Sugarblues
Met een klap sla ik het klepje van de benzinetank dicht. Vijfenzeventig euro!? Zijn ze nou helemaal gek geworden! Om mijn misnoegde burgermans gemopper te versterken, reken ik mijn volle tank nog even in guldens uit. Honderdvijfenzestig gulden….. Dan doet het nóg meer pijn. Dat deed ik volgens mijn moeder vroeger ook al. Als ik was gevallen en het deed niet zeer genoeg voor een huilbui-met-snoepje-na pompte ik mijn verdriet op door eerdere zere knieën op te tellen tot de waterlanders kwamen: ‘En toen was ik ook al zo gevallen.’
Honderdvijfenzestig gulden….. Drie keer met de hond naar het strand, wat luie boodschappen en leeg is die tank. Ik zal m’n auto opgeven bij de AA, auto anonymous, de dure zuipschuit. Pomp twaalf is pissig. Punt.
Ik wandel naar het tankstation. Een grote, helverlichte supermarkt voor de kortstondige behoeftebevrediging: suiker, chips, seks en sigaretten. De enige zaak waar de geretoucheerde Playboy -pussy’s naast de kinder-chocoladesurprise-eieren liggen.
Vroeger was een
benzinepompstation een benzinepompstation. Daar werd alleen benzine
verkocht of dingen voor je auto: motorolie, koelvloeistof, V-snaren
en ruitenwissers. In een klein huisje van twee bij drie meter zat
een dikkige, kalende meneer in een garage overall op een houten
stoel te wachten op een klant. Als je aan kwam rijden en naast de
enige pomp stopte, kwam de pompbediende uit zijn hok, groette
vriendelijk en kende je naam. Bij elke liter die hij voor je
tankte, hoorde je een heldere ‘pingngng’ van een belletje, en er
draaide een schoepradje door een kijkglas. Ik keek er altijd naar
als mijn vader buiten met de man stond te praten. Terwijl de tank
volliep, waste de garagehouder je voorruit. Na het tanken haalde
hij een vettige doek uit zijn overall-zak, veegde de tuut van de
benzinekraan schoon en hing het ding terug in de pomp. De kassa
stond nog gewoon op de toonbank en de lachende mevrouw van de
autobandenkalender had nog schaamhaar en echte tieten. Een gulden
tijd. Wie nu z’n benzine wil afrekenen moet met uiterste wilskracht
langs eindeloze stellages snoep en snaai dat naar je wuift en je
handkusjes toewerpt.
Hoewel...
Ik loop tegenwoordig met rechte rug en een half litertje blauwe Spa stralend langs de verlokkingen. Wilskracht? Neen!
Al jaren had ik last van vreemde vermoeidheidsbuien. Op de wonderlijkste momenten viel de energie uit mijn lijf. Moest ik zonder bloeddruk hijgend op een stoel gaan zitten omdat zelfs staan te veel energie kostte. Soms duurde zo’n bui een halfuurtje, soms een hele dag.
Altijd als Lief me zag
instorten, vroeg hij: ‘Waar ben je dan zo moe van?’ Snibbig riep ik
dan: ‘Nou, misschien van dat eindeloos vervullende, multitaskende
moderne vrouwenleven met een ademloze agenda?’
Maar toen ik vorig jaar een halfjaar sabattical had en werkelijk
niets anders deed dan in de zon neuzelen en een golflesje hier en
daar, bleven de buien mij overvallen. Dokter was er al snel achter:
hypoglykemie. Zijn korte en krachtige advies: suikerarm en liever
zes kleine maaltijden per dag dan drie grote.
En van de ene op de andere is deze snoepaholic gestopt met suiker. Mijn auto reed een op dertig: één zak drop op dertig kilometer. Ik zette thee bij een pak koekjes. Ik was een chocolade-ketting-eter.
Stoppen met suiker??? neeee! Ik vreesde dat ik als een echte afkickende verslaafde me af en toe in donkere hoekjes bevend aan een shotje drop zou vergrijpen. Maar ik heb de suiker als een lastige ex kordaat de deur gewezen en voel me sindsdien top.
Dag suiker….. Opzouten!