3
We reden over het smalle pad door wolken muggen waarvan er honderden te pletter sloegen tegen de ruit. Ik keek ernaar zonder veel te zien. Ik was met mijn gedachten bij Kaya, die boeken stal, die manipuleerde, die geld wilde. Opgeteld bij de Kaya die mensen geld aftroggelde, die vluchtte toen ze naar de rechtbank moest en die verantwoordelijk was voor de armoede van tientallen, misschien honderden mensen, ontstond een beeld dat niet klopte met wat ik in mijn hoofd had en wat ik onder geen voorwaarde wilde herzien. Kaya was goed en dat wilde ik nog steeds bewijzen, al begon ik te vrezen dat het mijn krachten te boven zou gaan.
Doyal Dunn zei geen woord tot hij op het parkeerterrein van Fort Pulaski was.
“Hebt u zich afgevraagd waarom ik geen vragen heb gesteld over uw armen?”
“Omdat u bent gewaarschuwd door de arts in het Medical Centre Hospital die op u lijkt.”
Hij knikte. “Een neef. Hij heeft de zuster op u afgestuurd die berucht is om haar manier van prikken. Zijn kleine wraak voor een paar mille verlies. Hij zei dat u beweerde dat u was gebeten door honden. Klopt dat, meneer Aabel-son?”
Er lag iets in zijn stem waardoor ik me naar hem toe draaide, iets hards en onverzoenlijks. Ik kon zijn ogen niet zien, maar ik durfde te zweren dat ze bijna helemaal zwart waren. “Waarom zou ik liegen?”
“Er staan twee zwarten achter die Oldsmobile aan de rand van de parkeerplaats. Uw Oldsmobile?”
Ik boog me naar de voorruit, maar zag niets. “Waar dan?”
“Links van de auto, daar waar dat groepje hoge struiken staat. Waren het honden van zwarten?”
Ik had opeens meer dan genoeg van de manier waarop hij ‘zwarten’ zei, Het klonk als ‘nikkers’ en hij keek erbij alsof hij gal moest wegslikken.
“Het waren zwarte honden. Tevreden?”
“Leven ze nog?”
“Ik denk van niet.”
“Dan ben ik tevreden.” Hij boog zich voor me langs en drukte het portier open. “Als blijkt dat Cathy niet dood is, zal ik alles doen wat in mijn vermogen ligt om het u betaald te zetten, meneer Aabelson.”
Het had geen zin om te zeggen dat Kaya en Len echt dood waren. Het had ook geen zin om hem te vragen me naar Savannah te rijden. Hij had het portier opengedrukt en ik had begrepen wat hij ermee wilde zeggen: red je maar.
Hij deed me wel het plezier iets achteruit te rijden, de voorkant van de Pathfinder een stukje te draaien en de Oldsmobile in het volle licht te zetten. Ik zag Johnson en Jones achteruit deinzen en maakte een beweging naar de Nissan: alles in orde.
Doyal Dunn reed langzaam weg. Aan de rand van het parkeerterrein stopte hij, maar ik bleef onbeweeglijk staan en na een poosje vond hij het best. Pas toen de Nissan uit het zicht was, liep ik naar mijn auto.
Johnson en Jones stonden ernaast. Ze mompelden een groet toen ik tegenover hen ging staan en toonden hun lege handen.
“We misten je, brother.” Het was Johnson die het woord deed en dat was een teken van vredelievendheid. Jones was de man van de oorlogstaal. Tenzij ze van rol hadden gewisseld.
Voor alle zekerheid deed ik een stap achteruit. “Hoe heb je me gevonden?” Ik keek Johnson aan en negeerde Jones. Aan Jones’ ademhaling kon ik horen dat hij het niet op prijs stelde. “Hoe heb je me gevonden?”
“Geen zwarte ranger bij het fort gezien, vanmiddag?”
Dat had ik niet, maar dat zou ik niet toegeven. “Was hij lid van de AABC?”
Johnson lachte. “Er zijn geen zwarte park rangers, brother. Niet in dit deel van Georgia. Voor het geval je je afvraagt of in Wilmington een garagehouder woont die je bloed wil zien, vergeet hem. Hij heeft geen belangstelling voor je.”
“Hoe weet jij…”
Johnson stak een hand in zijn broekzak en kwam tevoorschijn met iets kleins. “Ik moest je van Louella een mobieltje geven. Er is een nummer voorgeprogrammeerd. Ze wil dat je elke avond belt en vertelt hoe ver…” Hij maakte een beweging naar Jones. “Hoe zei ze het precies?”
“Hoe ver het onderzoek is gevorderd. En we mochten niet schamper lachen.”
“Is gevorderd,” herhaalde Johnson. “Als je in nood zit kun je ook bellen. Misschien komen we je helpen. Je weet maar nooit.” Zijn hand ging weer naar zijn broekzak. “Hier heb je je boksbeugel terug. Altijd handig. De rode hond met die vlekken is dood, de zwarte bijna.” Er klonk bewondering in zijn stem. “De twee trainers zeiden dat ze nog nooit zoiets hadden gezien. Ze zeiden dat je minstens twee meter twintig was en dat je met je blote handen kasten uit elkaar scheurde en een compleet bureau demonteerde. We waren bijna onder de indruk.”
“Bijna.” Jones legde de nadruk op het woord. “Niet helemaal.”
Ze draaiden zich om en liepen weg. Toen ik wilde instappen riep Jones over zijn schouder: “Als ik jou was zocht ik een motel dat een eindje buiten Savannah ligt, sterke vent. Een flink eindje.”