Samen uit, samen thuis
Opnieuw is het een heerlijke, zomerse dag en de reizigers genieten daar volop van. Rustig vliegen zij boven het water van de grote fjord in de richting van de zee.
„Misschien komen wij Vidar, Loki en Wiglaf nog tegen," roept Pim, als zij in de buurt zweven van de plek, waar het drietal het vikingschip heeft laten zinken.
„Ik stel geen prijs op een nieuwe ontmoeting," antwoordt Wipneus. „Laat die kerels verder hun eigen boontjes maar doppen." „Geen nieuw avontuur op dit vroege uur.
Misschien een andere keer, maar nu niet meer," rijmt malle Trollo. De tweelingbroer van Roodjasje is weer helemaal de oude.
Tegen het middaguur wordt de sprookjeszee bereikt.
De vrienden laten het Noordland achter zich en in vliegende vaart gaat het op Kabouterland aan. Die tocht duurt zeker een paar uur en als alles naar wens gaat, kunnen zij voor het avondeten in het paleis van koning Goedhart zijn.
De reis over het water is saai en eentonig. Er varen maar heel weinig schepen. Daarom gaat Trollo voor een beetje afwisseling zorgen. De dwerg begint in de lucht weer allerlei toeren uit te halen en opnieuw nodigt hij het prinsje en zijn vriendje uit om het spelletje mee te spelen.
Wipneus schudt heftig met zijn hoofd, want hij voelt er

niets voor. Met de durfal Pim heeft malle Trollo meer sukses. „Als je je goed vasthoudt, gebeurt er niets," roept de wereldreiziger. „Kom op en probeer mij maar na te doen."
Daar gaat het tweetal. Pijlsnel honderden meters omhoog om daarna in vliegende vaart omlaag te suizen.
Keer op keer wordt deze toer herhaald en het duurt niet