Maar boven dit schip hangt een grote rookwolk en Wipneus meent ook
vlammen te zien. „Ik geloof, dat daarginds een schuit in brand
staat," gilt het prinsje.
„Laten wij er vlug heenvliegen; misschien heeft men hulp nodig!"
„Daar kun je wel eens gelijk in hebben," roept nu Trollo. En dan Pim: „ O o k ik zie vuur. Er is vast en zeker een ongeluk gebeurd."
Ogenblikkelijk koerst het drietal in de richting van de rookwolk, waarachter het schip soms schuil gaat. Als zij vlak in de buurt zijn, waarschuwt Trollo: „Kijk uit, waar je landt. Onze hoepels mogen geen vlamvatten. De klimop is kurkdroog en enkele overspringende vonken kunnen heel nare gevolgen hebben. Wij zouden levend verbranden!"
Even later geeft de trol opnieuw goede raad. „ Z o gauw je op het schip bent, direkt de tover-gordels verstoppen.
Maar vergeet niet om één klimopblaadje eraf te trekken.
Steek dat in je zak. Bewaar het goed, want het zou wel eens van pas kunnen komen."
In een dikke rookwolk landen Wipneus, Pim en Trollo op het voordek van het schip. Een paar tellen later zijn de hoepels onder een groot zeil verdwenen. „En nu vlug aan het werk!" beveelt Trollo.
De drie vrienden lopen naar het achterschip, waar de brand woedt. Drie mannen zijn druk bezig emmers water over het vuur te gooien en zij hebben nauwelijks in de gaten, dat er hulp is komen opdagen. „Wij komen jullie helpen!" brult het prinsje heel hard. „Zeg maar, wat wij moeten doen."
Nu pas kijkt een van de mannen op. Zo te zien lijkt hij te schrikken, maar dat is gauw over. Snel waarschuwt hij de andere twee, die nu niet bepaald vriendelijk kijken. Komt dat door de brand of zijn de helpers niet welkom . . .?
Maar er is geen tijd om na te denken of te praten. De drie vrienden krijgen elk een emmer met een lang touw eraan in de hand geduwd. Het is duidelijk, wat er van hen wordt verwacht.
Daar gaat-ie dan. De emmer leeg in het water laten zakken en vol ophalen. Vlug naar de brandhaard lopen en proberen het water precies op de vlammen te gooien.
Daarna zo snel mogelijk opnieuw een emmer bluswater aandragen.
Het prinsje, zijn vriendje en malle Trollo werken als paarden. Ook de drie mannen doen hun uiterste best. En niet zonder sukses. Langzaam wordt het vuur minder en de vlammen kleiner. Na een kwartier is het ergste gevaar geweken.
Maar dat betekent niet, dat het blussen gestaakt kan worden. Hier en daar ligt het hout nog na te smeulen. De zwarte rookwolk trekt op en nu kan de schade worden opgenomen. In het dek is een groot gat gebrand en dat moet gekomen zijn, doordat een ijzeren bak met een houtvuur is omgevallen.
„Dat was op het nippertje," zegt Wipneus tegen een van de mannen, die even staat uit te rusten. Het prinsje is heel verbaasd over het antwoord, dat erop volgt. „Wat komen jullie hier eigenlijk doen? Niemand heeft je geroepen. Wij kunnen onze zaakjes best alleen opknappen."
„Bedankt voor de vriendelijke woorden," komt Pim tussenbeide. De kabouter wil heel duidelijk laten merken, hoe hij over dat antwoord denkt. Trollo zegt helemaal niets, maar wel kijkt het dwergje zeer goed in het rond. Het schijnt, dat hij het zaakje niet erg vertrouwt.