4
Tussen Lorch Street en Huntington Street liep een onverlicht pad, of een steeg. Misschien was het een reep tuin waar niemand iets mee had gedaan. Ik liep op mijn tenen tot ik vlak bij het huis was waar ik de vrouw met het poppenge-zicht naar binnen had zien gaan. Langs de tuin stond een laag houten hek. Alles wat ik hoefde te doen was er overheen stappen en een stuk grond oversteken dat vol leek te staan met onkruid. Als Johnson en Jones me verwachtten, dan zouden ze achter de struiken aan de andere kant zitten, vlak bij het huis en voor mij onzichtbaar.
Waarom zouden ze er zijn? vroeg ik me af. Johnson had reden om op een zak ijs te zitten en ik betwijfelde of Jones iemand was die in zijn eentje op pad ging.
Toen ik was uitgeaarzeld rende ik op mijn tenen naar het huis. Niemand dook op vanachter de struiken, de auto die door de straat reed minderde geen vaart. De achterdeur zat aan de binnenkant vast met een haak die een beetje meegaf. Met een stuk plastic zou ik hem los kunnen krijgen, maar ik had geen plastic, aan een creditcard op naam van Aabelson was ik niet toegekomen. Bovendien was ik er niet op uit om de vrouw uit de ijzerwinkel de stuipen op het lijf te jagen.
Ik kroop langs de zijkant naar de weg en bleef liggen terwijl ik om me heen keek. Niemand hing uit het raam, in de auto’s die geparkeerd stonden bewoog niets. Ik zette me af en liep naar de voordeur.
Na twee keer bellen ging de deur op een kier open. “Ja?”
De stem leek te drijven op een wolk parfum en het kostte me moeite niet te hoesten.
“Ik wil even met u praten.”
“Wie bent u?”
“Ik ben de man die net ruzie had met twee brothers met ijzeren staven.”
“O.”
Daar leek alles wel zo’n beetje mee gezegd en toen ze de deur dicht wilde doen gaf ik haar gelijk. Mijn openingszinnen zijn vaak minder sterk.
Ik gaf net op tijd tegendruk en fluisterde: “Straks komen ze terug en dan wordt het oorlog. Ik moet u echt spreken.” Ik haalde diep adem en gokte. “Over Kaya, en Jack.”
“Jack?”
De naam Kaya leek haar niets te zeggen, maar in haar “Jack?” lag een duidelijk hoorbaar verlangen.
“Jack. Ik heb een foto van hem en…”
De deur ging iets verder open. “Foto. Van Jack?”
“Van vroeger. Ik doe u echt niets.” Ik had zin mezelf een tik tegen het hoofd te geven. Grote man van twee meter zegt tegen kleine vrouw dat hij echt niets doet en wordt meteen warm onthaald.
Tot mijn verbazing trok ze de deur open. Haar hoofd boog zich langs me heen en tuurde de straat af. “Snel. Straks ziet iemand het.”
Ik werd een kleine gang door geduwd en bleef staan in een huiskamer die gevuld leek met spullen van de rommelmarkt en een parfum dat mijn keel dichtsnoerde. Ik zag oude, niet bij elkaar passende stoelen, een tafel met een kleed dat aan de randen rafelde, een tweezitsbank tegenover een televisie waarvan het beeld korrelig was en vol strepen, een deken in de hoek waarop speelgoed lag dat op een hoop was geveegd.
De vrouw wees naar een stoel en wachtte tot ik was gaan zitten.
“Wat kom je doen?”
Niet: “Wie ben je?” of: “Wat is er met Jack en die foto?”, maar een afgebeten: “Wat kom je doen?”
Toen ze zag dat ik wilde antwoorden drukte ze een vinger tegen haar onderlip. “Zacht graag, Kenny ligt te slapen.”
Ik hield mijn mond omdat ik dacht dat ze wilde gaan zitten. Dat bleek niet het geval. Ze bleef bij de deur staan met een hand achter zich. Toen ik me opzij boog zag ik dat ze een pook in haar hand hield, of een korte speer. Het was iets van ijzer. Misschien was dat te verwachten van iemand die in een ijzerwinkel werkt.
“Ik kom alleen om te praten.”
“Over Jack?”
“En over Kaya en Len.”
Ze herhaalde de namen zonder geluid te maken. Aan haar gezicht kon ik zien dat ze noch Kaya noch Len kende. Ik zag ook dat ze moe was, en treurig. Ze had diepe lijnen in haar gezicht en over haar wangen lag een grijs waas.
Ze streek met een hand een paar krullen weg. “Wie is Kaya?”
“Kent u een Cathy?”
Ze kende een Cathy, dat zag ik aan haar reactie. “Misschien.”
“Catherine Lenz?”
“Misschien.”
Ik had geen idee waarom ze het niet wilde toegeven en probeerde het op een andere manier. “Hoe heet u?”
Er kwam leven in haar ogen. “Weet u dat niet? Waarom komt u hier dan eigenlijk?” Ze kromp in elkaar toen haar iets te binnen schoot. “Het is maar een spelletje natuurlijk. U bent ook…” Ze drukte een hand tegen haar mond. Een traan gleed van haar ooghoek naar haar wang, maakte een omweg om het koontje en kwam tot stilstand bij een mondhoek. Ze likte de druppel weg zonder het te beseffen.
“Spelletje?” Ik had geen idee wat ze bedoelde.
“Daarnet. Buiten. Met die twee mannen die niet willen dat hier iemand komt. Het is een spelletje om me in de war te brengen. Daarom zijn die twee er nu ook niet.”
Ik had geen idee wat ze bedoelde en wees naar een stoel. “Gaat u alstublieft zitten. Het is geen spelletje. Ik heb u gevolgd van de winkel in Congress naar hier. Ik wil gewoon met u praten. Ik heet Jeff Aabelson en u bent…”
“Ann Lurie. AnnaLee officieel, maar Ann is goed genoeg. Waarom hebben ze u net niet tegengehouden?”
“Omdat ik een van de twee in zijn kruis heb gegrepen waardoor hij nu waarschijnlijk nauwelijks kan lopen, en omdat ik achterlangs ben gegaan, via een soort paadje en uw tuin.”
Ze glimlachte. “Zijn kruis?”
“Nogal hard. Ik weet niet wat er aan de hand is, maar…”
“Ze willen niet dat ik met onbekenden praat. Niet in de winkel en niet hier, in mijn eigen huis.” Haar stem klonk verontwaardigd. “Mijn eigen huis.”
“Hoe kunnen ze nagaan met wie u praat in de zaak?”
“Ze houden de winkel in de gaten. Soms sturen ze iemand die iets koopt en die over Jack begint. Omdat ik nooit weet of een klant bij hullie hoort, zeg ik niks meer.”
Hullie, het woord paste niet bij haar. “Wie zijn hullie?”
Ze keek naar het plafond. “Als ik iets zeg en ze komen het te weten.” Ze wees naar boven. “Kenny is nog geen vijf. Vier jaar en elf maanden. Nog geen vijf. Ze hebben gezegd dat ze…” Een nieuwe traan, en nog een. “U moet weggaan.”
“U kent Jack?” vroeg ik snel.
Ze veegde over haar ogen en keek me verbaasd aan. “Natuurlijk ken ik Jack. Al tien jaar.” Ze wees naar een ring om haar vinger. “Deze is van hem.”
“Omdat u met hem getrouwd bent.”
“Waarom zou ik anders elke dag in de winkel staan? Onze winkel.” Er klonk trots door. “Net zoveel mijn winkel als zijn winkel, nog meer van mij dan van hem, ik sta daar elke dag, terwijl zij van de overkant,” knik naar het raam, “op Kenny past.”
Kaya en Len waren naar Arizona getrokken omdat hun zoon Jack dood was. Waarschijnlijk waren er een hoop andere redenen geweest om in een Sundowner in de heuvels bij Carrizo Mountains te gaan wonen, maar de dood van Jack was er een van, dat had ik tientallen keren gehoord. Wat Ann Lurie zei klopte niet met het beeld dat ik van Kaya en Len had gekregen. Ze sprak niet over Jack alsof hij dood was, maar alsof ze het een poosje zonder hem moest stellen.
Ik liet me terugzakken in de stoel en vroeg of ze drinken had.
“Koffie?” Ze was vergeten dat ze had gezegd dat ik moest vertrekken of ze zag in dat ik daar niet aan toe was.
“Of cola, wat u maar hebt.”
Ze keek naar de muur achter de televisie. “De airco werkt niet goed. Van de warmte krijg je dorst.”
Ik keek naar haar terwijl ze de kamer uit liep. Kaya en Len hadden geld gehad, Ann Lurie had niet voldoende om haar airco te laten nakijken. Ook dit beeld klopte niet. Er waren veel Jacks in de wereld. Ik moest weten of Ann Lurie en ik het over dezelfde hadden, de Jack om wie Kaya en Len hadden getreurd.
Ik durfde de vraag pas te stellen nadat ik een paar slokken cola had genomen, uit het flesje, een glas had ze niet neergezet.
“Ik heb mensen gesproken die Kaya en Len heetten. Ze hadden een zoon Jack, die was overleden. Als hij nog had geleefd was hij ongeveer vijfendertig jaar geweest.”
“Waar? Dat u ze gesproken hebt, waar was dat?”
“Miami. Ze woonden in een trailerpark.”
“Kaya?” Ze proefde het woord. “Zegt me niets. Mijn Jack is vijfendertig en hij is niet dood.”
Ik schrok van de felheid van haar toon. “U had het over een foto. Hebt u die bij u?”
Ik liet de krantenfoto zien en zag dat ze de afbeelding bestudeerde alsof die nieuw voor haar was. Toen ze sprak was het met een stem uit het verleden. “We waren pas getrouwd, moet je zien, zo jong. Onze winkel samen.” Ze vouwde de foto zorgvuldig dubbel op de vouw die er al in zat en maakte een beweging of ze hem aan me wilde geven. Halverwege bedacht ze zich. Ze stopte hem in haar blouse en keek me aan met een gezicht van: pak hem eens terug als je durft. Ik deed niets en daar putte ze blijkbaar moed uit. “Hij leeft. Hij is weg, maar hij leeft.”
“Hoe lang is hij weg?”
Lang, zeiden haar ogen maar haar mond wilde niet meedoen. “Hij komt gewoon terug, morgen, volgende week.” Het klonk of ze zeker was van haar zaak en ze tilde er een voet bij op waardoor ik dacht dat ze wilde stampen. Ze keek op tijd naar het plafond en hield zich in. “Kenny slaapt onrustig sinds Jack weg is. Hij mist zijn vader.”
“Waar is hij heen, Jack?”
Ze klemde haar lippen op elkaar terwijl ze naar me keek. “Ik mag niks zeggen. Je kunt wel zeggen dat je niet met ze te maken hebt, maar hoe…Ik zeg niks meer. Drink je cola op en ga weg.”
De snelheid waarmee haar stemming wisselde was zo hoog dat ik geen vat op haar kon krijgen. Huilen, verbeten kijken, krachtig praten, zorgvuldig praten maar wel ineens ‘hullie’ zeggen, lispelen, ‘u’ zeggen en ‘jij’, alles kwam langs en ik begreep steeds minder van haar. Toen ze mijn arm pakte en trok, kwam ik overeind. Misschien zou ze meer zeggen dan ze wilde als ik bleef zitten, maar het was vrijwel zeker dat ze er spijt van zou krijgen. Iemand chanteerde haar met het kind dat boven lag en elke keer als ze naar het plafond had gekeken had ik angst gezien in haar ogen.
Dus liet ik me meetrekken en naar de achterdeur leiden. “Ga maar weg door de tuin. Dan zien ze je niet.”
Het was niet omdat ze met mijn lot was begaan. Ze dacht aan haarzelf en aan Kenny.
“Wie is Catherine?” vroeg ik toen ze de haak wegduwde.
“Weet je dat echt niet?”
Ze fluisterde en daarom fluisterde ik ook. “Echt niet. Familie van Jack?”
Ze wees naar een foto van een vrouw met een baby op schoot. “Dat is Kenny toen hij een paar maanden oud was. Het is de enige foto die ik heb van hem en zijn oma. Die fijne oma.” Haar stem klonk bitter en venijnig. “Maar ze vond hem lief, dat weet ik zeker. Ik heb de foto in de keuken gezet, want daar komen ze niet. Ga nou maar weg.”
Voor ik naar buiten stapte keek ik nog een keer naar de foto van de vrouw en de baby. Kaya en Kenny. Catherine en Kenny.
Aan de andere kant van de tuin struikelde ik over het houten hekje. De hond een eindje verderop blafte niet, maar gromde wel en daarom had ik mijn aandacht even ergens anders voor nodig dan voor het verleden van Kaya en Len.