2

De hoofdbibliotheek van Phoenix lag aan Central Avenue, naast Hance Park. Het was groot en binnen was het koud. Dat gold niet alleen voor de temperatuur, maar ook voor de blikken van mevrouw Dansie, de vierde vrouw die secondenlang naar de foto van Kaya keek. Ze was de eerste die me niet doorverwees naar een hogergeplaatste. Ze was ook de eerste die op haar naamplaatje geen voornaam had maar een letter: D. Dansie. Dorothy?

“Of ik haar ken, meneer…?”

“Aabelson.”

“Meneer Aabelson. Of ik haar ken, vraagt u?”

“Of u haar hebt gezien. Het is een oude foto, maar ze lijkt er nog steeds op. De laatste jaren had ze meestal kralen in het haar. Gevlochten kralen.” Doris?

“U wilt dus weten of ik deze vrouw heb gezien.”

“Ja, mevrouw.” Darryl?

“Waarom wilt u dat weten?”

“Omdat ze zoek is, mevrouw Dansie.” Deborah?

“U zegt dus dat u naar haar op zoek bent. Heeft deze mevrouw een naam?”

“Catherine Lenz. Of Catherine Caray.” Ik was door mijn voornamen heen. Nee, nog een: Dinah?

“U bent dus op zoek naar een mevrouw die in elk geval Catherine heet. Op verzoek van wie, meneer Aabelson?”

Ik begreep waarom de airco zo laag stond afgesteld. “Van meneer Caray.” Waar waren die voornamen nou? Do. Da. Dy. Dyan?

“Dus niet van meneer, hoe zei u dat het was, Lenz?”

“Er is geen meneer Lenz. Lenz is haar meisjesnaam.” Du. Du.

“Die meneer Caray, is dat haar man?”

Vriend, maar waarom zou ik dat uitleggen. “Ja.” Di. De.

“Catherine Caray-Lenz dus eigenlijk. U bent niet erg zorgvuldig.”

“Nee. Sorry.” Ik had het heet. Als ik niet snel op een nieuwe voornaam kwam, zou ik haar wurgen. Ze had er de nek voor, lang en mager, met pezen in plaats van spieren en vel met kleine pukkels. Delia. Ik zuchtte van opluchting, maar mevrouw Dansie zag het als een vorm van capitulatie.

“Laat u mij de brief van uw opdrachtgever maar eens zien. U hebt toch zeker wel een brief? Ik ben er zeker van dat u zonder brief mijn tijd niet zou verspillen.”

Debbie, Delfina, Delilah of had ik die al gehad, Daphne.

Ik stond me geconcentreerd in te houden toen een man naar mevrouw Dansie liep. Ik verstond maar ��n woord van wat hij zei: Dirk.

Dirk Dansie. Ineens vond ik haar manier van reageren minder irritant. Klein van stuk, te dik, een nek met kleine pukkels, rood haar met zwarte strepen opgebonden in een knot, en dan Dirk.

“Ze is hier geweest omdat meneer Caray boeken met een stempel van deze bibliotheek heeft gevonden. Hij denkt dat de boeken waren gestolen. Dat deed ze, Catherine Caray-Lenz. Het was een gewoonte van haar. Ze stal boeken.” Het kostte me moeite het te zeggen over Kaya, maar ik deed het en het leidde de aandacht van Dirk Dansie af.

“Wat voor boeken?”

“Geen dure. Gewone, goedkope.” Ik dacht na. Welk boek had ik gelezen waar een stempel van Phoenix in stond? “Ik geloof dat meneer Caray de naam Cheyney noemde. Peter Cheyney.”

Dirk Dansie krulde haar bovenlip. “Niet een schrijver om te willen stelen.” Toen ze het had gezegd leek ze de zin te willen uitvegen. Ze keek nog een keer naar de foto en gaf hem terug. Daarna liep ze weg om te overleggen met een vrouw die uit haar ooghoeken naar me keek. “Wij hebben alle boeken van Peter Cheyney uit de bibliotheek verwijderd. Jaren geleden al. Als mevrouw Caray er niet lang geleden een heeft gestolen, dan moet ze in een van onze filialen zijn geweest. Of misschien zelfs ver buiten Phoenix. Boeken die we verwijderen geven we soms aan kleine bibliotheken in de provincie. De woestijn.” Ze keek of ze medelijden had met alle boeken die naar de woestijn moesten. “Ik zou zeggen, meneer Aabelson, probeert u het eens elders.” Nu keek ze of ze me had afgetroefd.

Ik stopte de foto weg en maakte een kleine buiging. Toen ik wegliep zei ik tamelijk hard: “Dirk, bedankt.” Drie vrouwen die ons van een afstandje hadden gadegeslagen schoten in de lach. Dirk Dansie’s dunne nek werd rood.

Ik stond bij de pick-up toen ik iemand hoorde roepen. Het was zo’n roep die half onderdrukt is omdat het zonder lawaai moet.

De vrouw die met een boog naar me toeliep en achter de pick-up bleef staan loerde over de bak naar de bibliotheek. Ze hijgde en hield een arm tegen haar borst gedrukt met de hand tegen haar keel. “Is me dat rennen. Ik was bang dat ik te laat zou zijn. Ik kon niet meteen weg. Mevrouw Dansie. Dirk. Dirruk.” Ze genoot van het woord. “Hoe komt u erbij? Dirk.”

“Ik dacht dat ik dat verstond.”

“Dot zult u bedoelen. Dat vindt ze al erg genoeg. Komt u maar niet terug hier, ze is erg kwaad op u. Als ze weet dat ik u achterna ben gelopen…” Ze keek snel over de bak naar de bibliotheek. “U moet naar Kingman. Of naar Sedona. Voor die oude boeken, die Cheyneys waar u het over had.” Ze was een van de vrouwen die van een afstandje hadden staan toekijken. Haar gezicht glom van spanning. Of van plezier. “Dirk. Hoe krijgt een mens het bedacht.”

“Hoe weet u dat zo snel? Dat ik naar Kingman moet?”

“Of Sedona, u moet wel opletten.” Ze keek me streng aan met pientere ogen, terwijl ze zwaaide met een vinger met een glimmende, zeegrasgroene nagel. Bijna alles aan haar was groen: haar, oorbellen, blouse, lange rok, schoenen. De riem om haar middel was zilverkleurig, net als de ringen om haar vingers. Ik vroeg me af waarom ik haar nu pas herkende. Omdat ze plat was als een dubbeltje?

“Opletten, zei ik. Ik weet waar u naartoe moet omdat u niet de eerste bent die naar tweedehandsboeken vraagt die zijn gestolen.”

In gedachten had ik haar een kleine ‘C’ aangemeten om haar en mezelf op te vrolijken en daardoor was ik afgeleid. Ik schudde mijn hoofd om de fantasie�n te verjagen. “Weet u wie het was?”

“Iemand van halfweg dertig. Met een rond hoofd. Bijna kaal. Van het scheren, niet van uitvallen. Ik weet zijn naam niet, alleen dat hij een foto van een vrouw liet zien. Volgens mij dezelfde van wie u ook een foto hebt, alleen ouder.”

“Wanneer was dat?”

“Een paar maanden geleden. Hij zei dat de vrouw was weggelopen en dat hij opdracht had…” Haar stem werd bedachtzaam. “Is die vrouw zo belangrijk dat ze een heleboel mannen op pad hebben ge…” Ze deed een stapje achteruit. Ze sprak alsof ze steeds nieuwe invallen kreeg en van zichzelf schrok. “Bent u misschien een premiejager of zo? Die andere was veel…” Ze zocht een woord, aarzelde, groef een nieuw woord op. “Gewoner. U ziet eruit als…” Ze zuchtte. “Ik had binnen moeten blijven. Maar Dirk.” Ze moest er weer om lachen.

Ik pakte de foto van Jack en hield die voor haar ogen. “Was hij het?”

Ze bekeek de foto die AnnaLee Lurie me had gegeven nauwkeurig. “Raar, die beentjes over de schouders. Van zijn kind?”

“Zijn zoon.”

“Een afgeknipt kind. Wie knipt er nou zijn kind af, raar hoor. Hij leek me helemaal niet iemand voor kinderen. Helemaal niet. Volgens mij…Hij…”

“Hij is een zoon van de vrouw die zoek is. Hij heeft de moed opgegeven. Ik ga door. Opdracht van de familie.”

Ze bleef naar de foto kijken. “Hij heeft het niet over een kind gehad en…”

Ik zag Jack voor me met de vrouw in het groen. In een restaurant met rozen op tafel. In een nachtclub. In een motel.

“…en al helemaal niet over zijn moeder. Ik dacht…” Ze maakte een nijdige beweging. “Doet er niet toe wat ik dacht. Kingman of Sedona. Ik heb het uitgezocht toen deze meneer,” ze tikte met een nagel tegen de foto, “ernaar vroeg. Een kind. Ik zou toch gezworen hebben…”

Ze gaf de foto terug en keek lang over de bak van de pick-up naar de bibliotheek voor ze terugliep.