8
Op een hete zomeravond, de dag voor ze naar Tucson zou gaan, vroeg Kaya wat ik al maanden had zien aankomen. We zaten onder de luifel en keken naar het breken van het laatste licht. Len scharrelde rond in de trailer en om beurten gingen we kijken of hij de boel heel hield.
Toen we elkaar nauwelijks konden zien vroeg Kaya: “Voor wie ben je op de vlucht, Jeff?”
Ik probeerde een omtrekkende beweging. “Moet ik per se voor iemand op de vlucht zijn?”
“Of voor iets, maar dat denk ik niet. Je bent ook geen halve gek die ervan overtuigd is geraakt dat geluk in de woestijn ligt of in de foothills van de Carrizo Mountains. Voor wie, Jeff? Politie?”
“Waarom ben jij hier, Kaya?”
Ik zag de arm niet, maar ik wist dat ze over een schouder naar haar rug wees. “Om het verleden dat achter me ligt. Het is een heel verhaal. Misschien vertel ik het wel eens. Je zei dat je uit Seattle kwam?”
Met haar geheugen was niets mis. Ik had het op de dag van onze eerste ontmoeting gelogen.
“Vertel eens over Seattle, Jeff.”
Elke stad is op een aantal punten hetzelfde. Veel grote gebouwen, veel auto’s, veel mensen, veel rotzooi. Ik fantaseerde iets wat tegen de waarheid aan lag over de arbeidersbuurt waarin ik was opgegroeid. Over mijn vader, mijn moeder en mijn zusje die bij een auto-ongeluk waren omgekomen; mijn moeder had gereden, ze had gedronken en een stuurfout gemaakt. Over oudoom Rick die ik ome Rick noemde en bij wie ik was ingetrokken. Over mijn activiteiten met drugs. Over dat ik loopjongen was geweest van een belangrijk man uit de onderwereld, dat ik had moeten vluchten omdat…Tot dat punt was ik dicht bij de waarheid gebleven, ik had alleen Denver vervangen door Seattle, maar over mijn vlucht bleef ik vaag. Iets met een schietpartij, zei ik. Ik was naar het buitenland gegaan, had er jaren gewoond, was teruggekomen en had de verkeerde mensen ontmoet. Ik hen niet, maar zij mij, tegen mijn wil. Ik zei dat met nadruk en luisterde naar de keelgeluidjes van Kaya. Om een of andere reden was het belangrijk voor me dat ze meelevend klonken. “Ik moest weg uit Seattle en nu ben ik hier.”
“Als Jeff Meeks.”
Ik had geen idee waarom Kaya het zei. “Als wie anders?”
“Als de Jeff Meeks die je in Seattle was.”
“Uhuh.”
“Nooit gedacht aan een andere identiteit, Jeff Meeks? Het is makkelijker dan je denkt.”
∗
Toen Kaya terug was uit Tucson had ze nieuwe boeken voor me, en een paar papieren.
“Wat vind je van de naam Jeff Aabelson?” vroeg ze. Ze glunderde terwijl ze naar me keek en haar ogen waren heldergroen met blauwe spikkels. Dit is de echte Kaya, dacht ik. Drie seconden lang heb ik de echte gezien. Toen ik knipperde was het groen al niet helder meer.
“Het is niet moeilijk om een andere identiteit aan te nemen,” legde ze uit toen ik de boodschappen die ze had ingeslagen naar de Sundowner had gebracht. “Je moet er gewoon voor naar een krant. Alle redacties bewaren hun kranten. Ze liggen in het archief of ze zijn te vinden op microfiches. Tegenwoordig zitten ze in de computer natuurlijk, maar die van jaren geleden staan meestal op fiches. Ik ben naar de Tucson Citizen geweest, een paar maanden geleden al.” Ze hield haar hoofd schuin terwijl ze naar me keek. “Voor het geval je op de vlucht zou zijn voor iemand.” Ze maakte een gebaar of ze gedachten wegjoeg. “Afijn, ik ben alvast op zoek gegaan. Bijna zesendertig jaar geleden overleed in Rillito, ten noordwesten van Tucson John Aabelson. J. Aabelson. Als je wilt kun je je voornaam houden, John of Jeff, het gaat om de J. John Aabelson werd twee maanden en vier dagen oud. Hij werd geboren in Rolla, Missouri. Snap je het?”
Ik had geen idee.
“De uitwisseling van gegevens tussen de staten is slecht. John overleed in Arizona, maar in Missouri weten ze dat niet. Het kan ook niemand iets schelen. Pa en ma Aabelson trokken naar het westen en keerden niet terug. Ik heb daarover met Rolla gebeld. Er woont niet ��n Aabelson in die plaats. Ik heb het gemeentehuis van Rolla om een kopie van het geboortebewijs gevraagd.” Ze pauzeerde en likte haar lippen. “Laten vragen, eerlijk gezegd. Iemand was me iets verschuldigd.” Ze stak een hand op. “Niets vragen, Jeff, het heeft te maken met wat ik achter me heb.” Ze wees over haar schouder en bleef zo zitten tot ik knikte.
“Wat jij daar hebt is het bewijs van je geboorte. Je kunt het papier gebruiken voor een rijbewijs en een paspoort. Welkom in Arizona, Jeff Aabelson, je komt uit Missouri en je bent vijfendertig jaar en tien maanden oud.”
Ik las het papier drie keer, bestudeerde het gemeentestempel en keek naar het watermerk. “Hoe weet jij dit allemaal?”
Kaya wees naar de boeken die ze had meegebracht. “Veel lezen. Er bestaat een heel boek over. How to Create a New Identity is de titel. De schrijver noemt zich Anonymous. Misschien omdat hij bang was voor rechtszaken, maar wat hij schreef klopt.” Zoals ze nu keek leek ze op een klein, stout meisje. “Ik heb een polaroidcamera meegenomen. We gaan een pasfoto van je maken voor je rijbewijs.” Ze bewoog haar hoofd, wang naar me toe. “Ben je tevreden?”
Ik drukte een zoen op de wang en zei: “Ja, ma.”
Toen Kaya begon te huilen liep ik de trailer in. Len was aan het vingerverven met chocola. Ik ruimde de smeerboel op en ging pas naar buiten toen het stil was onder de luifel.
∗
Kaya was wie ze was en ze deed wat ze deed. Voor mij gold hetzelfde. Ik was Jeff Meeks die gezocht werd door de politie, of Jeff Aabelson die kon doen en laten wat hij wilde.
Daar was niets schizofreens aan, wel iets handigs, net zoals Kaya’s zorgen een handige kant hadden. Ze knipte Lens haar en een keer zei ze dat ik moest aanschuiven. Ik zei dat ik mijn baard wilde houden en ook mijn lange haren waarna ze ‘goed’ zei en de helft van mijn haren wegknipte. Ze gooide mijn doorgezwete Exxon-honkbalpetje weg, gaf me een nieuwe (“Arizona, Route 66, made in the USA en nu eens niet in China of Taiwan”) en vond dat ik een ander mens was geworden. Het petje hield ik, de spijkerbroek sloeg ik af, ik was nog niet zover dat ik door een instant-moeder aangekleed wilde worden. Meestal liet ik Kaya begaan, vooral als ze weer met een Bambi aankwam. Ongeveer ��n keer in de twee maanden liet ze me in mijn eentje naar haar trailer gaan voor een vrouw die zich Bambi noemde en die als ze de naam had uitgesproken naar me keek of ze een nieuw soort gek had ontdekt. Elke keer zei de vrouw dat ze was betaald. E�n Bambi vond dat ik een te gekke moeder had, vet cool, al zag ze op tegen een nummertje met mijn vader, ze wilde maar zeggen, twee generaties uit hetzelfde gezin dat was…Na lang nadenken kwam ze op het woord ‘apart’. Dat was het, eerst de zoon, daarna de vader, maar waarom moest moeder erbij zijn als ze met de vader de trailer in ging en was mijn vader niet een beetje…nou ja, apart, met die ogen die van glas leken, of van plastic, hoe heet dat spul dat ze in dieren stoppen die zijn opgezet?
Twee Bambi’s zeiden dat ze uit Tucson kwamen, ��n noemde Scottsdale, ��n Flagstaff, twee waren zo druk met hun kauwgum dat ik niets van het antwoord verstond.
Het was vreemd, het had iets volslagen geschifts, maar het was ook aangenaam. Dus maakte ik geen bezwaar en ging ik steeds vaker naar de Sundowner, waar Len me ‘zoon’ noemde of ‘Jack’, en daarna om Coors vroeg.
Twee keer, op dagen waarop Len rustiger was dan normaal en waarop hij me zelfs waarschuwde als hij naar de wc moest, sprak hij over Cathy met wie hij wilde trouwen. Toen ik vroeg of Cathy eigenlijk Kaya was, keek hij met ogen vol tranen. “Catherine.” Meer zei hij niet, maar hij trok me mee naar een plek achter de trailer en wees naar de grond. Ik krabde in de aarde tot hij een nieuwe plek aanwees. Toen ik doorkreeg dat hij iets zocht, kroop ik op handen en knie�n over de grond. Achter een kleine Joshua Tree was de aarde zachter. Ik krabde tot ik een blauwe plastic deksel zag. Len maakte opgewonden geluiden toen ik aan de deksel trok. Hij sprong op en neer van opwinding toen ik de deksel optilde en in een klein, blauw vat keek. Op de bodem lag iets van papier, een pakje, een boek. Ik wilde het pakken, maar Len drukte me weg. Hij kwijlde en brabbelde, maar ik begreep dat ik er af moest blijven. Hij trok de deksel uit mijn handen en legde hem over het vat. Ik hielp hem met het terugschuiven van de grond. Pas nadat ik hem op een stoel had gedrukt en hem bier had gegeven kon ik iets verstaan. “Voor jou, zoon, voor als we dood zijn.” Hij zei het niet precies zo, maar het was wat ik opmaakte uit de flarden van zinnen.
∗
Kaya ging steeds vaker naar Tucson en bleef soms drie, ��n keer vier dagen weg. Ik paste op Len en sliep in de Sundowner. Over de therapie vertelde Kaya nooit en over haar verleden evenmin. Ze bracht wel elke keer boeken mee, eerst detectives, daarna oorlogsromans (‘Ik vond The Last Parallel van Martin Russ, een Signet Pocket, eerste editie, gaat over de oorlog in Korea, leer je meteen wat van de geschiedenis’) en nog later toneelstukken (‘Death of a Saksman van Arthur Miller, moet je gelezen hebben’) en literaire meesterwerken. Na The Unvanquished van William Faulkner zette ik een rem op haar enthousiasme. Ik had het geprobeerd, maar was opgehouden toen ik de draad kwijt was.
“Ik begrijp er geen moer van.”
“En ik had nog wel toneelstukken van Shakespeare in gedachten voor over een paar weken.”
“Als ik er bij moet nadenken tot ik hoofdpijn heb, doe het dan maar niet.”
Ze klopte op mijn knie. “Ik zei het om te plagen. Het maakt niet uit wat je leest. Als je maar leest.”
“En er plezier aan beleeft?”
Meestal zei ze dat er zelfbij, maar dit keer liet ze het na. “Er is zoveel om te lezen. Zoveel om te doen.”
De klank van haar stem had me moeten waarschuwen. Als ze weggleed in somberheid, was dat altijd te horen. Haar gezichtsuitdrukkingen leken haar stem te volgen. Ik zag ze verstrakken en ik wist dat haar ogen weer dof werden.
“Al de boeken die ik heb gelezen, alles wat ik heb geleerd, het verdwijnt. Ik weet zoveel.” Ze sprak langzaam en legde nadruk op beide lettergrepen toen ze het woord herhaalde. “Zoveel. Alsof het ergens goed voor is.” Ze verborg haar hoofd in haar handen. “Jij vroeg een keer waarom we hier zijn gaan wonen, Len en ik. Niet alleen om wat ik vertelde over de tatoeage en over het verleden. Dat ook, maar niet alleen. Omdat we niet geworden zijn wat we wilden zijn, omdat niets ging zoals het moest gaan.”
“Jack?”
Ze maakte een ge�rgerd gebaar. “Niet alleen Jack. Er is meer dan Jack. Denk je wel eens na over macht, Jeff?”
Zo’n soort vraag kwam in elk gesprek en altijd zei ik dat ik niet veel dacht. De laatste tijd meer dan vroeger, maar nog steeds niet zoveel dat ik mezelf als een denker beschouwde.
“Ik dacht vanmorgen dat als ik niet gauw naar Totacon ga, ik drinkwater van je moet stelen.”
Meestal nam Kaya drinkwater voor me mee in de grote container die ze in de bak van de GMC had laten monteren, maar ze had een keer overgeslagen en ik had meer verbruikt dan ik van plan was geweest. Ik probeerde mijn toon luchtig te houden, maar ze herkende de zin niet als een grapje.
“Macht, Jeff. Dat mensen doen wat je zegt dat ze moeten doen. Daar heb ik het over.”
Ik zag Baz Madden voor me, Chuck Brannon en Elisha, mensen die in Denver macht op me hadden uitgeoefend. “Ik wil niets met ze te maken hebben, niet meer.”
“En macht die je zelf uitoefent?”
Knokploegen, dat was macht. Mannen met geweren die op Carlys Piek naar me zochten. Jeff Meeks die een drugdealer door een raam gooit. Allemaal macht. “Het is soms handig.”
“Tot je oud wordt en je afvraagt wat je er aan hebt gehad. Niks, Jeff, helemaal niks.”
Kaya met een Bushmaster aanvalspistool, dat was macht. Ik wilde het zeggen, maar Kaya was me voor.
“Al Capone had macht en hij eindigde in de cel, Jimmy Hoffa had macht en hij eindigde in cement. Dat denken ze tenminste. George Bush heeft macht.” Ik dacht dat ze wilde spugen, maar het bleef bij een minachtend geluid. “Over een paar jaar is hij weg en dan komt er een ander met macht.”
Ze noemde meer namen, maar ik begreep dat ze het over zichzelf had en over Len. Ze hadden macht gehad, en ze hadden geld verdiend. Genoeg om een GMC te kopen en een nieuwe Sundowner, shirts uit de Tuff Hedeman Collection, Dees-zonnebrillen, Bailey-hoeden en Double-H-laarzen. Genoeg ook om een therapeut aan te houden die in Tucson woonde, om boeken te kopen en om Bambi’s te betalen. Misschien had ze niet meer de macht van vroeger, maar ze had mensen voor mijn nieuwe identiteit laten zorgen en ik had veel sneller een rijbewijs en een paspoort op naam van Aabelson dan ik had verwacht.
“Je neemt het allemaal mee, Jeff. Alles wat je weet, en dan is het weg.” Ze greep mijn arm. “Laat niemand je vertellen dat het anders is. Ik dacht vroeger dat het anders was en ik had ongelijk. Je gaat dood en alles is weg. Op dit ogenblik zijn duizenden, honderdduizenden kinderen aan het leren wat ik al weet. Ik zou ze zo alles kunnen vertellen, maar zo werkt dat niet. Iedereen moet alles zelf leren. Alle fouten zelf maken. En dan doodgaan in een groot huis, in een hol of in een trailer. Begrijp je wat ik bedoel?”
Niet zo goed als ik zou willen, maar genoeg om te begrijpen dat ze een poging had gedaan me over haar leven te vertellen, dus knikte ik en streelde ik over de klauwende handen tot ze losliet. Waarna we bleven zitten tot het donker was. Len maakte kabaal, maar we gingen niet naar binnen.
Moeder en zoon onder de luifel in het donker. Zoiets dacht ik en ik wist zeker dat Kaya ‘ja’ had gezegd als ik het haar had verteld.