1

Bij Fort Pulaski stonden twee tourbussen. In de schaduw van de grootste bus zaten twee mannen op klapstoeltjes, een koelbox tussen hen in. De grootste had een pet op schoot, de kleinste droeg een stetson. Chauffeurs, wachtend tot de excursie door het fort was afgelopen.

Ik keek naar ze vanuit de Oldsmobile waarvan ik de raampjes had opengezet. Na een poosje keken ze terug. Een kwartier later boog de kleinste zich naar de koelbox. Hij pakte er iets uit en wees naar me. Ik maakte een afwerend gebaar en bleef zitten. Ik kon precies de entree van het fort zien en was niet van plan me te bewegen voor ik had bedacht hoe ik er zonder op te vallen achter kon komen of Doyal Dunn aanwezig was. Het zou niet meevallen met twee verbonden armen, een doorzweet shirt en een winkelhaak in mijn broek.

Uit een ooghoek zag ik de kleinste chauffeur op me af komen. Hij hield een blikje in zijn uitgestoken hand, een teken van ‘jongens onder elkaar’.

Ik hoorde zijn adem stokken toen hij mijn armen zag. “Jezus.”

Het blikje zweefde voor mijn ogen. Bud light. Ik pakte het, boog het lipje weg en nam een slok. “Dank je. Honden. Twee stuks. Ik liep een eindje rond. Ik zag ze pas toen ze sprongen.”

“Hier?” Hij wees naar het fort.

“Aan de andere kant van South Channel. Ik zou een pakje afleveren voor iemand die Doyal Dunn heet. Hij werkt in het fort.”

De chauffeur knikte. “Hij geeft een rondleiding. Vriendelijke vent. Ik zette achtenveertig Koreanen voor hem neer, van wie er vijfenveertig nauwelijks Engels spreken en hij zei dat hij erger had gezien. Precies zo zei hij het: dat hij erger had gezien. Ik rij negen dagen met die groep en ik ben al honderd keer van plan geweest de bus in een ravijn te rijden, of in een rivier. Als ik moet kiezen tussen een hok met twintigduizend kippen of achtenveertig Koreanen, dan wist ik het wel. Of ben ik nou te, hoe noem je dat?” Hij keek of hij nadacht. “Klantonvriendelijk. We hebben tegenwoordig een boekje waarin staat hoe we ons tegenover onze klanten, ho, klanten? Tegenover onze gasten moeten gedragen. Vriendelijk.” Hij legde een hand op het dak van de auto, gromde en keek met een kwaad gezicht naar de palm. “Ikkom uit Texas.” Hij tikte tegen zijn hoed. “In Texas zeggen we wat we denken. Dat moet je afleren als je Koreanen rijdt. Mijn maat komt uit Seattle. Daar zijn ze Aziaten gewend, schijnt het. Als je naar de ontvangstbalie gaat, halen ze Doyal Dunn wel even voor je op.”

“Als ik naar binnen ga met deze armen, dan beginnen er achtenveertig Koreanen misbaar te maken, wat denk je daarvan?”

“Zit wat in,” gaf hij toe. “Die, en de drie�nveertig uit de andere bus. Je hebt ook kans dat ze allemaal stilvallen. Ik snap niks van die lui. Ik heb nog een klapstoel. Kom bij ons zitten, hier sterf je van de hitte.”

Dat was precies wat ik zat te doen en daarom liep ik achter hem aan de schaduw in. Waar ik een tweede Bud kreeg, en een derde.

Na bijna drie kwartier sprong de kleine chauffeur op. “Daar zal je ze hebben.”

Ik liep achter hem aan en zag een stroom kleine mannen en vrouwen in de richting van de bussen lopen.

“Had jij ze horen komen?” vroeg de kleine chauffeur.

Ik schudde van nee.

De chauffeur trok een gezicht. “Je hoort ze nooit komen, ik krijg er de zenuwen van. Over een paar dagen zijn we in Orlando en dat is niks te vroeg. Jouw Doyal Dunn staat rechts van de ingang. Die kleine met dat donkere pak. Als je het stervensbenauwd wilt krijgen, moet je met dit weer een zwart pak aantrekken.”

Ik liep naar de auto en toen de chauffeurs blikjes uitreikten aan Koreanen die dollars omhooghielden reed ik naar een plaats waar personenauto’s stonden. Ik gokte erop dat Doyal Dunn daar naartoe zou gaan als hij klaar was met zijn werk.

Dat was hij zes minuten nadat de bussen waren weggereden. Hij was klein, hij had een paardestaart van lang grijs haar en hij droeg een bril zonder montuur. Hij deed me aan de dokter in het ziekenhuis denken. Daar kreeg ik het koud van. Heel Savannah was ��n grote samenzwering. Iedereen wist alles van me en ik wist niks. Het voelde of ik met te veel mensen in een kleine lift stond. Claustrofobisch. Het voelde of ik werd gevolgd door mannen en vrouwen die onzichtbaar werden als ik omkeek.

Ik wilde teruglopen naar de Olds om de buks te pakken, maar aarzelde toen een park ranger het fort uit liep en op het randje van de schaduw bleef staan, borst vooruit, handen gevouwen achter zijn rug. Hij keek naar me, of ik dacht dat hij keek. Waarschijnlijk zou hij schieten. Hebben park ran-gers een pistool? Parano�de.

Doyal Dunn bleef staan bij een metallic groene Nissan Pathfinder. Hij gooide het portier open en boog zich naar binnen. De motor gromde en ik begreep dat hij de airco had aangezet om de hete lucht te verdrijven.

Hij zag er klein uit, en weerloos, zoals hij daar stond, een hand in de auto om te voelen of de lucht koel genoeg was.

Ik liep naar hem toe en ging zo staan dat de park ranger alleen mijn rug kon zien.

“Doyal Dunn?”

Hij keek niet naar mijn gezicht. Hij deed ook geen stap opzij om in het zicht van de ranger te komen.

“Aabelson?”

De naam trof me als een klap met een knuppel. Zie je wel, niks parano�de, iedereen wist gewoon alles van me. Ik was opgenomen in een web van mensen en iedereen spon draden om me heen. Straks zou ik een cocon zijn en leeggezogen worden, waarna mijn huls in het centrum aan stukken gescheurd zou worden door iedereen die een stukje Jeff Meeks wilde. Herinnering aan een rondstuntelende bemoeial.

Ik voelde zweet in mijn mond lopen toen ik reageerde. “Ik wil je graag spreken.”

“U wilt dat? Graag?”

Hij sprak beschaafd, een beetje langzaam misschien en met de nadruk op u.

“Heel graag. Ik was bij uw huis. In de buurt.”

Hij hielp me op dreef met een glimlachje. Hij keek nog steeds niet naar mijn gezicht, maar misschien waren mijn armen wel boeiender, of mijn kont. “Rustig maar. Het is te warm voor opwinding. Ik dacht al dat u zou komen opdagen. Stapt u maar in.”

Doyal Dunn stak South Channel over, reed over Highway 80 een stukje naar het westen en sloeg op een plaats waar je Oyster Creek kon zien links af. Het pad was deels verhard en zat vol kuilen. Het was net breed genoeg voor de Pathfinder die langs riet schuurde, langs berkentwijgen die bezig waren boom te worden en langs verpieterde boompjes waar bladeren aan hadden moeten zitten. Hij zat rechtop achter het stuur en had zijn lippen getuit, alsof hij geluidloos floot. Hij had overal rimpels, behalve op het bovenste deel van zijn wangen. Die waren glad en rood alsof ze pas waren opgewreven. Hij droeg nog steeds zijn zwarte pak, maar leek het niet warm te hebben, hoewel de airco op halve kracht stond. Ik keek beurtelings naar hem en naar het pad. Ik had de buks mee moeten nemen, dat was zeker. Verderop stonden vier jongens met quads. En staven, knuppels, ploertendo-ders, jachtgeweren. Ik zag ze voor me.

“Niemand hier.” Doyal Dunn glimlachte terwijl hij schuin opzij keek. “Niemand komt ooit op bezoek, daarom wil dit pad maar geen pad blijven. Veel te weinig verkeer. Niet dat ik het wil, bezoekers. Vroeger wel, maar tegenwoordig niet. Ik heb achtenveertig Koreanen achter de rug, dan heb je het wel gehad voor vandaag. Mijn collega had er drie�nveertig. Twee spraken er Engels. Dat zeiden ze. Toen mijn collega zei dat het fort vorig jaar had gediend om een aanval van de Japanners af te slaan, vertrokken ze geen spier.”

“Omdat ze het niet verstonden.”

“Precies.”

Hij liet een korte stilte vallen en ik had het gevoel dat hij ‘jongen’ had willen zeggen, of ‘zoon’. Hij glimlachte toen hij merkte dat ik hem bekeek. Zijn wangen werden er boller door en roder. Hij zag eruit als een kabouter die was doorgeschoten tot hij ��n meter vijfenzestig was. Het pak paste niet bij zijn wangen, wel bij de rest van zijn gezicht. Het lange haar paste nergens bij. Of misschien was ik nog steeds in de war en paste ik gewoon niet in de Nissan, en niet in het landschap.

“U zei net dat u verwachtte dat ik zou komen opdagen.”

Hij knikte, maar gaf geen antwoord.

“Hoe kwam dat?”

Weer het glimlachje en het opbollen van de wangen. “Als u iets wilt weten, moet u het vragen. Aan halve zinnen heb ik niks. U was vanmorgen al bij het fort.”

“De rangers hebben gebeld?” Ik zong het laatste woord bijna, het vragende karakter kon hem niet ontgaan.

“Ik had ze gevraagd om te letten op een grote, brede man met een beetje een stijve arm.”

“Hoe wist u…”

Het was geen echte vraag en hij gaf geen antwoord. Misschien had hij ook geen antwoord gegeven als ik het wel had gevraagd. Op een of andere manier had hij iets van een stijfkop. Niemand zou een man als mij hebben meegenomen naar een verlaten gebied. Hij deed het wel. Uit stijfkoppigheid, dacht ik, uit dwarsheid, of gewoon om me te laten zien dat hij durfde. Tenzij…“Die vier quadrijders. Wie waren dat? Hulptroepen?”

“Beste jongens. Dat zijn het. Ze komen vaak in dit gebied. Ik wilde weten of u snel bang wordt. Ze zeiden dat ze bang van u waren geworden. Ze zijn naar huis gegaan, of naar de golfbaan.”

“Hoe wist u dat ik in de stad was? Via de Afro-American Baptists Church?”

Hij tuitte zijn lippen opnieuw, maar nu als teken van afkeuring. “De AABC is zwart,” aarzeling, “jongen. Zwart en wit, dat gaat niet altijd samen in Georgia.”

“Art Mornay?”

“Die is wit. Waarom noemt u AnnaLee niet?”

Ik dacht aan wat AnnaLee Lurie had gezegd. “Ze zou niet op het idee komen om u te bellen. Ze had wel een boodschap voor u. “Als je Doyal Dunn ziet, vraag dan waarom opa nooit naar zijn kleinzoon komt kijken.” Dat zei ze en ze keek er grimmig bij.”

Geen lachje, dit keer. Hij klemde zijn lippen op elkaar en zweeg tot we bij zijn huis waren.