2

Fort Pulaski lag op Cockspur Island, een eindje ten noorden van Tybee. Het was van baksteen, het was groot en het was vrijwel verlaten. Twee in het groen geklede park ran-gers stonden in de schaduw van het metershoge verdedigingswerk te transpireren. Ze moffelden hun sigaret weg voor ze vertelden dat Doyal Dunn niet aanwezig was en dat je alleen vol kon houden dat hij in de buurt woonde, als je ‘in de buurt wonen’ niet nauw nam. Hij had een huis op McQueen’s Island, aan de andere kant van South Channel, de zuidelijke aftakking van de Savannah River, dicht bij Lazaretto Creek. Als ik geduld had kon ik op hem wachten. Doyal Dunn zou in de namiddag komen, als het iets koeler was en groepen toeristen de warmte durfden te trotseren. Doyal Dunn was gids, zeiden ze. Hij wist alles van Fort Pulaski, maar als ik haast had en niet wilde wachten op een rondleiding, kon ik ook een boekje kopen. Over een uur zou het bezoekerscentrum opengaan.

Ze staken een hand op toen ik de motor startte en wegreed. Of ze hadden niet ge�nvesteerd in M4U of het nieuws dat ik in Savannah rondreed was nog niet tot de oostelijke rand van Georgia doorgedrongen.

Een uur later had ik het gevoel dat ze wel degelijk alles van me hadden geweten, maar dat ze hadden gekozen voor een subtiele aanpak: gewoon de eindeloze rietlanden in sturen, waar vogels heersten en beesten die wegritselden door riet en gras. Nog een uur later vroeg ik me af waarom Kaya en Len de moeite hadden genomen naar Arizona te gaan. Als ze hun Sundowner aan de oostkant van McQueen’s Island hadden gezet waren ze ook vrijwel onvindbaar geweest.

Via paden die onbegaanbaar waren voor auto’s kwam ik bij een houten steiger die was uitgebouwd tot hij anderhalve meter boven het water hing. Een eindje verderop stond een kleine vrachtauto met in de bak hengels, koelboxen en emmers waarin vissen spartelden. Ik hing met mijn neus boven de vislucht toen ik iets voelde prikken in mijn rechterbil. Een seconde later voelde ik een scherpe pijn gevolgd door een scheurend geluid. Het geluid kwam van mijn spijkerbroek, de pijn door een haakje dat een stukje vlees uit mijn bil scheurde. De kreun was van mij, de schreeuw van een kleine man die een zwarte hoed op had die leek te rusten op zijn neus. Hij had een hengel in zijn handen en een broek of een overall op zijn knie�n.

Hij riep: “Rot op, daar,” en zwaaide met zijn hengel. Ik hoorde het snoer een halve meter boven mijn hoofd suizen en volgde met mijn ogen het uiteinde. Aan een metalen haak zat iets roods.

Ik wees naar het stukje bil dat rondzwierde en dook weg toen het recht op me af kwam.

De man riep opnieuw: “Rot op, daar!” Hij bewoog de hengel en ik dook.

Dit keer bleef ik gehurkt naast de vrachtauto zitten terwijl ik me afvroeg of ik bang was voor het haakje of dat ik onder de indruk was van de kleine man die geen enkele moeite deed om zijn broek op te trekken.

De man maakte een beweging met zijn pols en de lijn zwaaide naar achteren. Ik hoorde het plonsje toen mijn stukje bil in het water terechtkwam en zag in gedachten vissen toehappen.

Ik ging langzaam rechtop staan en gebaarde naar de man die de achterkant van de hengel in de grond drukte. Daarna sjorde hij aan iets wat een blauwe, mouwloze overall bleek te zijn die precies over zijn bleke buik en borst viel en over de witte strepen op zijn schouders. Wat onder de overall uitstak was bruin en gerimpeld. Bij het optrekken had ik geen onderbroek gezien, de overall leek alles wat hij droeg. Buiten groene laarzen en de zwarte hoed.

De laarzen zag ik toen ik een stukje dichterbij was gekomen. De man leek niet bang voor me. Hij trok wel de hengel uit de grond en hield hem zo dat hij met de achterkant kon slaan.

Ik hield een hand tegen mijn bil gedrukt terwijl ik verderliep. Ik overwoog een openingszin die sterker was dan: “Ben jij gek geworden?”, of: “Wat krijgen we verdomme nou?”

Toen ik tegenover hem stond was het beste wat me te binnen schoot: “Zak.”

De man knikte, trok de hoed zo ver naar achteren dat hij me helemaal kon zien en keek me aan met ogen die kleurloos leken. “Niemand komt nog es an me vis.”

“Nog es?”

“Vorige week. Ze kwamme uit het riet, net als jij. Ze maakte minder lawaai en ik had ze te laat in de gate. De vis kon me niet verdomme, maar het was een nieuwe emmer. Je bloeit.”

Ik volgde zijn blik en zag bloed tussen mijn vingers doorsijpelen. “Bloeit.”

“Als je bloeit moet je een paardenstrontprik hale. Bij de dokter.”

“Tetanus?”

Hij bewoog de hengel, wachtte tot het uiteinde van het snoer ter hoogte van zijn ogen hing en maakte een beweging met zijn hoofd. “Me hake zijn schoon, de kreek niet.” Hij maakte een geluid dat op hikken leek. “Ze gooie de drollen in de rivier. Die drijf ze naar de kreek. Daar vrete de vissen ze. Wij vrete vis. Ik niet, maar daargins wel.” Hij wees met de punt van de hengel in de richting van de stad. “Daar ete ze alles. Hun eige drolle.”

Terwijl hij lachte bekeek ik mijn bil. De scheur in de broek was enkele centimeters groot, de bil miste een driehoekje vlees dat kleiner was dan het topje van de pink dat ik ertegenaan legde. Als ik zo bleef staan zou het bloeden over een paar minuten zijn opgehouden.

De man leek er net zo over te denken. “Rustig blijve staan, dan hou je het leve. Dus je kwam niet voor me vis?”

Hij leek het te vragen omdat hij zekerheid wilde. Die gaf ik drie keer en dat vond hij voldoende. “Wat kom je dan doen?”

Ik vertelde dat ik op zoek was naar het huis van Doyal Dunn. Dat vond hij zo leuk dat hij moest lachen. Dat deed hij kromgebogen, met zijn handen op zijn knie�n. Daarna legde hij uit dat ik op een punt was beland dat Fishing Pier werd genoemd omdat je er kon vissen. Je kon er met de auto naartoe, gewoon via de Highway 80 en dan afslaan bij het bordje ‘Fishing Pier’. Doyal Dunn woonde daarginds. Bij daarginds wees hij de kreek af. “Twee grote bochte en dan zoeke. Laag huissie.” Hij plaatste een hand achter een oor en luisterde. “Bij die herrie daargins.”

In de verte hoorde ik geluiden van motoren. Drie, misschien vier.

“Is daar een racebaan of zoiets?”

Hij keek kwaad in de richting van het geluid. “Rijke stinkers. Niks te doen, die.”

Hij zweeg toen ik mijn hand van mijn bil haalde en naar de pink keek. Het bloeden leek te zijn opgehouden en ik zoog de pink schoon.

Hij keek of hij spijt had. “Ik zat te kakke toen je kwam. Ik dach: jatte ze nou al vissies als je zit te kakke. Vandaar.”

Hij keek of hij het meende en ik zei dat het een misver-standje was. Toen ik naar de motor liep volgde hij me. Toen ik met mijn achterste heen en weer schoof tot het wondje op de bil vrij was van het zadel grinnikte hij hoorbaar. “Vergeet de paardenstrontprik niet. Anders ke je over een week alleen nog rije met een kusse onder je kont.”