse pop, mijn tweede die van slordigheid en armoede. Haar gebaren waren haastig, alsof ze te laat was voor een afspraak. Ze deed de deur op slot en liep snel naar een kleine auto die een eindje verderop geparkeerd stond. Het was een kleine Honda die zijn jeugd ver achter zich had. Boven een achterwiel zat een deuk en rond de bumper zaten menie-vlekken. Toen ze optrok braakte de uitlaat een wolk zwarte rook uit. Ik wist zeker dat ze niet omkeek toen de auto die haar bijna had ingehaald afremde en een slinger naar het midden van de weg maakte om uit de walm te komen.

Het duurde even voor ik de Oldsmobile op toeren had, maar ik zag de Honda terug voor ze de brede Montgomery Street in draaide. Ze reed te hard en remde alleen als het echt nodig was. Na een paar minuten sloeg ze links af en meteen erna zag ik de remlichten opgloeien. Ze sprong uit de auto en liep met grote stappen naar een klein huis van twee verdiepingen dat ooit grijs was geweest, of bleekblauw. Het hout was verweerd en het dakleer was bij de goten omgekruld. De voortuin bestond uit bruin gras afgewisseld met plekken zand. Langs de gevel stond een rijtje bloemen die rood zouden zijn geworden als ze op tijd water hadden gekregen. Nu waren ze verlept roze.

De vrouw stond naast de auto toen een jongetje van een jaar of vier, vijf naar buiten huppelde. Hij had blond haar dat krulde. Moeder en zoon, dacht ik terwijl ze elkaar knuffelden. De vrouw tilde het kind op en deed een stap naar achteren toen een zwarte vrouw naar buiten kwam die het kind over het hoofd aaide en naar de overkant schommelde. Echt dik was ze niet, maar haar achterwerk had zich uitgebouwd zonder dat de bovenkant had meegedaan. Als ik haar ooit zou moeten omschrijven zou ik zeggen: tachtig procent kont, met iets erboven en korte benen eronder. Ze keek niet om toen ze een huis binnen ging zonder dat ze daarvoor een sleutel nodig had. Of dit was een buurt waar je de deur open kon laten of er was niets te halen in de huizen.

Het laatste, stelde ik vast toen ik de straat goed had bekeken. Allemaal hetzelfde soort huizen, allemaal in een matige tot slechte staat en nergens een tuin waar eer aan te behalen was.

Na een poosje reed ik de straat uit. Pas bij het grote Forsyth Park zag ik een naambordje. Huntington Street. Het was geen straat waar ik familie van Kaya en Len zou hebben gesitueerd, en evenmin een van hun vrienden of kennissen. Misschien was de vrouw een werkneemster die over een sleutel beschikte. Het kon, maar het leek me onwaarschijnlijk dat een werkneemster droevig zou zuchten voor ze zei dat Jack Doyal Dunn niet aanwezig was. Ze had geklonken als een echtgenote wier man de hort op is en ik wilde meer van haar weten. Daarom draaide ik de Oldsmobile en reed ik terug. Ik vond een plek op de hoek van Huntington en Jefferson Street vanwaar ik de gevel kon bekijken. Die was nog steeds oud en ongeverfd toen de avond viel. In huis gingen de lichten aan. Bij de Oldsmobile werden grote, zwarte handen tegen de voorruit gedrukt.

Ik zag een gespreide linkerhand aan de linkerkant van de ruit en een gespreide rechterhand rechts. De man links pakte met zijn rechterhand mijn linkerschouder, de man rechts pakte met zijn linkerhand mijn rechterbovenarm. Hij had ook mijn schouder kunnen grijpen, of mijn nek, zo lang waren zijn armen wel. Hij hoefde zijn bovenlichaam maar een klein stukje naar binnen te buigen om me te kunnen pakken. Niemand zei iets, maar ik dacht dat de man rechts zwaar ademde, misschien moest hij zich toch verder uitrekken dan hij leuk vond.

De stem van de man links klonk als een bas die probeerde hoe laag hij kon en in de Oldsmobile trilde iets mee. “Wat moet jij hier?”

Dat zat ik me net af te vragen en omdat ik het zelf nog niet wist, gaf ik geen antwoord. Ik moest aan de twee hoofdpersonen denken in het boekje van Chester Himes dat Kaya voor me had meegenomen. Coffin Ed Johnson en Grave Digger Jones. Ik was vergeten hoe het precies zat met de karakters, maar ik hield het op: links Johnson, rechts Jones. Ik moest grinniken. Gepakt door Johnson en Jones aan de rand van het centrum van Savannah, het was verrassend.

“Lachen?” Johnson leek niet geschokt door het geluid dat ik maakte, hooguit verbaasd.

Ik wilde iets terugzeggen, maar hield mijn mond toen ik de arm van Jones voelde bewegen. Hij bleef mijn bovenarm vasthouden, maar ik hoorde het zuchtje toen hij zover door de knie�n was gegaan dat hij met zijn hoofd en bovenlichaam naar binnen kon leunen. Zijn gezicht was een zwarte vlek met twee bolletjes oogwit die leken op te lichten. “Een grappenmaker?”

Als Johnson een bas was, dan was Jones een bariton. Er vibreerde niks aan de Oldsmobile, maar mijn nekhaar ging wel rechtop staan. Er zat dreiging in zijn stem. Als ze van de politie waren, dan speelde Johnson de goede en Jones de slechte agent.

“Politie?”

Ditmaal lachte Johnson. “Van deze buurt. Eigenlijk van deze straat. Nog eigenlijker van dat huis daar.” Ik zag hem niet wijzen, maar ik wist dat hij het huis van de vrouw met het kind bedoelde.

Jones was duidelijker. “Geen witkoppen in deze straat.”

Ik bewoog mijn linkerarm, wrong ‘m langs het lichaam van Johnson en wees. “Moet je eens in dat huis gaan kijken.”

Dit keer zuchtten ze synchroon. Johnson deed een stap achteruit en opende het portier. “Kom er maar even uit.”

Zijn stem klonk nog steeds gemoedelijk, met een ondertoon van: daar hebben we weer een sukkel die traag van geest is. Hij wachtte tot ik rechtop stond en bekeek me van kruin tot teen. “Wat kom je hier doen?”

Hij was iets kleiner dan ik, maar hij had meer buik. Zijn zwarte T-shirt zat er strak omheen, ik kon precies zien waar zijn navel zat. Hij droeg een verschoten spijkerbroek en sportschoenen met veters die loszaten. Hij was niet van de politie, dat wist ik toen ik hem goed had bekeken.

Misschien had ik dat niet moeten doen, hem bekijken. Misschien had ik Jones in de gaten moeten houden. Het geluid dat hij maakte drong tot me door toen het te laat was.

Ik kreeg een klap tegen de achterkant van mijn knie�n en kromp in elkaar. Jones had weinig ruimte gehad om uit te halen en daardoor viel ik niet, maar ik moest wel steun zoeken bij het portier.

Ik keek opzij en zag dat Jones het broertje van Johnson zou kunnen zijn. Zelfde kleren, zelfde buik. In een hand had hij een ijzeren staaf met de lengte van een gummistok. Hij mepte ermee op de palm van zijn vrije hand. Het klonk alsof hij een rubber kussen bewerkte. “Komt uit de winkel van Jack, brother. Geef je nog antwoord?”

Johnson moest opnieuw lachen. “Brother?”

Jones hief de staaf. “Anders denkt hij dat het om racisme gaat.” Hij haalde uit, maar raakte het portier omdat ik wegdook. Ik sprong naar Johnson en pakte hem vol in het kruis. Hij kreunde toen ik kracht zette. Ik keek naar Jones: “Als je die staaf niet laat vallen, maak ik van je broertje een falset, brother.”

De staaf viel met een punt op het asfalt en stuiterde weg.

“Falset?” Jones vroeg het zonder naar Johnson te kijken en zijn stem klonk nieuwsgierig.

“Dat is zoiets als een sopraan, maar dan hoger.” Ik zette meer kracht en hoorde een hoog geluid. “Zoals dit ongeveer, maar dan blijvend.” Ik legde een hand op een schouder van Johnson en zocht oogcontact. “Als jij ook een stuk ijzer bij je hebt…”

Een staaf viel op de grond, er klonk een tinkelend geluid toen hij het ijzer van Jones raakte.

“Mag ik nu weten wat er aan de hand is?”

Omdat ik nog steeds Johnson aankeek voelde hij zich geroepen om antwoord te geven. Dat lukte pas toen ik mijn greep liet verslappen. Hij hield het bondig. “Geen witten hier.”

“Omdat?”

“Omdat?” Hij scheen verbaasd te zijn over de vraag. “Hoezo, omdat?” Hij was niet gewend dat iemand hem iets vroeg. Hij en Jones waren vragenstellers, geen antwoordengevers. Daar hield ik het tenminste op.

“Waarom wil je geen blanken in deze straat?”

Ik hoorde Jones bewegen en keek snel opzij. Hij had zich verplaatst, een klein stukje, maar ver genoeg om dekking te hebben achter de Oldsmobile. Hij keek niet naar mij, maar naar een punt achter hem waar geluiden klonken. Even later zag ik iemand onze kant opkomen. Het kon iemand zijn die me kwam helpen, maar die kans was klein. Waarschijnlijk kregen Johnson en Jones versterking. Als iemand op zijn vingers floot, kwamen er waarschijnlijk nog twintig, zo’n buurt was het wel.

Ik trok Johnson mee terwijl ik me in de Oldsmobile liet glijden. Ik liet hem pas los toen ik de motor had gestart en hoorde een zucht van opluchting.

Ik kon het niet laten. Ik stak de middelvinger van mijn linkerhand op en riep: “Voortaan goed kijken wie je aanvalt, brother.” Daarna maakte ik als de bliksem dat ik de straat uitkwam. Pas toen ik over Montgomery Street reed merkte ik dat mijn linkerschouder pijnlijk was, net als mijn rechter-bovenarm en de achterkant van een knie.